> nieuwsbrief > 4e trimester 2003

Bijdragen over: Tip

 

Ontmoetingsdag ZANNEKIN

Sint-Omaars - 4 oktober 2003

 

 

Op zaterdag 4 oktober a.s. zijn we voor onze Ontmoetingsdag te gast te Sint-Omaars / Saint-Omer in de Zuid-Vlaamse Westhoek. Het veelbelovende programma ziet er uit als volgt:

Deelname in de kosten “all in”: autocar, restaurant (koffie bij aankomst, middagmaal en dranken bij het middagmaal + koffie met gebak), gidsingen: leden en hun huisgenoten 40 EUR/pers; niet leden 45 EUR/pers. Inschrijven vóór 1 oktober kan via secretariaat@zannekin.org , mits opgave van opstapplaats en gelijktijdige betaling van het verschuldigde bedrag via een van de ZANNEKIN-rekeningen (cf. luik info).

 

De bus heeft volgende haltes en (stipte) vertrektijden: Ukkel (E. Michielslaan 51) om 7.00 uur; Halle (station) om 7.15 uur; Kortrijk (station) om 8.30 uur; Ieper (station) om 9.20 uur; Belle/Bailleul (Maison du Néerlandais, rue d’Ypres) om 10.00 uur; Wardrecques (Maison d’Acceuil) om 10.30.  

   Mededelingen

8e Historische Beurs Vlaamse Beweging

 

Deze tweedehands- en antiquariaatsboekenbeurs is uitsluitend gewijd aan de geschiedenis van de Vlaamse Beweging en de nationale beweging in Nederland, Zuid-Vlaanderen en Zuid-Afrika. Ze vindt plaats in de Feestzaal Nilania, Kesselsteenweg 52 te 2560 Nijlen en wel op zondag 19 oktober 2003 van 9 tot 16 uur.

De opbrengst – waarvan ook wij in het verleden reeds mochten genieten – gaat dit jaar naar de acties van en rondom het maandblad De Zes zijnde de randgemeenten rondom Brussel. Ook wij zullen er opnieuw aanwezig zijn met onze publicaties.

 

Replica zwaard van Grutte Pier

 

Een replica van het slagzwaard van de zestiende-eeuwse Friese vrijheidsstrijder Grutte Pier (de bijnaam van Pier Gerlofs Donia uit Kimswerd) hangt sedert donderdag 12 juni j.l. in de entreehal van het Fries Museum in Leeuwarden. Het originele zwaard is tot eind september in bruikleen gegeven aan de grote historische tentoonstelling Friesische Freiheit in Emden en Aurich in Duitsland. "Het is een van de sleutelstukken van het Fries Museum. Daarom zijn we blij met de replica. Het zwaard is meer dan twee meter lang en spreekt tot de verbeelding", aldus een woordvoerder. Het zwaard is exact even groot en zwaar. Alleen het eeuwenoude patina ontbreekt, het stalen zwaard glanst nog als nieuw. (Bron: NRC-Handelsblad, 12 juni 2003)

 

Belforten en stadhuizen

 

Ontdek 24 monumentale symbolen van stedelijke vrijheid en macht – die sinds 1999 behoren tot het Unesco Werelderfgoed. Ze staan centraal in het Belforten en Stadhuizen-weekend op 27 en 28 september 2003. Onder de 24 Zuid-Nederlandse monumenten zijn er twee te zoeken in de Zuidelijkste Nederlanden: de belforten van Belle/Bailleul en van Dowaai/Douai. Beide herbergen ze tevens ook een beiaard. Inschrijven voor deelname aan dit weekend: Davidsfonds, Blijde-Inkomststraat 79-81, B.3000 Leuven. Te Belle gidst onze voorzitter Leo Camerlynck en te Dowaai gidst onze ondervoorzitter Jan van Tongeren. Aanbevolen!

 

   Sint-Omaars / Saint Omer

 

Jozef van Overstraeten

 

Geschiedenis in vogelvlucht

 

