> nieuwsbrief > 21e jg. - 3e trimester 2003

Bijdragen over: Tip

Mededelingen

De Nederlanden “extra muros” – deel 25

Ons nieuwe jaarboek kende overal een heugelijk onthaal. Met zijn 320 pagina’s oogt het bovendien robuust, terwijl de Zannekin-gedenksteen (van Lampernisse) de kaft op passende wijze siert. Onze lezers blijken bovendien bijzonder goed bekend te zijn met de aandachtsgebieden van ZANNEKIN: tot driemaal toe werden we ondertussen attent gemaakt op de lapsus die te lezen staat op p. 189. Bij de betiteling van de illustratie aldaar werd de foto van het centrum van Echternach foutief als ‘Luxemburg’ geduid. Waarvoor onze excuses!

De gedrukte versie van deze Nieuwsbrief werd ook, bij wijze van prospectie, toegestuurd aan een aantal nieuwe adressen. Wij bieden hen graag de mogelijkheid het nieuwe jaarboek – waarvan verder in deze Nieuwsbrief een uitgebreide inhoudsoverzicht – te verwerven tegen de ledenprijs van 26 EUR. Deze ledenprijs geldt tot einde juli ook voor wie via deze electronische Nieuwsbrief met ons kennis maakt.  

Ontmoetingsdag

Op zaterdag 4 oktober 2003 zijn we met onze Ontmoetingsdag te gast in het Zuid-Vlaamse Sint-Omaars. Noteer alvast de datum.

 

Zuid-Vlaanderen

Enkele persoonlijkheden uit Duinkerke hebben een petitie ingediend, ondertekend door 2000 personen, bij de volksvertegenwoordigers en “conseillers généraux” van hun arrondissement, teneinde het “Vlaams” (bedoeld is uiteraard het Frans-Vlaams) te laten erkennen als regionale taal. De Franse minister van Nationale Opvoeding, Luc Ferry, heeft al gezegd dat hiervan geen sprake kan zijn omdat het “Vlaams” slechts een dialectische variant is van het Nederlands. Wat weliswaar juist is. Maar toch lijkt het ons dat het Vlaams (zowel uit Frans- als uit Belgisch-Vlaanderen) niet verloren mag gaan omwille van zijn rijke en oude woordenschat met heel wat Middelnederlandse relicten, alsook met zijn talrijke spreekwoorden en zegswijzen. Wat mogelijk is voor het Nedersaksisch en het Limburgs moet dat ook zijn voor het Vlaams.  

Namen

Einde februari werd in de Grote Aula van de Faculté de Philosophie et Lettres in Namen de inaugurale rede gehouden voor de cursus in het Letzeburgs. De Deken van de Faculteit, Manfred Peters, sinds 1956 professor te Namen, en Rector Michel Scheuer verwelkomden er de Minister van Cultuur van het Groot-Hertogdom, Mevr. Erna Hennicot-Schoepges en dit in aanwezigheid van talrijke leden van het Luxemburgse diplomatieke corps. M. Peters herinnerde er de aanwezigen aan dat het Letzeburgs sedert 1984 officieel als landstaal in het Hertogdom erkend is en dat het door ongeveer 400.000 personen gesproken wordt. Deze taalcursus (30 lessen) zal gegeven worden door de Luxemburgse professor Mevr. Claudine Moulin, voorheen professor te Bamberg in Duitsland.  

Picardië

Nadat vorig jaar al een eerste conferentie doorging in Saint-Quentin, wordt dit jaar de cyclus over de Picardische taal verder gezet met vier voordrachten:

en om te besluiten, opnieuw in Abbeville, met “Aperçus du théatre en picard, hier et aujourd’hui” door J.M. François.

Wij kunnen ons slechts verheugen over de belangstelling die dit onderwerp geniet. Vergeten wij niet dat in Frankrijk enkele tientallen regionale talen werden verdrongen door het Frans, dat tenslotte maar de taal was van l’île de France! (Bron: Delta, mei, 2003.)

Studie-uitstap Westmunsterland

De traditionele studie-uitstap in het voorjaar van Zannekin bracht ons dit jaar naar het Westmunsterland. Doel ervan was aan te tonen dat deze streek, alhoewel staatkundig nooit behorende tot de Nederlanden, in cultureel opzicht een overgangsgebied, een transitzone is. Vooreerst is daar het wel erg opvallende dubbeldorp Dinxperlo-Süderwick (= Zuiderwijk), waar de Süderwickse kleuters (D) school lopen in het Nederlandse Dinxperlo. Het stadhuis van Bocholt dan weer is een duidelijke mengeling van Westfaalse bouwstijl en invloeden uit de Nederlanden, waarbij de namen van Vredeman de Vries en vooral Lieven de Key, die ook het stadhuis van Leiden bouwde, nooit ver weg zijn. De invloed van de Nederlandse Renaissance, zelfs van de Antwerpse bouwstijl (stadhuis, Floris de Vriend) is duidelijk zichtbaar, méér nog dan in het Bremense het geval is. Bij het kasteel van Raesfeld is het al niet anders. Was daar immers niet ene Michael van Gent (Michiel de Gand, Michael a Gandavo, Michael Gandensis …) aan’t werk?

In het geheel van de reeds talrijke voorjaarsuitstappen van Zannekin was deze reis in elk geval een “topper”. Het mooie lenteweertje zal daar ook wel voor iets tussen gezeten hebben zeker? Bron: Delta, juni 2003.  

De Nederlanden 'extra muros'

Zannekin-jaarboek 25 (2003)

Het 25e ZANNEKIN-jaarboek kreeg, als jubileumjaarboek, niet minder dan 320 pagina’s toebedeeld. Is de omvang dus ruimer, dan geldt dit ook voor het aantal territoria ‘extra muros’ waaraan aandacht kon worden besteed.

____________________

N.a.v. het 25e Zannekin-jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’, Ieper, 2003, 320 pp., ill., ISBN 90-71326-19-5. Ledenprijs: 26 EUR; Niet-leden: 29 EUR + 3 EUR verzendkosten.

