> nieuwsbrief > 21e jg. - 2e trimester 2003

Bijdragen:

 

Tip

Mededelingen

Hernieuwing bijdragen jaar 2003

Zoals medegedeeld in onze vorige editie, beloopt de basisbijdrage voor 2003  26 EUR. Vanzelfsprekend is in dit bedrag als vanouds de abonnementen op zowel de Nieuwsbrief als het ZANNEKIN-jaarboek De Nederlanden 'extra muros' begrepen. In 2003 verschijnt trouwens het 25e jaarboek. Deze jubileumeditie wordt extra omvangrijk en zal niet minder dan 320 pagina's tellen. De ledenbijdrage geldt tevens als voorintekening op het jaarboek, waarvan de boekhandelsprijs na verschijnen 30 EUR (+ 3 EUR verzendkosten) zal belopen. Intekenen tegen ledenprijs kan nog tot uiterlijk einde mei.

Studie-uitstap 10 mei

In deze Nieuwsbrief neemt de informatie en documentatie m.b.t. onze Studie-uitstap het leeuwendeel van de plaatsruimte in. We zagen ons dan ook verplicht het tweede gedeelte van Het Land van Bethune te verschuiven naar het volgende nummer.

Ontmoetingsdag

Op zaterdag 4 oktober 2003 zijn we met onze Ontmoetingsdag te gast in het Zuid-Vlaamse Sint-Omaars. Noteer alvast de datum.

Activiteitenkalender

Verderop in deze Nieuwsbrief vindt u onze activiteitenkalender. Méér omtrent deze verschillende activiteiten - waarop al onze leden vanzelfsprekend welkom zijn - leest u verderop in deze - en volgende - Nieuwsbrief.

De Franse Nederlanden - een vraag

De oudste mij bekende vindplaats van de benaming De Franse Nederlanden troffen we aan in het - zonder auteursnaam - verschenen werk van Th. Salmon, getiteld Hedendaagsche historie of tegenwoordige staat van alle volkeren ... Xde deel. Behelzende eene Beschrijving van den Tegenwoor-digen staat der Oostenrijksche, Fransche en Pruisische Nederlanden. Het boek werd uitgegeven in Amsterdam anno 1738 bij I. Thirion. Kent iemand oudere vermeldingen? Bijkomende vraag: wanneer werd de benaming "Nederland in (of 'onder') Frankrijk" gebruikt?

Antwoord op deze vragen van onze jaarboekmedewerker Antoon Lowyck graag via de Nieuwsbrief-redactie.

Genealogische databank op CD-rom

Het Heimatverein der Erkelenzer Lande e.V. bracht andermaal een CD-rom uit - reeds de vierde - met gegevens uit z'n genealogische databanken. Het betreft gegevens omtrent 101.817 geboorten/dopen, 23.955 huwelijken en 58.272 sterfgevallen, waarbij in het totaal 747.757 personen aan bod komen uit 22 ambten van Bardenberg tot Wassenberg en van Ansbeck tot Würm. Aanvullende info: Johannismarkt 17, D. 41812 Erkelenz, of per E-post: Theogoertz@erkelenz.de

Gandavensis = Gantois

Antoon Lowyck, Brugge

In het speciaal nummer 36 van het Bulletin des amis du Vieux Watten et de sa région dat verscheen in februari 2003, staat: "Ce texte a été publié en 1922 dans Le Beffroi des Flandres sous la signature de "Gandavensis". De redactie schijnt niet te weten dat "Gandavensis" wijlen Z.E.H. Jean-Marie Gantois is. Dat ze de onuitgegeven licentiaatsverhandeling De tijdschriften van het Vlaams Verbond van Frankrijk door P. Verbraeken niet kennen, is aan te nemen, hoewel deze studie in Vlaanderen regelmatig geciteerd wordt. Maar onvergefelijk is dat ze het bekendste werk van Gantois Hoe ik mijn volk en taal terugvond - waarvan overigens ook een Franstalige versie be-staat onder de titel Comment j'ai retrouvé mon peuple et ma langue - niet blijken gelezen te hebben. Daarin schrijft de auteur immers op p. 23: "In Le Beffroi de Flandre legde ik feitelijk mijn eerste flamingantische proeven af. Mijn schuilnaam was al beter: 'Gandavensis' heette ik toen. Beter had ik 'Gentenaar' gekozen, maar die Latijnse vertaling was toch een vooruitgang op het vroegere 'de Flamandière' van de eerste stukjes in het Broekburgse weekblad." In dat weekblad verscheen onder die naam een eerste bijdrage over het afgebrande altaar in de kerk van Waten. Kan iemand die belangrijke historische bijdrage niet ergens (opnieuw) publiceren?

Déclarations des droits linguistiques des Wallons

Verder in dit nummer leest u deze verklaring, die het onderwerp vormt van een recente petitie gelanceerd naar aanleiding van de Veertiendaagse van de regionale Talen 2003, georganiseerd - van 9 tot 26 mei - door de l'Union Culturelle Walonne a.s.b.l. De petitie verwoordt volmaakt de door ZANNEKIN reeds sinds jaren beklemtoonde vaststelling omtrent de taaldiversiteit binnen het Walenland (waarin ook ons nieuwe jaarboek De Nederlanden 'ex-tra muros' andermaal aandacht besteed wordt.

Frans-Vlaamse Veertiendaagse van Nieuwpoort 2003

De 28e uitgave van de Frans-Vlaamse veertiendaagse staat in het teken van de zuidelijkste Vlaamse stad Dowaai (Douai) ten zuiden van Rijsel. Een werkgroep o.l.v. schepen mevr. Ardies-Vyncke mocht op zeer goede medewerking van de Frans-Vlaamse stad rekenen. Tot die werkgroep behoort o.m. de ZANNEKIN-voorzitter Leo Camerlynck, dank zij wie de contacten met de Frans-Vlaamse stad zeer vlot verliepen. Wanneer u deze Nieuwsbrief te lezen krijgt is de Veertiendaagse wellicht al helemaal voorbij. Op de valreep - tot en met 21 april - kan wel nog de dubbele tentoonstelling Dowaai in beeld & 80 jaar Nieuwpoortse Reuzengilde bezocht worden in de zaal Iseland (bovenzaal Vismijn Nieuwpoort). Openingsuren: 9.30 uur tot 12.00 uur en 14.00 uur tot 17.30 uur.

Studie-uitstap Westmunsterland - 10 mei 2003

Dinxperlo - Bocholt - Raesfeld: dit drietal plaatsen staat voor zaterdag 10 mei a.s. op het bezoekprogramma van onze Studie-uitstap. Hieronder het programma alsmede de nodige aanwijzingen en toelichtingen.

9.00 uur: vertrek van de bus vanuit het Prins Willem Alexanderhof te Veenendaal. Dit is

de opstapplaats voor hen die vanuit het zuiden en het westen met eigen vervoer komen. Komend vanuit het zuiden doet u er verstandig aan niet de weg door de Betuwe te volgen; dit i.v.m. de werkzaamheden aan de Betuwelijn. Volg de A 27 (Breda-Almere) tot aan het knooppunt Lunetten (oostelijk van Utrecht) om daar af te slaan in de richting van Arnhem (A 12). Bij de afslag 23 (Veenendaal, Renswoude) verlaat u deze snelweg.

Onderaan de afrit slaat u rechtsaf. Op de te volgen weg - richting Rhenen - sorteert u bij het vijfde verkeerslicht (het licht onderaan de afrit niet meegerekend) links voor om in deze richting te kunnen afslaan. U komt dan op het Panhuis; deze weg verlaat u 100 meter verder (bij de supermarkt van C 1000) door rechtsaf te slaan. U rijdt dan het uit flatgebouwen bestaande Prins Willem Alexanderhof binnen. Bij de laatste flat aan de rechterkant rijdt u de parkeerplaats op waar plaats is om de wagen eer te zetten. Daar neemt u plaats in de gereedstaande autobus.