Zeer merkwaardige stad; zeer bezoekenswaard: vooral de kathedraal en het Sandelinmuseum. Pas de Calais, Saint Omer; aan de samenloop van de A en de Nieuwe Gracht; van hier af is de A bevaarbaar; op de grens van Vlaams Artesië en Vlaanderen; 648 Villa Sitdiu supra fluvium Agniona; 662 Insula Sjthiu, monasterium Sitdiu. De Germaanse monnik Audomar (< auda = rijkdom + mâerj  = vermaard) kwam uit de abdij van Luxeuil om de streek te kerstenen en werd bisschop van Terenburg omstreeks 642. Hij liet gezellen uit Luxeuil komen, Momelin, Bertin en Ebertram, ze stichtten een kloostertje te Sint-Mommelins. Toen Mommelin in 659 bisschop van Doornik en Noyon werd, volgde Bertin hem op  als overste en het klooster verhuisde (648) stroomopwaarts, naar een eilandje in de A, dat Sithiu heette en dat aan Audornar geschonken was door de bekeerde heer Adroald. Bertin schitterde zodanig door zijn deugden, dat de abdij naderhand naar hem werd genoemd. Op de hoogte, die rivier en eiland beheerste, liet Audomar een kapel bouwen ter ere van O.L.V., schonk ze aan het klooster en wilde erbij begraven worden (+ ca. 669).

Omheen dit kerkje en zijn graf en naar de abdij toe ontstond een stad, die weldra bloeide. Ze werd qenoemd naar Audomar > Omaar; 9e eeuw; in pago Teruanensis  in loco qui dicitur Sithiu; 10e eeuw Castellum sancti Audomari, 1042 villa St Audomari, 1127 in Sancto Audomaro. Het is in de Sint-Bertensabdij dat het geslacht van de Merowingers uitstierf, vormits koning Childeric III er monnik werd (752) en stierf (754), nadat Pepijn de Korte hem de kroon had ontnomen. Van de stichting tot 1791 waren er 83 abten. Twee Vlaamse graven werden in de abdij begraven; een ervan stierf er. De 9e abt, Odland (795-814) bouwde de eerste watermolens van de streek. Het Liber Floridus, een 12e eeuws  compilatiewerk van kanunnik Lambert getuigt van het rijke geestesleven in de abdij. die veel heeft bijgedragen tot de kerstening van de Zuid-Vlaamse streken.

Een 60-tal miniaturen verluchten de negen nog bewaarde handschriften. In de 13e eeuw leefde er een echt Vlaams-nationaal gevoel bij de monniken, de burgers, de kastelein van St.-Omaars. Tussen 648 en 1264 had de abdij slechts 4 Franse abten op de 49. In 1447, terwijl de abt afwezig was, werden de Franse monniken door de Vlaamse en door de burgers buiten de stad gezet. Lang had de abdij een gebedsvereniging met die van Affligem.

De abdij had vele bezittingen in de huidige provincie West-Vlaanderen, o.m. het vissersdorp Ter Streep (9e eeuw), waaruit Oostende ontstond. In de 9e eeuw werd het O.L.Vrouwkerkje op de hoogte een stiftskerk van reguliere kanunniken (eigenlijk splitsing van de abdij). Enkele jaren vóór 891 werd ze versterkt. In de 11e eeuw werd de Nieuwe Gracht als verdedigingsgracht gegraven tussen de stad en de Leie te Arien. Het was de uiterste grens van de Westhoek aan deze zijde; de lijn liep verder door naar de Deule en de Skarpe. In 1127 tot stad verheven; de nog bewaarde keure is een der oudste documenten uit Zuid-Vlaanderen; was een der eerste versterkte steden van Vlaanderen; ontmanteld in 1888. St.-Omaars ging bloeien door de wolhandel met Engeland en de wijnhandel met Frankrijk.

Nadat keizer Karel Terenburg vernielde (1553) vestigde de bisschop zich te Sint-Omaars (1559-1790). Door het Concordaat van 1801 werd het bisdom opgeheven en bij Atrecht gevoegd. De Fransen veroverden de stad in 1677 en het jaar nadien werd ze door het Verdrag van Nijmegen voor goed bij Frankrijk ingelijfd. De inwoners onthaalden de overwinnaar Lodewijk XIV zeer koel in 1677; de nieuwe gouverneur, een markies, diende kanonnen op te stellen vóór het stadhuis om de gemoederen te bedaren. In de 18e eeuw vermaarde werkplaatsen voor keramiek, plateelwerk en stenen pijpen. Verfranste in de 18e en de 19e eeuw, maar bleef toch tot aan de Franse Omwenteling, dank zij zijn bisdom, waarvan de jurisdictie zich uitstrekte over een deel van Vlaams Vlaanderen, een Nederlands cultuurcentrum. De Ieperse rederijker Willem de Dons liet er in 1812 een bundel gedichten uitgeven. In de stad bleef men Vlaams spreken tot diep in de 19e eeuw, in de twee buitenwijken Hoogbrug en Liezel tot begin 20e eeuw. In de eerste Wereldoorlog was hier het hoofdkwartier van het Engels leger gevestigd.