 

Vanop de zijlijn

 
Driemaal tweetaligheid en Frans-Vlaanderen

Als je in de avond van je leven bent aangekomen en dan de moeite neemt eens in de achteruitkijkspiegel te kijken ontdek je van er vanuit je verleden lijnen lopen die sturing aan je leven hebben gegeven. Zo ben ik van jongsafaan vertrouwd geweest met het fenomeen “tweetaligheid”. En dat had zeker niet alleen betrekking op het duo Fries-Nederlands. In mijn vroegste jaren was dat nog meer het tweetal Fries-Stellingwerfs. Gezien de ligging van mijn geboortestreek (Gemeente Lemsterland) ten opzichte van Stellingwerf werd dat bij ons “Overtjongsters” 

genoemd. In het verleden waren nogal wat arbeiders van over de Tjonger om den brode – ze vonden werk in de veenderij – uitgeweken naar het gebied ten noorden van deze rivier.

In mijn kleuterjaren had mijn vader – die alleen het werk op de boerderij niet aankon – een arbeider die Overtjongers sprak. Waarom hij met deze man altijd in zijn dialect sprak, heb ik nooit begrepen. Als kleine jongen die nog niet naar school hoefde – er was in mijn jonge tijd nog geen kleuterschool – was ik veel bij “de mannen” en nam met het grootste gemak Stellingwerfse woorden in mijn mond.

Mijn tweede ervaring met tweetaligheid zou ik opdoen in 1953 en wel in mijn eerste standplaats als onderwijzer. Dat was in het dorp Opende in het Westerkwartier van Groningen. Inderdaad “Opende”; dit dorp ligt op het “end” van de provincie Groningen als het ware weggedrukt tegen de grens met Friesland maar wel duidelijk van deze provincie gescheiden. De weg die pal langs de grens loopt heet tot op de dag van vandaag De Scheiding.

Echter in taalopzicht was er geen sprake van scheiding. De taalgrens liep in een noord-zuidrichting zo ongeveer dwars door het uitgestrekte dorp. In het westelijk deel werd overwegend Fries gesproken en in het oostelijke de Westerkwartierse variant van het Gronings. Heel duidelijk werd deze verscheidenheid weerspiegeld in het gezin waar ik de eerste maanden in de kost ben geweest. Hij sprak Fries en werd door de kinderen met Heit aangesproken en zij Westerkwartiers en werd Mama genoemd.

In 1956 verhuisde ik – inmiddels getrouwd en een dochter rijker geworden – naar het Drentse dorp Nieuwlande dat gelegen is halverwege Hogeveen en Coevorden. Was in Opende sprake van een “aardrijkskundige” tweetaligheid, in dit dorp was het de sociale structuur van de samenleving die de tweetaligheid accentueerde. Nieuwlande is in de jaren tussen 1910 en 1920 ontstaan op ontveende grond en gesticht door voor het merendeel uit de Groningse veenkoloniën afkomstige boeren. Zij namen uiteraard hun taal mee wat tot gevolg had dat op de boerderijen Gronings gesproken werd – en nog wordt – terwijl de arbeiders hun streektaal bezigden: een variant van het Drents.

Wat dit alles met Frans-Vlaanderen te maken heeft? Ik heb het later gezien als een soort van vóór-programmering van datgene waarmee ik in dit zuidelijkste deel van de Nederlanden te maken kreeg. Daar heeft natuurlijk ook toe bijgedragen het tienjarig verblijf in het Zeeuws-Vlaamse dorp Zaamslag. Hier maakte ik kennis met een streektaal die me “geholpen” heeft een open oor te hebben voor de taal van het gewest dat inmiddels al meer dan drie eeuwen de directe band met de Nederlandse cultuurtaal moet missen.  

De “geboorte” van mijn eersteling en Frans-Vlaanderen

Dit opschrift heeft niets te maken met het geboorteproces van onze oudste dochter. Nee, het heeft betrekking op mijn eerste publieke pennevrucht. In 1961 werd ik hoofd van de Gereformeerde Lagere School in het Zeeuws-Vlaamse Zaamslag. De school werd bevolkt door kinderen die afkomstig waren uit Christelijke Gereformeerde, Synodaal Gereformeerde en Vrijgemaakt Gereformeerde gezinnen. In deze laatste groep gezinnen was het Gereformeerd Gezinsblad het lijfblad. Hoofdredacteur was het Tweede Kamerlid Jongeling. Deze man had grote belangstelling voor dat stukje Nederlands taalgebied in Noord-Frankrijk en schreef daar van tijd tot tijd een hoofdartikel over dat mij dan via kinderen in handen werd gespeeld.

Ik had mij ondertussen laten betrekken bij de activiteiten van het Komitee voor Frans-Vlaanderen door daarvan deel te gaan uitmaken. De vraag die ik mij bij herhaling stelde was: Op welke wijze kan ik mij dienstbaar maken voor de Frans-Vlaamse zaak? De naamsverandering van de daarstraks genoemde krant bracht mij op een idee. Rond de jaarwisseling van 1967-’68 was de redactie verhuisd van Groningen naar het meer centraal gelegen Amersfoort, ter gelegenheid van dit feit had men de krant de naam Nederlands Dagblad gegeven.

Zowel deze nieuwe naam als het feit dat de hoofdredacteur belangstelling koesterde voor Frans-Vlaanderen heeft mij ertoe aangezet mijn beoogde dienstbaarheid gestalte te geven door het plegen van mijn eerste artikel. Mijn keus was gevallen op de Duinkerkse dichter Michiel de Swaen. Onder het opschrift De Zuidnederlandse Vondel heb ik het – na er een Kerstvakantie op hebben zitten zwoegen – de redactie toegezonden. Het bleek in goede aarde gevallen te zijn; in de krant van zaterdag 3 februari 1968 stond mijn eerste schrijfsel zwart op wit in de krant afgedrukt.

