Bartolomé DE LAS CASAS,

De verwoesting van de West-Indische landen. Vertaling van Brevisima relaciòn de la destrucciòn de las Indias - 1552 door M. van NIEUWSTADT, Leuven, Kritak, 1992, 157 blz.

 


 

casas1.jpg (31676 bytes)In maart 1493 stond een achtjarig jongetje op de kaaien van Sevilla met rode koontjes en schitterende ogen uit te kijken naar de terugkeer van Christoffel Columbus, die op zijn eerste reis de zeeweg naar Indië had ontdekt. Als bewijs bracht hij papegaaien mee, maskers, gouden gordels en zeven levende Indianen. Maar wat het jongetje het meest verrukte, was een grote bal, die maar niet wilde ophouden te stuiteren en die vervaardigd was uit het sap van een boom. Het jongetje heette Bartolomé de Las Casas (1474 - 1566). In die rubberen bal had het 'andere' van de Nieuwe Wereld zich voor hem aangekondigd in volle concrete realiteit. Definitief.

Vijf jaar later stond de veertien geworden Bartolomé opnieuw reikhalzend op de kade. Zijn vader, Pedro, en drie ooms hadden Columbus vergezeld op zijn tweede reis en waren nu op terugtocht, ruim twee jaar na de admiraal zelf. Als presentje bracht de vader voor zijn zoon een jonge Indiaan mee. Een kortstondige episode, want bij het vernemen van deze handel in menselijke curiosa ontstak koningin Isabella in woede en beval de terugkeer van de slaven. Later zou Las Casas de jongen weerzien in diens eigen omgeving, waarschijnlijk op het eiland Hispaniola. Daar was de vloot, met Las Casas aan boord, in 1502 toegekomen. Als een soort legeraalmoezenier trok de jongeman mee met groepen rovende en moordende conquistadores. Minstens bij één gelegenheid moet hij ooggetuige geweest zijn van een massale slachting onder de indianen. Vermoedelijk werd hij omstreeks 1506 priester gewijd. Dat weerhield hem niet een weelderig leventje te leiden als slavenhouder en encomendero, grootgrondbezitter. In 1512 wordt hem in de biecht zelfs de absolutie geweigerd.

Dan, op een dag, rond Pinksteren 1514, bij de voorbereiding van zijn preek, wordt hij 'net als Paulus op de weg naar Damascus' neergebliksemd door de onverbiddelijke woorden van het boek Ecclesiasticus: "Wie het levensonderhoud van zijn naaste wegneemt, is een moordenaar, en wie een dagloner van zijn loon berooft, is een man die bloed vergiet" (hfdst. 34, v. 21-27). Pinksterdag verkondigt hij vanop de preekstoel zijn bekering. De rest van zijn leven zal hij besteden om het onrecht te geselen en te bestrijden.

Het maakt hem tot een der meest controversiële figuren in de hele conquista van wat nu Latijns-Amerika heet en toen de Indiën genoemd werd. Bij leven werd hij bestreden door conquistadores en zelfs medepriesters - waaronder de beroemde Sepulveda, in zijn pleidooi voor bekering door oorlog - die hem zijn optreden ten voordele van de Indianen kwalijk namen. In onze eeuw is hij aangevallen omdat hij voorstelde de Indio's te vervangen door sterkere zwarte arbeiders en zo de beschamende slavenhandel stimuleerde, waaraan Afrika drie eeuwen lang zou leegbloeden. Van al de werken die hij in zijn lange, drukke leven geproduceerd -hij werd 92 jaar- heeft, is zijn Brevisima relaciòn het meest bekende. Hij droeg het in 1552 op aan prins Filips, de latere Filips II, omdat de 'Nieuwe Wetten' van 1542 die de rechten van de indianen moesten beschermen, dode letter bleven. De titel geeft perfect de inhoud weer: het is een hallucinant relaas geworden over ondraaglijke gruweldaden.

In 1544 was Las Casas tot bisschop gewijd van Chiapas (Mexico). Eind 1547, na drie jaar tegenkanting, is hij definitief terug in Spanje, 63 jaar oud. In Sevilla maakt hij niet alleen de enige bewaarde transkriptie van het later verloren gegane scheepsjournaal van Christoffel Columbus, hij voltooit er ook in hoog tempo de definitieve versies van maar liefst negen geschriften. Onvermoeibaar blijft hij in preken en drukwerk verder strijden voor gerechtigheid, tot hij in juli 1566 sterft.

Voor zijn vertaling heeft Michel van Nieuwstadt teruggegrepen naar de oorspronkelijke editie uit 1552 en de eerste Nederlandse vertaling uit... 1578. De uitgave is geïllustreerd met de zeventien kopergravures, die de uitgeweken Luikse calvinistische graveur Théodore De Bry vervaardigde voor een in Duitsland uitgegeven Latijnse editie, en die sindsdien cultuurhistorisch met de Brevisima relaciòn verbonden bleven, ondanks hun weinig authentiek karakter. ( Hij beeldt de Indianen af met Europese trekken en met een soort tonsuur). De Bry was sinds 1590 bezig met de publikatie van zijn magistrale in-folioreeks Grands Voyages, waarin hij eveneens zijn felle anti-Spaanse gevoelens kon uiten.