 

De Onze Lieve Vrouw-kathedraal

 

Merkwaardige O.L.Vrouwbasiliek, voormalige kathedraal van O.L.V. der Wonderen, na die van Amiens het mooiste kerkelijke bouwwerk uit het Franse Noorden, vooral uit 13e eeuw (koor en oorspronkelijke dwarsbeuk), einde 14e en 15e eeuw; een toonbeeld van alle gotische stijlen en een rijk museum; mooie 50 m. hoge westertoren, met vier wachttorentjes, beëindigd 1499; 5 klokken, waaronder één van zes ton, hergoten in 1920; vier portalen; het mooiste: dat van de zuiderdwarsbeuk, 13e eeuw, maar verplaatst ca. 1375, met het Laatste Oordeel in het fronton. In de hoek gevormd door koor en zuiderdwarsbeuk, achthoekige toren uit begin 13e eeuw, eertijds de sacristie. Zeer ruim interieur: 98 m. lang, 22 m. hoog en 51 m. breed; de grote absiskapel werd herbouwd in 1629; oksaal (1717) door de gebroeders J. en A. Piette, uit de stad; beelden van H. Piette en J. Baligand; monumentaal orgel van Desfontaines, Dowaai; preekstoel 1714 van de Dominikaan Omer Danvin; graf van St.-Omaar links (13e eeuw); ertegenover rechts graf van Eustache de Croij, proost van St.-Omaars en bisschop van Atrecht in 1524 (tot 1538), door Jacob Dubroeucq uit Bergen (ca. 1505-1584), in marmer en albast. In de zuiderbeuk, onderaan, Kruisafneming door Rubens (1612) en twee prachtige grafstenen (15e eeuw), tegen de muur rechtopgezet; de vijf kapellen van die beuk hebben opengewerkte marmeren afsluitingen uit de 17e eeuw; in de kapellen, kunstvoorwerpen uit 17e en 18e eeuw; in de 3e kapel, Graflegging 15e eeuw; tegen de zuilen van die beuk, kleine grafgedenktekens in albast of steen, meestal renaissance, o.m. Jezus onder de schriftgeleerden (1561), een O.L.V. met de kat. In het koor, rococohoutwerk van Fr. Chiffart In de zuiderdwarsbeuk, boven het altaar gotisch beeld van O.L.V. der Wonderen (eik, einde 13e eeuw, met kroon van 1870) vele ex-voto’s; schilderijen van Van Opstal en Ziegler. In de kooromgang. 1e travee, grafgedenkteken 1471; 4e travee, gegraveerde vloertegels uit l3e eeuw; grafgedenktekens van 1648 en 1554; tegenover de absiskapel, grafgedenkteken van 1470; in de volgende kapel, nog gegraveerde vloertegels (13e eeuw); er tegenover, op de koormuur, eigenaardige Geboorte van Christus (13e eeuw); tegenover de laatste straalkapel, tegen de koorafsluiting, graf van St.-Erkembode (+ 737), vierde abt van St.-Berten en vijfde bisschop van Terenburg (8e eeuw). Op dat graf worden schoentjes en kinderklederen neergelegd; noorderdwarsbeuk met twee traveeën verlengd tussen 1450  en 1472, evenals de zuiderdwarsbeuk; boven de deur, astronomisch uurwerk van 1558; schilderij Doopsel van Christus (1450); een kleine Romaanse absis rechts is de laatste getuige van de kerk van de 11e eeuw. Links groep Grand Dieu de Thérouanne (13e eeuw): de zegenende Christus gezeten tussen O.L.V. en Jan, beide geknield; versierde het middenportaal van de kathedraal van Terenburg en werd in 1553 oo verzoek van de kanunniken door Karel V aan deze kerk geschonken. Zuiderzijbeuk mooie 17e-eeuwse afsluitingen; in tweede kapel vanaf de dwarsbeuk, albasten Lievevrouw met Kind door Jacob Duhroeucq(16e eeuw); Vlaams drieluik der Geboorte; tussen de eerste en de tweede kapel, fraaie albasten Geboorte (1470). In de sacristie van 1756, pyxis 12e eeuw; reliekkruis van Kleremeers (13e eeuw), in geniëlleerd zilver. (Bron: Jozef van Overstraeten,  De Nederlanden in Frankrijk).  

 

  De immigratie van de Vlamingen 

naar de Fläming in de 12e eeuw

 

 

 De vereniging “Fläming-Vlaanderen”

 

"Naer Oostland willen wy ryden." Zo begint een Vlaams emigratielied ui de Middeleeuwen. Men hoopte in het Oosten een ander en beter leven op te bouwen: "Daer is er een betere stee."

