> nieuwsbrief > 20e jg. - 1e trimester 2002
 

Mededelingen

Hernieuwing bijdragen

De jaarwisseling nadert met rasse schreden en confronteert ons met de noodzaak ons mentaal aan te passen aan het tijdperk van de EURO. Voor de penningmeester vereenvoudgt dit de zaken in die zin dat hij niet langer vier munteenheden moet bijhouden en evenzoveel kastoestanden.
Binnen het bestuur werd beslist de jaarbijdrage voor 2002 vast te leggen op het ronde bedrag van 20 EUR. Dit behelst een geringe verhoging t.o.v. vorig jaar waartegenover een uitbreiding van het ZANNEKIN-jaarboek 'De Nederlanden extra muros' staat van 176 p. naar 208 p. In de bijdrage blijft naast het omvangrijkere jaarboek uiteraard ook het abonnement op de Nieuwsbrief ZANNEKIN begrepen. Bovendien zullen de leden en donnateurs (uiteraard met inbegrip van hun huisgenoten) voortaan kunnen rekenen op een gevoelige korting op de deelnameprijs van onze Studie-uitstapen en Ontmoetingsdagen.
Het bijliggend betaalformulier is uitsluitend bestemd voor betaling in Euro. Maak er bij voorkeur eerstdaags gebruik van. U bespaart onze administratie immers tijd en geld - en oogst bovendien de dank van onze penningmeester - indien u niet wacht op een betaalherinnering. PS: Noord-Nederlanders blijken nogal eens te schrikken bij het ontwaren van een acceptgiroformulier. Een dergelijk formulier wijst heus niet op "inhaligheid" vanwege onze administratie; het wil het de lezer(es) gewoon makkelijk maken en hem of haar zonder veel plichtplegingen de toezending van het jaarboek en de Nieuwsbrief garanderen tegen de sterk gereduceerde ledenprijs. Na verschijnen bedraagt de prijs van het jaarboek immers 23 EUR (zijnde de boekhandelsprijs) te verhogen met 3 EUR verzendkosten.

Jaarboek 'De Nederlanden extra muros' 2002

Het nieuwe jaarboek - voortaan uitgebreid tot 208 p.! - werd omstreeks einde mei toegestuurd  aan de leden. In deze 24e editie publiceren we o.m. het sedert jaren verloren gewaande lyrische prozagedicht van Jean-Marie Gantois met als titel Scheldebron  Adelbron.
 

ZANNEKIN-studie-uitstap:

Wie deelnam aan onze studie-uitstap naar Grevelingen (waaromtrent een terugblik verder in dit nummer) is reeds op de hoogte: op zaterdag 4 mei 2002 trekken we naar Bethune. 700 jaar na de Guldensporenslag van 1302 mag aan de naam van Robrecht van Bethune wel eens herinnerd worden. We volgen zijn voetsporen tot aan zijn graf in de St.-Maartenskathedraal te Ieper. Alle nadere inlichtingen in onze volgende Nieuwsbrief. Noteer alvast de datum.
 

