De eeuw van Joos

Van Eycks "Het echtpaar Arnolfini" als informatiebron

Verwijzingen


BONT

Arnolfini draagt bont. Zijn bruid draagt bont. De onwaarschijnlijk brede mouwen van haar groene houppelande zijn met grijs bont afgezet. Pas bij zeer aandachtig toekijken blijkt dat het hele overkleed met bont gevoerd is. Dat is waarschijnlijk ook bij Arnolfini het geval, zoals wij uit vergelijking met andere schilderijen kunnen afleiden. 

bont1.jpg (24840 bytes)

Op de Moreel-triptiek van Hans Memling dragen de schenker en zeker twee van zijn zoons drie duidelijk onderscheiden soorten bont: Moreel zelf een voetlang rood overkleed  volledig gevoerd met bont en een van zijn zonen een dito donker gewaad, met ... luipaardbont, dat pas ca. 1500 in de Nederlanden volop in de mode zou komen. Bij de zonen zijn de voorpanden over de hele lengte opengeslagen, zodat zich een smalle revers vormt (Madou 1994:53).

Met deze verse kennis in je achterhoofd ga je dan een aantal schilderijen die je goed dacht te kennen, met nieuwe ogen bestuderen. Nu pas merk je op hoeveel personages bont dragen. Meestal niet in de vorm van een hedendaagse bontmantel, maar als voering, waarbij telkens een kraag, manchetten en een boord zichtbaar zijn. 

arno_bont2.jpg (6870 bytes)

De twee ‘burgers’ op het Laatste Avondmaal van Bouts dragen tabbaards, met bont afgezet. 

Nicolas Rolin, kanselier van hertog Filips de Goede, op het schilderij door van Eyck in verering knielend voor de madonna (ca. 1435) is gehuld in een schitterend goudbrokaten overkleed omzoomd en ongetwijfeld gevoerd met lichtbruine nerts (Dhanens 1980: 271).

bont2.jpg (12974 bytes)

Op een ander schilderij van Memling draagt een onbekende man een rijke voering van lynxbont.

bont3.jpg (17722 bytes)

Dezelfde kunstenaar schildert Maarten van Nieuwenhove in een bruin overkleed met korte mouwen, met een zeer brede omslag van zwart bont. 

erasmusbont.jpg (57973 bytes)

Een portret uit een reeks portretten die Hans Holbein (1497-1543) van Erasmus schilderde in 1523.

Op de snede van het boek staat: Herakleiou Ponoi, de werken van Herakles, een verwijzing naar de enorme literaire productie van Erasmus.

 

Toen de eeuwig kouwelijke Erasmus van Rotterdam zich door Quinten Metsijs liet portretteren in zijn studeerkamer, had hij zijn zwarte bontkraag knus omhooggehaald in zijn hals. En dezelfde Metsijs schilderde eveneens de bijziende studax Peter Gillis met zijn brede kraag in vossenbont. 

Van de humanist Justus Lipsius (1547-1606) is een portret bewaard, waarop hij pronkt met een brede revers van de zeer zeldzame vacht van een sneeuwluipaard.

 

Portret van Lipsius, door P.P. Rubens (1613-1616),

bewaard in het Plantin-Moretusmuseum te Antwerpen.

Website Plantijn-Moretus

 

 Bont hoorde als teken van waardigheid bij sommige ambtsgewaden, bijvoorbeeld van rechters. De voorste van de ‘Rechtvaardige Rechters’ op het Lam Gods (1432) draagt met grijs bont gevoerde rijkleding. Anderen op hetzelfde paneel dragen kragen en hoedafzettingen van hermelijn. Kanunnik van der Paele, op van Eycks schilderij in het Brugse Groeningemuseum, houdt een brede stola van grijs bont over de linkerarm, als attribuut van zijn ambt. Ook vele vrouwen dragen kraagjes van bont. Zo zouden wij nog een tijdje kunnen verder gaan. Natuurlijk, houd er rekening mee dat de geportretteerden zich in hun mooiste en duurste klederen laten vereeuwigen voor het nageslacht en de museumbezoekers. Bont, bont, overal bont, op plaatsen waar wij het al die jaren over het hoofd hadden gezien. Greenpeace zou er knetter van worden.