Van mijn leerlingen kreeg ik knipsels overhandigd waardoor ik in staat gesteld werd het artikel aan vrienden in Vlaanderen toe te zenden. Eén daarvan was André Demedts; hij reageerde per kerende post met een buitengewoon bemoedigende brief. Voor mij is dit “schouderklopje” aanleiding geweest op de nu ingeslagen weg voort te gaan. Het was mij nu duidelijk dat ik mij op deze wijze dienstbaar kon maken voor de zaak die velen met mij zo na aan het hart lag. Gedurende een periode van 25 jaar heb ik mijn medewerking aan genoemd dagblad mogen en kunnen verlenen. Van lieverlede breidde het aantal belangstellingsvelden zich in de loop van de jaren steeds meer uit. Ook andere delen van de Nederlanden die in het verleden buiten onze nationale grenzen waren komen te liggen mocht ik binnen het gezichtsveld van de lezerskring brengen.

In 1993 kwam er een eind aan deze medewerking als gevolg van het besluit voortaan meer beroepskrachten te willen inschakelen om zo jonge mensen een kans te geven zich in de journalistiek te kunnen bekwamen. Ik heb met dit besluit geen moeite gehad temeer daar ik inmiddels meerdere “spreekbuizen” tot mijn beschikking had waaronder het ZANNEKIN-jaarboek en de –Nieuwsbrief. Ik hoop dat het mij gegeven mag worden dat ik mij ook in de komende jaren op deze wijze kan blijven inzetten voor de zaak waarbij ik mij zeer betrokken voel en die tot op de dag van vandaag doel aan lijn leven geeft.  

Het oranje boekje (bis)

In de vorige Nieuwsbrief (p. 25) vestigden we de aandacht op een uitgave van de Stichting Taalverdediging. Dit ‘oranje boekje’ bundelt niet minder dan 1000 vertalingen van – vaak onnodig gebruikte - Engelse en Amerikaanse woorden en uitdrukkingen. De uitgever maakt er ons attent op dat dit boekje ook vanuit België kan besteld worden, namelijk door overmaking van 4 EUR (inclusief verzendkosten) op de KBC-rekening 733-0128072-62 t.n.v. A. Braamkolk te Eindhoven, met de titelvermelding “‘k heb u lief, mijn Nederlands”.

Marten Heida

Prins Willem-Alexanderpark 53

NL. 3905 CB Veenendaal

1568-1648

De gevolgen van de Tachtigjarige Oorlog voor de Oostelijke Nederlanden en het Westmunsterland

 

Niet minder dan drie generaties lang behoorden plundering, verwoesting, brandschatting, moord, verkrachting en wat dies meer zij tot het leven van elke dag binnen de landstreken die het tegenwoordige Duits-Nederlandse grensgebied uitmaken. De bewoners van de Gelderse Achterhoek, Overijssel, het Westmunsterland, de heerlijkheid Lembeek en de graafschappen Bentheim en Steinfurth met hun landelijke omstreken, werden in die jaren het slachtoffer van een niet-eindigende terreur, waarvan de gevolgen nog decennia lang na het beëindigen van de vijandelijkheden - met de ondertekening van de Westfaalse Vrede - merkbaar bleven. Tal van hoeves bleven nog jarenlang onbewoond, steden en gemeenten keken op tegen een oeverloze schuldenberg, handel en nijverheid zaten diep aan de grond.

Het te Munster onderschreven vredesverdrag legitimeerde evenwel ook de Nederlanden als een zelfstandige staat, maar luidde op termijn ook de scheiding in van de Gelderse Achterhoek en de Overijsselse ruimte van het Westmunsterland.

Voor Timothy Sodmann vormde een en ander voldoende aanleiding tot het samenstellen van een essaybundel waarin een aantal historici bepaalde deelaspecten van de toenmalige gebeurtenissen van meer nabij bestudeerden.

Onder de titel "... Uns aber Fried gnedig verleihen..." schets Hans-Joachim Behr het verloop van de Dertigjarige Oorlog als resultaat van de betreurenswaardige vervlechting van religie en politiek, die alle betrokken partijen in een straatje zonder einde manoeuvreerde. Na deze inleidende bijdrage beschrijft Josef Barnekamp hoe het er in die jaren dagdagelijks aan toe ging: "Sie hausen uebell, schlagen die Leuth und schatzen Über die massen...", waarbij hij zijn bronnenonderzoek toespitst op Velen en Ramsdorf.

Ralf-Peter Fuchs gaat in zijn bijdrage dieper in op de historische en gerechtelijke betekenis van het toenmalige getuigenverhoor, dat een gedeelte van de bewijsvoering diende te onderbouwen.

Halverwege de 16e eeuw bestonden er zeer nauwe contacten tussen de IJssel-steden (Zutphen, Zwolle, Deventer, Kampen) en de gebieden die tegenwoordig aan de andere kant van de grens liggen. In Enkele ontwikkelingen in en consequenties van de strijd in het Deventer Achterland, 1568-1648 herneemt onze jaarboekauteur Paul Holthuis zijn bijdrage als verschenen in De Nederlanden 'extra muros', 22 (2000). Op zijn bijdrage volgt de eveneens Nederlandstalige bijdrage van G.B. Jansen over Wie betaalt het gelag? De gevolgen van het oorlogsvoeren tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Hij komt tot het besluit dat, toen evenzeer als thans, overal waar zich troepen ophielden, uiteindelijk steeds de kleine man de dupe was en mocht opdraaien voor alles waar het krijgsvolk behoefte aan had.

De diepe wonden die de Tachtigjarige Oorlog in deze contreien sloeg, liet sporen na in literaire teksten van de 16e tot de 19e eeuw. Henk Krosenbrink bracht ze in zijn bijdrage Der Achtzigjährige Krieg im Achterhoek in Lied und Gedicht in kaart. De derde Nederlandstalige bijdrage in deze verzamelbundel haalt een ooggetuige aan. In Jonker Sweder Schele: ooggetuige van twee oorlogen bespreken A. de Bakker, J. Grootenbroer en D. Schlüter de kroniek die de ooggetuige over ruim veertig jaren bijhield omtrent de wederwaardigheden van zijn familie in die troebele jaren.