Germaanse en Slavische volkeren leefden bijna 200 jaar vreedzaam naast elkaar. In 789 kwam daar een einde aan, toen de Duitsers vanuit het Westen de streken ten oosten van de Elbe binnenvielen. De harde, bloedige gevechten duurden tot in de 12e eeuw. Vooreerst hadden de Duitse invallen tot voornaamste doel door gebiedsuitbreiding de macht te versterken. Vervolgens was de bedoeling ook de Slavische volkeren te kerstenen, een verbeten poging die aanvankelijk weinig succes oogstte.

Pas in de tweede helft van de 12e eeuw vond er in het Oosten een omvangrijke gebiedsuitbreiding plaats ten voordele van de Duitsers. In die tijd was het dat markgraaf Albrecht de Beer samen met aartsbisschop Wichmann van Maagdenburg immigranten uit Holland, Vlaanderen, Brabant en het Rijnland haalde en naar de streek die nu tussen Berlijn, Maagdenburg en Lutherstad Wittenberg ligt, bracht. Veelvuldige overstromingen aan de Noordzee hadden een vermindering van de noodzakelijke levensruimte tot gevolg gehad. Daarenboven werden de immigranten in het Oosten vrije ondernemers en mochten ze hun dorpen besturen volgens het eigen recht. In lange colonnes trokken ze naar de nieuwe heimat.

Daarmee begon een lange periode van intensieve kolonisatie. De immigranten vestigden er zich in een streek die hoofdzakelijk uit woud, heide en moeras bestond. In een kroniek uit Maagdenburg (de Magdeburger Schöppenchronik) lezen we daarover: “dusse bischop Wichmann bedwang dat land to Juterboc unde satte dar bure und makede dat land dissem godeshuse tinsaftich” (deze bisschop Wichmann bracht dat land onder zijn macht, vestigde er boeren en maakte het land belastingplichtig aan zijn bisdom).

Ze maakten de wildernis winbaar, stichtten dorpen, bouwden kerken en de Vlamingen werden “Fläminger”. De Vlaamse immigranten brachten uit hun heimat vooruitstrevende bedrijfsvormen, ambachtelijke vaardigheden en belangrijke handelsbetrekkingen mee. Ze bouwden kerken in veldsteen (grofbewerkte zwerfstenen), die als het ware uit de grond groeiden. De herinnering aan de oude heimat leeft nog voort in de namen (plant-, familie- en voornamen) : b.v. Bruck (Brugge), Euper (leper), Rosenthal (Roozendaal), Rohrbeck (Roorbeeke), Niemegk (Nijmegen), enz…

Op grond van de historische banden tussen Vlaanderen en de regio Fläming houdt de Vereniging “Fläming - Vlaanderen” zich bezig met het aanknopen van contacten tussen de beide regio’s. Daartoe behoort o.a. de verwerking van het heemkundig erfgoed alsook het stimuleren van wetenschappelijk onderzoek naar de kolonisatie van de Fläming, een reclamereis door Vlaanderen in mei 2001 en in augustus 2002, de uitnodiging van Vlamingen op onze regionale stadsfeesten, reizende tentoonstellingen, uitwisseling van ervaringen tussen verschillende verenigingen, enz..

De vereniging “Fläming-Vlaanderen” stimuleert met haar activiteiten de relaties tussen de twee Europese regio’s Fläming en Vlaanderen. De vereniging heeft als doelstelling de betrekkingen tussen beide regio’s op te bouwen, te onderhouden en te ontwikkelen en dit op vele gebieden, vooral regionale samenwerking, toerisme., samenwerking tussen scholen, uitwisseling van jongeren, sport, geschiedenis, cultuur en economie. Dit project wil de Europese integratie bevorderen en menselijke contacten over de grenzen heen intensiveren. Het zou ons verheugen, mocht U onze plannen en onze activiteiten willen ondersteunen en ook eigen ideeën en projecten inbrengen.

______________ 

Als contactpersonen staan wij ter beschikking, voorlopig in het Fläming - Flandern e. V. Altes Rathaus, Markt 26, D 06886 Lutherstadt Wittenberg. Daar zijn: Mevr. Witt, Mevr. Scholz, meneer Krause. en meneer Höhne. Tel. (00 49) (0)3491 —421750 of (00 49)(1734770946. Fax (00 49) (0)3491-421751.E-mail: flaeming-flandern@web.de De vereniging “Fläming - Flandern e.V.” hoopt op een goede samenwerking.