Jaarboek De Franse Nederlanden 2001

Voor de 36e keer al brengt de stichting Ons Erfdeel (Murissonstraat 260, 8930 Rekkem) een Jaarboek van de Franse Nederlanden uit. De editie van vorig jaar bevatte een uitgebreid deel waarin de situatie van ons Nederlands werd behandeld. Een uniek promotiemiddel voor onze moedertaal en voor de oorspronkelijke streektaal van vele Vlamingen in Frankrijk. In deze editie komt de aandacht voor onze taal en cultuur in de Zuidelijke Nederlanden veel minder aan bod. Wat brengt bijvoorbeeld een bijdrage over de luchthaven van Rijsel bij over de sociaal-culturele banden met Rijks-Vlaanderen en Nederland? Léo Bird, de auteur van deze bijdrage, schrijft zelf dat deze luchthaven geïsoleerd ligt van een potentieel achterland in België, maar vergeet bij zijn wens om dit te veranderen de taalproblematiek (zal de luchthaven van Rijsel zijn klanten van deze kant van de Schreve in het Nederlands onthalen?) en de sociaal-economische problematiek van een eventuele verzwakking van Zaventem mee te rekenen. Of het artikel over de misdaadroman in de "Nord" (hier ontbreekt in de titel de refleks al om de band met Vlaanderen te leggen) Frans-Vlaamse accenten legt, op wat verwijzingen naar het carnaval, de reuzen en de hanengevechten na, is een andere vraag. Tenzij je de problematiek van de werkloosheid rond Robeke (Roubaix) bijvoorbeeld als Vlaams element naar voren schuift. Want daar zijn luidens de auteur de immigranten uit de Magreb de eerste slachtoffers van de economische crisis. Die werpt hen vaak terug in religieus fundamentalisme. Of is een vermoorde zoon (sic) van priester Jean-Marie Gantois soms een 'Vlaams element'? De bijdrage van Michiel Nuyttens over de begijnhoven in de Franse Nederlanden zet in de titel in elk geval wel de juiste toon. Maar inhoudelijk legt de auteur vaker de klemtoon op wat ons scheidt, dan op wat de begijnhoven in de Nederlanden eeuwenlang heeft verbonden. Nuyttens heeft een merkwaardig uitgangspunt. Hij verwijst naar een overzichtsartikel van Bernard Delmaire voor de periode 1230-1350 waaruit moet blijken dat de begijnenbeweging "ook in de Franse Nederlanden" een grote bloei heeft gekend en dat de invloed die er van uit ging minstens even groot moet zijn geweest als in Vlaanderen. Er is één maar aan dit gegeven: toen waren er geen "Franse Nederlanden", maar één Vlaanderen . Ook in bijvoorbeeld Dowaai wilden de burgers toen "Vlaams" blijven. Dat ene Vlaanderen blijkt ondermeer uit de bescherming die de Vlaamse gravinnen Johanna en Margareta van Konstantinopel hebben gegeven aan de begijnhoven van Dowaai, Valencijn en Malbode (Mauberge). Het begijnhof van Sint-Omaars, met bijna vierhonderd begijnen in 1322 is quasi zeker in die tijd een Nederlandstalig begijnhof. Dat wordt niet onderzocht. Pas na de Franse revolutie verandert het beeld: bij ons worden de opgeëiste begijnhoven vaak opnieuw opgestart, terwijl over de Schreve de Franse staat dat onmogelijk maakt. Nuyttens gebruikt voor de plaatsnamen gelukkig meestal de Nederlandstalige vorm. Dat kan over de verschillende bijdragen in dit jaarboek vaak niet worden gezegd! We kunnen in dit korte bestek niet op alle artikels ingaan, toch nog enkele korte opmerkingen. Kan men een artikel over de rol van de Duitse admiraal Frisius in 1944-1945 in Duinkerke beschouwen als een zinvolle bijdrage over de Nederlanden? De bijdrage van de gewezen KULAK-rector Vic Nachtergaele over de decaan van de universiteit van Picardië en ook auteur Jacques Darras is belangwekkend omdat Darras de draad wil heropnemen van de geschiedenis van Boergondië. Hij pleit voor een Babels Europa: "l'Europe sera Babel ou bien ne sera pas. Ce sera l'anti-Bastille." De bijdrage van Cyriel Moeyaert in zijn reeks over de schrijftaal van de Westhoek straalt zoals in elk jaarboek de goede geest uit. Hier gaat het over wat ons bindt, een promotie voor ons Nederlands met een Nederlandstalige naamgeving. Zo hoort het.
Johan van Herreweghe

