> nieuwsbrief > 21e jg. - 1e trimester 2003

Bijdragen over:

 

Tip

 

Mededelingen

Hernieuwing bijdragen jaar 2003

De jaarwisseling is niet alleen de periode bij uitstek om elkaar alle goeds toe te wensen. Voor de penningmeester komt daarbij de taak eraan te herinneren dat met die jaarwisseling tevens ook het moment aanbreekt waarop de bijdragen dienen hernieuwd te worden.

Dit gebeurt dan bij deze! Spijtig genoeg dwingen de recente aanpassing van druk- en portkosten ons er toe de basisbijdrage op te trekken tot 26 EUR, teneinde aan de te voorziene mééruitgaven het hoofd te bieden. Voor vereffening van de bijdrage verwijzen we naar onze rekeningnummers onder de rubriek ‘info’ van deze webpagina’s.

Vanzelfsprekend zijn in deze bedragen als vanouds de abonnementen op zowel de Nieuwsbrief als het ZANNEKIN-jaarboek De Nederlanden 'extra muros' begrepen. In 2003 verschijnt trouwens het 25e jaarboek. Deze jubileumeditie wordt extra omvangrijk en zal niet minder dan 320 pagina's tellen. De ledenbijdrage geldt tevens als voorintekening op het jaarboek, waarvan de boekhandelprijs na verschijnen 30 EUR (+ 3 EUR verzendkosten) zal belopen.

Als voorheen blijven de leden genieten van een substantiële korting (25%) op de deelnemersbijdragen van onze Studie-uitstap en onze Ontmoetingsdag.

Studie-uitstap en Ontmoetingsdag

Alvast te noteren data: op zaterdag 10 mei 2003 gaan wij op verkenning naar het Westmunsterland. De bus zal vertrekken vanuit Veenendaal (met tweede opstapplaats te Ede. Op zaterdag 4 oktober 2003 zijn we met onze Ontmoetingsdag te gast in het Zuid-Vlaamse Sint-Omaars.

25e Jaarboek De Nederlanden 'extra muros'

Tussen Studie-uitstap en Ontmoetingsdag in verschijnt - einde mei - ons jubileumjaarboek. In het volgend nummer van de Nieuwsbrief vindt u de inhoudsopgave van het 320 pagina's omvangrijke nieuwe jaarboek, waarvan de redactie zopas de bijdragen selecteerde. Als steeds werd daarbij als criterium weerhouden dat, in de mate van het mogelijke, alle territoria 'extra muros' aan bod dienen te komen.

Signalement

Van het onvolprezen standaardwerk over Keizer Karel van de hand van Wim Blockmans verscheen onlangs een goedkopere editie bij uitgeverij Van Halewijck/Leuven. ISBN. 90-56172468, prijs 9,95 EUR.

In Memoriam Ward Corsmit

 

Leo Camerlynck, Ukkel

 

"Al droevet die tyd ende die vogeline", zul je graag horen, Ward, niet omdat je van weemoed houdt, maar omdat Hadewych het geschreven heeft.

Je sprak over Hadewych, Ruusbroec, Geert Groote, Erasmus, mystici en intellectuelen uit onze dierbare Nederlanden intra muros, maar je kon even boeiend vertellen over Thomas a Kempis, Maria Petyt, Norbertus van Gennep, Charles Deulin, Michiel de Swaen, zoveel prachtige figuren uit de Nederlanden extra muros.

Ja, je kon er echt boeiend over vertellen, Ward. Frans-Vlaanderen, of beter de Franse Nederlanden waren je dierbaar, maar ook de Duitse Nederlanden rond Kleef, Kevelaer, Bentheim, Emden, Wachtendonk, Kempen, en nog veel meer. Ook het Walenland en Luxemburg bekoorden je. Zonder Zuidelijk Afrika te vergeten.

Zannekin, de vereniging die je jarenlang een warm hart hebt toegedragen en waarvan je een bezielend en verzoenende voorzitter was, zal je missen.

Ward, jij uitdrager van ons hecht christelijk geloof en humanisme, jij Dietser, in hart en nieren, rust wel in de vrede van de Heer.  

Na een rijkgevuld leven,

maar dankbaar voor zijn leven onder ons,

hebben wij afscheid genomen van

Priester

Ward Corsmit

bestuurslid Vereniging/Sichting ZANNEKIN

Hij werd geboren te Berchem op 13 juni 1919

en overleed te Borgerhout op 25 november 2002

Namens het ZANNEKIN-bestuur sprak vice-voorzitter Leo Camerlynck hogerstaand afscheidswoord uit naar aanleiding van de uitvaartliturgie.

 

Verslag Ontmoetingsdag Waterloo

 

Zaterdag 28 september 2002 stond de veldslag bij Waterloo op het programma (zie ook Zannekin Nieuwsbrief 4e trimester 2002). Vriendelijk werden wij verwelkomd in de herberg Le bivouac de l'Empereur tegenover de heuvel met de Leeuw van Waterloo.

Mevrouw Agnes Thimpont-Lepez zette met groot enthousiasme op heldere wijze het verloop van de slag uiteen. De Fransen hadden 124.000 troepen. De geallieerden hadden twee legers: Wellington 106.000 en Blücher 117.500. Het leger van Wellington bestond uit troepen van Britten, Nederlanders, Belgen, Hanoveranen, Nassauers, Brunswijkers en het Duits Legioen. Vijf à zesduizend Belgen, ongeveer evenveel aan Nederlandse als aan Franse zijde, waren goedschiks of kwaadschiks bij de strijdkrachten ingelijfd. Van 15 tot 18 juni 1815 waren er in totaal 92.450 slachtoffers.