 

 

  JACQUES DECOTTIGNIES (1706-17662)

 

Vers naïfs, pasquilles et chanson en vrai patois de Lille

 

Kritische studie en commentaren met verklarende woordenlijst.

door Fernand Carton

480 pp., geb., ISBN 2-7453-0747-9. Prijs: 75 €

 

In de reeks L’Age des Lumières (deel 21) verscheen onlangs de eerste uitgave van het werk van een te lang miskend auteur: Jacques Decottignies. Een auteur die nochtans in zijn tijd een grote invloed heeft gehad op de litteratuur van Noord-Frankrijk in het algemeen en de streek rondom Rijsel in het bijzonder.

Jacques Decottignies was de zoon en de opvolger van de chansonnier Brûle-Maison, waarvan Fernand Carton al in 1965 de gedichten heeft uitgegeven en die voor de inwoners van het Rijselse een soort “mythische figuur was geworden.

Jacques Decottignies was, zo blijkt uit zijn levensloop, handelaar in stoffen en “chroniquer” van tal van lokale en nationale gebeurtenissen tussen ongeveer 1740 en 1762, jaar van zijn overlijden, met als hoogtepunten de slag bij Fontenoy (1745) en de blijde gebeurtenissen aan het Franse Hof. Maar ook de vele volksfeesten kregen ruim zijn aandacht.

Zijn teksten krioelen van pittoreske beschrijvingen en notities over het leven van het gewone volk en dit alles in een buitengewoon levendige taal die voor ons overvloedige commentaar vergt om begrepen te worden.

Zijn oeuvre in het burleske en volkse genre omvat niet minder dan 45 stukken geschreven in het Rijselse dialect, of eerder een soort bargoens afgeleid uit het Picardisch. Het verenigt niet minder dan 13 achtlettergrepige kronieken, 6 “pasuilles”, dit zijn satirische dialogen in versvorm, een genre dat aan de Waalse en Picardische litteratuur eigen is, 14 diverse stukken, o.a. naamdichten (waarvan ons Wilhelmus zo’n mooi voorbeeld is) en bruiloftsgedichten en tenslotte nog 12 chansons.

Uit de studie van zijn schrijfstijl blijkt overduidelijk de rijkdom van zijn woordenschat. Deze uitgave wordt vervolledigd door een verklarende woordenlijst (in dit geval een “must”), die ons vertrouwd maakNt met alle details van het toenmalige dagelijkse leven. Het werk heeft niet minder dan dertig jaar opzoekingswerk gevergd. Het zal niet alleen taalspecialisten en deskundigen van de 18e eeuwse litteratuur interesseren, maar ook historici en vooral een belangstellend publiek van de Rijselse regio.

Vik Eggermont  

 

 NEERLANDS ERFGOED  

IN DUITSLAND EN LUXEMBURG

 

 

Driedaagse reis op 23 - 24 - 25 juni 2003

 

Het was alweer een aantal jaren geleden dat ZANNEKIN een meerdaagse reis belegde. Toen was het Bourgondië waar we op zoek gingen naar sporen van onze Nederlandse geschiedenis en haar culturele uitstraling.

De jongste driedaagse was al evenzeer een schot in de roos. We trokken het Rijnland binnen daar waar Hertog Jan I van Brabant in 1288 de Slag van Woeringen (nu Worringen bij Keulen) streed. Aan de overzijde van de Rijn waren we te gast in de geboortestad van de Vader des Vaderlands, Willem van Oranje. Te Dillenburg rest van de eertijdse Nassause burcht alleen nog de – als Oranje-Nassau Museum ingerichte – monumentale Willemstoren. Van het slot Dillenburg dat omstreeks 1130 werd gebouwd en in 1760 tijdens de Zevenjarige Oorlog werd verwoest, bestaan behalve de oude kerker nog slechts ruines. Het huidige symbool van Dillenburg – de Willemstoren, werd in de jaren 1872-1875 op de historische slotberg gebouwd.

Aan de voet van de toren staat, sinds enkele jaren een standbeeld van Willem van Oranje. Het werd op 29 september 2000 onthuld door koningin Beatrix der Nederlanden. Samen met Breda (NL), Diest (B), Orange  (F) en Hereford (GB) maakt Dillenburg deel uit van de Steden van de Oranje-Unie.

Doorheen het prachtig natuurschoon van het Westerwald en via plaatsen als Nassau, Limburg-an-der-Lahn en Koblenz (met het Deutsches Eck aan de samenvloeiing van Rijn en Moezel) bereikten we onze pleisterplaats Boppard.