9.30 uur vertrek Ede zuidzijde station. Dit is de opstapplaats voor hen die tot hier geraakt zijn met de trein. Aankomst trein vanuit richting Amersfoort: 9.26 uur; Utrecht: 9.12 uur en Arnhem: 9.19 uur.

9.55 uur vertrek vanaf de parkeerplaats van het AC-restaurant te Zevenaar. Deze opstapplaats is voorzien voor hen die met eigen vervoer vanuit het noorden en oosten komen.

In het grensoverschrijdend tweelingdorp Dinxperlo/Süderwick wordt ons een koffie aangeboden en bezoeken we het Grenslandmuseum. Niet alleen aan de zuidgrens van de Nederlanden komen we dubbelplaatsen tegen (Komen/Comines, Wervik/Sudwervicq), ook aan de oostgrens is dit geen onbekend verschijnsel, getuige de plaats waar we gaan koffiedrinken. Op velerlei manieren wordt in dit dorp samengewerkt. Zo werd hier het eerste internationale politiebureau in Europa geopend. Minder in het oog springende voorbeelden zijn: Süderwickse kleuters gaan in Dinxperlo naar school terwijl Dixperlose kinderen in Süderwick zwemles krijgen. Voor de inwoners van deze "tweeling" telt de staatsgrens niet meer. In feite doet deze gemeenschap dienst als proeftuin voor grensoverschrijdende samenwerking.

In 1260 is er voor het eerst sprake van Dixperlo, maar aangenomen wordt dat de eerste boerderijen al van vele eeuwen eerder dateren. Belangrijke hoven waren de Welker in Heurne en de Oosterhof in Süderwick. De huidige staatsgrens is een herinnering aan de afbakening zoals die rond het jaar 800 tussen de bisdommen Utrecht en Munster werd vastgesteld. Een hoevenaam als Reehorst ("ree" betekent "grens") herinnert daaraan.

Toen in de 11e eeuw het graafschap Loon ontstond werd de oude bisdomgrens aangehouden. Inmiddels was hier een welvarend landbouwgebied ontstaan; dit maakte het mogelijk een kapel te stichten die tussen 1260 en 1281 werd vervangen door een parochiekerk die gestaan heeft op de plaats waar de huidige dorpskerk staat.

Als gevolg van de toename van de bevolking was men omstreeks 1500 genoodzaakt een grotere kerk te bouwen, die blijkens een opschrift in 1509 voltooid werd.

Dit opschrift is bij de laatste restauratie (na 1945) helaas verloren gegaan.

Süderwick heeft zijn naam te danken aan de ligging ten opzichte van Dinxperlo. Bij de verzelfstandiging van de parochie in 1260 kreeg het automatisch de naar Süderwick (=Zuiderwijk) toebedacht. Op het eind van de 16e eeuw bestaat het uit niet veel meer dan een 13-tal boerderijen. In de jaren tussen 1692 en 1750 neemt het inwonersaantal toe van 94 tot 380. De aanwas was vooral het gevolg van de inwijking van Rooms-Katholieken uit het protestantse Dinxperlo. De in Süderwick in 1682 gebouwde kapel krijgt in 1732 parochierechten en beschikt sedert 1765 over de aan St.-Michaël gewijde kerk. In 1949 moet het westelijk deel van Süderwick afgestaan worden aan Nederland; in 1963 wordt deze aanhechting ongedaan gemaakt en worden de 300 inwoners weer Duitse staatsburgers. De centrale verkeersas van deze tweelingplaats is de in oost-westrichting lopende historische Helweg. Met name na de opheffing van de tolkantoren zijn de twee delen van dit dorp steeds meer aanéén gegroeid.

Na de koffie vertrekken we richting Bocholt, waar we onder leiding van Jan van Tongeren een cultuurhistorische wandeling maken door het centrum van de stad.

Van een (sinds 1923) Kreisvrije stad werd Bocholt (sinds de fusiegolf van 1975) wat inwoners betreft de grootste stad van de Kreis Borken. Zoals met naamgenoten in de Nederlanden het geval is, is ook hier een beukenbos de naamgever geweest: daaraan herinnert de beukenboom  in het stadswapen. In 779 is er voor het eerst sprake van deze nederzetting: Karel de Grote raakt dan slaags in deze omgeving met de Saksen.

Rond 800 wordt de parochie gesticht en in 1222 verleent de Munsterse bisschop Dietrich III aan Bocholt stadsrechten. Aan het stratenplan van het centrum is de grondvorm van de oorspronkelijke stad tot op de dag van vandaag herkenbaar. In de 14e eeuw vestigen zich diverse kloosterorden binnen de omwalling; zowel nonnen als begijnen gaan dan tot het straatbeeld behoren.

Van de economische opgang is het rond 1350 gebouwde raadhuis een teken. Als gevolg van de onrust op godsdienstig gebied in de Nederlanden van de 16e eeuw neemt de textielindustrie sterk in betekenis toe.

De toename van het aantal protestanten is de bisschop van Munster een doorn in het oog. In 1625 bereikt deze "strijd" een hoogtepunt: in dat jaar wordt een 150-tal burgers naar de Nederlanden verdreven. Uit deze strijd dateren ook de eerste Bocholtse munten en de versiering van de gevel van het raadhuis met diverse figuren.

Een moeilijke tijd is de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) geweest. Beurtelings wordt de stad veroverd door uit Hessen en Munster afkomstige troepen. Rond de helft van de inwoners wijkt uit of komt om als gevolg van de pest (1636/37). Al heeft de stad te lijden gehad van de Zevenjarige Oorlog (1756-1763), toch heeft ze in economisch opzicht de wind weer in de zeilen gekregen. Gedurende de Franse tijd wordt ze voor enkele jaren de hoofdstad van het Napoleontische vorstendom Salm om in 1810 bij Frankrijk te worden ingelijfd. In november 1813 wordt de stad bevrijd en komt ze voorlopig onder Pruisisch bestuur te staan; dit wordt definitief als gevolg van het Weener Congres. In het raam van de nieuwe bestuursstructuur wordt Bocholt in 1816 ingedeeld bij de Kreis Borken.

Als gevolg van de invoering van de stoommachine gaat de textielindustrie in de 19e eeuw een bloeiperiode tegemoet. Heel duidelijk blijkt dit uit de toename van de bevolking gedurende de tweede helft: telt de stad in 1850 nog maar 5000 inwoners, in 1905 schommelt dit aantal rond 24.000.

Zoals hierboven al is vermeld krijgt Bocholt in 1923 de status van Kreisvrije stad. Als gevolg van de bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog werd 80% van de bebouwing verwoest en daalt het inwonertal tot rond 8000. Maar men is niet bij de puinen gaan neerzitten; daarvan getuigt de slagzin "Bokelt baut wer up". Rond 1970 mag de stad weer gezien worden en wordt ze als Europese gemeente één van de voortrekkers in de eerste Euregio

Van Bocholt rijden we naar Raesveld waar we omstreeks 13.00 uur middagmalen in het kasteelrestaurant aldaar. PM: dranken bij het middagmaal zijn voor eigen rekening.

Na het middagmaal bezoeken we het Slot Raesfeld. In de kapel of de Ridderzaal luisteren we naar een lezing door dr. Adalbert Friedrich over Alexander von Velen.

De laatste halteplaats op deze uitstap is het Slot Raesfeld. Hierover zullen we tijdens ons bezoek het nodige te horen krijgen; vandaar de bondigheid bij wat volgt.