Na de uiteenzetting over de slag kon een ieder de heuvel met de bronzen leeuw beklimmen en het slagveld overzien en een kijkje nemen in het museumwinkeltje. Het panoramagebouw was gesloten. In het panoramagebouw is de slag op een groot rond schilderij (panorama) afgebeeld. In Den Haag is het andere panorama in de Nederlanden te zien: het Panorama Mesdag. De bekende zeeschilder H.W. Mesdag schilderde het oude vissersdorp Scheveningen uit 1881 hierop.

Na de warme maaltijd werden diverse monumenten van de slag aangedaan. De Belgen hebben twee monumenten: te Baisy-Thy voor de Belgen gedood op 16 juni 1815 en te Waterloo voor de Belgen gesneuveld op 18 juni 1815. Bij Quatre-Bras is een gedenkplaat te zien met de tekst: "Aan de Nederlanders en hun medestrijders verdedigers van Quatre-Bras 15-16-VI-1815 ‑ à la mémoire des néerlandais et leurs allies defenseurs de Quatre-Bras". De Nederlanders hebben sinds 21 september 1990 een monument opgericht door de huzaren.

Het tweede deel van de middag stond in het teken van de heilige Lutgart van Tongeren (16 juni). In 1194 werd zij oblate bij de benedictinessen van het Sint-Katharinaklooster van Sint-Truiden. In 1198 legde zij haar geloften af en werd in 1205 priorin. Zij wilde overgaan naar de strengere onderhouding van de regel volgens Citeaux en verkoos Herkenrode, waar Diets gesproken werd, doch op het uitdrukkelijk verlangen van de Heer, haar medegedeeld door Zalige Kristina en Jan van Lirot, ging zij voor juni 1206 naar de abdij Awirs te Gleixhe, die later werd overgebracht naar Lillois, en vanaf 1217 naar Couture-Saint-Germain, waar zij Aywières werd. Om niet tot abdis te worden verkozen, bekwam zij op voorspraak van Onze-Lieve-Vrouw de gunst nooit Frans te kennen, zelfs niet genoeg om brood te vragen, en toch was zij voor ontelbaren, prelaten, geleerden en eenvoudigen een raadgeefster en een moeder. Zij stierf te Aywières op 16 juni 1246 onder abdis Hadewych.

Een paar jaren na haar dood werd haar leven beschreven door de dominicaan Thomas van Bellingen, die zeker reeds voor 1230 haar vertrouweling was. Op voorstel van professor Bormans werd Lutgart door Adolf Duclos en Guido Gezelle verkozen tot patrones van onze letterkunde en van de Vlaamse Beweging. Sedert 1931 is zij patrones van het Davidsfonds.

De tocht voerde verder onder andere langs de abdijruïne van Villers-la-Ville (de moeite waard om eens zelf te bezoeken). Jan van Tongeren schetste de levensloop van Lutgart of Lutgardis en nam diverse visioenen van haar door. In de kerk van Ittre zijn een glasraam en een beeld van Lutgardis te zien. In 1624 werd een zilveren reliekschrijn in de kerk van Ittre geplaatst. Een deel van het scheenbeen van Lutgardis werd overgeplaatst in de nieuwe kerk in Tongeren. In Brugge is de meest westelijke afbeelding van Lutgardis te zien en op de Karelsbrug in Praag de meest oostelijke.

Op de weg terug naar Waterloo gaf Leo Camerlynck diverse historische en toponymische informatie en werd een video-opname getoond van de aflevering Waterloo uit de serie War Walks van de BBC met Richard Holmes.

Na de heerlijke Waals-Brabantse suikertaart met koffie nam een ieder afscheid in de hoop elkaar weer te treffen op 10 mei 2003 in West-Munsterland.

Rudi Koot

Bezienswaardigheden rond de slag van Waterloo: bezoekerscentrum en leeuwenheuvel en panorama (Route du Lion 252-252, Braine-l'Alleud (Eigenbrakel)), wassenbeeldenmuseum (Route du Lion 315, Waterloo), Wellingtonmuseum (Chaussée de Bruxelles 147, Waterloo), Provinciaal Museum van Caillou (Chaussée de Bruxelles 66, Vieux-Genappe (Oud-Genepiën)).

Literatuur: brochure Waterloo; verhaal van het verloop van de beroemde dag van 18 juni 1815 door Fr. Libert, brochure Wandeling 1815 (1980), brochure Het slagveld van Waterloo stap voor stap; de gids bij uw bezoek (1991), boek Weekend Reisgids Waterloo van uitgeverij Casterman uit 1995, boek De Onze-Lieve-Vrouw abdij van Villers in Brabant door Henri Gilles (Villers-la-Ville 1989), boek Omtrent de abdij van Villers-la-Ville, Gemeentekrediet ‑ Koning Boudewijn Stichting, 1988, boek Heiligen uit de Nederlanden door Aubert-Tillo van Biervliet, osb, uitgeverij Tabor Brugge, 1986 (ISBN 90-6597-202-1).

Grenzüberschreitender

Heimattag  in Vreden

 

Zahlreiche Heimatfreunde aus Deutschiand und den Niederlanden waren am 06. Juli auf Einladung der Kreisheimatpflege Borken, der Stichting Gelders Oudheidkundig [Genootschap?] und der Stichting Kunst & Cultuur Overijssel zum grenzüberschreitenden Heimattag nach Vreden gekommen. Im Mittelpunkt der Tagung stand "Die napoleonische Zeit im Achterhoek und im Westmünsterland".

 

Jubiläum der Stadt Vreden und des Hamaland­Museums  

Zunächst begrüsste Kreisheimatpfleger Wolfgang Feidhege die anwesenden Vertreter der Heimatvereine, der Museen und historischen Vereinigungen. Er hob dabei besonders den Anlass für die Tagung in Vreden, nämlich das Ortsjubiläum und das 25jährige Bestehen des Hamaland-Museums als Kreis-museum des Kreises Borken hervor. Es folgten weitere Grussorte von Vre-dens Bürgermeister Hermann Pennekamp und Landrat Gerd Wiesmann.

