> nieuwsbrief > 19e jg. - 4e trimester 2001

Tip: door uw venster te versmallen zult u gemakkelijk de teksten kunnen lezen.
U kunt daartoe de rechter scrollbar verslepen (als u met de muis boven de rechterrand zweeft).


ZANNEKIN-studie-uitstap zaterdag 13 oktober

Broekburg en Grevelingen


Dit jaar trekken we andermaal richting Franse Nederlanden. Vanuit Ieper gaat het via Poperinge en Watou (grens), Houtkerke, Herzeele, Ekelsbeke - op de grens tussen het Bloot- en het Houtland - naar Broekburg. Vandaar via het Petite-Fort-Philippe (alwaar middagmaal) naar Grevelingen/Gravelines. Grevelingen, nog steeds omsloten door z'n historische wallen en vestingmuren, is een bezoek overwaard. Op de terugweg bezoeken we ook nog Sint-Joris aan de Aa en Kapellebroek, om via Herzeele (alwaar koffie met streekeigen gebak in De vetten Os) terug Ieper te bereiken.
Onder leiding van Jan van Tongeren, bijgestaan door Leo Camerlynck, wordt deze studie-uitstap beslist een van de betere uit de reeds lange rij.
Verder in deze Nieuwsbrief vindt u alvast enige historische achtergrondinformatie met betrekking tot de bezochte plaatsen.

Praktisch:

Studie-uitstap Broekburg en Grevelingen
Jan van Tongeren, Maarssen

Broekburg, de naam verwijst naar een vesting,(een van de zogenaamde ronde burchten langs de kust), in een moeras. Meestal zijn deze ronde burchten uit de Karolingische tijd, of de periode na de inval van de Noormannen ontstaan, alhoewel men in Broekburg er van uit gaat dat een van de Merovingische koningen deze burcht zou hebben gesticht.
Hoogst waarschijnlijk dateert echter de "Burgus in Brocco" (pas) uit circa 970. In ieder geval bestond het in 1056 want Johanna van Constantinopel verleende Broekburg een keure en een zekere Hendrik van Broekburg ging met Filips van den Elzas naar het Heilig Land.
In 1099/1100 werd net buiten de stad de abdij der Edele Dames gesticht door Clemence van Bourgondië, zuster van Paus Calixtus en echtgenote van Robrecht II van Jeruzalem. In 1551 vond Keizer Karel V het beter de abdij binnen de wallen te brengen.

Sanderus vermeldt in zijn Verheerlykt Vlaandre: "De Burgers zijn kloek, oprecht in hunnen ommegang, en hunnen Koning getrouw; en indien wy de oude zaaken moogen ophaalen, in den Veldslag by Roosbeke, (1382)  zyn zy het geweest, die de eerste Gelederen tegen Artevelde en de Gendtenaars, die tegen den Prins van Vlaandre zamengezwooren hadden, aanvoerden; en aan hunne kloekmoedigheid is het, dat men voornamelyk de Overwinning toeschryven moet. Om die Reden hebben zy tot nu toe in den plechtigen Ommegang, welke nog jaarlyks gedaan wordt, den Voorrang."

Een jaar later, in 1383, werd de stad bij wijze van wraak geplunderd en gedeeltelijk verwoest door de Fransen en Engelsen, die in dat jaar de Gentenaren in hun opstand tegen Lodewijk van Male bijstonden. Tijdens dit beleg onteerden Bretoense soldaten het (uit de 12e eeuw daterende) Mariabeeld - een slechts zelden afgebeelde liggende Maria - in de kerk. Een soldaat wilde de edelstenen uit de kroon van Maria rukken maar het beeld keerde zich plotseling om en wierp de dief op de grond waar hij onmiddellijk de geest gaf.
Een tweede plunderaar liet zich hierdoor niet afschrikken maar plotseling begonnen alle klokken te luiden, zodat hij het hazenpad koos. Het lijk van de plunderaar werd buiten de kerk gesleept waar men het aan de honden gaf, die er echter geen trek in hadden. Na drie dagen bond men het aan de staart van een paard en werd het buiten de stad gesleept.
Het vergulde houten beeld wordt nog steeds vereerd en na de rumoerige tijden van de Franse Revolutie werd het, na een verbanning van tien jaar, op Paasdag 1803 opnieuw in de kerk ge‹nstalleerd.