In de tweede helft van de 12e eeuw betrekt de uit 's Heerenberg afkomstige Rabodo van den Berge in Raesfeld een hofstede die hij Rabodinhof noemt. Op dit terrein wordt later de burcht Raesfeld gebouwd die op een zeker ogenblik wordt verkocht aan Simon van Gemen, die zich vervolgens Simon van Raesfeld gaat noemen. Dit geslacht sterft in 1559 in de mannelijke lijn uit als gevolg waarvan een opvolgingsstrijd uitbreekt. Die wordt in 1585 door het Reichskammergericht beslist ten gunste van Herman van Velen.

Het is diens zoon Alexander I die in 1606 de noordvleugel van het kasteel laat bouwen. Zijn kleinzoon - Alexander II - die sinds 1641 rijksgraaf is, doet van zich spreken als bevelhebber tijdens de Dertigjarige Oorlog én om zijn liefde voor de sterrenkunde. Het is over deze bijzondere man dat de Raesfeldkenner Adalbert Friedrich voor ons gezelschap de hierboven aangekondigde lezing zal houden. Het huidige slot - dat in 1950/51 gerestaureerd werd - is nu het eigendom van de Kreis Borken en neemt in het culturele leven van de Kreis sindsdien een zeer belangrijke plaats in.

Omstreeks 16.15 uur zijn we aan koffie + gebak toe in kasteelrestaurant, waarna we de terugreis aanvatten. Zoals op het kaartje te zien is gaat de terugreis via Marienthal. In 1256 stichtten de Augustijnerkluizenaars hun eerste klooster in Duitsland onder de naam Klooster Beylar. In 1345 verplaatsten ze het naar de omgeving van Issel (in Nederland heet de voortzetting van deze rivier Oude IJssel). Van die gelegenheid werd gebruik gemaakt om het voortaan naar de patrones te noemen; vandaar Marienthal.

De kloostergemeenschap doorstond de stormen van Reformatie en Dertigjarige Oorlog. Maar ze was niet opgewassen tegen de machtswil van Napoleon. In 1806 kwam ze terecht in de maalstroom van de secularisatie. Als gevolg daarvan werd het complex op de kerk na afgebroken.

Dit gebouw - dat nu dienst doet als parochiekerk - is in gotische baksteenbouw opgetrokken. Tussen 1924 en 1954 leefde en werkte hier pater Augustinus Winkelmann. Hij slaagde erin van deze eenschepige zaalkerk een centrum van hedendaagse kerkelijke kunst te maken. Daar de kerk omgeven is door een begraafplaats heeft hij er tevens voor gezorgd dat ook de grafstenen een passende kunstzinnige vorm kregen.

18.30 uur: aankomst te Ede. Vertrek treinen: richting Amersfoort 19.04 uur; Utrecht 18.50 uur en Arnhem 19.02 uur.

19.00 uur aankomst Prins Willem Alexanderpark te Veenendaal.

Ontwerpers van het programma van deze dag zijn: dr. Timothy Sodmann, directeur van het Hamaland Museum te Vreden en de ZANNEKIN-bestuursleden Marten Heida en drs. Jan van Tongeren. Opsteller van het tekstgeheel: Marten Heida.

Bijdrage: leden ZANNEKIN en hun huisgenoten: 36 EUR; niet-leden: 45 EUR (alles inbegrepen met uitzondering van de dranken bij het middagmaal). Aanmelden kan tot uiterlijk 3 mei d.m.v. e-post: secretraiaat@zannekin.org en voorafgaandelijke betaling via  een van de ZANNEKIN-rekeningen (cf. rubriek info).

In het perspectief van onze Studie-uitstap

Jan van Tongeren

Het stadhuis te Bocholt

In 1350 wordt een stadhuis in Bocholt vermeld, dat tegen het einde van de 15e eeuw vernieuwd werd. Eerst in het begin van de 17e eeuw dacht men aan de nieuwbouw waarvoor een onbekende bouwmeester in 1606 zijn ontwerpen leverde. Er werd wel eens aan Johann van Bocholt gedacht. De architect die voor het gotisch pand van het Stadswijnhuis in Munster in 1615 een Renaissance gevel, maar dan wel in een totaal andere vormentaal als het stadhuis van Bocholt plaatste. In 1619 was de bouw gereed, maar aan het interieur werd nog tot 1621 gewerkt. Het stadhuis is een mengeling van Vredeman de Vries' ontwerpen, zoals de zijgevels met hun rolgevels en van Lieven de Key met de traditie van het Munsterland. Ook het front van het stadhuis laat deze wisselwerking tussen de Nederlandse en de inheemse renaissance duidelijk zien.

Het stadhuis, met een lengte van 24,7 en een breedte van 10,42 meter. Heeft aan de Markt een acht-bogige galerij. Aan deze hal op de begane grond, die zich naar de markt opent, zijn de sierlijke toepassingen van de antikwiserende vormentaal van deze eeuw duidelijk aanwezig. Op een stoep verheffen zich de negen arcadepijlers, die aan de binnenzijde met vlakornamenten in een steeds andere vorm versierd zijn. Voor deze staan Ionische halfzuilen die rusten op forse vierhoekige postamenten met een steeds anders versierde zuilvoet, met aan de zijkanten een halve diamantkop.

De rondbogen hebben in het midden een kraagsteen met een leeuwenkop en in de boogzwikken gevleugelde engelenkopjes. Het is opvallend dat de galerij en deze versieringstoepassing ook aan het stadhuis te Bremen werd toegepast.

Stadhuizen met een gaanderij op de begane grond vindt men veel in het Munsterland en het Bremense maar hier is toch wel duidelijk de invloed van de Nederlandse Renaissance aanwezig. Het stadhuis heeft drie verdiepingen en is gebouwd met baksteen die wordt geaccentueerd door heldere Baumberger zandsteen waaruit ook al het beeldhouwwerk werd gemaakt.

De zuilenstelling van de gaanderij vindt voortzetting in de bovengelegen verdiepingen, door middel van halfzuilen met hermenpilasters, aan de eerste verdieping, Corinthische en aan de tweede verdieping door middel van pilasters die zich naar onder toe verjongen, maar heel dun op de gevel aangebracht, zodat het geen enkele dragende functie kan uitoefenen en dus een typisch geval van maniërisme genoemd mag worden. Het dak heeft een balustrade, die gedragen wordt door kraagstenen met leeuwenkoppen en mooie consoles, die aan het stadhuis van Leiden en aan het stadhuis van Delft herinneren.

Een rijke topgevel, met drie geledingen sluit de gevel waardig af. Het middenveld van de gevel boven het venster heeft een reliëf met St.-George, de stadspatroon en de draak, geflankeerd door twee heraldische leeuwen. Op het driedelige gevelvlak daarboven stond in een cartouche Anno Domini 1619.

Het bovenste smalle gevelveld toont het stadswapen in een vlakke schelp, met daarboven vrij in de lucht vrouwe Justitia met zwaard en weegschaal. De trappen van de gevel zijn met grote voluten en rijke festoenen versierd en op de hoeken zijn op vaasachtige postamenten obelisken, en aan het eind van de onderste voluut is aan elke kant een antieke krijger afgebeeld.