In Südlohn während des Spanisch-Niederländischen Krieges (1568-1648) ging Ulrich Söbbing na hoe de landelijke bewoners van deze regio vanaf 1589 af te lijden hadden onder opgelegde contributies en plunderingen door de troepen uit de garnizoenen Groenlo en Bredevoort. Ook Ingrid Sönnert spitst haar onderzoek toe op een strak omschreven thema, nl. Die Herrlichkeit Lembeck und des Dreissigjährigen Krieges. Toen die oorlog in 1618 uitbrak, hadden de inwoners van die heerlijkheid reeds ruimschoots hun deel in de oorlogsellende te torsen gekregen. Alle aangrenzende ommelanden waren immers reeds jarenlang bij het conflict betrokken.

Voor de afsluitende en resumerende bijdrage aan deze verzamelbundel tekende eveneens een van onze jaarboekredacteuren en wel Hermann Terhalle. Zijn sterk gedocumenteerde bijdrage kreeg Der Achtzigjährige Krieg zwi-schen dem König von Spanien und den Niederlanden in seinen Auswirkungen auf des Westmünsterlandes an Beispielen tot titel. Tot de zwaartepunten van zijn onderzoekingen behoort o.m. de overvallen van zowel Spaanse als Nederlandse troepen op het Westmunsterland. In zijn bronnenbijlagen komen o.m. becijferingen omtrent de oorlogsschade op de verschillende "fronten" veroorzaakt door de respectievelijke troepen aan bod.

Maurits Cailliau

_______________________

N.a.v. Timothy SODMANN (Hrsg.), 1568-1648. Zu den Auswirkungen des Achtzigjährigen Krieges auf die östlichen Niederlande und das Westmünsterland. Landeskundliches Institut Westmünsterland, Quellen und Studien, Band 10, 2002, geb. , ill., 248 pp., ISBN. 3-927851-95-7. Prijs: 15.00 Euro. Besteladres: Kreis Borken, Fachbereich Kultur, Burloer Strasse 93, D. 46325 Borken. E-post:  t.wigger@kreis-borken.de

 

Het Land van Bethune (2)

J. H. van Tongeren, Maarssen

Filips aanzien was door zijn huwelijk met Margaretha van Male aanzienlijk toegenomen. Van zijn grootmoeder had hij de graafschappen Artesië en Bourgodië (Vrij Graafschap of Franche-Comté) geërfd, evenals van zijn grootvader het hertogdom Bourgondië. Van zijn moeder had hij de graafschappen Boulogne/Bonen en Auvergne te verwachten en van zijn schoonvader het graafschap Vlaanderen. Helaas overleed hij op het kasteel Rouvre, zijn geboorteplaats, bij Dijon op 21 november 1361.

Filips graafschappen Boulogne/Bonen en Auvergne kwamen aan Jan van Bonen, de graaf van Montfort. Artesië werd toebedeeld aan de dochter van koning Filips V, Margaretha, die sedert 1346 weduwe was van de Vlaamse graaf Lodewijk van Nevers. Zij deed haar Blijde Intrede in Bethune op 8 juni 1362. Na haar dood op 9 mei 1382 kwam haar zoon Lodewijk II van Male aan de macht en daarna Margaretha II, die in 1369 met Filips de Stoute, hertog van Bourgondië was getrouwd.

Op 8 augustus 1386 ruilde Filips de Stoute met Willem van Namen, Bethune in voor Sluis maar in 1420/1 kreeg Filips de Goede alsnog het graafschap Namen en Bethune.

Jeanne d'Harcourt, de tweede vrouw van Willem van Namen werd Vrouwe van Bethune en het kasteel van Bethune werd haar residentie waar zij tot haar dood op 16 februari 1455, woonde. Nu kwam Bethune in handen van Karel de Stoute, die het op 15 juni 1467 samenvoegde met Vlaanderen.

Na de dood van Karel de Stoute op 6 januari 1477, vond twee maanden daarna, vlak bij de stad een veldslag plaats tussen Lodewijk XI en Vlamingen (Slag van Esquerdes), en na een kort beleg werd de stad door de Fransen ingenomen en kreeg ze in 1479 een Frans garnizoen.

Op 23 december 1482 werd de Vrede van Atrecht tussen Maximiliaan van Oostenrijk en Lodewijk XI gesloten, maar in 1487 begonnen de Fransen weer opnieuw met hun veroveringstochten en namen Terwaan en St.-Omaars in, en als tegenreactie kwam Filips van Kleef, natuurlijk wel ten koste van de bevolking, met zo'n 3000 man de Fransen weer de stuipen op hun lijf jagen, Op 23 mei 1493 werd dan de zoveelste vrede, ditmaal in Senlis getekend en na de bevestiging van dit verdrag te Parijs op 18 juli 1498 kwam Bethune weer terug in Bourgondische handen en kon in 1499 de Blijde In-trede van Filips de Schone in Bethune plaatsvinden. En na weer een ander verdrag van Senlis (5 juli 1499), kwam er voor een korte tijd van rust in het land.

Na het uitbreken van de zoveelste oorlog tussen Frankrijk en Spanje, kwam Bethune zo langzamerhand in de frontlinie te liggen. In in 1645 nam Gaston d'Orléans, de broer van Lodewijk XIII, na een beleg tussen 23 augustus en 29 augustus, de stad in.

Bethune werd door het Verdrag van Nijmegen in 1678 bij Frankrijk ingelijfd en de stad werd versterkt door Vauban, maar daar Vauban haast overal in de veroverde gebieden vestingwerken ontwierp, kon hij onmogelijk overal zelf zijn en kreeg zijn neef Dupy-Vauban, gouverneur van de stad van 1704 tot 1713 het toezicht op het bouwen,  maar daar niets eeuwig is werden de fortificaties in 1867 weer ontmanteld.

In 1709-1713 werd de stad door de gezamenlijke legers van Engelsen en Hollanders ingenomen, maar de Vrede van Utrecht in 1713 gaf Bethune weer terug aan Frankrijk.