De kerk gewijd aan St.-Jan de Doper bevat belangrijke laatromaanse fragmenten. Een gedeelte van het schip met zijn rijk uitgewerkt westportaal is rond 1200 te dateren. Aan de westmuur van de noorderdwarsbeuk is nog wat oorspronkelijk Romaans metselwerk bewaard. Het koor dateert uit ongeveer 1250, de gotische vieringtoren werd omstreeks 1270 gebouwd.
Aan het eind van de 16e eeuw werd de kerk verbouwd tot hallenkerk, d.w.z. dat de hoogte van de zijbeuken even hoog kwamen te liggen als de hoogte van het middenschip. Aan het noordertransept is de datum 1571 te zien.
Helaas  brandde de kerk tijdens de vlucht van de Engelsen op 25 mei 1940 af; een gedeelte ervan is nog steeds niet hersteld.

De stad geeft nog een betrekkelijk vrij gave 18e eeuws indruk, alhoewel men er door de ruime pleinen (restanten van de verwoestingen in 1940) af en toe het spoor bijster raakt, waarbij men denkt aan de zuidzijde van de Grote Markt te staan, terwijl deze zich achter aan de noordzijde van de kerk bevond. Het is dan ook in deze omgeving dat nog enkele oude gebouwen bewaard bleven, zoals bijvoorbeeld de voormalige vishal: een stijlvol gebouw, bestaande uit drie traveeën, gedragen door pilasters op een hardstenen basis. Boven de witstenen profiellijst is een sierlijk driehoekig fronton aangebracht.
Een ander interessant gebouw is de voormalige gevangenis (tvanghenesse). Uit de archieven is bekend dat op 14 november 1539 Maria van Luxemburg van de familie Van der Colme het huis tussen het woonhuis "tVielgbrigghe" en de herberg "de Zwaene" kocht, dat vanaf 1550 "tVanghenesse" werd genoemd. In 1733 kreeg dit huis een nieuwe moderne gevel zoals het jaartalsteen laat zien. Het stadhuis, eveneens uit de 18e eeuw, was de voormalige Kasselerij of Landshuis

Kapelle-Broek

Misschien was hier al in de 9e eeuw een kerkje, maar van de kerk die wij er nu kunnen bewonderen, dateren met name het middenschip en de zijbeuken uit de tijd van Filips van den Elzas. Het was deze Filips die het uitgestrekt domein tussen Broekburg en Watten in 1169 aan de kanunniken van Ari‰n schonk. Hij liet de St.- Jacob de Meerdere-kerk bouwen bij zijn terugkeer van een bedevaart naar Compostella en schonk haar omstreeks 1173 een belangrijke relikwie van deze heilige.
De kerk bestaat uit een Romaanse benedenkerk (hoofd- en noordbeuk), een kruisbeuk met een, op Romaanse fundamenten, herbouwde vieringtoren en een Gotisch koor uit het begin van de 14e eeuw. In de noordelijke bovenlichtmuur van het middenschip wisselen zes vensters met vijf blindnissen af en laten een Normandische invloed zien, zoals de ingewikkelde pijlervorm en de afwisseling van bovenlichten en blindnissen. In elk van de vijf nissen van de noordermuur staan twee gestileerde, statische beelden. Bij de beeldjes onderaan heeft men in de oostelijke figuur Christus kunnen herkennen en in de persoon daarnaast Petrus.
De zuiderbeuk is afgebroken. Het is zeer uitzonderlijk dat de zuidelijke bovenlichten niet boven de scheibogen, maar boven de pijlers aangehecht werden. De muren van de noordertransept zijn nog gedeeltelijk van kalksteen. In de gevel zit nog een Romaans dichtgemetseld portaal. Het zuidelijke transept werd in 1940 vernield. De kerk heeft een altaar gewijd aan St.-Gangolf, die wordt aangeroepen door bedrogen echtgenoten.