Kalender 2002 Frans-Vlaanderen

Het Davidsfonds Frans-Vlaanderen (Sint-Janskruisstraat 19, 8970 Poperinge) heeft een mooie traditie uitgebouwd met de kalender "een jaar in Frans-Vlaanderen". De kalender schetst ook voor 2002 met stemmige tekeningen van de Ochtezelenaar Jean-Claude Bottin een prachtig beeld van de oase van rust die de Frans-Vlaamse Westhoek overwegend is. Het Vlaamse strodakhuis tussen Kassel en Okselare op de kaft zet daarbij de toon. Okselare (voor de Francofielen: Oxelaere) ligt op de zuidoost flank van de Kasselberg. Het stemmige dorp had tot voor kort een medisch-pedagogisch centrum met de naam 'Kinderdorp'. In het kasteel 'Hamerhouck' liet de Engelse schrijver Michael Jenkins een verhaal afspelen over een Engelse jongen die daar het Vlaamse dialect van het dienstpersoneel niet verstaat. Verder schetst J.-C. Bottin de Sint-Maartenskerk van het kleinste dorp van Frans-Vlaanderen: Wulverdinge aan de grens met Vlaams-Artezië; een renpaard dat ons zicht geeft op de Kasselberg; de Sint-Filomenakapel in Sint-Joris-aan-de-A; de stenen windmolen van Leers; het kasteel van Robersart in "la Flandre Gallicante" en tenslotte een calvariekruis tussen Meteren en Berten. Met de tekst die het Davidsfonds bij dit kruis als verduidelijking geeft, wordt ook aangetoond dat de reeks Davidsfondskalenders over Zuid-Vlaanderen zo goed als onbeperkt is. Lees even mee: "Behalve de zowat 600 kapelletjes die volgens Jozef de Zitter in de Frans-Vlaamse Westhoek blijken te bestaan, vinden we er ook heel wat wegkruisen. Zo'n wegkruis zie je langs de schilderachtige weg tussen Meteren en de Kruysstraete in Berten. Meteren is opmerkelijk door het feit dat er heel wat eentalige Vlaamse straatnaambordjes te vinden zijn, b.v. de Sint-Omaers straete, de Goddeloozenhouck straete, de Beun straete, de Queeck straete." Op de weg naar Berten kom je ook voorbij een rue des 4 Fils Aymon: de Vier Heemskinderen. Wat verder zie je in de verte de Katsberg met bovenop de bekende Trappistenabdij, de grootste van Frankrijk. De voertaal in de abdij was tot in 1883 Nederlands, naar de wens van de stichter, de bekende schilder Nicolaas Ruyssen. De hele omgeving is landschappelijk heel erg mooi. In Berten dat ook vlak bij de Katsberg ligt, moet je beslist het kerkhof bezoeken waar achteraan rechts de grafsteen staat van de hier geboren priester Jules Andouche (1887-1948), Vlaams strijder. Volkomen in zijn geest prijkt op z'n graf de leuze van Guido Gezelle "Wees Vlaming dien God Vlaming schiep". U kunt deze kalender, een origineel geschenk, verkrijgen door storting van 250 frank op het rekeningnummer 000-1529169-61.
Johan van Herreweghe

Stichting Grensoverschrijdende Geschiedenis

In het meinummer 2001 van het Historisch Nieuwsblad wordt mededeling gedaan van de voorstelling van de Stichting Euregionaal Historisch Centrum op 17 mei j.l. Deze stichting is in februari 2001 opgericht door de hoogleraren-geschiedenis aan de universiteiten van Aken, Luik en Maastricht. Opgemerkt wordt dat vreemd is dat geschiedenis bij de grens ophoudt. Als doelstelling wordt dan ook naar voren gebracht: het bevorderen van het onderzoekdoen naar het gemeenschappelijke verleden van de Euregio Maas en Rijn. Men is ervan overtuigd dat door de geschiedenis van een grensoverschrijdend gebied te bestuderen, de problemen beter kunnen worden aangepakt.
Het is natuurlijk op zichzelf best verheugend dat men in de kringen van de officiële geschiedkundigen oog begint te krijgen voor dit facet van de geschiedenis. Maar ik ervaar een dergelijk bericht als teleurstellend omdat daarin doorklinkt dat men blijkbaar nog nooit van onze activiteiten gehoord heeft. Met gepaste trots mag ik toch stellen dat de Vereniging/Stichting ZANNEKIN al meer dan 25 jaar op dit "front" actief is en dat de neerslag van deze activiteit gebundeld is in inmiddels 23 afleveringen van onze jaarboekenreeks.
Met andere woorden: onze vereniging zal het zeer op prijs stellen op één of andere wijze bij dit initiatief betrokken te raken. Het past volledig in ons activiteitengeheel. En we staan niet met lege handen. Wij bieden graag de kolommen van ons jaarboek aan voor het publiceren van de resultaten van bovengenaamd onderzoek.
Tenslotte nog een vraag. Waarom beperkt de stichting zich tot het gebied dat in zich komt vanuit de universiteiten van Aken, Luik en Maastricht? Als dit verstaan moet worden als een vorm van aftasten, kan ik er begrip voor opbrengen. Maar men zal er toch op bedacht moeten zijn dat het grensgebied van de Nederlanden zich nog altijd uitstrekt van Duinkerke tot Emden. Voor belangstellenden binnen onze kring laat ik hier het adres volgen: Stichting Euregionaal Historisch Centrum, p/a Sociaal Historisch Centrum Limburg, Boschstraat 73, NL 6211 AV Maastricht (tel. 043-3250141).
Marten Heida

Jaarboek 'De Nederlanden extra muros' 24 (2002)

Voor een meer uitgebreide inhoudsopgave verwijzen we naar onze Nieuwsbrief  nr. 3/2002, waar ook aandacht besteed wordt aan onze nieuwe uitgave 1302 - een heel-Nederlandse geschiedenis van de hand van onze vice-voorzitter Leo Camerlynck.