 

Zeitenwende im Westmünsterland -

Die Folgen der Französischen Re-volution von 1789  

Dr. Hermann Terhalle gab in seinem Vortrag mit dem Titel "Zeitenwende im Westmünsterland - Die Folgen der Französischen Revolution von 1789" in bewährter Weise einen illustren Überblick über die Geschehnisse in Folge der Französischen Revolution, die auch im Westmünsterland zu einer gravierenden Zeitenwende führte und den Menschen mit all ihren Wirren und Wendungen Erhebliches abverlangte. Waren es zunächst noch französische Emigranten, die ins Münsterland drängten, folgte wenige Jahre später im Krieg mit den europäischen Feudalstaaten die Französische Armee. In den Niederlanden gründete Frankreich 1794 mit der Batavischen Republik einen regelrechten Satelitenstaat. Im Zuge des "Reichsdeputationshauptschlusses" am 25.02.1803 wurde Preussen für den Verlust von Gebieten mit der Säkularisation kirchlichen Besitzes entschädigt. Innerhalb nur weniger Jahre erfolgten auch im Westmünsterland mehrere territoriale Neuordnungen. Diese gingen einher mit Reformen des Gesundheits-, Bildungs- und Schulwesens. Schliesslich folgte 1811 endgülige Anschluss des Westmünsterlan-des an Frankreich. Diese nur rund zweeinhalb Jahre andauerende Zugehörigkeit zum Königreich Frankreich hinterkliess jedoch deutliche Spuren. "Judenemanzipation", "Code Napoleon", Bauernbefreiung oder Einführung des metrischen Systems sind hier nut einige Schalgworte. Dr, Terhalle machte zusammenfassend deutlich, dass die "Franzosenzeit" bei vielen Leuten im Westmünsterland nicht unbeliebt gewesen und daher sehr differenziert zu betrachten ist.

 

Die Franzosenzeit in der Herrlichkeit Bredevoort  

Im zweiten Teil der Vortragsreihe gab Herr Evert M. Smilda, Aalten, Einblicke in "Die Franzosenzeit in der Herrlichkeit Bredevoort". lhm gelang es dabei immer wieder, in die "Haut derer zu schlüpfen, mit denen er sich beschäftigte". Anschaulich schilderte er, wie niederländische Bauern die Tochter des Königs von Preussen auf dem Weg zu ihrer Hochzeit stoppten und zurückschickten oder wie in Nordholland ein Aufstand gegen die französische Besatzungsmacht ausbrach und auch das Westmünsterland erreichte. Herr Smilda regte an, eine grenzüberschreitende Ausstellung zum Thema "Franzosenzeit", ja sogar ein grenzüberschreitendes Museum zu realisieren.

Vom Krumstab zum Adler - Säkularisation in Westfalen

Schliesslich nahm Frau Dr. Christiane Todrowski vom Landschaftsverband Westfalen-Lippe die Gelegenheit war um die Vertreter der Heimatvereine aus erster Hand über das Projekt "Vom Krumstab zum Adier -- Säkuiarisation in Westfalen" zu informieren, welches im kommenden Jahr an die Säkularisation im Jahre 1803 erinnern soll. Sie forderte die Heimatvereine auf, aktiv mit eigenen Veranstaltungen mitzuwirken und bat darum, etwaige Veranstaltungen dem Koordinierungsbüro mitzuteilen.

Bron: Heimatbrief (Kreis Borken), Nr. 166, August/September 2002, pp. 4-5.  

Van de Voorzitter

Actie tot stimulering van het gebruik van het Platt

In de voorbije oktobermaand heeft men zich in Oost-Friesland ingespannen het gebruik van de eigen streektaal onder de aandacht van de bevolking te brengen. Dat gebeurde in het kader van het door het plattdütsburo van de Ostfriesische Landschaft en de vereniging "0ostfreske Taal" gemeenschappelijk opgezet project "Oostfreesenserspraak is Oostfreesenzaak - Plattdütsk bi d'Arbeid". Deze opzet werd breed gesteund zowel door werkgevers- als werknemersorganisaties. Trouwens ook de politiek liet zich niet onbetuigd wat bleek uit de toegezegde steun van de kant van de Landkreisen en de stad Emden.

De eigenlijke actie vond plaats in de week van 14 tot 18 oktober. Het projectteam had in de voorafgaande weken het bedrijfsleven en de overheden bewerkt om eraan deel te nemen. Het had er ook voor gezorgd dat er op grote schaal bekendheid aan was gegeven door onder meer raambiljetten en zelfklevers.

Het doel van de actie werd als volgt omschreven: Het komt er niet op aan dat gedurende een week op het werk platduits of tweetalig gecommuniceerd wordt; van veel groter belang is het dat men door dit  experiment de moed opbrengt het gebruik van het plat, gewoon te vinden. In dit verband werd het bedrijfsleven gevraagd in het platduits hun waren aan te prijzen en personeel aan te werven. (Bron: Ostfrieslandmagezin 2002/9 blz. 111)

Oost-Friesland: uitwijkmogelijkheid voor Friese boeren

Ook in een ander opzicht wil ik aandacht vragen voor Oost-Friesland. Het is namelijk naar dit gewest dat menige Friese boer getrokken is om daar zijn bedrijf voort te zetten. Het begon ongeveer zo'n dertig jaar geleden. Veel Oostfriese boeren hadden geen opvolger omdat hun zonen in de gevechten aan het Oostfront gesneuveld waren. De tweede emigratiegolf dateert van eind jaren negentig. Ging het tijdens de eerste golf om tientallen boeren, nu zijn het er nauwelijks meer dan vijf.