Deze topgevel lijkt rechtstreeks overgenomen te zijn van het stadhuis van Leiden, dat door Lieven de Key in 1594 werd ontworpen, en later in grootsere vorm aan de Vleeshal te Haarlem 1603 nogmaals zal worden gebruikt. Wij weten dat Lieven de Key werd bijgestaan door Luder van Bentheim, steenhouwer uit Bremen, die later in 1612, in navolging van het stadhuis van Leiden, voor het gotische stadhuis van Bremen, een renaissance pronkgevel plaatste, met een topgevel, die sterk op deze van Leiden lijkt. Oorspronkelijk zat op het gebouw nog een daktorentje, dat echter al in de 18e eeuw werd afgebroken. De façade wordt door een pronkerker, boven de tweede travee van de arcade (van de zuidzijde af) onderbroken. Ook deze is, zoals de topgevel, volledig met figuurlijke en ornamentaal bewerkte zandsteen versierd. Het beslagwerk, de maskers en de hermen van de arcade en de topgevel kunnen er op wijzen dat Nederlandse werklui zich met de bouw hebben beziggehouden, terwijl het ornament van de erker meer aan het Munsterse herinnert en ook weer aan het stadhuis van Bremen is terug te vinden. De erker wordt door drie kraagstenen met gebaarde krijgshermen gedragen. Het onderste deel van de erker heeft in een cartouche met rolwerk het stadswapen, dat door het wapen van Munster, dwarsbalken, wordt doorsneden. Als wapenhouder verschijnen twee ridders met zwaard en staaf. Daarin sluiten zich in een rijke omraming twee antieke gelauwerde keizerkoppen. Op de hoeken dragen putti de met een tandlijst voorziene architraaf, met in het midden aan de uiteinden obelisken met festoenen, en van boven in hermen uitlopen. Gekroonde en gevleugelde engelenkoppen dekken de beide rondbogen. Boven deze archivolten is een cartouche met in het rolwerk Putti en Dolfijnen. De afsluiting naar boven toe laat wederom op de hoek een spitse zuil zien.

De vijf deuren van de begane, gaven toegang tot de Gerechtszaal, de Stadswaag en de Vleeshal en een wachtlokaal, en naar het trappenhuis voor de bovenverdiepingen. Het hoofdportaal, moest vanwege de pilaster die in het midden van het front stond, ietwat zijwaarts verschoven worden en kon, daar het onder de bogen van de hal ligt, niet rijk worden versierd. Op postamenten met machtige leeuwenkoppen staan slanke, gecanneleerde pilasters, die de met een inschrift voorziene architraaf, en daar weer boven, met rolwerk, festoenen, engelenkopjes en versierde obelisken een versierde top draagt, met in het midden een met laurierbladeren omgeven inschrift: Unio civium iustitiae vinculum (De eenheid tussen de burgers is de band van de gerechtigheid).

En daar weer onder: Ut juste tractem civiles curia causas Numine tu fuasto me rege Christe precor (Dat het gerecht de twisten tussen de burgers juist mag beoordelen. Daarom u met uw goddelijke genade, leidt mij, Christus, zo bid ik U).

Op de bovenverdieping bevonden zich de Raadskamer met de Erker en de grote Stadstube. Daar het Stadhuis al in de vroege 19e eeuw tot gerechtsgebouw diende, werd het sterk verbouwd en verwaarloosd. Een volledige herstelling en restauratie van de gevel vonden in de 20 en 30er jaren van de 20e eeuw plaats. Deze werd helaas in 1945 tenietgedaan, doordat het gehele gebouw na een bombardement uitbrandde. De wederopbouw duurde tot 1955..

Het stadhuis van Bocholt is een synthese van de verschillende architectuurstromingen tussen het Munsterland en de nabije Nederlanden, en het is overduidelijk dat de ontwerper, voor de topgevel in ieder geval, gebruik heeft gemaakt van het  ontwerp voor het Leidse stadhuis of van het ontwerp van het stadhuis van Bremen, waar wij ook de galerij en de erker terugvinden. Het beeldhouwwerk aan het stadhuis van Bocholt werd overduidelijk door een beeldhouwer uit Westfalen zelf vervaardigd en onderstreept dan ook de wisselwerking tussen  de beide landstreken.

In hoeverre het stadhuis van Bocholt de bouwmeesters van het stadhuis van Bolsward, Jacob Gijsbert en Maarten Domini in 1613-1617  hebben geïnspireerd is niet duidelijk, maar met name de gevelopbouw, uiteraard zonder gaanderij, (dat was in de Nederlanden niet gebruikelijk) en de topgevel, doet aan Bocholt denken.

Het kasteel te Raesfeld

Van de bouw van de tegen het eind van de 12e eeuw door Rabodo von dem Berge gestichte "festen Hauses" is niet bewaard gebleven, maar van de bouw van de in het midden van de 13e eeuw aangelegde burcht van een zekere Simon von Gemen die Raesfeld kocht, is nog wat opgaand muurwerk in de noord-westhoek van de burcht terug te vinden. Waarschijnlijk was het een door water omgeven toren.  Vermoedelijk in de 14 of 15e eeuw werd boven op de fundamenten van deze toren de Noordvleugel aangelegd.

Aan de oostzijde van deze vleugel, werd in 1561, een fijn geciseleerde, rijk versierde zandstenen erker in Nederlandse Renaissance, door Herman IV von Velen aangelegd. De sterke muren van deze vleugel hielden stand tijdens het beleg van 1597, waarbij een gedeelte van het kasteel afbrandde, zodat onmiddellijk daarna, onder Alexander von Velen I met de wederopbouw kon worden begonnen.

Na een zware storm in 1613 moest de oostgevel onder handen worden genomen en na brand en plunderingen in 1622 en 1643, tijdens de dertig jarige oorlog, werd in opdracht van  Alexander II in 1643 met de wederopbouw begonnen. De bouwheer Rijksgraaf Generaal veldmaarschalk Alexander II von Velen was, net zoals zijn vader, een trouwe volgeling van de keizer en blijkt, door de oorlog heel wat garen te hebben gesponnen.

Voor het ontwerp en de leiding werd de Kapucijnermonnik Michael van Gent, die hij uit Munster liet komen, aangesteld. Deze bouwmeester heette oorspronkelijk Jacobus van Poucke uit Gent, maar liet zich na zijn intrede in de Kapucijnerorde Pater Michaelis of Michael van Gent, Michael a Gandavo, Michiel de Gand, Michaelis Gandensis noemen. Hij werd in 1585 geboren en stierf in Venetië in 1657. Al in 1646 had hij Raesfeld verlaten, daar hij zich op bevel van zijn overste naar Rome moest begeven.

Volgens zijn ontwerp hebben twee metselaars uit Roermond Jacobus Schmidt en zijn zoon Johannes de bouw voortgezet. Meester Remigius Rosskott uit Munster beitelde al de plastische details zoals de pilasters en het portaal. Eveneens uit het Maasdal, uit Maastricht kwam de meester die het interieur verzorgde, meester Francois Walshaerth, misschien bijgestaan door andere kunstenaar zoals Rudolf Koiter, Regnier Henckelun. Andreas Petersen en anderen. De wederopbouw begon waarschijnlijk aan de voorburcht, want een jaartalsteen boven de toegangspoort daar laat het jaartal 1646 zien.

Ook al in 1643 werd met de westvleugel  begonnen, uitgevoerd in de gebruikelijke baksteenbouw met rijke zandstenen banden van de vensters, en met de voor die tijd al uit de tijdse ingesnoerde Ionische pilasters en lijsten. Met de door zijn horizontale banden gedeelde etages en zijn drievoudig gestapelde spits verkreeg het een verticaal accent. Het systeem van de pilasters en verbinding met de gedrukte onderverdiepingen schijnt in principe op een veel ouder, maar toen heel beroemd Vlaams voorbeeld terug te gaan, n.l. op het in 1561/4 door Cornelis Floris gebouwde stadhuis te Antwerpen.