In zijn degelijke inleiding situeert van Nieuwstadt Las Casas en zijn werken in tijd en tijdgeest. Wat opvalt bij vergelijking met de ons bekende circulerende versies, is dat die vaak ingekort werden en erg verminkt. Het origineel is nog erger in al zijn koud en droog naturalisme! Want Las Casas is absoluut niet uit op sensatie. Heel veel van wat hij verhaalt, maakte hij mee als ooggetuige, of onderzocht hij kort na de feiten, waarbij hij man en paard noemt en geen grote namen spaart. Opvallend is dat hem nooit, als Paulus, volledig de schellen van de ogen zijn gevallen. In zijn geschriften heeft hij geen ogenblik expliciet getwijfeld aan het gerechtvaardigde karakter van de conquista zelf. Zij schiep immers in zijn ogen en in die van zijn tijdgenoten de mogelijkheid om door de missionering het Rijk Gods op aarde uit te breiden. Hem is vaak verweten dat hij de bevolkingscijfers overdreef. Maar dan zijn de cijfers van de eindresultaten ("200 overlevenden ... allen uitgemoord...") alleszins correct. En voor de rest lijkt me dit een steriele discussie, zoals die over de holocaust. Of er nu zes miljoen joden zijn vermoord of 'slechts' drie miljoen, is uit moreel oogpunt volkomen irrelevant. In beide gevallen kunnen de onloochenbare feiten alleen maar nopen, niet tot vergetelheid, doch tot bezinning op de vraag hoe dit alles mogelijk was. casas2.jpg (17991 bytes)Want deze Spanjaarden, deze slachters die ongeboren kinderen uit de buik van hun moeder sneden en hun slachtoffers - o godslastering- ophingen per dertien 'ter verheerlijking van onze Verlosser en de twaalf apostelen' en hen dan levend roosterden, waren geen woeste nomaden van Djenghis Khan, doch beschouwden zich als dragers van een beschaving en godsdienst, die een boodschap van liefde predikt, zelfs tegenover vijanden.

 

EGGENSPERGER, T. en U. ENGEL, Bartolomé de las Casas, bisschop, politicus, dominicaan, Kampen, Kok - Averbode, Altiora, 1992, 126 blz.

Las Casas' controversiële traktaat vol gruwelijkheden is een der belangrijke documenten van de mensheid. Maar wie, buiten de historicus, gaat het in zijn geheel lezen? Hier wordt het werk en het leven van de grote dominicaan gepresenteerd in het licht van zijn tijd en daarnaast nog eens afgewogen tegen de geest van onze eigen tijd. Typerend genoeg kregen zijn geschriften tot voor kort zeer veel kritiek: de cijfers die hij citeert zouden niet correct zijn; zijn rechtlijnig optreden was te weinig diplomatisch en heeft daardoor meer kwaad dan goed gedaan. Over de kern van de zaak, een der weinige 'rechtvaardigen' die vervuld van diepe afschuw vanuit een evangelische bewogenheid fulmineerde tegen ten hemel schreiende ongerechtigheden, raakte daarbij maar al te vaak in de verdrukking. Las Casas anti-Spaans? Een 'bevuiler van het eigen nest'? Zijn Brevìsima relaciòn werd reeds in 1542 geschreven en was uitsluitend bestemd voor Karel V en de kroonprins, de latere Filips II. Pas in 1552 liet hij het traktaat in druk verschijnen.

Eindelijk krijgen wij in dit boekje een behoorlijke uitwerking van het beroemde [debat tussen Las Casas en de theoloog Sepulveda (1550)] over de toelaatbaarheid van de gewelddadige bekering van de Indianen en de slavernij. Las Casas, steunend op Thomas van Aquino, verdedigde de mensenrechten en Sepulveda, steunend op ... Aristoteles, de tegengestelde visie, een duidelijk voorbeeld van de tragische bewustzijnsvernauwing der humanisten!

Tot nog toe geloofde ik dat Las Casas wel de uitwassen van de conquista bestreed, doch nooit twijfelde aan de legitimiteit van de verovering zelf en de daarmee gepaard gaande missionering. De auteurs leveren met documenten gestaafde bewijzen dat hij bij het einde van zijn leven niet alleen de mensenrechten van de zwarten verdedigde (88) -een belangrijk element in de historische discussie rond zijn persoon - maar ook pleitte voor een herstel van de precolumbiaanse politieke en culturele situatie (93), waarbij je tussen de lijnen kunt lezen dat hij zelfs de missionering afwees omwille van de schandelijke manier waarop deze ingezet was. Ook beklemtonen zij dat de eerste scherpe aanval van fray Antonio Montesino tegen de conquistadores op Hispaniola, in december 1511 (in aanwezigheid van Columbus' zoon, Diego!) geen individuele daad was van een verontwaardigde eenzaat, doch voorbereid en gedragen werd door de vernieuwde dominicaanse spiritualiteit en de gehele orde in de Nieuwe Wereld (41), waardoor het verband met de hedendaagse [bevrijdingstheologie] en met mensen als aartsbisschop [Romero] minder vergezocht is dan op het eerste gezicht leek.

Jos Martens

 


[Terug naar intro: Joos de Rijcke]

[Terug naar artikel: Bijenwas en honing]

[Terug naar artikel: Het jaar van Columbus]