Zijn de schilders wel betrouwbaar als informatiebron?

Uit recente studies weten wij dat voorstellingen, zelfs geÔdealiseerde, van reŽel bestaande personen zeer correct en informatief zijn wat de kledij betreft. (Dit geldt niet voor afbeeldingen van bijvoorbeeld bijbelse figuren, of figuren uit de Oudheid: die krijgen eerder gefantaseerde kleren aan.) Als wij de iconografische bronnen aanvullen met de schaarse inventarissen of andere geschreven documenten, blijkt dat vele vooraanstaanden een complete garderobe bontkleding bezaten. Graaf Willem, maarschalk van Engeland, die in 1219 op sterven lag, bezat 80 splinternieuwe bontjassen. Toen men hem aanmaande die te verkopen en het geld aan de armen uit te delen, protesteerde hij dat zijn ridders dat jaar nog geen nieuwe kledij hadden ontvangen en dat de jassen voor hen bestemd waren (Duby 1986). Op de inventarislijsten van Karel V, koning van Frankrijk (+1380) - die goudmijn voor de historicus - prijken zijn beste gewaden: zeven zesdelige kostuums, gevoerd met hermelijn, zeven driedelige kostuums gevoerd met een minder soort bont en zestien onderdelen van kostuums, eveneens met bont gevoerd en behalve dat nog verscheidene mantels (Hohler 1985:140).

Waarom werd er zoveel bont gedragen?

Natuurlijk had dat te maken met status. Want kledij was in de Middeleeuwen, zo mogelijk nog sterker dan tegenwoordig, meer dan lichaamsbescherming. Kleren vormden een der grote buitensporigheden van die tijd. Iedere maatschappelijke groep was herkenbaar aan haar kleding. Die droeg derhalve het karakter van een uniform. Wie de kleding droeg van een andere categorie dan zijn eigen maaatschappelijke groep, beging de zware zonde van eerzucht of verloedering (Le Goff 1987: 447 en Duby 1988: 490). Regelmatig beteugelden de vorsten door ‘weeldewetten’ de ‘aanmatiging van lagere klassen’ en verboden het dragen van te weelderige of indecente kledij. Dit komt merkwaardig goed overeen met de situatie in China (waar de kleur geel voorbehouden was aan de keizer), in het incarijk en bij de azteken (waar de voorschriften zich ook uitstrekten tot sieraden als oorpluggen, lipsieraden, mantels, hoofdtooien en sandalen).

Hermelijn was een teken van soevereiniteit. Volledige mantels met hermelijnvoering waren een exclusief voorrecht van de regerende vorst en zijn gemalin. Dat is zo gebleven tot onze tijd toe, wat je kan zien op de filmbeelden bij de kroning van Nicolaas II, de laatste tsaar aller Russen en zijn tsarina (vermoord in 1918). Hoge adel en vertegenwoordigers van de vorst mochten hermelijn dragen, maar de afmetingen waren zeer precies voorgeschreven.

Maar er is meer. Hedendaagse jongeren, in hun goed geÔsoleerde huizen met centrale verwarming, kunnen zich bezwaarlijk voorstellen hoe recent hun comfort is, hoe de winters tot voor kort een ware beproeving vormden. In 1970 nog hadden de meeste huizen van mijn leerlingen geen centrale verwarming (en evenmin een badkamer). Degelijke isolatie van de woningen kwam pas in zwang toen de oliecrisis na de Jom Kippoeroorlog in 1973 de toevoer van stookolie uit het Midden-Oosten tijdelijk afsneed. Koude, tocht en vocht zijn nog steeds een plaag in oudere huizen. Toen ik in Buggenhout kwam wonen in een huis met prachtige glas-in-lood-ramen, moesten wij in de koude winter van 1970-71 de zetels rond de kolenkachel scharen om ons te beschutten tegen de ijzige wind die los door de woonkamer speelde, ondanks de neergelaten rolluiken.