 

Van de Voorzitter

Mijn "weg" liep via Vlaanderen...
"Anders dan door kinderen een eenvoudigen van geest wordt hij niet meer gelezen." Aldus Eugène de Bocks waardeoordeel over het werk van Hendrik Conscience (in Ons Erfdeel 2001/4, p. 563). Dit mag niet al te positief van inhoud zijn, zijn Leeuw van Vlaanderen staat wel aan het begin van mijn "weg" naar Vlaanderen.
Ik zal een jaar of twaalf geweest zijn, toen ik weer eens bij mijn grootouders van moederszijde logeerde. Ze waren in mei 1939 "geëmigreerd" vanuit de zuidwesthoek van Friesland (Echten) naar de noordwesthoek van de buurprovincie Overijssel (Zwartewatersklooster, een gehucht halverwege Hassel en Zwartsluis). Inderdaad "geëmigreerd". Vanuit de woonkeuken van de boerderij (in Echten) waar ik ben opgegroeid, konden we de watertoren van Kuinre zien. Gemeten naar de beperkte geografische schaal van toen begon daar voor ons het "buitenland" dat zich onderscheidde door andere gewoonten en - niet te vergeten - een andere "taal". Spraken wij thuis Fries, aan de andere kant van de Tjonger was "Overijssels" de huistaal. Vanwege economische toestanden als gevolg van de crisis in de jaren dertig verhuisde het gezin van mijn grootouders naar dit gebied.
Terug naar De Leeuw van Vlaanderen. Ik kan me nog herinneren dat dit verhaal een grote indruk op mij heeft gemaakt. En het heeft mij nieusgierig gemaakt; ik kreeg belangstelling voor het land waar deze geschiedenis zich heeft afgespeeld. Trouwens ook mijn meester van de zesde klas heeft daaraan bijgedragen; hij leerde ons liederen zingen als Boven Gent rijst en vertelde ons waarom de toren van het belfort "zinn'beeld van 't verleden" was. Achteraf heb ik er mij over verbaasd dat in het boerengezin van mijn grootouders uitgerekend dit boek in de kast stond. Temeer daar het totale boekenbezit uiterst miniem was. Toch was dit ook weer niet zo verwonderlijk; het was natuurlijk een goede zaak dat je kon lezen, maar je moest het niet teveel doen, want dat was zonde van de tijd. En dat niet alleen. Ik hoor het mijn grootmoeder nog tegen mijn moeder zeggen: "Die jongen - daarmee bedoelde ze mij - verleest zijn verstand nog een keer." Ze was blijkbaar onkundig van de spreuk "Wie leest verrijkt zijn geest".
Door De Leeuw op het Vlaamse spoor gezet is dit deel van de Nederlanden nooit weer uit mijn blikveld verdwenen. Daar heeft mijn opgroeien in een gereformeerd gezin zeker het zijne toe bijgedragen èn de liefde voor geschiedenis die mijn moeder mij heeft meegegeven. En deze liefde had vooral betrekking op de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme. Ik weet niet meer hoe oud ik was, toen ik op een gegeven ogenblik de "ontdekking" deed, dat als er geen inquisitie zou zijn geweest, een groot deel van Vlaanderen gereformeerd en het overgrote deel van mijn geboortestreek roomskatholiek zou zijn geweest. Immers rond 1560 is in de Westhoek de bevolking tussen 60 en 100% gereformeerd, terwijl het percentage in het Friesland van die jaren zeker niet boven 10% is uitgekomen.
Ook een ander facet heeft meegespeeld in mijn groeiende belangstelling voor Vlaanderen en wel dat van de taalstrijd en de daarmee verbonden ontvoogdingsstrijd. Opgroeiend in een Friestalig gezin ben ik van jongsaf aan vertrouwd geweest met de spanningen die dit met zich meebrengt. Het Nederlands was de taal van kerk en school. Zeker, eerst de kerk, want dat was de plaats waar ik als kleuter Nederlands hoorde (s)preken en daarop aansluitend de driemaal-dagelijkse lezing na de maaltijd uit de Bijbel, natuurlijk in de "Tale Kanaäns" - het Hollands, zoals in onze huiselijke kring het Nederlands altijd werd genoemd.
In 1961 kwam Vlaanderen heel dicht bij toen ik met mijn gezin verhuisde naar het Zeeuwse deel van Vlaanderen. Gebruikmakend van de beperkte eigen-vervoersmogelijkheid - de fiets - ben ik tijdens die eerste jaren van ons verblijf in dit "schone land" verkenningstochten in de grensstreek wezen maken. Als later de auto binnen bereik komt, breiden die tochten zich steeds verder uit en ontstaan ook de eerst contacten met mensen "aan de andere kant" die ik tot op de dag van vandaag tot mijn vrienden mag rekenen.