De tweede dag werd een onderdompeling in de Biedermeiersfeer van het romantische Rijnland, met een bezoek aan de beide Loreley-beelden, en een boottocht langsheen de vele bekende burchten en kastelen, die ongenaakbaar boven de Rijn tronen en elk hun eigen verhaal vertellen. Mystiek en literatuur rondom de Loreley aan de hand van de versies van respectievelijk Heinrich Heine en Clemens Brentano. Na een aangenaam vertoeven in Rüdesheim en zijn romantiek, trokken we langs Bingen – waar de befaamde Hildegard omstreeks 1150 vandaan kwam en mystiek doende was – naar Ingelheim. Daar bracht Multatuli (Edward Douwes Dekker 1820-1887) zijn laatste levensjaren door. Zijn voormalige woonhuis is nu het Hotel Multatuli, en zijn nagedachtenis wordt er in ere gehouden, zoals we tijdens het avondmaal mochten ervaren..

De afsluitende derde dag voerde ons van de Rijn via de Moezel naar Bernkastel-Kues en van daar uit naar het drielandenpunt Schengen in Luxemburg. Waar een monument herinnerd aan het enkele jaren geleden afgesloten Schengen-akkoord – en waar we weer op Heel-Nederlandse bodem stonden – werd een laatste groepsfoto gemaakt. Na het middagmaal in het Casino van het mondaine Bad-Mondorf werd afgestevend op de laatste halteplaats, Luxemburg-stad, gebouwd om de Petrusse en de Alzette. De geleide historische wandeling door deze fraaie stad uit de zuidelijke Nederlanden herinnerde ons aan de opdracht onze eigen identiteit te bewaren: “Mêr wëllen bleiwen wat mër sin”- luidt dat in de Luxemburgse volkstaal. Hoeft het gezegd dat de gidsing door ZANNEKIN-voorzitter Leo Camerlynck gedurende deze driedaagse in niets te wensen overliet?

 

 

  De strijd om de taal in het Arelerlannd

in de 19e en 20e eeuw

 

 

Een vergeten minderheid?

 

Waarom zijn er twee Luxemburgen: een Groothertogdom en een Belgische provincie? Waarom werd het Arelerland – het land van Aarlen – alhoewel Germaanstalig, afgescheiden van het gelijktalige Luxemburg? Hoe werd Aarlen een provinciehoofdstad? Tengevolge van welke onwaarschijnlijke omstandigheden verloor het Groothertogdom Martelange? Welke is de taalkundige evolutie van deze regio in deze uithoek van België? Heeft de bevolking er vrijwillig gekozen om haar moedertaal op te geven? Hoe werden het Duits enerzijds en het Frans anderzijds tot wisselmunt tussen katholieken en liberalen, in het nefaste spel van de partijpolitiek? Waarom worden de bevindingen van een gerenommeerd historicus als Godefroid Kurth met een dermate grote stroefheid in vraag gesteld door vakgenoten als Jean van Dooren en Maurice Wilmotte? Welke oogmerken koesterde de Duitse bezetter voor deze regio tijdens de Eerste Wereldoorlog? Welke impact had de van buiten uit gestuurde en geïnspireerde Pan-Germaanse beweging van professor Heinrich Bischoff in de jaren van het interbellum? Hoe doorstond de regio rond Aarlen de dreigende annexatie door het Derde Rijk tijdens de Tweede Wereldoorlog? Op welke wijze wist een Pierre Nothomb de Belgische Luxemburgers te bemoedigen? Streven de recente bewegingen die ijveren voor een herwaardering van de streektaal een afscheiding van België na? Welke toekomst en toekomstmogelijkheden liggen er voor het grijpen voor deze streek met een zo machtig economisch-financieel hinterland als het Groothertogdom?

Op deze en andere vragen zocht en formuleerde de historicus Jean-Marie Triffaux - °1962 te Aarlen – even zovele antwoorden. Zijn verhaal bundelt twee eeuwen geschiedenis omtrent de wedervaren van een welhaast vergeten minderheid uit onze Nederlandse contreien waaraan vaak al te weinig aandacht wordt besteed.  

____________________

N..a.v. Jean-Marie Triffaux, Combats pour la langue dans le Pays d’Arlon aux XIXe en XXe diècles. Une minorité oubliée?, Ed. La vie Arlonaise, 480 pp., 38 EUR + 2 EUR verzendkosten. Te bestellen bij de auteur: 249, chemin des Espagnols, B. 6700 Arel.  