Van daaruit kan deze toepassing van de begane met een pilasterorde, sterk vereenvoudigd in Raesfeld zijn gekomen. De herkomst van de bouwmeester uit Gent laat zich dan ook duidelijk voelen. Het buitenportaal heeft korfbogige, door drie zandstenen blokken gemarkeerde ontlastingsbogen boven de vensters aan de voorburg. Ietwat vreemd is echter de wandversiering in de westvleugel. Aan het Hof verheft zich op een kleine, met rondboogopeningen doorbroken sokkels boven de muur een gestoelde pilasterrij die de architraaf draagt. Zij is voor de woonetage aangelegd en strekt zich uit over acht traveeën, met zes grote  stenen kruisvensters gesierd door een driehoekig fronton met in het timpaan een engelkopje of een schelpmotief. De rest van de gevel is tot aan de bovenverdieping en het grote raam volledig onversierd uitgevoerd.

De pilasterpostamenten met hun leeuwenmaskers, cartouches, borstwering en de vensters zijn waarschijnlijk door Remigius vervaardigd en hebben een wat overdadige grovere ornament, dan in de Nederlanden gebruikelijk. In de bogen zijn zandstenen blokken aangebracht met het  zogenaamde kerbschnitt, dat een typisch Westfaals ornament is en een meandervormige versiering in de fries. Ook het hermenportaal, dat zijn bovenstuk mist, is voor Nederlandse begrippen te overladen van vorm. De dienstgebouwen met hun sterke, gebosseerde pilasters, die de architraaf dragen, zijn eveneens door Michael van Gent ontworpen en onder Alexander II tegelijk met de westvleugel opgericht.

Toren

Ook aan onze Michael van Gent danken we de schilderachtige toren, met zijn zes verdiepingen. De toren kan men echter, in plaats van het Renaissance kasteel,  al vroegbarok noemen. De sterke, meervoudig over elkaar gestapelde stompe piramidevormige geledingen met de afsluitende uivormige opbouw is in totaal 50 meter hoog.

Hier domineert niet, zoals in de Renaissance het naast elkaar plaatsen van siervormen, maar het samenspel van de siervormen, dat een van de verschillen is tussen de Renaissance en de late Renaissance of de Barok.

De hoektoren van Raesfeld herinnert aan de vierkante buitentoren van Hoensbroek, maar de hoge spit van Hoensbroek wordt twee maal doorbroken, voor dat de toren in een peer uitloopt, terwijl die van Raesfeld drie verjongingen heeft. Niet alleen de toren, maar ook de burcht zelf  vertoont de Renaissance die in het Maasland gebruikelijk was, met name het door middel van de doorlopende waterlijsten verkregen horizontalisme, is in de Maaslandse renaissance meer schering dan inslag. Het kasteel van Raesfeld wordt dan wel gezien als een zeldzame zonderling in het Munsterse en een ver lid van de Limburgs-Gullikse bouwschool door Belgische kunstenaars uit het Maasdal gebouwd. Een verwantschap met Leerodt en de bouwprojecten van Honsdorf in Gullik, Schaesberg en Hoensbroek hebben zeker hun invloed op de bouw van het slot Raesfeld doen gelden. Het ontwerp van het slot te Honsdorff was van een zekere Matzais Kousin (Dousin) uit Visé, terwijl voor Hoensbroek eveneens door deze architect het ontwerp werd geleverd, terwijl de bouw werd geleid door de bouwmeester, genoemd Matthieu le Jeune. Deze Matthieu le Jeune was de zoon van Maitre Mathaie Dousin, wonende naast het stadhuis van Visé (zelfde bouwtrant) die overleed op 29 december 1643.

Wie de ontwerper van de kastelen van Schaesberg, Leerodt waren, is niet bekend, maar ook hier denkt men denkt aan of Pieter Michael van Gent of aan Matzais Kousin uit Visé. Het is goed mogelijk dat Michael van Gent, de architect van het kasteel van Raesfeld, na een eventuele leertijd in Vlaanderen, zich verder in het Maasland heeft gevormd. Het is dan misschien geen toeval dat Michael werd bijgestaan door metselaars uit Roermond.

Kapel

Ook dit slotkapel dateert van 1658 en werd oorspronkelijk ook door Michael van Gent ontworpen, maar al een tiental jaar later, werd het door een andere onbekende Kapucijnerarchitect aangepast. Vermoedelijk daarom heeft de aan de Heilige Sebastiaan gewijde kapel zo'n eigenaardige mengeling van verschillende stijlkenmerken.

De eenschepige beuk heeft kruisgewelven, dat aan de gotische kerkbouw herinnert, terwijl het gewelf van de crypt onder het koor een stergewelf heeft, dat meer in de laatgotische periode werd aangelegd.

Ook het exterieur met zijn weinig geproportioneerde steunberen, herinnert aan de gotiek, terwijl de voor deze kleine kapel zo imposante dubbele torenfront duidelijk de overgang van de Renaissance naar de vroegbarok vertegenwoordigd. Zowel de zandstenen bogen van de tussen de toren aangebrachte voorhal, als ook de versieringen rondom het portaal vertonen typische Renaissance ornamenten, zoals het Kerbschnitt en het beslagwerk. Het gedrongen, in voluten uitlopende gevelveld en de spitsen van de torens neigt meer naar de vroegbarok.

In de kapel bevindt zich, sinds 1933, de grote grafsteen van Alexander I von Velen +1630 en zijn echtgenote. Oorspronkelijk lag deze in de parochiekerk maar daar men deze in 1858 afbrak, werd de steen in opdracht van de graaf Landsberg-Velen naar het kasteel van Velen gebracht, waar het tot de brand en de verwoesting van dat kasteel verbleef.

Activiteitenagenda van ZANNEKIN

Deze activiteitenkalender vermeldt de geplande eigen activiteiten van de vereniging/stichting Zannekin zelf, evenals activiteiten waar de vereniging een inbreng in heeft onder de vorm van logistieke steun, gidsing, samenwerking, e.d.m. en waarbij de Zannekin-leden van harte welkom zijn. Info bij Maurits Cailliau (00 32 57 204 194) of Leo Camerlynck (00 32 485 63 02 27).

5 tot 21 april 2003

28e Frans-Vlaamse veertiendaagse in Nieuwpoort

Stadsbestuur Nieuwpoort en ad hoc werkgroep

 

10 mei 2003

Studie-uitstap naar het West-Munsterland

Exclusieve Zannekin-activiteit

 

7 juni 2003

Dagexcursie naar Frans-Vlaanderen in het raam van Marguerite Yourcenar

In samenwerking met de Brabantse volkshogeschool e.a.

8 juni 2003

Dagexcursie in het voetspoor van Willem van Gulik en Mercator naar de Selfkant, Heimbach en Monschau

Davidsfonds gewest Brussel

23, 24 & 25 juni 2003

Driedaagse reis naar Duitsland (Worringen, Dillenburg, Nassau, Goarshausen, Nieder- Ingelheim) en Luxemburg (Schengen)

In samenwerking met het Seniorencentrum Brussel

juni 2003

Publicatie van het 25e jaarboek

Exclusieve Zannekin-activiteit

11 juli 2003

Literaire wandeling door Brussel in het raam van Marguerite Yourcenar

In samenwerking met de Brabantse volkshogeschool en het 11-juli-comité Brussel

27 & 28 september 2003

Belforten- en Stadhuizen-weekeinde in Belle en Dowaai

Davidsfonds-activiteit in Belgisch-, Frans- en Zeeuws-Vlaanderen

4 oktober 2003

Studiedag te Sint-Omaars

Exclusieve Zannekin-activiteit

Nog een extra voor de Zannekin-leden!

NEERLANDS ERFGOED

IN DUITSLAND EN LUXEMBURG

Driedaagse reis op 23 - 24 - 25 juni 2003

Enkele jaren terug ondernam de Vereniging/Stichting ZANNEKIN een succesvolle meerdaagse reis naar Bourgondië. Ook in 2003 wordt een driedaagse reis ondernomen in samenwerking met het Seniorencentrum Brussel. De reis gaat richting Duitsland en Luxemburg. De rode draad is Neerlands erfgoed in dit deel van Duitsland.