Grevelingen

In de kuststreek ontstonden in de 12e en 13e eeuw nieuwe steden. Het waren steden, die volgens een vast plan, in korte tijd ontstonden. Ze danken hun ontstaan voornamelijk aan economische motieven. Dirk van den Elzas 1128-1168 en zijn zoon Filips van den Elzas 1157/68-1191 zagen in, dat een welvarende bevolking van kooplieden ook haar eigen macht en vermogen ten goede kon doen komen. Deze graven streefden daarbij een tweeledig doel na. Op de eerste plaats zouden hun nieuwe verkeerscentra door het heffen van tollen hoge opbrengsten opleveren. Op de tweede plaats zouden nieuw gevormde burgerijen hun meer genegen zijn dan de stedelingen van de oudere agglomeraties, en zo stichtte met name Filips van den Elzas verschillende nieuwe havensteden aan de monding van een rivier, zoals bijvoorbeeld Grevelingen, Nieuwpoort, Damme, Biervliet, Mardijk en Duinkerken.
Overigens werd het in de tweede helft van de 12e eeuw noodzakelijk havensteden dichter bij de zee te stichten. Havens als St.-Omaars en Brugge zagen namelijk de handel sterk achteruitgaan doordat hun verbinding met de zee steeds verder verzandde en in veel gevallen kan men deze nieuwe steden dan ook zien als nieuwe voorhavens. Zo werd Grevelingen dus de voorhaven van St.-Omaars.

Grevelingen bestond in de 11e eeuw nog uit schapenweiden op schorren, die door graaf Robrecht II van Vlaanderen (met de bijnaam van Jeruzalem) aan de abdij van St.-Bertijn waren geschonken, dit om de abdij van inkomsten te
voorzien ten bate van het zielenheil van zijn zoon Willem, die in deze abdij begraven lag. Deze gift moet zijn gebeurd tussen 30 januari 1109 en 6 oktober 1111. De abdij gebruikte de schorren om daar haar schapen te weiden en wordt in oorkonden vermeldt als: "In parrochia Sancti Willibrordi apud Broburg supra mare" en maakte deel uit van een immense schorrengebied genaamd Gravenenga of Graveninga.
Al snel begon de abdij deze gronden te cultiveren en zo vinden wij in 1040 het dorp St.-Volkwin vermeld "in Gravenenga sita" en in 1144, of misschien al in 1095 werd er een kapel ter ere van St.-Nicolaas ten zuid oosten van Broekburg gebouwd, de "ecclesiola sanct Nicolai juxta Graveningam in Brucburch sita".
St.-Joris (George) wordt voor het eerst in 1119 genoemd, daarna de Sancti Jacobi de nova placid (Capellebroek). In 1178 kreeg St.-Joris zijn kerk in het gelijknamige dorpje vlakbij. In Grevelingen werd een kapel of kerk gewijd aan St.-Willibrord in 1125. Ze werd gebouwd in de buurt van de voormalige schaapskooi van de abdij. Dit is niet op de plaats van de huidige St.-Willibrorduskerk, maar ze bevond zich net buiten de stad, zoals wij op de kaart van Jacob van Deventer nog kunnen zien en was waarschijnlijk gebouwd op de plaats van een "cella" van de abdij.
Volgens de traditie en volgens Thiofried, zou hier in 690 Willibrord zijn geland, om wat later, zijn reis naar Katwijk voort te zetten. Maar of men Thiofried op zijn woord moet geloven is een vraag, daar hij tevens vermeldt dat er voor Willibrord geen schip beschikbaar was deze met zijn 11 helpers de overtocht op een steen gedaan zou hebben. Die steen zou hier lange tijd vereerd zijn geworden.