  Pruisen aan Peel, Maas en Niers

In het spoor van de Spaanse erfopvolgingsoorlog werden in 1703 de stad Gelderen en brede gebieden van het zuidelijke deel van het voormalige hertogdom Gelderland door de Pruisen bezet. Bij de Vrede van Utrecht werden ze in 1713 toegezegd aan de Pruisische koning. Middelpunt van deze nieuwe meest westelijke Pruisische provincie werd de stad Gelderen, die eensklaps en dit voor een volle eeuw tot hoofdstad werd. Omwille van deze nieuwe functie werd ze tot een van de sterkste vestingen aan de Nederrijn uitgebouwd.

Aan dit klassieke Pruisische tijdperk in Gelderland herinnert een tentoonstelling die op indrukwekkende wijze aantoont, dat de bevolking van deze landstreek tussen Venray en Neukirchen-Vluyn alsoook Afferden en Viersen de nieuwe invloeden wist te benutten, zonder haar regionale eigenheden en haar identiteit prijs te geven.

Aldus zijn de mensen aan deze en gene zijde van – de eerst definitief naar aanleiding van het Congres van Wenen (1815) –getrokken grens, tot Europeërs in moderne zin geworden.

Een blik op de toenmalige toestanden binnen deze in wezen éne en ondeelbare culturele ruimte zal ertoe bijdragen, het naar elkaar toegroeiende Europa te begrijpen en de daaruit ontstane mogelijkheden voor economie, vorming en cultuur te benutten.

In de tentoonstelling komen onder meer volgende thema’s aan bod:

Na meer dan 200 jaar wordt voor het eerst over de grens heen een gemeenschappelijke historisch tijdperk herdacht. De tentoonstelling loopt van 30 maart tot 13 juni 2003 in het Niederrheinischen Museum für Volkskunde und Kulturgeschichte, Hauptstrasse 18 te Kevelaer; van 29 juni tot 7 september in het Preussen-Museum, An der Zitadelle te Wesel en van 10 oktober tot 18 januari 2004 in het Museum ’t Freulekeshuus, Eindstraat 8 te Venray.

________________

Bron: tentoonstellingsfolder  

   Vanop de zijlijn

 

 
Nog een facet

 

Voor het overgrote deel van de inwoners van de Nederlanden is het Nederlands in zijn AB-vorm niet de taal waarmee ze van jongs af vertrouwd zijn. Zo was voor mij, die in een Friestalige omgeving ben opgegroeid, het Nederlands de taal van kerk en school. Wel in deze volgorde, want als kleuter kwam ik in de kerk en tijdens de huiselijke Bijbellezingen met het Nederlands – de “tale Kanaäns” in aanraking.

Maar niet alleen voor Friezen is het ABN van huis uit een “vreemde” taal; hetzelfde geldt zowel voor Groningers als West-Vlamingen en Achterhoekers en Limburgers. Ik noem deze “uitersten” omdat deze “provincialen” er de grootste moeite mee hebben de uit de andere landstreek afkomstige “taalgenoten” te begrijpen wanneer hij/zij de “eigen” taal spreekt.

Ik kan mij dan ook beste voorstellen dat menige dialectspreker moeite heeft met het Nederlands als schrijftaal. Ik onderken het probleem dat hierin schuil gaat. Zoals in een tekst van een Vlaming nogal eens een “Vlaamsisme” meekomt, zo betrap ik mij er af en toe op dat in een door mij geproduceerde woordenstroom een “friesime” mee komt drijven. Gelukkig dat er dan altijd weer mensen bereid zijn je daar op te wijzen. Het mag dan zo zijn dat binnen ons taalgebied elke “vogel zingt zoals hij gebekt is” en als dialectspreker dus niet lijdt aan een spraakgebrek – een verwijt dat ik nogal eens heb moeten aanhoren – het is toch dank zij het ABN dat we met elkaar op een voor iedereen verstaanbare wijze van gedachten kunnen wisselen.

Als ik hierboven Nog een facet heb geschreven dan heeft dat te maken met de opdracht waarvoor we in toenemende mate gesteld worden. We zullen ons namelijk voortdurend bewust moeten zijn van onze verantwoordelijkheid met betrekking tot het ABN als onze gemeenschappelijke cultuurtaal. Die is de moeite van het verdedigen tegen de opdringende verengelsing meer dan waard en wel omdat ze meebepalend is voor onze eigenheid.