Een greep uit het programma: Woeringen waar de slag van 1288 plaatsvond en waar het lot van het hertogdom Brabant voor eeuwen werd bepaald; Dillenburg waar de vader des vaderlands, Willem van Oranje, bijgenaamd de Zwijger, werd geboren; Katzenellenboog en Nassau vormen samen met Leerdam, Buren en Oranje de bastions van het kasteel van Kaapstad (Zuid-Afrika) en van de replica in Longueval (Franse Nederlanden), het zijn stuk voor stuk namen die vaker opduiken in de vaderlandse geschiedenis van de Nederlanden; Goarshausen met de Lorelei/Loreley, geschreven door de Nederrijnlander Heinrich Heine; Ingelheim waar Multatuli zijn laatste levensdagen sleet; Luxemburg met zijn rijk Nederlands verleden; en nog veel meer.

De gids is Leo Camerlynck, voorzitter van ZANNEKIN.

De indeling van de drie reisdagen ziet eruit als volgt:

DAG één: Brussel (vertrek om 7.30 uur): Keulen ‑ Woeringen - Köln ‑ Worringen (koffie) - Dillenburg (geboorteplaats van Willem van Oranje) (middagmaal) - Limburg-an-der-Lahn ‑ Westerwald ‑ Katzenelnbogen - Nassau (vieruurtje) - Koblenz (Das deutsche Eck) ‑ Boppard.

DAG twee: Boppard - Boottocht op de Rijn tot Rüdesheim (restauratie aan boord) langs de Loreley, Bingen en bekende burchten zoals Sterrenberg, Liebenstein, Maus, Rheinfels, Katz, Schönburg, Pfalz im Rhein, Gutenfels, Stahleck, Fürstenberg, Nollig, Heimburg, Sooneck, Reichenstein, Rheinstein, Ehrenfels, Mäuseturm - Rüdesheim  - Ingelheim (Multatuli)( avondmaal) - Boppard

DAG drie: Boppard - Bernkastel-Kues (koffie) ‑ Schengen - Bad-Mondorf (middagmaal) ‑ Luxemburg - Brussel (terug omstreeks 20.30 uur).

Prijs: 300,- euro voor ZANNEKIN-leden; 325,- euro voor niet-leden. Toeslag voor eenpersoonskamer: 20,- euro. In de prijs zijn begrepen: de busreis, de boottocht, de overnachtingen, twee maal ontbijt, twee maal middagmaal, twee maal avondmaal, de gidsing, de toegangen. Info en inschrijvingen op het nummer: 00 32 (0) 485 63 02 27.

Vereniging/Stichting ZANNEKIN

herdenkt Marguerite Yourcenar

Op 8 juni 2003 zal het 100 jaar geleden zijn dat Marguerite Yourcenar te Brussel geboren werd. Kort na haar geboorte verhuisde ze naar Frans-Vlaanderen. De Vereniging/Stichting ZANNEKIN vond deze herdenking volledig kaderen binnen haar doelstellingen. Daarom biedt ze aan haar leden en overige belangstellenden de mogelijkheid om deel te nemen aan twee activiteiten. De gids is telkens Leo Camerlynck, voorzitter van Zannekin.

Literaire uitstap Marguerite Yourcenar

tussen Brussel en Frans-Vlaanderen

Zaterdag 7 juni 2003

Marguerite Yourcenar werd als Marguerite Cleenewerck de Crayencour aan  de Louizalaan te Brussel geboren, honderd jaar geleden, op 8 juni 1903. Ze was de dochter van Michel Cleenewerck de Crayencour, een Fransman uit de lagere adel. Haar moeder was de Waals-Belgische Fernande Cartier de Marchiennes, afkomstig uit de Luikse adel, maar die reeds eeuwen in de streek van Charleroi gevestigd was. Kort na de geboorte van Marguerite stierf ze aan kraamkoorts. Met haar vader nam ze enkele dagen later haar intrek in het voorouderlijke kasteel'Mont-Noir' op de Zwarte Berg, net over de Belgische grens, in het dorp Sint-Jans-Cappel, in Frans-Vlaanderen. In de winter verbleef ze in de Frans-Vlaamse hoofdstad Rijsel.

Op de Zwarte Berg, waar de Schreve loopt - de grens tussen West- en Frans-Vlaanderen - groeide de jonge Marguerite op in de aristocratische sfeer van haar adellijke familie, enerzijds, en bij het volkse dienstpersoneel dat nog vlot 'Vlaemsch' sprak, anderzijds. In Sint-Jans-Cappel stond ze bekend als 'Het meisje van het Kasteel'.

Op twaalfjarige leeftijd begeeft ze zich met haar vader, een wat dandy-achtige maar wel gecultiveerde type, naar het ‘decadente’ Parijs. Michel helpt zijn dochter bij de studie van Grieks en Latijn. Dankzij hem leert ze ook Franse en Engelse auteurs kennen.

Vader Michel blijft weduwnaar, wat hem niet weerhoudt om er een wat mondain, bij wijlen zelfs avontuurlijk leven op na te houden. Eén van zijn maîtresses was de echtgenote van de Zwitserse baron Conrad de Vietinghoff, Jeanne Bricou, die veel om Marguerite gaf.

Marguerite Yourcenar reisde de hele wereld af, tot ze zich ging vestigen in de Verenigde Staten, meer bepaald in Mount Desert, in de staat Maine, waar het nog steeds geurt naar New England. Ze leefde er samen met haar vriendin Grace Frick.

Marguerite Yourcenar werd het eerste vrouwelijke lid van de Académie Française. Dat was in 1980. Zij heeft zowat alle literaire genres beoefend: poëzie zoals Feux (1936), toneel met twee volumes, uitgegeven in 1971, novellen met Nouvelles orientales, waarin ze zich het eerst wereldburger verklaart, vertalingen van o.a. negro-spirituals Fleuve profond, sombre rivière, essays met: Sous bénéfice d'inventaire (1962), Le temps, ce grand sculpteur (1983).

Bekendheid heeft Marguerite Yourcenar verworven dankzij boeken als Un homme obscur, dat zich afspeelt op de Friese Waddeneilanden, historische romans zoals Mémoires d'Hadrien (1951) en L'Oeuvre au noir (1968), alsmede met haar autobiografie Le labyrinthe du monde, dat uit drie delen bestaat: Souvenirs pieux (1974), over haar familie aan moederszijde, Archives du Nord (1977) over haar familie aan vaderszijde en Quoi? L'éternité (1988) over vader en moeder, maar vooral over het jonge meisje dat ze geweest is.

Mémoires d'Hadrien is een aangrijpende wedersamenstelling van een periode uit de Romeinse geschiedenis, die veel gelijkenissen vertoont met aspecten van onze huidige geschiedenis.

Le Coup de grâce werd verfilmd door Volker Schlöndorff. En nog een andere roman werd verfilmd door André Delvaux, het betreft L'Oeuvre au noir, dat in het Nederlands vertaald werd als Hermetisch Zwart en als De Terugkeer naar Brugge en zelfs als de weinig steek houdende titel Intermezzo. Het verhaal speelt zich af op een andere belangrijke periode van de geschiedenis, wanneer de Middeleeuwen op soms brutale wijze naar de Renaissance overgaan. Zénon Ligre, een Brugs filosoof, theoloog, alchemist en rondreizende arts leeft in een wereld, die laveert tussen het tastbare en het niet tastbare, op zoek naar wijsheid.

Le labyrinthe du monde toont aan dat Marguerite Yourcenar de mens een zwemmer in de zee van het leven, geboren dankzij de zee, gevoed door diezelfde zee, en opgeslorpt door de zee. De mens moet zijn kennis doorgeven. De mens moet voorts in harmonie met de natuur leven, met de kleine dingen rondom hem, maar ook met de hele kosmos.