 

Het kasteel en de omwalling

Het kasteel, in 940 vermeld en in 1211 door Daniël van Bethune heropgericht met een zeer onregelmatig grondplan en de vroegere omwalling die zo rond 1215, gelijk met het nieuwe kasteel werd gebouwd, is niets meer overgebleven. 

Keizer Karel V versterkte de stad, tussen 1528 en 1532, en bracht nogmaals tussen 1540 en 1548 verbeteringen aan, door middel van de modernste Italiaanse bolwerken en bastions. Op de plattegrond van de stad van Jacob van Deventer ziet men dat men gedeeltelijk de muren van de vroegere stadsverdedigingen had behouden.

Het kasteel werd geïntegreerd in een door Karel V, volgens het Italiaans concept, gebouwde Citadel. Het kasteel zelf werd in 1575, in 1578, 1710 en 1793  stukje voor stukje afgebroken om uiteindelijk in 1815, na nog een tijdje als bastion bekend te hebben gestaan, voorgoed te verdwijnen.

Het middeleeuws kasteel bevond zich aan de noordwestzijde van het Maarschalk Fochplein. De Citadel van Karel V strekte zich uit tot aan de tegenwoordige publieke tuinen. In 1551 gaf Maria van Hongarije de stad opdracht om de bebouwing binnen 400 voet rondom de stad af te breken, en zo werd ook de St.-Vaastkerk, die zich oorspronkelijk buiten de stad bevond, binnen de muren van de stad gebracht. Aanvankelijk had de stad vijf, later vier stadspoorten. Deze waren de:

  1. Porte de Fers, of Atrechtse poort  In 1792 afgebroken. Het bevond zich op de Place Georges-Clemenceau.

  2. Porte de la Vigne of Rivage. In 1260 vermeldt in 1440 heropgebouwd en in 1558 tot bastion verbouwd. Het bevond zich op de Place de la République. 

  3. La Porte Neuve of de Airepoort of Du Marais dat zich in de Rue Paul-Bert bevond, aan de westzijde van de stad. Het werd in 1442 gebouwd en in 1552 hersteld, om in de loop van de 17e eeuw gesloopt te worden. 

  4. La Porte du Vivier of St Prypoort, vermeldt in de 13e eeuw en bevond zich in de Rue St. Pry. In  1560 heropgericht. 

  5. Porte Saint André later du Carnier. Deze poort was op de hoek van de Rue Sadi-Carnot en Rue du Tribunal. De poort werd in 1588 gesloopt.

Een overblijfsel van de vroegere omwalling is de St.-Ignatiustoren, dat zich in de tuin van het College bevindt en dat uit de 16e eeuw dateert. In 1810 werd de toren verbouwd tot kerk en werd er gekerkt tot 1877, om daarna tot watertoren van de stad te worden verbouwd.

Kerken

Van de drie parochiekerken was de Bartholomeuskerk het belangrijkste en dus het rijkst uitgevoerd. Het bevond zich op de tegenwoordige Place Sévigné. In het midden van de 11e eeuw, installeerde Robert II er zes kanunniken maar in 1207 waren er zo'n 24 kanunniken aanwezig. Waarschijnlijk is de kerk in 1137 en 1178 verbrand maar steeds opnieuw, in ieder geval tussen 1226 en 1230 opgebouwd. Ze verbrandde in het midden van de 15e eeuw en werd in de 16e opnieuw opgebouwd en vergroot. Het zuidertransept met crypte werd tot sacristie verbouwd. In het begin van de 16e eeuw veranderde  de kerk zijn patroonheilige en werd de kerk het Heilig Kruis kerk genoemd. Op het plan van 1748 staat een 13e eeuwse basilikale kerk, met een noord en zuidtransept en een vlak koor.  

De Sint-Vaastkerk

Tijdens de vele oorlogen tussen Karel V en Frankrijk werd in 1553 de St. Vaastkerk, dat zich oorspronkelijk in de buitenwijk Catorive bevond, binnen de wallen van de stad gebracht en daar opgebouwd om, zonder toren, in 1547 te worden ingewijd. De toren, met een hoogte van 52 meter, werd tussen 1590 en 1611 gebouwd. Het was een Vlaamse laat gotische Hallenkerk. De kerk verdween in 1918. In 1927 werd op deze plaats de nieuwe kerk van architect Louis-Marie Cordonnier gebouwd. In de absis is de kapel gewijd aan de H. Maagd waar zich de graftombe van de kanunnik Pruvost, de herbouwer van de kerk na de Eerste Wereldoorlog, bevindt.

In de kerk wordt of werd ondermeer de heilige Wilgefortis of Milfortis vereerd voor de genezing van mentaal achterlijke kinderen.

De gebrandschilderde ramen van de kerk tonen het leven van St. Vaast en van Christus en zijn vervaardigd door Charles Champigneulle, glazenier te Bar-le-Duc, dezelfde glazenier die de prachtige ramen met de slag van Bouvines in de kerk van Bouvines had gemaakt.

In de rechterzijbeuk vinden wij het altaar van de confrérie des Charitables de Saint Eloy. Links zien wij Germon de Beuvry en Gathier de Bethune, de stichters. De geschiedenis van deze stichting kunt u lezen in de eerdere bijdrage van Leo Camerlynck (in Zannekin-Nieuwsbrief, nr. 2/2002).  

St. Pry

Buiten de stad aan de tegenwoordige Boulevards du Maréchal-Leclerc en Jean-Moulin lag een klooster en kapel gewijd aan St. Pry. Volgens de traditie zou de kapel in de 10e eeuw zijn gesticht en in 957 door Herman, de heer van Bethune zijn hersteld.

Praejectus was bisschop in Clermont en werd te Volvic na 674 door zijn vijanden om het leven gebracht. Zijn lichaam werd uiteindelijk naar Marcigny in Bourgondie gebracht. Een akte van 1123 vermeldt dat een deel van het lichaam door de monniken van St. Pry (nabij St. Quentin) naar Bethune gebracht, voor verschillende mirakels zorgde. De relieken zijn een tijdje zoek geraakt maar op 30 augustus 1604 werd tijdens een grote processie de reliek opnieuw naar de kerk van Saint Pry gebracht, waar het in bewaring werd gegeven. De St.-Pry was een driebeukige kerk en bediende ook tot 1648 het dorp Fougières tot dat het in dat jaar op bevel van Lodewijk XIV moest worden afgebroken.