Van het kopen van een boerderij is vrijwel nooit sprake; in Oost-Friesland is van oudsher de grond in handen van grootgrondbezitters en kleine adel. In de praktijk betekent dit dus dat het merendeel van de boeren pachter is; en dat geldt ook voor de nieuwkomers uit Westerlauwers Friesland.

Dat ze over dit bezwaar heenstappen heeft te maker met het feit dat Oost-Friesland voor Friese boeren een aantrekkelijk vestigingsgebied is; qua. cultuur en mentaliteit zijn er veel overeenkomsten. En ook het klimaat en de bodemgesteldheid verschillen nauwelijks van die in Fryslân. Wel is veel minder grond in cultuur gebracht als gevolg waarvan meer akkers worden afgewisseld met bos en heide.

In bepaalde gevallen heeft ook de kerkelijke verwantschap een rol gespeeld in de keuze voor Oost-Friesland. In dit gewest bestaan sinds het midden van de 19e eeuw een vijftal.gemeenten die hun wortels hebben in de afscheiding en sinds de jaren twintig van de vorige eeuw als Classis Oost-Friesland deel uitmaken van de gereformeerde kerken in Nederland. Belangstellende boeren brachten in het verleden dan ook vaak een kennismakingsbezoek zowel aan de notaris als aan de predikant van de Altreformierte Kirche. (Bron: Landbouwbijlage v.h. Friesch Dagblad, 24.9.02)

Ook het Bentheimse is in trek

Trouwens niet alleen Oost-Friesland staat goed aangeschreven bij Nederlanders; hetzelfde is het geval met de Graafschap Bentheim. Wel moet daarbij opgemerkt worden dat het "publiek" nogal van elkaar verschilt. En ook het oogmerk lijkt niet op elkaar. Gaat het bij de emigratie naar Oost-Friesland vooral om mensen die daar hun bedrijf willen voortzetten, bij die naar Bentheim gaat het voornamelijk om verhuizing vanwege de - in vergelijking met Nederland - lage grondprijzen en de oppervlakte grond per kavel.

Eén van de plaatsen die erg in trek is bij Nederlanders - en die zijn zeker niet alleen afkomstig uit de grensstreek maar ook in de Randstad heeft men belangstelling - is Gildehaus. "In drie jaar tijds is hun aantal gestegen van 36O naar 872 en de verwachting is dat nog voor het einde van dit jaar de duizend gepasseerd wordt." In het kader van de inburgering is er in augustus 2002 een z.g. "Willkommenstag" ingericht. Het doel ervan was tweeledig. Allereerst tracht men te voorkomen dat er een Nederlandse nederzetting ontstaat; in de tweede plaats moet een dergelijke dag dienen om de integratie te bevorderen. Het samenhorigheidsgevoel moet versterkt worden; en dat kan alleen maar als minder krampachtig omgegaan wordt met het Nederlandse verleden.

Wat in het bovenstaande onder woorden is gebracht, is in feite niets anders dan het dilemma waarmee iedereen geconfronteerd wordt die deel gaat uitmaken van een anders gestructureerde samenleving. Als vanzelf zoekt man dan contact met hen die in dezelfde situatie verkeren. Dat deden de emigranten die in de jaren veertig en vijftig vanuit Nederland naar Canada en Australië (om me tot deze twee landen te beperken) vertrokken. En dat doen vandaag de mensen die zich vestigen in het Duitse grensgebied met Nederland. Ik wil daar de staf niet over breken al betwijfel ik wel de juistheid van hun opstelling.

In dit verband stelt zich de vraag of hier niet sprake kan zijn van een tussenoplossing die uiteindelijk in zijn uitwerking ten voordele zal zijn voor beide partijen. Ik denk dat er een uitgezochte kans schuil gaat in een aanbod van de kant van het Duitse onderwijs op grotere schaal aandacht te besteden aan het onderwijs van het Nederlands. Kortom: ik pleit ervoor dat men in plaatsen met een groot contingent Nederlandstaligen overgaat tot het invoeren van tweetalig onderwijs. Dit zal ongetwijfeld ertoe bijdragen dat de nieuwkomers zich in de nieuwe woonomgeving thuis zullen gaan voelen. Bovendien vermindert daardoor de "behoefte" om de kinderen in de aangrenzende Nederlandse dorpen school te laten gaan. Trouwens daar willen de basisscholen graag van deze "Duitse" leerlingen af omdat ze van de overheid voor deze kinderen geen leerlingbijdrage ontvangen.

Daar komt nog bij dat het voor de Bentheimers toch een niet al te grote opgave moet zijn zich met Nederlands bezig te moeten gaan houden. De streektaal van hun gewest is immers meer Nederlands dan Duits van structuur. Het lijkt me dan ook alleszins de moeite waard te experimenteren met het hierboven aangedragen voorstel. Ik ben ervan overtuigd dat daardoor heel wat kou uit de lucht wordt gehaald. En dat kan alleen maar ten voor-dele zijn van beide bevolkingsgroepen die samen een gemeenschap moeten gaan vormen. (Bron, NRC-Handelsblad, 9.9.2002; Nederlands Dagblad, 6.11.2002)

Marten Heida

Prins Willem-Alexanderpark 53

NL. 3905 CB Veenendaal  

Identiteit en Toekomst

Marten Heida

Op 11 november 1999 vond het 5e Colloquium van de Delta-Stichting plaats. Door een zestal referenten werd een facet belicht van het thema "Vlaamse identiteit, Nederlandse toekomst in Europa". Als nr. 12 in de TeKoS-reeks zij hun teksten beschikbaar gekomen, waardoor belangstellenden in staat worden gesteld kennis te nemen van wat op dit colloquium te berde is gebracht.