In Souvenirs pieux tracht ze te bewijzen dat het individu reeds vóór zijn geboorte begint te bestaan. Haar interesse voor de Japanse mystiek is hier ook niet vreemd aan.

Archives du Nord begint in 'la nuit des temps', toen de Zwarteberg, de Rodeberg, de Katsberg, de Kemmelberg, waar ze een deel van haar jeugd doorbracht en op latere leeftijd regelmatig terugkwam, uit de zee oprezen. Ze bespeelt een soortgelijk thema in Quoi? L’éternité, waar ze zich ten volle literair-emotioneel uitleeft.

(Bronnen: teksten van Matthieu Galey  uit Les Yeux ouverts, Le Centurion, 1980, Michèle Goslar Yourcenar, biographie, Racine, 1998, Vik Eggermont en Leo Camerlynck).

 

Reisroute:

Voormiddag: Brussel ‑ Poelaertplein, Louizalaan (geboortehuis), Ukkel Verrewinkel (locatie film L'Oeuvre au noir), Halle, Edingen, Lessen, Doornik met de Mont-Saint-Aubert (wandelpad met treden waarin gedichten of spreuken staan gebeiteld); vrije koffiepauze op de Mont-Saint-Aubert. Vervolgens naar Belle/Bailleul en Sint-Jans-Cappel (museumpje, stadhuis, kerk, e.a.).

Middag: Warm middagmaal in de groene omgeving van de Hollemeersch, aan de voet van de Kemmelberg, te Dranouter (Heuvelland), een plaats die regelmatig door de schrijfster werd bezocht.

Wandeling door het domein van de Zwarte Berg, vervolgens busrit naar Rijsel (winterverblijf) - vrije tijd in Rijsel en terugkeer naar Brussel.

Bijdrage: 40 euro (busrit, middagmaal, toegangen, gidsing) voor Zannekin-leden; 45 euro voor niet-leden. Begeleiding: Leo Camerlynck, dil. historicus.

Wanneer: op zaterdag 7 juni (8.00 uur vertrek ‑20.00 uur terugkomst).

Waar: vertrek met de bus op het Poelaertplein te Brussel (er is ruime parkeergelegenheid). Te bereiken met openbaar vervoer tot het Louizaplein te Brussel (trams 91, 92, 93, 94, bus 34, metro 2). Samenkomst vanaf 7.45 uur. De bus vertrekt stipt om 8.00 uur.

Een organisatie van de Brabantse Volkshogeschool met de steun van de leesclubs van de H.O.B. en van de bibliotheken van Schaarbeek, Etterbeek en St-Pieters-Woluwe

INFO en inschrijving op het nummer 00 32 (0) 485 63 02 27 (L. Camerlynck).  

 

Literaire wandeling in samenwerking met het 11 juli-comité:

Marguerite Yourcenar, Vlaming en wereldburger

Vrijdag 11 juli 2003

"Als ic can", waren de weinige Nederlandse woorden, die Marguerite Yourcenar geregeld uitsprak. De drie woorden zijn de lijfspreuk van Boergondisch hertog Jan zonder Vrees.

----------------------

"Het is pas op latere leeftijd dat ik opnieuw aan mijn Vlaamse oorsprong heb gedacht, bij het schrijven van Archives du Nord."

Toen ik peilde naar het leven van mijn voorouders, heb ik in mij iets menen te herkennen van wat ik zou noemen "een traag Vlaams elan", vertrouwde Marguerite Yourcenar aan Mathieu Galey toe in Les Yeux ouverts.

----------------------

"Dat diep poëtische gevoel heeft ze vooral overgehouden van haar Vlaamse jeugd tussen Sint-Jans-Cappel en Rijsel.

Marguerite Yourcenar, de universele, de kosmopolitische, die niet meer wist of haar paspoort Frans of Amerikaans was, heeft niet opgehouden steeds diezelfde blik op te eisen van het kleine meisje de Crayencour, die van de geiten en narcissen van de Zwarte Berg", beschrijven Michel van Parys en Jean Houcke.

---------------------

"Enkele van haar 'gedachten' weergeven, die deel uitmaakten van haar bagage en van haar leven, dat is iets verder doorstoten in de kennis van een persoonlijkheid, met een rijk verstand. Marguerite Yourcenar spoort ons aan hierover na te mijmeren, Jan Ruusbroec's woorden indachtig: 'U bent heiligen zo veel als u het elf wil zijn'." (Teksten verzameld door Leo Camerlynck)

Wandeltocht van het parkje (met teksten van Marguerite Yourcenar), langs de Kleine Zavel (waar ze de 16e eeuw nog voelde leven), het Museum voor Schone Kunsten (waar Bruegels 'bekering van Paulus' haar inspiratie bracht voor het schrijven van L'Oeuvre au noir), de Kunstberg (waar ze het mooie zicht over haar geboortestad bewonderde) naar de Grote Markt.

Begeleiding: Leo Camerlynck, dil. historicus

Wanneer: donderdag 11 juli om 11.00 uur.

Waar: Samenkomst  rond 10u45 aan de Passage Yourcenar (Wolstraat, ingang naar het Egmontpark) te Brussel.

Bijdrage: 3 euro voor Zannekin-leden; 4 euro voor niet-leden.

Een organisatie van de Brabantse Volkshogeschool in samenwerking met het 11 juli-comité Brussel. INFO op het nummer 00 32 (0) 485 63 02 27.


Déclaration des droits linguistiques des Wallons

Nous tous qui defendons et pratiquons les langues regionales romanes de Wallonie, constatant que, malgré le net regain d'intérêt qu'elles provoquent aussi bien dans les milieux scientifiques et littéraires que dans la population en général, celles-ci souffrent encore d'attitudes de rejet ou pire, de dédain.

PROCLAMONS

Nous associons à cette proclamation les défenseurs des autres langues régionales parlées en Wallonie, en particulier le francique mosellan de la région d'Arlon.

Nous sommes conscients des responsabilités qu'impliquent ces revendications.

Nous sommes conscients aussi du rôle moteur que nous aurons à y jouer.

Nous sommes conscients enfin, de ce que cette proclamation n'est qu'une étape de plus dans le long combat de réhabilitation des langues régionales, mais c'est une étape décisive qui nous fait passer d'une phase de résistance active à une phase de reconquête.


Vanop de zijlijn

Het zal u ongetwijfeld niet ontgaan zijn: op de binnenzijde van de omslag van de vorige Nieuwsbrief staat het zwart op wit. Gedurende een veertiental jaren heeft mijn naam de lijst van bestuursleden "aangevoerd" onder de toevoegende vermelding van "voorzitter". In bovengenoemde aflevering ziet u op die plaats de naam van Leo Camerlynck staan.

Dat heeft natuurlijk zijn eigen oorzaak. Ik heb namelijk gemeend mij niet meer herkiesbaar te moeten stellen voor de functie van voorzitter. Tijdig heb ik de medebestuursleden van deze beslissing op de hoogte gesteld om hen niet voor voldongen feit te plaatsen. Tijdens de op 14 december 2002 gehouden bestuursvergadering is met algemene instemming Leo Camerlynck de persoon geworden aan wie ik de voorzittershamer mocht overdragen.