... en Frans-Vlaanderen...
Het is ook dankzij het wonen in het Zeeuwse deel van Vlaanderen dat ik op een zeker ogenblik ontdekte dat er ook een Frans-Vlaanderen bestond. Die ontdekking heeft op een vreemde manier plaats gevonden, n.l. via Zuid-Afrika. Mijn in Spui wonende collega had nauwe banden met dit land; geen wonder, want het was zijn geboorteland. Zijn vader was het het eind van de 19e eeuw door de Transvaalse regering aangetrokken als onderwijzer maar teruggekeerd naar Nederland na het beëindigen van de Tweede Boerenoorlog (1902). Na de Tweede Wereldoorlog zijn nogal wat Nederlanders naar Zuid-Afrika geëmigreerd. Deze emigranten gaven een eigen blad uit waarop deze collega was geabonneerd. Het was in een aflevering van dat blad dat een artikel stond over Frans-Vlaanderen; het was geschreven door een zekere Jozef Deleu. Omdat mijn collega wist dat ik me zeer interesseerde voor Vlaanderen kreeg ik die aflevering van hem. Het artikel van Deleu eindigde met de mededeling dat, wanneer je meer informatie wilde hebben, je een abonnement op Ons Erfdeel kon nemen.
En zo is deze bal gaan rollen. Ik heb toen contact opgenomen met Jozef Deleu en mij geabonneerd op Ons Erfdeel. Dat was midden jaren zestig. Samen met mijn vrouw heb ik één van die zomers - na de kinderen te hebben "uitbesteed" bij kennissen- op de bromfiets een eerste verkenningstocht naar Frans-Vlaanderen (omgeving Sint-Winoksbergen) gemaakt. Op de terugweg hebben we van de gelegenheid gebruik gemaakt door aan te leggen bij Huize Oranje - toen nog in de dorpskom van Rekkem. Het is ook van die tijd dat de vriendschap met Jozef Deleu dateert. Ja en dan hangt het er maar van af in welke mate je je ergens bij laat betrekken. Als ik dat zo schrijf dan heeft dat betrekking op mijn deelnemen aan de activiteiten van het Komitee voor Frans-Vlaanderen en de daaruit voortvloeiende vriendschapsrelaties met de families Demedts en Verbeke. Als je op een gegeven ogenblik in de achteruitkijkspiegel van je leven kijkt dan ontdek je dat deze vriendschappen bijgedragen hebben tot verrijking van je leven.