Hoeveel erger was het dan wel in de tijd van Joos de Rijcke: geen volledige ramen, geen centrale verwarming, geen strooizout of sneeuwruimers. Voor de mensen van vroegere generaties was de winter een eeuwige strijd tegen de koude. Een strijd om te overleven tot de lente kwam. Met ijs binnenshuis op het water in de lampetkan en op de urine in de nachtpot. Met hoge sterftecijfers van kleine kinderen en oude mensen.

Januari uit Mayer van den Berg (247 Kb)Op de januari-miniatuur van het Breviarium Mayer van den Bergh zien we de heer des huizes binnenkamers. Hij zit in een ton- of kuipzetel, dicht bij de open haard -een van de zeer zeldzame afbeeldingen van dit zitmeubel. Zijn trippen heeft hij uitgedaan, maar zijn laarzen, hoed en rode, met lichtbruin bont gevoerde mantel heeft hij aangehouden. Een tweede man, ook al met een hoed en bontmantel, rakelt het vuur in de grote haard aan. Links op de voorgrond zit een kind op een blokstoeltje bijna in de haard. Open haarden verspreidden de warmte onvoldoende door de kamer. "Van voren bak je, van achter bevries je", verzuchtte een tijdgenoot. (Zie: [Eigen haard] bij Bruegel). De kamer heeft kleine ruiten in de ramen, voorzien van luiken, die naar binnen sluiten. Ongetwijfeld droegen alle afgebeelde personages hun bontmantels als ‘zondagse kleren’ als ze de mis gingen bijwonen. Zelfs in de zomer voel je in de oude kerken de koude vanuit de plavuizen door merg en been opstijgen. In dergelijke omstandigheden waren bontmantels geen overbodige luxe.

Herkomst

De schilders hebben op hun miniaturen en panelen het bont zo realistisch afgebeeld dat een hedendaagse bontverwerker het kan herkennen. Zo ver kunnen wij helaas niet gaan: wij zijn geen experts Toch ondernemen wij een poging. Arnolfini draagt donker bont, zijn bruid, Giovanna Cenami, een overkleed met lichtgrijs bont. Dat laatste kan wezelbont zijn, dat beschouwd werd als verwant aan hermelijn, maar ook door niet-vorstelijke personen mocht gedragen worden.

arno_bont1.jpg (5207 bytes)Het meest gebruikte fijne bont was echter vacht van de buikzijde van de grijze eekhoorn. Vermoedelijk is dit het bont in de houppelandevoering van Arnolini’s bruid en in de stola van kanunnik van der Paele. Omdat alle leden van koninklijke families plus de rijke patriciŽrs dit soort bont gebruikten, was de slachting onder de diertjes ieder jaar enorm. Er werd op gejaagd in de Zweedse en Finse wouden met strikken, vallen, stompe pijlen en speciaal op deze jacht afgerichte honden. In 1391 was de in Abo gestationeerde agent van een firma in Reval in staat om zijn werkgever niet minder dan 200.000 vachten toe te sturen. In de hoop de lucratieve handel te kunnen volhouden werd het jachtseizoen dat, met het oog op de kleur en de kwaliteit van het bont, reeds tot de winter beperkt was, door de wet nog verder ingeperkt (Hohler: 140).

Een prachtig voorbeeld vind je in de Lezende Maria Magdalena (ca. 1438) van Rogier van der Weyden. Zij heeft haar opperkleed teruggeslagen, waardoor de voering met grijze eekhoorn zichtbaar is (Scott 2009:137).

bont4.jpg (34545 bytes) Rogier van der Weyden; Lezende Maria Magdalena (ca. 1438), Londen, National Gallery. 62,2 x 54,4 cm. Deel van een in stukken gezaagd paneelschilderij. 
Let op: in deze persdia voor de tentoonstelling Rogier van der Weyden. De Passie van de Meester, Leuven 2009, is de ruimte rechts van de heilige zwart gemaakt. In het originele schilderij staat hier nog een fragment van een mannelijke persoon (St.-Jozef?) van wie het hoofd ontbreekt.