In het jaar 1161 hadden graaf Diederik en zijn zoon Filips het plan een nieuwe havenstad te bouwen. Om dit te verwezenlijken moesten ze de schapenfokkerij, die hun voorganger had weggeschonken weer in hun bezit krijgen. Na veel verzet gaf de abdij zich gewonnen en aanvaardde in ruil voor de gronden een jaarlijkse rente van 100 solidi. Vier jaar later was er sprake van de nieuwe stad en werd er in opdracht van Diederik en Filips een kasteel gebouwd, waar op 17 januari 1168 Diederik zou komen te sterven. Hij werd in de abdij van Watten begraven, waar nog een memoriesteen aanwezig is met de tekst: "Hit jacet sepultus dominnius Theodoricus ab Elsatia comes Flandriae qui quator vicibusterram sancturum visitavit et inde rediens sanguinum et postquam Flandriam annis XXXX strenve rexevat apud Grevelinga abiit anno dimini MCLXVIII" ("Hier ligt Diederik van den Elzas, graaf van Vlaanderen die vier keer het Heilig Land heeft bezocht en het Heilig Bloed van onze Heer Jezus Christus meebracht en gedurende veertig jaren zich met Vlaanderen heeft bezig gehouden")

De kerk binnen de wallen dateren uit 1186 of 1190, en ze staat ongeveer op de plaats van de oorspronkelijke schapenstal van de abdij. De in 1598 herstelde kerk met haar interessant Renaissancetoegangsportaal heeft een aantrekkelijk interieur met onder andere een renaissance/barokke preekstoel uit 1640 (afkomstig uit de O.L.-Vrouwekerk in Kales/Calais), een doopvont uit 1634 met het blazoen van Walleran le Vray en een grafgedenkteken voor Louis du Hamel, zoon van Jan van Hamel, door Karel V in de adelstand verheven. Louis, die 32 jaar voor Karel als militair optrad, stierf in het Spaanse Lerida in 1542.
De kerk heeft eveneens twee geschilderde panelen in haar bezit waarop de schenkers Philippe Lequien, heer van Ekelsbeke en zijn zoon afgebeeld zijn, met op de achtergrond een landschap en onder voorspraak van St.-Jan de Doper. Op het andere paneel zien we zijn vrouw Lievine van Nieuwenhuyse, met St-Jan de Evangelist. De kerk heeft ook een cenotaaf van Claude Berbier du Metz uit 1690. Een werk van Francois Girardon, de Franse gouveneur van Grevelingen. Ze is door middel van een overdekte gaanderij met boog verbonden met het huis van de toenmalige militaire bevelhebber, die op deze wijze de mis kon bijwonen. De gaanderij diende tevens als aquaduct, want het water van het kerkdak werd door middel van een leiding naar de grote regenbakken (citernes) van de citadel gevoerd. Dit bassin kon maar liefst 1420000 liter bevatten en bleef in gebruik tot 1745. Bemerk de nog aanwezige twee grote bronzen pompen en kranen vlak naast de kerk.
De spits van de middentoren van de kerk stortte in 1800 in en tien jaar later kwam de hele middentoren naar beneden. In 1823 werd de kerk zo goed en kwaad als het kon door architect Gravez gerestaureerd. De veelhoekige apsiskapellen verdwenen en omstreeks 1900 werden er betreurenswaardige wijzigingen aan koor en dwarsbeuk uitgevoerd.
De stad werd in 1384 door de Engelsen onder leiding van de bisschop van Norwich, Hendrik Spencer gedeeltelijk verwoest, maar werd in 1405 hersteld en met nieuwe muren versterkt.