... naar ZANNEKIN
In 1971 zijn we vanuit het Zeeuws-Vlaamse land verhuisd naar het in de Gelderse Vallei gelegen Veenendaal. Het was hier dat ik op een zekere dag een brief van dr. Rutten ontving met het verzoek voor een gesprek over mogelijke toetreding tot het bestuur van de Vereniging ZANNEKIN. Na afloop van dit gesprek - dat bij mij thuis plaatsvond - kostte het mij geen moeite de slotvraag van dr. Rutten met "ja" te beantwoorden.
Enkele jaren later is dr. Rutten, deze keer in gezelschap van de heer Goethals en hun vrouwen, opnieuw afgereisd naar Veenendaal. Bij zich hadden ze de drukproeven van het eerste jaarboek waarvan de paginering nog moest worden vastgesteld. Een halve zaterdagmiddag zijn we daarmee in de bestuurskamer van de school waaraan ik toen als hoofd verbonden was, bezig geweest.
Deze bemoeienis vloeide regelrecht voort uit mijn deelneming aan de inmiddels gevormde werkgroep "De Oostelijke Nederlanden", die op gezette tijden bijeen kwam ten huize van dr. Rutten te Maaseik. Het is ook daar dat het door mij voorgestelde plan een jaarboek als publicatie uit te geven werd aangenomen. De achterliggende overweging was dat een tijdschrift moeilijk te verwerkelijken was met name vanwege het dwangmatige verschijningskarakter; wilde men geloofwaardig overkomen dan had men er voor te zorgen dat de nieuwe aflevering op het juiste tijdstip klaar was voor toezending aan de abonnees. Met het uitgeven van een jaarboek zou men iets ruimer in het tijdscorset zitten.
Dat deze beslissing de juiste is geweest, blijkt duidelijk uit de waarde die aan deze reeks wordt toegekend. Voor een niet onbelangrijk deel is dat te danken aan het feit dat we ons hebben weten te verzekeren van medewerking uit onder meer het hele randgebied. Dat heeft ook sterk bijgedragen tot verhoging van het documentair karakter.
Als voorzitter ben ik de vierde in de rij. In 1989 heeft het bestuur mij door stemming de hamer als teken van deze waardigheid toevertrouwd. Waren aanvankelijk de vergaderingen soms gekenmerkt door interne spanningen - wat het leidinggeven er niet gemakkelijker op maakte - toen het "vaarwater" weer rustiger werd, heb ik het werk dat aan deze functie verbonden is graag verricht, daarbij op voortreffelijke  wijze gesteund door Maurits Cailliau als secretaris, penningmeester en eindredacteur van ons jaarboek. In goede harmonie hebben we, samen met het ganse bestuur, mogen samenwerken ten bate van onze vereniging. Ik heb er goede hoop op dat dit klimaat bestendigd zal worden gedurende de tijd dat ik de voorzittersstoel bezet houd.

Marten Heida
Prins Willem Alexanderpark 53
NL 3905 CB Veenendaal, Tel. 0318-510 087

Uitstap naar Broekburg en Grevelingen

Met Zannekin naar Zuid-Vlaanderen reizen
Is onze Nederlandse cultuur hier prijzen!
Oude Vlaamse dorpjes en poëtische steden
Hebben er door de oorlog soms veel geleden.

Ieperstation, vertrekpunt met zovele bekende gezichten
Nu volgen kort de begroetingsplichten.
Marten, Jan, Maurits, Leo...
't Hele gezelschap, weer zo!

We rijden langs lieflijke dorpjes vol rust,
Ga ze nu bezoeken, er wandelen, een lust.
Wormhout met zijn oude Deschodtmolen,
Ekelsbeke met kasteel en park om in rond te dolen.
Zie de bordjes 'd'oude Meulenstraete'
We zagen het bijna te 'laete'
We rijden nu het Blootland binnen
Land dat men op de zee kon winnen.
Broekburg is onze eerste halte,
Daar krijgt het bezoek al wat gestalte.
De Sint-Jan de Doperkerk met Romaanse sporen,
Heeft ons door die liggende Madonna kunnen bekoren.
Zoveel is hier in 1940 in puin geschoten
Maar nu in moderne vorm gegoten.

Grevelingen rijden we nu binnen met z'n stoere muren,
Waar je kunt wandelen en kuieren vele uren.
We eten er in restaurant 'Le beau rivage'
De picon is heerlijk, we zijn zo 'sage'
Aan een tafel heeft men zich met twee picons kunnen versterken,
Je kunt het aan hun luidruchtig gelach wel merken.
't Volgende was krab als voorgerecht,
't Was niet mis, dat weze gezegd.
Een reuzegrote hoofdschotel kwam nu op tafel,
We worden allen stil, we houden onze wafel.
De heer burgemeester kwam ons verwelkomen,
Ons voor het mooie van Grevelingen klaarstomen.
Velen dronken nog een glas wijn,
Wit of rood, hij was toch fijn.
Wijn van Willibrordus of van een kasteel,
't Was een goede afsluiter, een fijn geheel.
We hoorden het van Jan, Willibrordus is bijna overal geweest,
Ja, zoals de paus van Rome, geschoeid op dezelfde leest.
Ligt de heilige hier of in Echternach begraven?
Of was het (zo oneerbiedig) een varken met vele gaven?
In de kerk zien we een mooi epitaaf
Prachtig, fris en gaaf.
We gaan in de ondergrond het reliëfplan bekijken,
En het met de huidige werkelijkheid vergelijken.
Verder oude plannen en gravuren,
En Franse soldaten met eigenaardige kuren.
Buiten zie je de denker van Rodin,
Maar neen, van Rembrandt Bugatti, ook très bien.
En 't zijn ook niet de burgers van Calais,
%aar een groepje babbelzieke dames, wè.
De kerncentrales hebben de stad veel bibbergeld bezorgd.
Vandaar dat alles hier zo mooi is hersteld en verzorgd!
We klimmen naar boven,
Kunnen het panorama van de stad maar loven.
Afdalen is moeilijker van aard
Maar 't was het toch wel waard.