De bundel opent met de bijdrage van Alain de Benoist. In zijn sterk filosofisch-gekleurd verhaal (De natie-staat en de identiteit der volkeren) schetst hij wat onder identiteit moet worden verstaan. Te vaak wordt dit woord gebruikt, terwijl het begrip helemaal niet in het geding is. Vandaar zijn poging een antwoord te geven op de vraag wat "identiteit" dan wel is. Naar zijn mening moet ze "opgevat worden als een geheel van kenmerkende verschillen die voortdurend hernieuwd worden en geregenereerd in relatie net een geheel van nieuwe ervaringen". In dit kader plaatst hij de natie-staat en het communautaire federalisme naast elkaar. Afsluitend besteedt hij aandacht aan de actuele bedreigingen voor de identiteit van de volken. Vlaanderen in Europa. Met of zonder Nederland? Zo luidt het opschrift van de tekst, zoals die door Prof. Gysels, voorzitter van de Unie Nederland-Vlaanderen, is uitgesproken. Hij begint met te herinneren aan het fenomeen van de gestolde frontlijn die als grens nog steeds Noord en Zuid van elkaar scheidt. Pas door de opkomst van radio en vooral televisie is er sprake van een wederzijds ontdekken. In dit verband herinnert hij aan Hendrik Fayat die van mening was dat de Vlaamse Beweging zou "moeten uitgroeien tot een algemeen Nederlandse". Het opmerkelijke is echter dat "in de loop van de laatste jaren een aantal linkse intellectuelen (...) de 'belgitude' hebben herontdekt." Met betrekking tot de Nederlandse taal pleit hij voor het "handhaven, verdedigen en promoten" daarvan "in eigen land en buitengaats". Ten slotte pleit hij voor de totstandkoming van een Nederlands-Vlaamse federatie die moet uit-monden in een Unie Nederland-Vlaanderen.

De derde bijdrage is van de hand van Piet Hein Jongbloet. Hij verbaast zich erover dat "Vlaanderen en Nederland zo weinig met elkaar kunnen", zeker ,in vergelijking met andere volken die ook door een grens van elkaar gescheiden zijn maar wel de taal gemeenschappelijk hebben. Verder stelt hij vast dat na de Tweede Wereldoorlog "de algemeen Nederlandse strekking strekking in de Vlaamse emancipatiebeweging stilaan op de achtergrond geraakt is." De inruiling van 'Nederlandse Cultuurgemeenschap' in 'Vlaamse Cultuurgemeenschap' bij de grondwetsherziening van 1980-'81 ziet hij ais één van de oorzaken. Toch is hij niet pessimistisch als het gaat over een toekomstig samengaan van Nederland en Vlaanderen. Zoals Limburg, Noord-Brabant en Zeeuws-Vlaanderen zijn ingegroeid in het Nederlandse staatsverband is dat ook mogelijk voor Vlaanderen.

Guido Naets plaatst de Belgische staatshervorming in een Europees kader. Het opmerkelijke feit doet zich voor dat, terwijl België zich ontwikkelt van een unitaire naar een confederale staat, de EU een ontwikkeling te zien geeft in tegenovergeste1de richting. In zijn optiek zal dit voor Vlaanderen tot gevolg hebben dat het kan functioneren als een staat die juist aan de EU zijn meerwaarde te danken heeft. Daarbij moeten diverse hinderpalen als daar zijn: de tegenstand van behoudsgezinde krachten, de opvatting dat splitsen 'fout' zijn en de hysterie van de Franstalige opiniemakers uit de weg worden geruimd. Verder kent de solidariteit m.b.t. Wallonië en Brussel haar grenzen en zal elke kans benut moeten worden te komen tot Vlaamse staatsvorming. Afsluitend stelt hij dat het nastreven van een politieke unie van Nederland en Vlaanderen tijdverlies is; immers het begrip 'staat' krijgt in het Europa van morgen een heel andere betekenis.

Het Vlaming-Nederlander-zijn in het tijdperk van de globalisering is het opschrift van het referaat van prof. Matthias Storme. Niet de vraag "aan welke kant sta je?" maar "Waartoe behoren we? is in het geding. Het is niet toevallig dat juist nu deze vragen gesteld worden. De toegenomen mobiliteit en de afbouw van de economische grenzen hebben mee het sociale weefsel uiteen doen vallen. Tegelijkertijd moet beseft worden "dat in deze wereld onze gezamenlijke welvaart en levenskwaliteit meer dan ooit bepaald wordt door culturele factoren". Daarbij is het belangrijk hoe men zich opstelt; niet omvang telt, maar de samenhorigheid. Dit sluit een gelaagde identiteit evenwel niet uit.

In zijn bijdrage Op zoek naar een natie in de Lage Landen brengt Luc Pauwels het Taalunieverdrag van 1980 in herinnering. Zonder daar negatief over te denken stelt hij dat "in de jaren negentig (...) de begrippen natie, volk en identiteit meer dan ooit het voorwerp van wetenschappelijke studie (werden)". Hij illustreert dat met een greep uit recente publicaties. Als antwoord op de vraag "Waarom die vernieuwde aandacht voor natie, volk en identiteit" luidt zijn antwoord: omdat de dingen in beweging zijn. In dit verband verwijst hij naar de ontwikkelingen in Duitsland, de Sovjet-Unie, Joego-Slavië en Tsjecho-S1owakije. Een grotere herschikking van staten heeft Europa sinds I50 jaar niet meegemaakt. Maar ook 'binnenlands' is er in Europa nogal wat aan de hand rond de begrippen "federalisme" en "decentralisatie"; als voorbeelden voert hij op: Engeland, Spanje, Italië, Frankrijk en België. In het laatste geval moet wel bedacht worden dat "Vlaanderen (...) een product is van de Belgische politiek" die tot gevolg gehad heeft dat "de Vlaamse identiteit het overheersende zelfbeeld bij de Nederlandstalige bevolking van België is". In de staatshervormingen heeft men met deze realiteit rekening gehouden. Echter structureel gezien is Vlaanderen "taalkundig een deel van de Nederlandse taalgemeenschap, historisch een deel van de Lage Landen en geografisch een deel van de delta der grote rivieren". Met andere woorden: "Vlaanderen is een afgerukt stuk Zuid-Nederland." Zijn slotsom is dan ook: "Op termijn zal Vlaanderen Zuid-Nederland zijn of het zal niet zijn."