Vanaf 1520 begon de Westhoek meer en meer oorlogsveld te worden en op de plaats van het oude kasteel liet Karel V in 1528 een nieuw kasteel optrekken en werd de stad versterkt met vijf bolwerken, "waer af de vier tot koste van de vier Leden van Vlaenderen ghemaeckt zijn: ende het vijfste is betaelt eendeels van Walsch Vlaenderen/ eensdeels oock van den Landsheere selve".
Als dank voor hun "verplichte" bijdrage, kregen de bastions de namen Gent, Brugge, Ieper en Brugse Vrije. Op de oevers van de Aa kwam nu een vierkantige citadel, die echter in 1654 vernield werd; de versterking zou weldra in de hexagonale verbouwing van de stad (door Le Vau) ingeschakeld worden en aldus zijn twee stadswaarts gekeerde bastions verliezen.
De stad zelf kreeg zo rond 1550 een nieuwe omwalling met een vijftal bastions, gebouwd volgens de nieuwe Italiaanse vestingbouw. Waarschijnlijk is de ontwerper van deze omwalling dan ook uit Italië afkomstig en moet men denken aan Thebaldi Francesco, Gianmaria Olgiata of de meer bekende Francesco Pacciotto (de bouwer van het kasteel van Antwerpen).
De stad had maar net haar nieuwe omwalling gekregen of ze werd al geconfronteerd met een aanval door de Fransen op 13 juli 1558. In januari/februari 1558 namen de Fransen, onder leiding van maarschalk de Thermes, Kales/Calais in, dat sinds 1347 in handen van de Engelsen was. Een beetje overmoedig gaf Hendrik II opdracht om nu ook verder noordwaarts te trekken. Het was de graaf van Egmont die het Franse leger bij Grevelingen in de pan hakte. Dat Grevelingen onder dit beleg veel te lijden heeft gehad, laat de afbeelding ervan in de stedenatlas van Guicciardini zien. De kerk is voor een flink deel verwoest. Alleen het schip heeft nog zijn bedekking terwijl de viering en koor afgebrand zijn. Dertig jaar later (8 augustus 1588) zou net buitengaats, op de zeebanken van Grevelingen, de Spaanse Armada in de pan worden gehakt.

Vanaf 1640 was opnieuw zover: Watten werd op 10 augustus 1643 door de Fransen veroverd en door hen tot 1647 bezet. Van daaruit namen ze de forten langs de Aa en de Nieuwe Gracht in en voltooiden vanuit hun strategische stellingen de verovering van de kustvlakte.
Grevelingen werd op 28 juli 1644 door Gaston van Frankrijk Hertog van Orleans, oom van Lodewijk XIV ingenomen. Dit was mede mogelijk doordat de Nederlandse admiraal Tromp er met zijn vloot voor zorgde dat de Spanjaarden van de noord- en zeezijde de stad niet zouden kunnen ontzetten.
Aartshertog Leopold heroverde de stad in september 1652. Ze werd uiteindelijk in 1658 door de Fransen, onder leiding van Maarschalk de la Fert‚ (Turenne) opnieuw belegerd - dit keer hulp van de Engelse vloot - om na een beleg van vijf dagen te worden ingenomen. Na de Vrede van de Pyreneeën in 1659 kwam de stad blijvend in Franse handen.

Vauban, gouverneur van Grevelingen sinds 1706, vernieuwde de vestingwerken, die nogmaals werden uitgebreid onder Lodewijk XV. In 1740 werden het huidig zeekanaaltje en de spuikom gegraven. Bonaparte wenste Grevelingen uit te bouwen tot de mooiste haven van de Kanaalzone. Nieuwe kademuren werden aangelegd tussen 1864 en 1870. In 1871 werd de Vaubansluis gebouwd en vergrootte men de Vaubanvlotkom.
De Forten Klein- en Groot Philippe werden in 1592/6 door Valentin de Pardieu, in opdracht van Filips II opgericht; deze liet in 1596 ook een kanaal graven tussen de Aa en de zee. Deze forten en enkele redoutes zijn door Turenne in 1657 verwoest.
Op 30 november 1811 werd bij keizerlijk besluit Fort Filips de officiële basis van de zogenaamde "smoogleurs" of smokkelaars. Deze beschikten over lichte vaartuigen onder Engelse of Amerikaanse vlag, die hier - ondanks de blokkades - zijden stoffen, alcohol e.d.m. kwamen omwisselen tegen zilver en goud.
In de duinen staat het weer opgerichte kapelletje van de IJslandvaarders. Bij het uitvaren hield men er halt, en groette de kapel door drie maal de vlag uit de top van de mast te strijken. Vanaf 1930 was het gedaan met de "mannen die naar IJsland vaarden" en konden de baarden worden afgeschoren.