Waarschijnlijk is Arnolfini’s tabbaard gevoerd met donkere eekhoorn. Of met marter- of beverbont. Dat laatste was eveneens erg gegeerd. Maar bevers waren toen in ons land reeds enkele eeuwen uitgestorven, of liever: uitgeroeid. In Duitsland en de Baltische landen kwamen ze wel nog voor. Lynx kwam waarschijnlijk ook uit die streken. Over de herkomst van luipaardvachten hebben wij (nog) geen gegevens kunnen vinden. Voor zwart bont werden vanaf ongeveer 1450 onder andere de huiden van Lombardische lammeren gebruikt. Vossenbont, zowel inheems als ingevoerd, was zeer gezocht. Vergeet niet dat de vos zelfs nu nog door de landbouwers als een doodsvijand wordt beschouwd. (Ook al is Reintje in ons land op de lijst van de beschermde diersoorten geplaatst, nadat hij in de vorige decennia in de strijd tegen de hondsdolheid bijna volledig was uitgemoord.) Ook otterbont was erg in trek, omdat het -net als bever- waterafstotend is en een aangename warmte levert.

Waar vandaan kwam het hermelijn, herkenbaar aan de typische zwarte staartjes? Waarschijnlijk eveneens uit Finland en uit Rusland. Ook deze diertjes moeten massaal ten offer gevallen zijn aan de zucht naar statussymbolen. In de tweede helft van de zeventiende eeuw (en vermoedelijk reeds heel wat vroeger) zorgden pelsjagers in de Nieuwe Wereld voor een gestage aanvoer van bont, niet alleen bever, maar ook nerts en een hele reeks andere pelsdieren. Het hermelijn op de statiemantel van Lodewijk XIV (ca. 1650) kwam van de Franse nederzettingen in Canada. Zijn mantel is dus evenzeer statussymbool als politieke propaganda!

Bont en de gewone man

Hoe zat het bij de lagere standen? Die hadden toch minstens even veel last van de koude als de rijken. Hier worden de bronnen schaarser. Op schilderijen en miniaturen vind je het vaakst herders en boeren in winterse omstandigheden afgebeeld. Typisch voor de herders in onze kerststallen zijn hun vesten uit schapenvacht. Dat is zeker al zo van bij de Napolitaanse kerststallen uit de 18de eeuw. Tot onze verrassing echter is dat niet het geval op de afbeeldingen uit de 15de en 16de eeuw. Wij bestudeerden een aantal getijdenboeken en panelen van Vlaamse Primitieven. Ongetwijfeld moeten wij volgend schooljaar ons onderzoek uitbreiden met meer iconografische bronnen, voor wij sluitende conclusies kunnen trekken. Zowel bij Hugo van der Goes (+1482) als in de TrŤs Riches Heures van de hertog van Berry (ca. 1415) en het Breviarium Mayer van den Bergh (ca. 1510) dragen de herders stoffen kleren, die nogal wat sporen van gebruik vertonen. Bij van der Goes heeft de rechtstaande herder achteraan een soort duffelcoat aan, de voorste knielende een tuniek van een zware, vilt-achtige stof.

Breiwerk hebben wij op schilderijen (tot nog toe) nergens kunnen terugvinden, hoewel het breien van wol zich in de tijd van Bruegel en Joos de Rijcke snel moet hebben verspreid in Noord-Europa. 