Ik heb gepoogd in het bovenstaande een indruk te geven van de veelzijdige inhoud van deze brochure. Met opzet gebruik ik het woord "veelzijdig"; ik wil ermee aangeven dat de gezamenlijke inhoud allesbehalve koekoek-één-zang is. Maar juist daardoor levert zij een belangrijke bijdrage tot het begrijpen (misschien beter: ervaren) van het aangesneden onderwerp. En zo is het een waardevolle aanvulling die kan dienen het bewustwordingsproces omtrent het toekomstgerichte denken te stimuleren.

____________________

N.a.v. Luc Pauwels (ed.), Vlaamse identiteit, Nederlandse toekomst in Europa. 5e Colloquium van de Delta-Stichting. TeKoS-reeks nr. 12, 111 pp, 10 EUR (+ 2 EUR port (België) of (buiten België 5 EUR port). ISBN. 90-71455-12-0. Te bestellen door overschrijving op rekening 408-0035891-66 t.n.v. Delta-Stichting, Postbus 4, B. 2110 Wijnegem.

 

 

Het Land van Bethune

 

Jan van Tongeren, Maarsen

 

Op algemeen verzoek van de deelnemers aan onze Studie-uitstap naar Bethune - voorjaar 2002 - noteerde onze gids de toelichtingen die hij toen mondeling gaf. We publiceren ze in een tweetal afleveringen, waarvan u de eerste hierna vindt.

 

De naam Bethune, van oorsprong Saksisch moet hoogstwaarschijnlijk ontleed worden als: Bi (misschien bij of in) en tuna (tuin, denk aan de Hollandse Tuin) of omheining.

 

In 843 bij het bekende Verdrag van Verdun kwam het deel ten westen van de Schelde aan Karel de Kale van het tegenwoordige Frankrijk. De invallen van de Noormannen, vooral in het randgebied van Frankrijk (de Scheldestreek), en de ontstentenis van het centraal gezag hebben tot gevolg de feitelijke zelfstandigheid van het graafschap Vlaanderen en andere Karolingische ambtenaren vestigen een erfelijke dynastie.

Het ontstaan van het West-Frankische rijk had feitelijk geen betekenis voor de Vlaamse kuststreek, aangezien zich in de Pagus Flandresis spoedig een sterk plaatselijk gezag ontwikkelde onder leiding van graaf Boudewijn I. Deze graaf chanteerde, om zijn gezag te vestigen, zelfs de koning door te dreigen met het inschakelen van "bevriende" Vikingen, zoals de Noorman Rorik en in 861 trouwde hij, nadat hij haar eerst had geschaakt, met Judith, de dochter van de West-Frankische koning Karel de Kale (823-877). Aan de andere kant was Boudewijn weer niet te beroerd om in 864 een Vikingaanval af te slaan.

Onder Boudewijn II (879-918) vonden, kort voor 880, opnieuw hevige Vikingaanvallen in het stroomgebied van de Schelde plaats. De Denen richtten zelfs een winterlegerkamp bij Gent in, van waaruit zij hun plundertochten ondernamen. Het is over deze tijd dat er enkele bronnen zijn, waaruit blijkt dat de Frans-Vlaamse en Vlaamse bewoners van het kustgebied deze oorlogshandelingen niet meer passief ondergingen want zij wierpen verdedigingswerken op. Twee berichten uit de 9e eeuw uit de Franse Nederlanden geven informatie over het waarom en het hoe. Het gaat om Arras (Atrecht) en St. Omer (Sint-Omaars). In 855 mochten de monniken van de St.-Vaast-abdij in Atrecht van Karel de Dikke hun abdij versterken. Blijkbaar werden er in die periode veel van dergelijke versterkingen aangelegd, want in 864 wordt geprobeerd door een verordening deze ongebreidelde burchtenbouw aan banden te leggen. Het is natuurlijk zonneklaar dat ze niet alleen bescherming boden tegen de Noormannen, maar evenzeer tegen de koning zelf. Volgens sommigen werd in 880 op de plaats van het huidige Bethune ook zo'n, oorspronkelijke houten burcht opgericht.

Het tweede geval betreft de kroniekschrijver van de Miraculi Sancti Bertini, die ons verhaalt over een dergelijke versterking te St.-Omaars en een ooggetuigenverslag geeft van een Noormannenaanval. De tekst werd geschreven tussen 892 en 900 en vertelt dat in april 891 een groot Deens leger vanuit de streek van Noyon naar de kuststreek oprukte.

Na de verwoestingen van de Noormannen en na de wederopbouw van de St.-Vaastabdij in Atrecht kwam Artesië in handen van de graaf van Vlaanderen, maar het graafschap verloor na de dood van graaf Arnoldus I in 795 de controle over dit gebied, of in ieder geval werden er delen van het graafschap Vlaanderen losgemaakt; zo ontstonden de heerlijkheden Bethune, Ardres, Aubigny, Lillers en de graafschappen Boulogne-Lens, Hesdin, Guî-nes en St.-Pol.(De heer van Beuvry was leenherig aan het graafschap St. Pol). Na 940 liet de St.-Vaastabdij, (waarschijnlijk was het land Bethune oorspronkelijk bezit van de abdij van St.-Vaast en traden de heren van Bethune op als "beschermheer" of "voogd" van de abdij) Bethune opnieuw versterken.