De kerk van St.-Marie du Perroy, eveneens buiten de omwalling gelegen, werd gesticht door Robrecht le Gros. Zijn zoon Willem 1123-1138 gaf aan de abdij van de Mont St.-Eloy toestemming om er enkele kanunniken te instaleren. Een akte van 1181=1191 preciseert dat er geen doopvont en kerkhof was  en dat er ook geen huwelijken gesloten mochten worden. Het was dus geen parochiekerk, maar een van de vele priorijen van de regulieren kanunniken van de abdij Mont St.-Eloy. Naar deze kerk werd o.a. de "officiële" verering van Sint-Wilgefortis overgebracht.  

Begijnen, kloosters, kapellen en gasthuizen

De Begijnen worden vanaf 1308 in Bethune vermeld. Zij waren, volgens een akte van 1314, buiten de stad gevestigd, in de buurt van de Atrechtse poort in de richting van O.L.Vrouw van Perroy, ten zuidoosten van de stadsmuur.

Het hospitaal van St.-Jan wordt voor het eerst vermeld in het testament van kanunnik Simone Casnes tussen 1210-1217.Het bevond zich op de hoek van de Rue Saint-Pry en de Rue des Treilles. In 1496 werd het beheer aan de hospitaalridders van St.-Lazarus gegeven, maar in de 16e eeuw nemen de Grijze Zusters de taak over.

St.-Eloy's Gasthuis (Rue d''Arras) in het begin van de 14e eeuw nabij de kapel met dezelfde naam. In 1574 stortte de kapel van St.-Eloy, dat vlak bij de Porte des Fers was gelegen, in. De gift van een reliek van St.-Eloy, door Karel du Cornet, aartsdeken van Kamerijk, veranderde de weer opgebouwde  kapel in een pelgrimsoord.

St.-Yor's Gasthuis (Rue Ludovic-Boutleux) die opgericht werd door Boude Savense, gouverneur van de stad en zijn vrouw Catherine de Boubers voor zeven armen vrouwen onder de naam van St. Joris, St.-Jor of Jore is een oude Picardische vorm van St.-Joris, die een Armeniër zou zijn geweest, en bisschop van Sinaï, broer van Macarnis was. +26 juli 1033. Dus niet te verwarren met de drakendoder. Het gasthuis lag niet ver van de St.-Pry-poort. Dit hospitaal werd voor 1448 onderhouden door de Grijze Zusters van de 3 Franciscanenorde. Tot 1496 was dit godshuis aan St.-Jan gewijd, later vanaf 1515 aan St. Joris. In 1922 werd het afgebroken.

Heilig Kruis Gasthuis (Rue Sadi-Carnot). In 1321 voor het eerst vermeld. In 1475 moest het beloven dat er altijd plaats zou zijn voor drie arme priesters.

Sint Nicolaaskapel (Rue d'Arras). Gesticht door Robert IV le Gros zo rond 1100. Op 18 mei 1574 vestigde zich hier de Confrérie des Charitables de Saint-Eloy, daar hun eigen kapel op de hoek van de Rue d'Arras en Emile-Zola in datzelfde jaar was verwoest. Men weet niet precies wanneer de kapel werd verlaten, wel is bekend dat in 1793 de kapel was geconfisqueerd en in het begin van de 19e eeuw werd afgebroken.

Kloosters

Van al de kloosters in Bethune, was het Minderbroedersklooster het oudste. De monniken die zich, tussen 1259 en 1269,  zich oorspronkelijk buiten de stadsmuur  hadden gevestigd, kwamen in 1330 zich binnen de stad vestigen. De kapel, die men nog steeds als ruïne in de Rue Delisse-Engrand kan zien dateert uit het begin van de 16e eeuw en heeft drie beuken met elk vijf traveeën. De fraaie toegang opende naar het koor. Ten noorden van de kerk werd in 1543 de gebouwen van het klooster, de bibliotheek en de brouwerij aangelegd. Het schip en de kerk overleefden de revolutie maar werden tot een suikerbakkerij ingericht om alsnog in 1832, gedeeltelijk af te branden.

Het klooster van de grijze Zusters of ook  Conceptionnisten genoemd (Rue St.Pry) werd in 1333 gesticht door Mathilde van Artesië.

Filips de Goede, hertog van Bourgondie, hielp hen, in 1466, financieel bij de bouw van de kerk. Later werd hier het Sint Janshospitaal naar toe overgebracht en hielden de zusters zich met de verzorging van zieken bezig. Van de gebouwen zijn alleen nog wat kelders bewaard.

Kapucijnerklooster. Op 4 april 1595 stichtte Antoine de la Nave, waarschijnlijk op zijn eigen grond, dit klooster en liet dertien Kapucijnen uit Parijs overkomen. Hun kerk, gewijd aan Catharina van Sienna, werd in 1606 inwijd. Het had acht grote vensters en een crypte onder het blinde koor. Het klooster ten noorden van de kerk had een overwelfde galerij. Aan de Rue du Marais was de toegang, Links van de ingang was de infirmerie en op de hoek van de Rue de la Délivrance, de bibliotheek, refectorium en de keuken. Hier werd Dupuy-Vauban na zijn dood in 1731 begraven. Het convent en de kerk werden in 1814 afgebroken, maar markies de Baynast, de "opkoper", wist enkele fragmenten te behouden, waaronder de graftombe van Dupuy-Vauban.

Annonciaden. In 1515 stichtte Isabella van Luxemburg, weduwe van Jan van Melun in de la Délivrance straat een Annonciadenklooster. Deze kerk van de Annonciaden, in 1517 ingewijd door Francois de Melun, bisschop van Ter-waan en oom van de stichteres had prachtige 16e eeuwse glazen en bevatte de tombe van de in 1519 overleden Isabella van Luxemburg. Haar woonhuis, naast het klooster werd de refuge van de abdij in Chocques. Het klooster werd in 1791 verkocht en afgebroken en maakte plaats voor de zusters van St. Vincent.