In haar ' De waanzinnige veertiende eeuw' schrijft de beroemde Amerikaanse historica Barbara Tuchman over "een wat elegantere moeder uit de veertiende eeuw, die een kledingstuk voor een kind zit te breien op vier naalden, zoals wij weten uit een heiligenleven over 'de schoonheid van de kinderjaren..." (p.72) Vermoedelijk verwijst ze naar een miniatuur. Maar omdat ze geen nadere referentie geeft, konden we die niet opsporen en blijven we op onze honger. We vermoeden dat het bijgaande miniatuur is, maar we kunnen geen bijkomende info geven...

Welk anoniem genie voor het eerst op het even eenvoudige als geniale idee gekomen is om met houten of benen breinaalden wollen draden te verwerken tot sokken, wanten en pullovers hebben wij (nog) niet ontdekt. Wel dat de eerste breimachine reeds in 1589 werd uitgevonden in Engeland.

In 1656 kwam Frankrijk in het bezit van enkele Engelse breimachines -een voorbeeld van industriŽle spionage. Colbert moedigde de oprichting van breigoedmanufacturen aan. De gekende Bretoense zeemanspulls, met sluiting op de schouder, dateren vermoedelijk reeds uit die tijd. Via Orange, dat toen nog in het bezit was van de Nederlandse Oranjes - die aan dit vorstendommetje hun naam ontlenen - kwamen de breimachines naar de Nederlanden. In de 17de en 18de eeuw breiden de landbouwers bij ons tijdens de winter pulls voor de Hollandse en Britse marine.

En wist je dat de befaamde duffelcoat, die zijn vestimentaire carriŤre eveneens begon als marinekledij, zijn naam hoogstwaarschijnlijk ontleent aan de gemeente Duffel (bij Mechelen), waar het kledingstuk in huisnijverheid vervaardigd werd? Voortaan konden de Engelse zeelui warm "ingeduffeld" de winterstormen trotseren.

Toch weten wij uit de schaarse geschreven bronnen dat op zijn minst ‘de landman’ pelsjassen en vellen droeg. Konijnen- en kattenbont worden vermeld. Dat eerste werd tot voor kort veel gebruikt. Tot in de jaren zestig van deze eeuw had je in elke stad wel een vellenopkoper. Boeren die voor de kermis een paar konijnen slachtten, een te klein aantal om zelf te verwerken, verkochten hem de huiden voor een paar frank om ze te looien.

Voor zover wij konden achterhalen wordt kattenbont niet meer gebruikt (bij ons). Wie gaat er nu zijn lievelingshuisdier villen? Vergeet niet dat vroegere geslachten veel minder sentimenteel stonden tegenover hun dieren. Op elk boerenerf liep een stel katten rond, voor de nimmer aflatende strijd tegen ratten en muizen. Konijnenvellen werden in Europa voor de laatste keer op industriŽle schaal gelooid ten tijde van het von Rundstedt-offensief (december 1944). De geallieerde troepen in de Slag der Ardennen bleken ontoereikende winterkleding te bezitten in de sneeuwwinter van 1944-45. Toen werden in aller ijl tonnen konijnenvellen verwerkt tot korte vesten, met lange mouwen, gesloten met houten knopen. ( Medegedeeld door Staf Raskin, Herent.) Onze zegsman heeft rond 1965 verschillende grote balen met dergelijke vesten opgekocht. De buitenste moest hij weggooien: die waren rot geworden en scheurden meteen. De andere verkocht hij voor een paar honderd frank per stuk. Hij dacht dat ze ook in de Koreaanse Oorlog (1950-53) nog waren gebruikt. Konijnenbont heeft het nadeel dat het na een paar jaar gaat ruien. Maar deze vesten hebben hem nog bijna twintig jaar goede diensten bewezen bij buitenwerk, voor hij ze moest wegwerpen.