 

De Heren (Graven) van Bethune

 

In 940 vinden wij voor het eerste een zekere Herman als heer van Bethune vermeld; hij (ver)bouwde een aan St.-Vaast gewijde kapel en gaf in 957 toestemming op de kapel van Saint-Pry te repareren. Heer Herman, de eerste bekende "beschermheer", was waarschijnlijk een zoon, of familielid van de Vlaamse graaf. Zo rond 970 vindt men de eerste vermelding van een kasteel of versterking in Bethune.

Robert I Fasciculus 987-1037. Robert I zou een van de kinderen van de graven van Artesië zijn geweest zijn, maar dit is niet zeker. Men denkt dat hij iets met het geslacht Hrothberth te maken heeft.

   

 

Robert II Fasciculus 1037-1070/71

Robert III Le Chauve
1070/71-1101

Boudewijn 1033

Robert IV le Gros
1101-1128

Adam

Boudewijn

x

 

Aalis vrouwe van Péronne en Waasten.

Robert

Boudewijn le Roux
1106-1120

Willem I
1123-1138

x

Clemence van Kamerijk-Oisy
Robert V
Le Roux
1145-1191
Eilbert
1140-1153
Mathilde Benedict Adam
Robert VI
De Jonge
Willem I
1177-1214
Amseau Clémence Mathilde I
  • Margaretha
  • Bartholomeus
  • Boudewijn 1177-1211
  • Jan 1182-1219 (bisschop Kamerijk)
  • 1) Conon 1182-1205 (koning van Adrinopel)
x
Mathilde, Vrouwe van Dendermonde

Daniel I 1194-1227 x Eustachie van St. Pol

Robert VII le Roux 1194-1248 x Isabelle van Morialmé

  • Boudewijn 1194
  • Willem 1215-1243
  • Jan 1200-1240 (x Isabelle van Chatillon-St.Pol)
  • Aalik 1194-1248
  • Mathilde 1194
  • Margaretha 1214

Mathilde 1264-1264 x Gwijde van Dampierre 1252-1305  

Robert van Bethune
x 1) Blanche van Sicilie  
x 2) Yolande van Nevers  

In 1012 stichtte Robert de eerste, bijgenaamd Faisseux, (Fasciculus), de stamvader van de Bethunes, een stiftkerk, gewijd aan St.-Bartholomeus, oorspronkelijk afhankelijk van haar moederkerk in Annezin, die waarschijnlijk van Karolingische oorsprong is. Hij was de stichter van de Sint-Bartholomeuskapel, die tussen 996 en 1012 verbouwd werd tot een aan Sint-Bartholomeus en Maria gewijde kapel. (de later tot kerk omgebouwde kapel bevond zich, vlak bij het kasteel, op de tegenwoordige Place Sévigné en Rue du Tir, en werd helaas door de Franse revolutionairen afgebroken). Zijn bijnaam fasciculus, heeft hij vermoedelijk te wijten aan zijn wapenschild, drie of zes banden op een gouden "fasces". Hij werd de stamvader van het beroemde geslacht van Bethune.

Na onze eerste Robert, kwam er uiteraard een tweede Robert "L'Avoué" (de procureur?), ook wel Robert d'Arras genoemd. Hij leefde van 1033 tot 1067 en was de stichter van het kapittel, met zes kanunniken, in de St.-Bartholomeuskerk te Bethune en stichtte eveneens een kapittel met twaalf kanunniken in Hénin.

Men kan zich verbazen over de rol die de heren van Bethune in Vlaanderen hebben gespeeld. Tussen 1070 en 1127 verschijnen zij maar liefst 34 keer in de archieven van het graafschap. Het was waarschijnlijk aan het hof van Vlaanderen dat er een gunstig huwelijk werd gesloten en dat zo na 1100 Robert IV, Péronne en Warneton (Waasten) binnen zijn gebied kon sluiten.  

Na 1160 wist de Robert V zijn domein met Hesdin, Lens en Lillers uit te breiden en verkreeg hij, na ruil met de abdij van St.-Bertijn te St. Omaars, de dorpen Hechin en Hersin.

De eerste "Avoués" zijn altijd de graaf van Vlaanderen trouw gebleven, maar dit veranderde ten tijde van de van de Elzassen. Robert V wekte op de een of andere manier de haat van Filips van de Elzas op, die hem in het kasteel van Dowaai deed opsluiten en hem niet eerder losliet totdat Robert V hem weer trouw had gezworen. Men weet dat Filips van de Elzas in de gebieden van de Bethune's het hooggerecht uitvoerde. Misschien was dit de oorzaak van het conflict tussen de Bethune's en de Graaf van Vlaanderen. Toen koning Boudewijn V van Jeruzalem in Jeruzalem aan lepra stierf liet hij zijn graafschap over aan zijn twee dochters, Johanna en Margareta van Constantinopel. Hij wilde echter iemand van het mannelijk geslacht op zijn troon in Jeruzalem, en zijn voorkeur ging uit naar een van de Bethune's, helaas waren anderen niet bereid om met de Bethune's in zee te gaan. Tien jaar later viel Jeruzalem, en L'Avoué stierf aan de pest tijdens de slag bij Akko op 18 januari 1191, en op 1e juli wisselde eveneens de graaf Filips van de Elzas ook in Akko, het tijdelijke met het eeuwige. L'Avoué liet tien kinderen na, waaronder Robert VI, zijn opvolger. Een andere zoon van hem, Willem trouwde met Mathilde, vrouwe van Dendermonde. Boudewijn kreeg Chocques. Het was deze Boudewijn, die in dienst trad bij Richard Leeuwenhart. Hij vergezelde hem tijdens de derde kruistocht, en toen op de terugreis, Richard gevangen werd genomen, was het met name Boudewijn die over de vrijlating van Richard onderhandelde. Als dank voor zijn optreden kreeg hij de hand van "la pucelle de Châteauroux", of te wel de gravin van Aumale. Later gingen zijn Normandische goederen verloren toen Philippe August Normandië innam, en hij verplicht werd zich in Engeland terug te trekken, waar hij ook stierf, na eerst nog koningin Aliénor en Koning Jan tot 1211 te hebben gediend.  