Terugblik op de Zannekin-

Ontmoetingsdag Kevelaer, 12 mei 2001

 

 
 
 

Met ongeveer 30 mensen bezocht Zannekin de bedevaartplaats Kevelaer. Voor de namiddag stond het bedevaartaspect geprogrammeerd en voor de ochtend de tentoonstelling De Gouden Eeuw van Gelre.
Deze tentoonstelling kan gezien worden als een vervolg op het wetenschappelijk congres Een goede buur is een edel kleinood. Het hertogdom Gelre in het spanningsveld van verbond en machtstrijd in het gebied van Maas, Rijn en IJssel dat op 16 en 17 maart 2000 ook in Kevelaer plaatsvond.

Kunst- en cultuurhistorisch gezien was de 15e eeuw dè bloeiperiode van Gelre. Voor het Gelderse hof werden de mooiste en meest exclusieve Nederlandse handschriften gemaakt, verlucht met schitterend geschilderde miniaturen. Beelden afkomstig uit de Gelders-Nederrijnse ateliers behoren tot het beste wat de Nederlandse sculptuur in de late Middeleeuwen te bieden had. Gelderse zilversmeden en bronsgieters leverden prestaties van formaat. Kortom: dit was de Gouden Eeuw van Gelre.
Hendrik Steeger leidde ons op zeer enthousiaste en kundige wijze door de tentoonstellingsruimte. Diverse voorwerpen worden getoond die verband houden met de vijf onderdelen:

  1. Hertogen en oorlogen
  2. Handel en steden
  3. Kerken, kloosters en religieuze cultuur
  4. Kastelen en wooncultuur en
  5. Handschriften, vroege drukken en kaarten.
We beperken ons tot enkele opmerkingen. Er zijn twee "nationale" symbolen: de draak en de mispelbloem. Van de sacrale kunst is 95 procent verdwenen met de beeldenstorm. Als "Gelderse" heiligen kunnen beschouwd worden: Cunera, Quirinus, Catharina van Alexandrië en Oda. De St.-Petrus Bandenkerk in Venray is voor Gelre wat de St.-Victor in Kalkar is voor Kleef. De Gelderse pelgrims gingen naar Rhenen (H. Cunera), 's-Hertogenbosch, Aken (Maria), Keulen (Driekoningen). De gebedenboeken waren in het Middelnederlands of in het Latijn gesteld en niet in het Frans, dat de taal was van de hertoginnen.
Sedert de 14e eeuw bestond in het hertogdom Gelre een soort grondwet, die de vier hoofdsteden (Nijmegen, Roermond, Zutphen en Arnhem), de kleinere steden en de ridderschap medezeggenschap en controle bij de landsregering verzekerde. Het hertogdom behield een federale structuur met vier kwartieren en vier standenvertegenwoordigingen (kwartierdagen). De opvolging van de hertog werd bepaald door diens stamboom en de Gelderse Landdag. Maarten van Rossum, de maarschalk van hertog Karel van Egmond, stond bekend als de Gelderse Attila wegens de strooptochten in de Habsburgse gebieden (Maarten van Rossummuseum in Zaltbommel). Te zien is één van de drie zwaarden waarvan beweerd wordt dat hierdoor graaf Lamoraal van Egmond op de Grote Markt van Brussel onthoofd is op 5 juni 1568.
Op 3 mei 1418 kwamen de standen overeen dat Gelre ‚‚n en ondeelbaar is. In 1584 werd Gelre verdeeld in een Staats en Spaans deel. In 1648 werd dit door de Vrede van Munster bekrachtigd. In het Traktaat van Venlo van 1543 werd bepaald dat de taal en zeden gerespecteerd zouden worden. Onder Karel V werd dit wel gerealiseerd; onder Filips II niet.

