Gisteren (haasten) we ons om het karwei af te hebben.
- haasten
- haastten
Ik denk dat we ons zullen moeten (haasten), het gaat onweren!
- haasten
- haastten
De roos (verspreiden - tt) een heerlijke geur.
- verspreidt
- verspreit
- verspreid
Waar zijn de (ontlenen) boeken?
- onleendde
- ontleende
Stéphanie (wenden - vt) zich tot de directeur van de school.
- wende
- wendde
- wente
De (haten) dictator werd vermoord.
- gehaatte
- gehate
Hij (houden - vt) er altijd vreemde ideeën op na.
- hielt
- houdde
- hield
- hieldt
Wat (houden - tt) je daar in je hand?
- hout
- Houdt
- Houd
Hij vergat zijn adres te (vermelden)
- vermelden
- vermeldden
De menigte (verspreiden - vt) zich over het luxueuze schip.
- verspreide
- verspreidde