Het klooster van de Dames van de Vrede. Deze benedictinessen kwamen vanuit Atrecht zich in 1624, op instigatie van Antoine de la Ruelle, heer van Maincourt, in het hotel de Verquigneul, in de tegenwoordige Rue de la Délivrance vestigen. In 1628 verhuisde zij naar de tegenwoordige Place Marmottan. De kerk dateerde uit 1633.

Het klooster van de Kapucinessen (Rue Paul-Bert). Werd in 1623 gesticht door Catherine Decroix, weduwe van Armand Rohaut, heer van d'Ailly. Het huisvestte vijf religieuzen en werden de zusters van d'Ailly genoemd.

De Jezuïeten. In 1540 treft men de Jezuïeten al in de stad aan, maar in 1613 is de stichting van het Jezuïetencollege in Bethune een feit. De Jezuiëtenkerk was Noord Zuid georiënteerd, en werd tussen 1635 en 1637 gebouwd. Kreeg in 1692 een transept met een schip van 52 meter op 43 meter en, zoals gebruikelijk in de Vlaamse Barok, een klokkentoren, naast de absis. Men weet niet of de voorgevel ook een typische Jezuïeten barokke gevel had. De kerk verdween in 1795. Het college werd in 1700 gebouwd. In de Rue Henri-Pad in de tuin van het Lyceum kan men nog enkele restanten van het klooster terug vinden.

 

Het Belfort

Te midden van de Grote Markt staat het, in 1346 gebouwde en in 1388 herbouwde belfort. Het werd in 1437 met een etage verhoogd. Tegen het Belfort aan stond de lakenhal, gebouwd tussen 1388-1400. Het Belfort gebouwd in Doornikse steen wordt wel eens vergeleken met het oude, nu afgebroken, Belfort van Dendermonde dat uit 1366 dateert. De klokkentoren zelf dateert uit 1503, en werd natuurlijk weer opgebouwd in 1921 onder leiding van architect Paul Degez. Met zijn 36 klokken is het de trots van de stad.

Eveneens op de Grote Markt was de Schepenhal of het Stadhuis dat in 1447 ten prooi werd van de vlammen, maar in 1574 heropgebouwd werd. Dit oorspronkelijk gotisch gebouw met drie torentjes en enkele puien, moest in 1811 plaats maken voor een neoclassicistisch gebouw, dat in 1918 werd afgebroken om plaats te maken voor het huidige stadhuis van architect Jacques Alleman dat tussen 1926 en 1928 werd gebouwd. In de gevel ontwaart men het oorlogskruis en de versierselen van het Legioen van Eer, dat - alsof je er daar als burger wat aan hebt - aan de stad in 1919 werd verleend.

Helaas is veel visuele Bethunse geschiedenis door de Franse revolutionairen, (met name de kerken en kloosters) en later door het Duits bombardement van 20 mei 1918 verloren gegaan. Van de 3500 huizen in 1918 waren er 900 totaal verwoest (25%) en 1000 gedeeltelijk (28%). De binnenstad was totaal verwoest. De St.-Vaast en het stadhuis waren een ruïne. Het Belfort was onthoofd en van zijn huizen ontdaan en totaal zwart geblakerd. 200 mensen vonden de dood en zeker zo'n 500 mensen waren gewond. In 1927 begon men met de heropbouw van de stad volgens de plannen van architect Mulart.

 

Door de grootschaligheid en de verbreding van enkele straten, ging dit ook weer ten koste van enkele niet getroffen huizen. Zo werd het Hôtel de Banayst uit 1770 in 1923 afgebroken, en kwam er in 1920 ook een eind aan het monumentale pand Hôtel du Nord of Le Palais Royal, dat uit het eind van de 15e eeuw dateerde. Het had twee etages van elk vier traveeën met twee geveltoppen die laatgotische en vroegrenaissance motieven hadden en dateerde uit 1556. De begane grond was al in 1595 veranderd. De etage had vier nissen in een tudorboog, rustend op twee consoles met in het midden 3 kolonetten. Het was een van de weinige specimen van de laatgotiek in Bethune.

Voornamelijk in de Rue de la Délivrance en de nabijgelegen Rue des Rosiers en de Rue Gambetta, vindt men nog wat oude gebouwen, zoals in de Rue de la Délivrance op nr. 3 een 16e eeuws pand, en op nr. 113 de restanten van het reeds beschreven Annonciadenklooster.

In de Rue Pierre-Curie is nog een aardig poortje uit 1588 en op de Place Marmotton is nog het herenhuis de Beaulainourt uit 1753 in de Lodewijk XVe of Rococo stijl. Helaas is dit gebouw in zo'n deplorabele toestand dat ons werd verzocht de eerste verdieping met niet meer dan twintig mensen te betreden, want anders...

Delen van het gerechtshuis, dat in 1930 vergoot werd, dateren nog uit 1793, en ook het theater uit 1912 zijn dus nog van voor de Eerste Wereldoorlog.

De wederopbouw na het Duits bombardement

Door de wederopbouw van de stad en voornamelijk dankzij de architectuur aan de Grote Markt heeft de stad zijn "Vlaams" karakter, (baksteen met natuurstenen speklagen en hier en daar een tuit- of trapgevel) behouden. De architect Alleman had een voorliefde voor een combinatie van de zogenaamde Neo-Vlaamse Renaissance (Vieux-Neuf) en de Art-Déco en hij ont-wierp, naast het Nieuwe Stadhuis op de Grote Markt, nog enkele andere huizen zoals: nr. 6 Le Floria of het Graanhuis-La Ripaille tevens La Maison du Canon nr. 8 uit 1921. La Maison de l'Horlogerie nr. 9, 1927. Het Maison Pace Felix nr. 10 en de huizen op de nrs. 14 nr. 15 (Comptoir national de Paris).