Na de Nederrijnse koffietafel werden we opnieuw door Hendrik Steeger rondgeleid langs en in de gebouwen rond het Kapellenplein: de Kaarsenkapel (1643/1645), de Genadekapel (1654) en de Maria- of O.L.V-basiliek (1857/1858), de Biecht-kapel en de Sacramentskapel. De bedevaartplaats is ontstaan toen op 1 juni 1642 een bidprentje van Onze Lieve Vrouw van Luxemburg (dat al een kopie was van het beeld in Scherpenheuvel), gekocht door Mechel Scholt, geplaatst werd in de door haar man, de marskramer Hendrick Busman, opgerichte bidzuil. Pastoor Johannes Stalenus uit Rees leidde de eerste bedevaartsprocessie naar Kevelaer in 1649.
In 1842 waren er circa 200.000 bezoekers, in circa 1892 400.000, in 1954 2 miljoen waarvan 15 procent Nederlanders, in de jaren zeventig circa 240.000 en in 2000 circa 800.000. In het blad Blickpunckt Kevelaer, jg. 23, nr. 1, 2001 dat deels in het Duits, deels in het Nederlands verschijnt staan een paar aardige wetenswaardigheden. De bedevaart Sittard-Kevelaer vindt dit jaar voor de 332e keer plaats (start 1669). Vanuit Eupen komen sinds 1804 pelgrims naar Kevelaer. Na drie jaar van voorbereiding woonden op zondag 24 september 2000 tienduizenden gelovigen uit België, Nederland, Luxemburg en Duitsland de Sterbedevaart Kevelaer 2000 bij. Kevelaer is ook vertegenwoordigd op de contactdag van het Contact Rooms-Katholieken (CRK) in juni in de Jaarbeurshallen in Utrecht. Tenslotte is er sinds 1999 een grensoverschrijdend project op toeristisch vlak tussen de stad Kevelaer en het Bijbels Openluchtmuseum in de Heilig Landstichting bij Nijmegen.

In de gesprekken kwam ook wat interessante informatie los. In de jaren zestig werd het "Platt" gediscrimineerd op de scholen. De ouders kozen ervoor om hun kinderen niet meer in het Platt maar in het Duits op te voeden. Heden ten dage krijgt men ook Nederlands op school. Vooral uit economisch oogpunt is dat handig. Een inwoner uit Emmerik verklaarde dat de inwoners meer op het westen dan op het oosten gericht zijn. Verder is Nederland 1 op de kabel te zien.

Bij de koffie met gebak werd teruggekeken op dit stuk gemeenschappelijke geschiedenis met in het oog de economische en politieke samenwerking tussen Duitsland en Nederland in het kader van de Europese Unie die nieuwe vormen van intensief en actief samen leven in heden en toekomst mogelijk maakt.

Musea (tentoonstellingscyclus De Gouden Eeuw van Gelre):

Musea (nevententoonstellingen): Rudi Koot

Mededelingen

Irredentisme - andermaal
Naar aanleiding van de reportage - in de reeks Andere Tijden op Nederland 3 (3 mei jl.) - over de Nederlandse annex-atieplannen anno 1945, werd ook in Vrij Nederland (5 mei 2001) aandacht besteed aan de revanchistische - veeleer dan irredentische - bestrevingen waarvan Nederland destijds blaakte. De er aan toegevoegde illustratie toont voortreffelijk aan hoever de ultra's van toen wel wensten te gaan. Het werd ei zo na De Nederlanden van Duinkerken tot Koningsberg (naar het recept van de 19e eeuws Aldietsche Beweging).
Ook in het ZANNEKIN Jaarboek 9 (1987) hebben we destijds, onder de titel Irredentisme of revanchisme. De Nederlandse drang naar het Oosten, aandacht besteed aan de vele plannen van toen tot aanhechting van Duitse territoria bij Nederland.

Neerlandia
In het jongste nummer (2/2001) van Neerlandia - het tijdschrift van het Algemeen Nederlands Verbond - signaleren we graag de beide portretten van respectievelijk Luc Vranckx (p. 23-23) en Cyriel Moeyaert (p. 25-28). Beiden mochten ze recent een verdiende - en dit keer zonder twijfel welbestede - Visser Neerlandiaprijs in ontvangst nemen, mede omwille van hun inzet voor het Nederlands karakter van de Franse Nederlanden.