Ik heb er grote behoefte aan - nu ik mij aan de zijlijn heb opgesteld - nog enkele regels te wijden aan de voorbije voorzittersjaren. Die behoefte heeft met name te maken met het vertrouwen dat ik heb ondervonden zowel van mijn medebestuursleden als vanuit de volle breedte van de ZANNEKIN-kring. En daarvoor wil ik u allen hartelijk bedanken. Daarbij spreek ik tegelijkertijd de hoop uit dat u de nieuwe "roerganger" op dezelfde wijze tegemoet zult treden. Vanaf het ogenblik dat ik voorzitter werd (voorjaar 1989) heb ik gemeend van mij te moeten doen spreken. Ik heb dat gedaan onder het hoofd Van de voorzitter. Het bestuur heeft ermee ingestemd dat ik de vinger aan de pen blijf houden - zonder mijn opvolger voor de voeten te willen lopen - met betrekking tot zaken die zich afspelen in ons werkingsgebied. Vandaar dat u voortaan boven mijn Nieuwsbrief-schrijfsel ziet staan Vanaf de zijlijn. Ik hoop dat het mij gegeven zal zijn nog een lange reeks van jaren op deze wijze dienstbaar te mogen zijn in het kader van onze gezamenlijke doelstelling.

Een sprankelende compactplaat

Een Nederlandse organist (beter: orgelist) speelt in een Nederrijnlandse kerk op een door een Zwitser in 1999 gebouwd orgel. Deze zin heeft betrekking op de Amerfoortse orgelist Willem van Twillert die speelt op het door de Zwitser Metzler gebouwde orgel in de St.-Cyriakuskerk te Krefeld-Hüls. Het programma dat op deze compactplaat is vastgelegd bestaat uitsluitend uit eigen werken die allemaal hun "grondtoon" vinden in het Geneefse Psalter dat in opdracht van Johannes Calvijn is ontstaan in de jaren tussen 1539 en 1562. In het bijgesloten boekje geeft Van Twillert een verantwoording van zijn improvisaties op de door hem gekozen psalmen. Ook het instrument is een bewuste keuze geweest: het moest een orgel zijn met een uitgebreide dispositie met bij voorkeur een 32-voet in het pedaal en tenminste drie manualen. En dit instrument heeft hij gevonden in Krefeld-Hüls. Het resultaat van deze drie samenwerkende factoren - orgelist, composities en instrument - mag gehoord worden. Ik heb het bezitten van deze compactplaat als een verrijking van mijn verzameling beschouwd. Deze schijf ( PB Sounds STPOPCD  2002/2) is o.m. verkrijgbaar bij de speciaalzaak in dit genre: Kerkvolk-Kerkmuziek, Postadres: Antwoordnr. 311, 8260 WB Kampen.

Het oranje boekje

Wie in onze steden en dorpen - zowel Nederlandse als Vlaamse - acht slaat op de gevelreclame waant zich bij tijd en wijle in een Engelssprekend land te zijn terecht gekomen. Het is toch opmerkelijk dat wij - bewoners van de Lage Landen - blijkbaar onze taal heel gemakkelijk inruilen voor een andere zonder ons af te vragen of die wel past bij onze "mond". Diezelfde opstelling maakt het ook mogelijk dat een deel van het onderwijsprogramma van onze middelbare scholen, hogescholen en universiteiten op Engelse leest geschoeid is. Dat dit uiteindelijk zal leiden tot identiteitsverlies is een zaal waarover "men" zich niet al te druk schijnt te maken.

De hierboven aangeduide kwaal is trouwens niet iets kenmerkends voor onze tijd. Al op het eind van de 18e eeuw liet een zekere Verlooy een indringend waarschuwend geluid horen. In zin Verhandeling op d'Onacht der moederlijcke tael in de Nederlanden stelt hij o.m. dat de jeugd in het Frans opvoeden betekent: ze een moedertaal schenken die ze nooit zullen beheersen. Dit woord heeft nog niet aan actualiteitsgehalte ingeboet als het woord "Frans" wordt vervangen door "Engels".

Als we ons - terecht - tegen de steeds verder om zich heen grijpende verengelsing van het maatschappelijke, politieke en culturele leven verzetten, dan sluit deze opstelling tegelijkertijd een opdracht in, namelijk in gezamenlijkheid - dus zowel Nederlanders als Vlamingen - de wacht te betrekken bij onze taal onder meer door ons daar zo zuiver mogelijk in uit te drukken.

In dit verband vestig ik graag de aandacht op het onlangs in een oranjekleurig omslag gestoken boekje dat als opschrift is meegegeven 'k Heb u lief, mijn Nederlands. De inhoud wil dienst doen als handreiking daadwerkelijk iets te kunnen doen aan het terugdringen van de opgedrongen verengelsing. Alfabetisch gerangschikt bundelt het een vertaling van een groot aantal - vaak onnodig gebruikte - Engelse en Amerikaanse woorden naar het Nederlands. Het is een uitgave van de Stichting Taalverdediging voor herstel en behoud van het Nederlands (Postbus 71827, 1008 EA Amsterdam). Belangstellenden kunnen in het bezit van dit geschrift komen door 4 EUR over te maken op de giro 7412861 t.n.v. Stichting Taalverdediging te Eindhoven, onder +vermelding: "'k Heb u lief, mijn Nederlands".

Marten Heida

Prins Willem-Alexanderpark 53

NL. 3905 CB Veenendaal

Het laatste woord

In 2003 bestaat de vereniging ZANNEKIN haast driekwarteeuw. Aanvankelijk behoorde de ondersteuning en het behoud van de Nederlandse taal en cultuur in Frans-Vlaanderen tot het belangrijkste streefdoel van de vereniging. Maar later werd het belangstellingsveld ruimer opgevat, met name naar het oosten van de Nederlanden toe.

In al die jaren heeft ZANNEKIN baanbrekend werk verzet, dat op tal van plaatsen buiten het Koninkrijk der Nederlanden en Belgisch-Vlaanderen sporen heeft nagelaten.

Al verschilde bijwijlen de aanpak van de voorgangers van de huidige Vereniging/Stichting ZANNEKIN, toch bleef er één oranje draad lopen doorheen het streven van degenen die deze beweging hebben geleid, namelijk een heel-Nederlandse inborst.

Die heel-Nederlandse gedachte wil ik persoonlijk blijven koesteren.

Ruim twintig jaar maak ik deel uit van het ZANNEKIN-bestuur. Bij elke vereniging, ook bij ZANNEKIN, zijn er hoogten en laagten, maar om Guido Gezelle te parafraseren “ik heb er mij geen enkele stonde verdroten”, en dit geldt beslist voor ZANNEKIN. De geborgenheid bij ZANNEKIN was voor mij een essentieel element om mij in te zetten voor deze vereniging en de idealen ervan.

Mijn voorgangers waren de minzame A. Deckmyn, de verzoenende J. Goethals, de goedlachse W. Corsmit, drie personen die niet meer in ons Laaglands tranendal op aarde kunnen vertoeven, doch voor wie ik een eer en een respect opbreng voor al het werk, dat zij hebben verzet. Ik kom er later op terug.

Ik wil ook heel bijzonder een eerbetuiging brengen aan Maurits Cailliau, zonder wie ZANNEKIN wellicht niet meer dan een vereniging op papier zou geworden zijn. Maurits was en is de steunpilaar van ZANNEKIN, en ZANNEKIN leeft!

En wie ik beslist wil danken voor zijn jarenlange inzet is Marten Heida, mijn voorganger. Hij is Fries, hij houdt van Vlaanderen, van het Walenland, van Luxemburg, van de Duitse gebieden ten oosten van de Nederlanden én van Frans-Vlaanderen, hij is heel-Nederlander, hij was een uitmuntende voorzitter van Zannekin. Meer lofuitingen reserveer ik voor 4 oktober 2003 in Sint-Omaars, waar hem een bijzondere hulde te beurt zal vallen.

Maar vergeet ondertussen niet onze dagexcursie naar het West-Munsterland van 10 mei 2003. Allen daarheen!

Leo Camerlynck

Voorzitter ZANNEKIN

E. Michielsstraat 51

1180 Ukkel