Kapellebroek met een echt Sint-Jakobsreliek
En beelden door de memel wat ziek.
Jan gaf op de kansel uitleg als een predikant
Want Romaans is iets naar zijn tand.
Sint-Gandolf wordt hier vereerd door verlaten vrouwen,
Die hun echtgenoot niet meer kunnen betrouwen.

We rijden naar Herzele, naar 'De vette os'
Daar laat men ons voor de laatste keer weer los.
Een kopje koffie, een stukje taart
Is deze heerlijke dag wel waard.
De voorziter sprak het slotwoord uit.
Daarom rinkelde de aspot eerst luid.
Hij dankte de chauffeur voor een rit zonder blutsen en builen
We geven hem dan ook 'n applaus zonder bloemtuilen
Ook Leo en Jan onze dank
Niets aan de studie-uitstap was mank.
We waren met een grote bende,
Nu komt er helaas aan deze reis een ende.
Goede vrienden, 't was fijn,
Om samen met Zannekin te zijn.
We zijn heel tevree
En gaan volgend jaar nog eens mee!

Verslag in sneldicht van Marcel Denduyver, Gistel


In de marge van de ZANNEKIN-studie-uitstap

Het verhaal van een Fransgezinde pater1

Stephan de Cock, Mechelen

De opstandige Mechelse pater Raymundus van Thurenhoudt werd verbannen naar het Capucienenklooster en opgesloten in het voormalig 'pesthuis', dat ver in de hovingen van het klooster gelegen was. Het was een ideale plaats om te ontsnappen. Op 11 januari 1790 profiteerde hij van de duisternis om 's avonds te ontkomen. De prior der Dominikanen werd verwittigd en 's anderendaags werd een grondige speuractie georganiseerd door twee broeders, die pater Raymundus 's avonds in het Capucienenklooster terugbrachten. Begin van oktober 1791 is hij terug bij de Dominikanen doch hij bleef onverbeterlijk. Wanneer Mechelen voor de eerste maal ingenomen wordt door de Franse soldaten verlaat hij voorgoed het klooster om zich bij de Fransen aan te sluiten. Pater Van Thurenhoudt wil zich wreken op zijn overste. Want in de Franse Club werd de prior van de Dominikanen aangeklaagd omdat hij zou gepredikt hebben tegen de komst van de Fransen. Men stelde vier burgers en twee militairen aan om dit geval te onderzoeken, maar deze burgers kregen argwaan en deden niet mee. Op 23 december 1792 droeg pater Raymundus voor de Fransen de eerste H. Mis op in de St.-Pieterskerk en op 4 januari 1793 vroeg hij aan aartsbisschop de Franckenberg, in het gezelschap van een Franse legerkapitein de toelating om 'Aumonier' of 'veldpaep' te worden van het Franse garnizoen te Mechelen. De aartsbisschop kreeg angst en zei dat hij eerst zijn vicaris moest raadplegen. Of pater Van Thurenhoudt die toelating ook verkregen heeft is niet bekend, maar daar hij vroeger reeds negen maal uitleg moest geven aan de aartsbisschop over zijn handelswijze, zal het antwoord wel negatief geweest zijn. Op 24 februari werd er op de Grote Markt een altaar opgesteld om een lijkdienst te houden voor Guillaume Pelletier de Saint-Fargeau, kapitein van het 1e Regiment Infanterie van het Franse leger. Pater Van Thurenhoudt deed de mis. Wanneer het Franse leger een maand later onder druk van de Oostenrijkers Mechelen moest verlaten werd dit altaar vernield en verbrand. Pater Raymundus ging mee en werd aangesteld als verantwoordelijke voor de parochie Capelle-Broeck in Frans-Vlaanderen. Op 15 juli 1794 werd Mechelen definitief ingenomen door de Franse troepen. Op 13 maart 1795 was pater Van Thurenhoudt terug in Mechelen om zijn pas te laten tekenen. Doch de Fransen beschouwden hem nog als een Dominikaan in de missie. Op 17 maart werd een lijst opgesteld van alle Dominikanen uit het Mechels klooster, bijgevolg werd ook pater Van Thurenhoudt vermeld. Maar daar hij geen deel uitmaakte van de kloostergemeenschap, kon hij moeilijk zijn handtekening onder dit document plaatsen. Later verliet hij Mechelen definitief om zich als pastoor te Drincham, ook in Frans-Vlaanderen, te vestigen waar hij stierf op 12 september 1820.
_____________________
1 Fragment uit een studie in voorbereiding over de Dominikanen te Mechelen. Op onze Studie-uitstap bezochten we ondermeer het kerkje van Capelle-Broeck en het vlakbij gelegen Drincham. De deelnemers zullen er ongetwijfeld prijs op stellen kennis te nemen van dit verhaal.