Het laatste woord

1815 is het jaar van het Congres van Wenen, waarbij de kaart van Europa hertekend werd. De Nederlanden worden weer één, althans een deel ervan. Want de historische Nederlanden verliezen  o.m. Prüm, Bitburg, Sankt-Vith, Eupen, Malmédy, ’s-Hertogenrade, Rurdorf, Welz, Elmpt, Brüggen aan Pruisen. De Franse Nederlanden kwamen niet terug naar de historische Nederlanden. Naar verluidt zou Rusland dat verhinderd hebben, maar de bewijsvoering hierover lijkt bijzonder schaars.

Wel reefden de herenigde Nederlanden toen het Prinsbisdom Luik binnen. Of beter, de van 1795 tot 1815 tot de Franse departementen Nedermaas, Ourthe en deels Samber & Maas en Jemappes omgetoverde Luikse gebieden kregen de Nederlanden als geschenk. Een giftig geschenk, zo bleek achteraf want één van de kiemen van de anti-Orangistische beweging ontlook in dit gebied. Behoorde de Luikenaar Charles Rogier immers niet tot de Fransdolle kring van Nederlanderhaters, die de Belgische omwenteling van 1830 voorbereidden, en het Nederlands ideaal van Koning Willem teniet deed?

1815 is ook het jaar van Waterloo. Of duidelijker omschreven, het jaar van de definitieve nederlaag van Napoleon Buonaparte. Onze Stichting ZANNEKIN was er vorig najaar op studiedag. De aanwezige Zannekin-leden konden er vaststellen hoe de plaats, waar de Fransen een nederlaag leden, omgetoverd werd tot een sanctuarium ter ere van een dictator, die de vergelijking kan doorstaan met Stalin, Hitler, Khomeini en Khamenei, Idi Amin en andere dictators uit onze recente geschiedenis.

Op de plaats waar de Nederlandse Prins van Oranje gekwetst werd, rees een heuvel met bovenaan een leeuw die oorspronkelijk dreigend in de  richting Frankrijk keek met de verwittigende blik van een heraut. 

 

Laaglandse koudwatervrees?

1815 is een zoveelste symbolisch jaar in onze vaderlandse geschiedenis. Maar het is ook een zoveelste symbool van de maximalistische geschiedenisinterpretatie zoals Frankrijk dat uitstalt tegenover de minimalistische benadering zoals Nederland en Vlaanderen dat al te vaak doen.

Historische feiten worden in de Franse zeshoek duidelijk chauvinistischer belicht dan soortgelijke gebeurtenissen in Nederland en Vlaanderen, waar de ergerlijke tendens bestaat om aan een minimalisering en een overbecritisering van de eigen geschiedkundige inbreng deel te hebben.

Enkele voorbeelden zullen dit staven. De Boerenkrijg werd in 1998 nauwelijks herdacht, 1302 werd zevenhonderd jaar later in mineur gecommemomeerd, in Culemborg hoeft een museum ter ere van zijn bekendste burger en stichter van de Kaapkolonie Jan van Riebeeck niet echt, het Krügerplein in Amsterdam werd herdoopt , en ga zo maar door.

Hoe noemt men dergelijke houding? Zelfverloochening, misplaatst schaamtegevoel of misschien eenvoudigweg koudwatervrees.

Degenen die binnen de Nederlanden tot de grootste “lijders” van koudwatervrees behoren zijn ongetwijfeld de politieke “leiders” in zowel Noord als Zuid. Ongeacht of we met paars of andere kleuren te maken hebben, cultuur en taal van de Nederlanden weten slechts weinig beleidsverantwoordelijken te bekoren.

Het opschorten door zowel Vlaanderen als Nederland van subsidies aan verenigingen zoals het ruim honderd jaar oude Algemeen-Nederlands Verbond is daar zo een voorbeeld van, maar er zijn er nog andere. Het lange aanslepen van de oprichting van een Vlaams-Nederlands ontmoetingshuis in Brussel is nog zo’n voorbeeld. De geringe steun voor projecten, ook inzake taal, in Zuidelijk-Afrika en in het Caribische gebied rond de Nederlandse Antillen, Aruba en Suriname. Een Vlaams of Nederlands huis in Rijsel, hoofdstad van Frans-Vlaanderen en Europese draaischijf, zal er wellicht nooit komen.

Ook het waardevolle Komitee voor Frans-Vlaanderen (KFV), dat al meer dan een halve eeuw baanbrekend werk levert, verricht degelijke arbeid mede met steun van veel sympathisanten. Doch, wanneer men vaststelt hoe soortgelijke Franse of Britse initiatieven met overheidsgelden bedacht worden, mocht de subsidiëring van ditzelfde KFV doorheen al die jaren wel eens herbekeken worden, lees opgetrokken.

Dit is slechts een greep uit een resem aangelegenheden, die naar onze bescheiden mening meer aandacht van overheidswege verdienen, zonder noodzakelijkerwijze in een aftands chauvinisme te moeten vervallen. Want op beleidsvlak worden de taal, in casu de Nederlandse, en de cultuur van de Nederlanden al te stiefmoederlijk behandeld, of de regering nu paars, oranje of geel kleurt.

En nochtans, de Nederlanden hebben veel te bieden op cultureel-, geschied- en taalkundig vlak. Alleen moet dit nog doordringen tot de hoogste beleidssferen. Zoals dat bvb. bij menig Franse of Britse politicus wel kan.

Het is hoegenaamd niet de bedoeling het Congres van Wenen en Waterloo uit 1815 te herbeleven of over te doen. Vooruitblikken is de boodschap. De vreedzame middelen, die o.a. Europa ons bieden, moeten wij aangrijpen om geopolitiek en cultureel de algehele Nederlanden te gunnen waar zij recht op hebben. Samen met gelijkgezinden wil de Stichting ZANNEKIN op haar eigen bescheiden manier bij de beleidsmakers iets in die richting wakker schudden, uiteraard met jullie steun. Het is het proberen waard. Wij houden u op de hoogte!

Leo Camerlynck

Voorzitter Stichting Zannekin

E. Michielsstraat 51, 1180 Ukkel