Koopman, kraam en karrespoor
In de Middeleeuwen en het begin van de periode daarna vormden de oostelijke Nederlanden nog een culturele en economische eenheid met het westelijke Munsterland. De IJsselsteden, met name Deventer, functioneerden daarbij als spil voor de handel. Hier konden de kooplieden uit het Munsterland hun vooral agrarische producten verkopen en op de terugreis handelsgoederen uit verafgelegen streken, alsmede producten uit het Nederlandse gebied inkopen.
Tegen de achtergrond van deze nauwe betrekkingen zien we op de tentoonstelling, aan de hand van "traditionele" handelswaar zoals wollen doek, stokvis, zandsteen en hout, evenals aan de nieuwe overzeese importgoederen, het netwerk van de handel tussen IJssel en Berkel. Het moeizame transport van de goederen wordt thematisch uitgebeeld, evenals de betaalmiddelen en de afstemming van elkaars jaarmarkten in het grensgebied. Deze levendig opgezette tentoonstelling geeft tegelijkertijd ook een goed inzicht in het dagelijks leven in het Nederlands-Duitse grensgebied tijdens de late Middeleeuwen en de vroege Nieuwe Tijd.  Deze tentoonstelling loopt nog tot 4.11.2001 in het Otto-Pankock-Museum te Bad Bentheim, van 18.11.01 tot 13.01.02 in het HeimatlandMuseum te Vreden en van 26.01. tot 2.04.02 in het Stedelijk Museum te Zwolle.
(Bron: folder Handel en wandel tussen Berkel en IJssel.)

Wandeltochten
Voor wie voor of na onze Studie-uitstap van 13 oktober enkele dagen in de buurt wil vertoeven zorgt ons bestuurslid mevr. D. van Wallene-Sweers voor 'n zinvolle invulling. Zij richt immers volgende wandeltochten in:

Stichting Zuidenederlandse Ontmoetingen
Op 15 september is er andermaal een ontmoeting in Vlaanderen gepland. Vanuit Eindhoven gaat het naar het Hageland, waar o.m. bezocht worden: het 15e eeuwse waterkasteel Kasteel van Horst te St.-Pieters Rode, Scher-penheuvel, Averbode en Zichem (het dorp van Ernst Claes' De Witte).
Verdere info: tel. 0499-373645 (Nederland) of 014-312518 (België).

Van de Voorzitter

Carpooling
Wanneer ik hierover enkele gedachten aan het papier toevertrouw dan is dat vanuit de intentie u daar mogelijk een dienst mee te bewijzen. Maar in niet mindere mate kan het ook mogelijk zijn elkaar van dienst te zijn. Zoals u al enkele keren hebt kunnen zien, kunt u op de aanmeldingsstrook aangeven of u van carpooling gebruik wilt maken of u zich ervoor ter beschikking stelt. Deze gegevens worden verzameld door het secretariaat die vervolgens de gegevens van "vraag en aanbod" met elkaar in overeenstemming tracht te brengen. Om teleurstelling te voorkomen is het belangrijk te weten hoeveel plaatsen in de wagen van de aanbieder beschikbaar zijn. In overleg met de secretaris zal ik de Nederlandse "klanten" graag de helpende hand toesteken.

Logeeradressen
Een logeerformule die ook in onze landen de laatste jaren in toenemende mate van betekenis is geworden, is die van Bed & Breakfast. Ook in de omgeving van de vertrekplaats Ieper kan van deze overnachtingsmogelijkheid gebruik gemaakt worden. Voor inlichtingen kunt u terecht bij mevr. D. van Wallene-Sweers, Dreef 9, 3628 BJ Kockengen, tel.: 0031-(0)346.241.513 (tussen 24.september en 6.oktober, vanaf 21.30 uur). Het adressenmateriaal dat zij ter beschikking heeft is ontleend aan officiële gidsen. Maar het is bekend dat ook buiten dit circuit particulieren slaapplaatsen aanbieden. Mochten er onder u zijn die op de hoogte zijn van dergelijke logeeradressen wilt u dan zo vriendelijk zijn die aan mevr. Van Wallene door te geven. Wellicht kan zij er "aanvragers" mee van dienst zijn.

Marten Heida
Prins Willem Alexanderpark 53
NL 3905 CB Veenendaal, Tel. 0318-510 087