Prijzen Hertog van Arenberg

Reglement
  1. De Arenbergstichtingen hebben twee prijzen ingericht ter bevordering van het historisch en cultureel onderzoek van het Europese continent.
  2. Een prijs van 4000 Euro bekroont een algemeen werk, gericht op een breed publiek. Deze studie moet bij voorkeur betrekking hebben op de oude XVII Provinciën der Nederlanden, het Heilig Roomse Rijk (vooral het Rijnland en Westfalen en/of Noord-Frankrijk.
  3. Een prijs van 1000 Euro bekroont een wetenschappelijke studie, die gebaseerd is op Arenbergarchieven, die o.m. in Arras, Brussel, Dowaai, Dusseldorp, Edingen, Koblenz, Leuven, Parijs en Wenen bewaard worden.
  4. De prijzen zijn niet deelbaar en kunnen evenmin verhoogd worden als de jury ze niet toekent.
  5. De twee prijzen worden tweejaarlijks toegekend aan Duits-, Engels-, Frans- of Nederlandstalige auteurs, zonder uitsluiting van andere Europese talen.
  6. De studies mogen van de hand zijn van één of meerdere auteurs. Ze dienen op origineel bronnenmateriaal te steunen. Zowel boeken, universitaire scripties als artikels van tenminste 50 blz. komen in aanmerking.
  7. Het wetenschappelijk comité behoudt zich het recht voor per uitzondering een literair werk (dichtkunst, proza), een muzikale compositie, een kunstwerk (schilderij, beeldhouwwerk, grafiek), een architecturale realisatie, een inventaris of de restauratie van een archief te bekronen.
  8. Voor de beoordeling van de kandidaten werd een wetenschappelijk comité opgericht. Zijn samenstelling en werking werden in een apart reglement vastgelegd.
  9. Kandidaten dienen hun werk in twee exemplaren aan het secretariaat te bezorgen. De inzendingen moeten getypt of gedrukt zijn en dienen naam, titel, adres en telefoonnummer van de auteur te vermelden.
  10. Alle in art. 9 genoemde documenten moeten uiterlijk op 31 januari 2002 in het bezit zijn van het secretariaat.
  11. Binnen dezelfde termijn mogen de leden van het wetenschappelijk comité of uitgevers op eigen initiatief kandidaten voorstellen.
  12. Het wetenschappelijk comité behoudt zich het recht voor één exemplaar van de in art. 9 genoemde werken te behouden en te publiceren.
  13. Het wetenschappelijk comité mag naar eigen goeddunken specialisten raadplegen om de kwaliteit van de inzendingen te beoordelen.
  14. In alle gevallen die niet in het reglement voorzien zijn, zal het wetenschappelijk comité zelf een beslissing nemen na overleg met de Arenbergstichtingen.
  15. De prijzen worden uitgereikt op een door het wetenschappelijk comité gekozen plaats, doorgaans in de maand september.

Voor bijkomende inlichtingen: Secretariaat Archief en Cultureel Centrum Arenberg, IJzerstraat 6-8, B. 7850 Edingen, tel./fax 0032/(0)2-395 9141.