De 86-jarige overgrootmoeder van een van ons, hoorde ons onze problemen bespreken. Zij vertelde dat in haar jeugd door sommige ‘plattelanders’ ook mollenvellen gedragen werden. En muizenvellen. Van rattenbont had ze horen praten, maar haar kennissen vonden ratten veel te akelige dieren om ze tot kledingsstukken te verwerken. Sommige mensen hielden fretten om (clandestien) op strooptocht te gaan naar konijnen. Deze knaagdiertjes kunnen afgericht worden om konijnen uit hun holen te jagen. Ze werden zelfs als huisdieren gehouden voor de kinderen. En hun pelsjasjes werden verwerkt tot kragen. Huiden van schapen en lammeren werden veel gebruikt om de koude binnenshuis te bestrijden. Honderd jaar geleden drapeerden de boeren ze over hun stoelen om hun rug warm te houden als ze voor de open haard zaten. Lamshuid werd in wiegen gebruikt als sprei, of door volwassenen in bed, lekker tegen de rug aan. Zelfs heden vind je in heel wat huizen nog schaapshuiden op de slaapkamers, als tapijt voor het bed. En in auto’s worden ze aangewend als zetelovertrek.

Mogen we voorzichtig veronderstellen dat deze huiden ook vijfhonderd jaar geleden gebruikt werden door de gewone man?


[Terug naar artikel: "Personages"]

[Terug naar overzicht]


GERAADPLEEGD

 AWOUTERS, M., Muziekinstrumenten ten tijde van Memling, in: Hans Memling. Essays, DE VOS, D. ed., Brugge, 1994, blz. 45 - 49.

BATARI, F., The ‘Memling’ carpets, in: Hans Memling. Essays, DE VOS, D. ed., Brugge, 1994, blz. 63 - 66

DE BELIE, A., Middeleeuwse vloeren in confrontatie met schilderijen van Vlaamse Primitieven, St.-Niklaas, 1985.

DELMARCEL, G., Inleiding, in: Koninklijke pracht in goud en zijde. Vlaamse wandtapijten van de Spaanse Kroon, Mechelen, 1993, blz. 10 - 16.

DE KEYSER, R., Beroemde kunstwerken in het geschiedenisonderwijs. Het Arnolfini-dubbelportret door Jan van Eyck, in: Geschiedenis in de klas, nr. 44, januari 1995.

DHANENS, E., Hubert en Jan van Eyck, Antwerpen, Mercatorfonds, 1980.

DUBY, G., Willem de Maarschalk of de beste ridder ter wereld, 1145-1219, Amsterdam - Brussel, Elsevier, 1986.

Geschiedenis van het persoonlijk leven. Dl 2: Van het feodale Europa tot de renaissance, DUBY, G. ed.. Amsterdam, 1988, blz.490 - 502.)

HERNANDEZ FERRERO, J., Wandtapijten en wapenrustingen tijdens de 16de eeuw in Europa, in: Keizer Karel. Wandtapijten en wapenrustingen uit de Spaanse koninklijke verzamelingen, Brussel, 1994, blz. 32 - 39..

HOHLER, C., Het leven aan het hof, in: De glorie der middeleeuwen, EVANS, J. ed., Amerongen, 1985, blz. 139.

Keizer Karel. Wandtapijten en wapenrustingen uit de Spaanse koninklijke verzamelingen, Brussel, 1994.

LE GOFF, J., De cultuur van middeleeuws Europa, Amsterdam, 1987, blz.447

MADOU, M., Kleding en mode in het oeuvre van Memling, in: Hans Memling. Essays, DE VOS, D. ed., Brugge, 1994, blz. 50 - 62.

MARTENS, J. en J. STEENSSENS, Fundamenten 3b. Didactische leidraad, Leuven, Wolters, 1991, p. 44 - 45.

SCHMIDT, P., Het Lam Gods, Leuven, Davidsfonds, 1995.

SCOTT, M., Fraaie sluiers, mantels in allerhande kleur, in: Rogier van der Weyden (1400 - 1464). De Passie van de Meester, Leuven, 2009.

TUCHMAN, B., De waanzinnige veertiende eeuw, Amsterdam, Agon, 10de druk.


[Terug naar overzicht]