Op al mijn teksten is het auteursrecht van toepassing. Publicatie elders met commercile doeleinden is alleen toegestaan met mijn toestemming. Niet-commercieel gebruik van mijn teksten mag van mij in principe altijd, mits u de naam van de auteur erbij vermeldt.

Allemaal op de bon!

Antwerpse verhalenagent
IV. Allemaal op de bon!

Scnes uit het Antwerpse kroegleven

Dat caf waar ik binnen ging, dat zat niet pluis. Het was een Vlaams Blok-nest. Ik had het moeten zien, maar ge moet weten dat ik op dat moment al een stuk in mijn voeten had. Goed, ik zag het dus niet. Ik zet mijn vlo tegen de muur en duw de deur open. Ik denk nog: Amaai, dat is een wreed lelijke affiche met een wreed lelijke mens, maar ik herken Filip De Winter niet. Ik daar dus binnen. Muziek om van te kotsen. Jodelalie en jodelala. Ik denk: als ge dorst hebt, kunt ge veel verdragen. En ik ga toch binnen. Er zit daar een gast op een kruk een pilsje te drinken. Ik denk: Tjiens, die ken ik van ergens! Hij heeft wat weg van Bluto, ge weet wel, die gast waar Popeye het altijd mee aan de stok krijgt. Ik zeg: Bluto, zeg ik, geef mij er ook maar eentje!  Hij beziet mij, alsof  ik pas uit zijn gat ben gevallen en zegt: Ik ken u niet. Wat komt ge hier doen? Ik zeg: Hetzelfde als gij zeker: zuipen en lullen. Proberend om wat plezant te doen, begrijpt ge. Nu, dat liep zwaar mis. Hij knipt met zijn vingers en opeens staan daar twee louche tiepen achter mij. De ene legt zijn hand al op mijn schouder. Ik draai me half om op mijn kruk en trek mijn Humphrey Bogart-smoel. Zo tussen mijn tanden zeg ik: Als ge straks nog in uw neus wilt kunnen peuteren, dan doet ge die hand best weg. Wat moet ge anders in zo'n situatie zeggen? Hij legt zijn andere hand nu ook op mijn schouder. Ik denk: Die gast is een beetje simpel! Ik zeg: Wat is 't? Verstaat ge mij niet? Ik spreek heel traag, zoals ge met een idioot doet. Hij knijpt me. Hla! zeg ik, laat me gerust. Ik ben niet voor de venten! En ik geef hem gelijk een draai aan zijn neus, om hem op een ander gedacht te brengen. Nu moet ge weten, ik ben niet meer van de jongsten. Maar ik heb alzeleven in de fabriek stopkes op flessen gedraaid. Dat was in den tijd vr de lopenden band. Geeft mij iets in mijn handen, en ik draai het open. Kajiet! gilt die gast en hij lost me. Komt die andere natuurlijk op mij af. Ja, dat was knokken of gaan lopen. Maar door al die drank in mijn lijf was ik niet meer zo kwiek. En die andere gast was zo groot dat ik niet aan zijn neus kon.
Genoeg! hoor ik Bluto roepen. Smijt hem op straat!  Zeker, meneer Annemans, zegt die lange. En hij scharrelt onder mijn oksels. Nu, als er iets is waar ik niet tegen kan, dan is dat kietelen. Van mijn oksels en mijn schaamstreken, daar moeten ze afblijven. Ik begin me daar te giechelen en te kronkelen, dat die gast zijn greep moet lossen. Ik laat mijzelve vallen om op mijn gemak te kunnen voortlachen. Ineens zie ik Bluto en die twee ander gasten niet meer. Ik denk: Wat is dat hier? Zou ik er door dat lachen eentje hebben laten vliegen? Ik krabbel recht. En ik zie hem: Filip himself  Mijn frank valt eindelijk. Gotver gotver miljaarde nondedju, vloek ik, ben ik hier in een nest voze smeerlappen gevallen? Hoe is dat nu mogelijk? Hoe kan een mens nu zo zat zijn? Doet die deur open dat ik wat frisse lucht binnen krijg. Het stinkt hier naar fascistische stront!  Zo zeg ik het, woordelijk. Waar ik het haal, ik weet het niet, maar ik kan me toch zo kwaad maken in die gasten, h. Ik wil naar buiten. Maar mijn benen zijn van elastiek en ik krijg geen scherp beeld meer. Ik wankel een paar passen en dan val ik terug op mijn gat. Die gast met zijn bloedneus en zijn klein verstand komt op mij af. Verdomme, denk ik, dat loopt hier nog verkeerd af. Ineens zetten ze hun muziek keihard. JODELALIE JODELALA! Ze willen me ineen slaan, natuurlijk. Die met zijn bloedneus geeft me een stamp in mijn ribbenkast. En nog een. En nog een. Ik begin het er gelijk van op mijn adem te krijgen. Als hij nu nog eens stampt, denk ik, dan bijt ik in zijn voet! Maar dan vliegt de deur open.
Wie heeft hier godverdomme zijn fiets tegen de muur gezet? brult er ene. Ik kijk op. Het is agent Kriekemans. Nu, gewoonlijk zie ik hem niet graag komen, want die gast doet niets anders dan bonnen schrijven.
En zet dat lawaai af! roept hij, of ge gaat hier allemaal op de bon!
Hij is van mij! kreun ik. Het is mijne vlo!
Daar gaat ge niet goed van zijn! bromt agent Kriekemans. Geen verlichting: vijfhonderd ballen. Kapotte rem: vijfhonderd ballen. Verkeerd geparkeerd: vijfhonderd ballen! Ik kruip op handen en knien buiten. En dan hoor ik ineens Kriekemans in mijn oren brullen: 
Wat? Op mijn schoenen kotsen? Vijfhonderd ballen! Dat is het laatste dat ik me nog rappelleer. Toen vielen mijn blaffeturen dicht. Hoe ik thuis geraakt ben, vraag het me niet. Ook ons Maria weet het niet. Het is een mysterie zegt ze. Die agent Kriekemans, waar ge het over hebt, die is er al lang niet meer. Ja, zeg ik dan, maar toch heeft hij mij gered. Zeker weten! Eigenlijk, als ik heel eerlijk ben, ben ik door heel die historie een betere mens geworden. Ik raak geen drank meer aan en ik lach mensen die in iets geloven niet meer uit. Gelooft me vrij: wij zijn niet alleen. Ergens, daarbuiten, loopt agent Kriekemans rond. Hij waakt over ons. En misschien, als hij niets beters te doen heeft, zien we hem in oktober terug. Met de verkiezingen. En dan gaan alle voze smeerlappen op de bon

©Jules Grandgagnage

volgend Antwerps verhaal >
 

[Schrijfmens] [signalement] [korte verhalen] [De invasie] [Bedmans klacht] [Harry] [Jungle Jack] [Theresa Wiebelbil] [Bankrover] [Ochtendfile] [Hubert] [De bom] [Waitoekee] [Marcel Pierchamp] [De kallfslap] [Aantwaarps] [Mick Chandler] [cursief] [essays] [gedichten] [Shakespeare] [John Donne] [publicaties] [bio] [links]