In 1193, na de veroveringen van Philippe-August van Artesië en Bethune, zocht Boudewijn IX hulp bij Richard Leeuwenhart, Koning van Engeland, om weer in het bezit van zijn landen te komen. Bethune werd in 1197 door de Engelsen belegerd maar door de bewoners, die opeens de Franse kant hadden gekozen, werden de belegeraars weerstaan. De Vrede van Péronne 1199 zorgde er voor dat Boudewijn het in Bethune weer voor het zeggen kreeg, en wat hij met de inwoners, die twee jaar tevoren de Franse zijde hadden gekozen, laat zich raden.

Jan, een andere zoon, werd proost in Dowaai en Seclin en werd vlak daarna bisschop van Kamerijk 1201-1219. Verder was er nog een zekere Conon, die toen Boudewijn IX van Vlaanderen, tijdens de vierde kruistocht, tot keizer van Constantinopel werd gekroond, proto camérier van het Romeinse Rijk en heer van Andrinopel werd. Verder waren er nog twee andere zonen en twee dochters, de eerste dochter trouwde met de kastelein van Broekburg (Bourbourg) de ander met die van Marquerite.

 

Willem, heer van Bethune, Waasten en Dendermonde, was een van de Vlaamse baronnen die Philippe-August trouw bleven en dan ook in Bouvines tussen de Franse gelederen te vinden was. Hij stierf vlak na de slag in 1214, vermoedelijk aan verwondingen die hij tijdens de slag had opgelopen. Lodewijk van Frankrijk, die Artesië van zijn moeder had gekregen, nam Bethune in. Het was zeker niet om die reden dat hij later Heilig zou worden verklaard. De rechtmatige opvolger Daniël I, zat ergens ver weg in het nabije Oosten. Daniël kwam nu terug naar Bethune en trouwde met zijn nicht van St.-Pol.

Zijn broers, Jan en Robert, bleven een belangrijke rol in Engeland spelen. Zij vochten in de Engelse gelederen, werden gevangen genomen maar na hun vrijlating keerden zij terug naar Engeland.

Daniël had geen opvolger en dus kwam zijn broer Robert VII op zijn troon en werd Bethune met Dendermonde verenigd. Robert VII volgde de H. Lodewijk naar het Heilig Land maar overleed onderweg op 12 november 1248 in Sardaigne. Zijn lichaam werd in Atrecht begraven. De laatste rechtstreekse mannelijke tak van Bethune werd de eerste die in de abdij van St.-Vaast werd begraven. Hij liet drie dochters na. Mathilde, die in trouwde 1246 met Gwijde van Dampierre, de graaf van Vlaanderen, en die Bethune met zijn graafschap in 1252 verenigde.

Mathilde werd na haar dood op de elfde van de elfde van het jaar 1264 in de abdij van Flines-lez-Râches begraven. Zij had negen kinderen. Robert, de oudste kwam in het bezit van Bethune en werd later graaf van Vlaanderen in 1305. In 1297, toen Filips de Schone Rijsel kwam aanvallen, nam hij de verdediging van Bethune op zich. Gedurende een beleg van elf weken bood Robert met de moed van een echte leeuw, het hoofd aan de aanvaller vandaar zijn bijnaam "Leeuw van Vlaanderen". Zoals bekend ging hij later met zijn vader Gwijde van Dampierre in gevangenschap te Chinon en te Compiègne.

 

Bethune na de Gulden Sporenslag 1302  

De vrede van Athis-sur-Orge getekend op 5 juni 1305 betekende het voorlopig einde van de onafhankelijkheid van Bethune en op 11 juli 1312, omdat de graaf van Vlaanderen ondermeer de boete niet kon, of wilde betalen kwam Bethune samen met Rijsel, Dowaai, Orchies in Franse handen. Het gebied van Bethune was inmiddels al op 19 februari 1311 door de Franse koning Philips de Schone, aan de gravin van Artesië, Mathilde, geschonken die op 10 augustus 1311 haar "blijde intrede" deed en Bethune met Artesië verenigde. Na haar overlijden - zij bleek te zijn vergiftigd door een troonpretendent Robert III, zoon van Robert van Artesië enige zoon op 27 oktober 1329 - werd haar oudste dochter Jeanne (Johanna) I haar opvolgster. Zij was getrouwd met de Franse koning Filips V, en was dus ook koningin van Frankrijk. Zij overleed op 21 januari 1330. Ook nu weer kwam een vrouw, de dochter van Jeanne I, Jeanne II geheten aan het bewind. Zij trouwde met Eudes van Bourgogne +1346. In 1338 hebben de Vlamingen nog wel geprobeerd om Rijsel, Dowaai en Bethune opnieuw in te nemen, maar na wat gerommel in de marge werd er in Brussel op 28 januari 1339 en nogmaals in Westminster op 29 maart van datzelfde jaar vrede gesloten en bleef Bethune in Artesische handen. Nogmaals op 14 augustus 1346 belegerde 70.000 (?) Vlamingen Bethune, maar na 21 dagen gaf men het voorlopig voor gezien.

Jeanne's kleinzoon Filips van Boulogne. Met de bijnaam Rouvre, kreeg Artesië. (1347-1361). Hij had de bijnaam, van Rouvre. Zijn moeder was getrouwd met de Franse Koning Jan de Goede (Hij overleed als krijgsgevangene na de Slag van Poitiers in op 20 november 1361) en zij had er voor gezorgd dat Filips al op tienjarige leeftijd op 25 april 1357 trouwde met de erfdochter van de graaf van Vlaanderen, de toen vierjarige Margaretha.

[Vervolg en slot in volgend nummer]