 

Het oranje boekje - andermaal

 

In de vorige Nieuwsbrief (p. 9) vestigden we de aandacht op een uitgave van de Stichting Taalverdediging. Dit ‘oranje boekje’ bundelt niet minder dan 1000 vertalingen van – vaak onnodig gebruikte - Engelse en Amerikaanse woorden en uitdrukkingen. We noteerden aldaar dat de uitgever er ons attent op maakte dat dit boekje ook vanuit België kan besteld worden, namelijk door overmaking van 4 EUR (inclusief verzendkosten). Evenwel NIET op rekening 733-01280072-62 als foutief opgegeven, maar WEL op rekening 733-0128072-62 t.n.v. A. Braamkolk te Eindhoven, met de titelvermelding “‘k heb u lief, mijn Nederlands”.

Als je verre reizen doet…

Het vervolg kent u ongetwijfeld; er wordt immers verondersteld dat zo iemand heel wat te vertellen heeft en soms veel uit te leggen. Dat zullen de Veenendaalse broers Van Ravenswaay zeker ook gedaan hebben al was het alleen al vanwege het feit dat ze in den vreemde intussen de “verdubbelingfase” hadden ondergaan. Maar nu terzake.

Voor de patriotgezinde Nederlanders is 1787 een regelrecht rampjaar. Door toedoen van het optreden van een zwager (= de Pruisische koning) zit de Oranjepartij weer redelijk stevig in het zadel. Voor menige patriot zit er niets anders op dan de wijk te nemen naar veiliger oorden. De gebroeders Aalbert en Hendrik van Ravenswaay moeten ook een dergelijke beslissing nemen. Het toevluchtsoord wordt het Frans-Vlaamse stadje Sint-Omaars.

Al zullen ze zich hier waarschijnlijk nog met et Nederlands hebben kunnen verhelpen, op administratief gebied was het al Frans wat de klok sloeg. Dat blijkt onder meer uit de gang van zaken rond de “verdubbelingfase”. Ze hebben namelijk allebei het oog laten vallen op een Frans-Vlaamse schone waarvan die van Hendrik afkomstig is uit het in de omgeving van Sint-Omaars gelegen dorp Sperleke (Eperlèques). Zijn bruid heet Jeanne Thérèse Julie Brouart. Tussenhaakjes: door vernoeming in de volgende geslachten dragen tot op de dag van vandaag nog Veenendaalse meisjes deze drievoudige voornaam.

Maar nu terug naar de ambtenaar van de burgerlijke stand van Sperleke. Die heeft met de naam Van Ravenswaay geen raad geweten en heeft (blijkbaar op het gehoor) deze familienaam geboekstaafd als Van Dravenzai. Duidelijk is dat hij de klok heeft horen luiden maar de klepel niet heeft kunnen vinden. Het is naar aanleiding van deze verhaspeling dat ik denk dat Hendrik van Ravenswaay bij zijn thuiskomst in 1795 – in het kielzog van de Franse troepen – wel het één en ander heeft moeten uitleggen. Bron: D. van Manen, Aanzienlijke vlek in ’t Stichtse (= provincie Utrecht), p. 281.

 

Bentheimse sprokkelingen

 

Op 25 april j.l. heeft in de Graafschap Bentheim een bijzonder jubileum plaats gehad. Op die dag bestond de Groafschupper Plattproater Kring 25 jaar. Deze Kring is niet meer weg te denken uit de Graafschapper samenleving. Vandaar dat niet stilzwijgend aan deze zilveren verjaardag werd voorbijgegaan.

De stelregel van deze Kring is “Well platt proat, proat ‘ne Sproak meer”. Tegen deze achtergrond is het dan ook niet verwonderlijk dat grensoverschrijdende activiteiten niet worden geschuwd.. Al vanaf 1983 bestaan er intensieve contacten met de Kreenk vuur de Twentse Sproak. Zo wordt er jaarlijks een kerkdienst belegd in óf het Graafschapper óf het Twentse plat; tussen beide streektalen is immers bijna geen verschil.

Hoewel het Platt door steeds minder mensen wordt gesproken, zet men zich onverminderd in voor het behoud van dit brok cultureel erfgoed. En men weet zich in dit streven geruggensteund door het ‘Europese Charter van de regionale- en minderheidstalen’ dat in Duitsland op 1 januari 1999 van kracht geworden is.

Wie rechtstreeks geïnformeerd wil worden over wat er gaande is in de Graafschap Bentheim kan daarvoor terecht op het internet. Belangstellenden kunnen er volgende adressen op na slaan: www.heimatverein-grafschaft.de en www.heimatverein-grafschaft-bentheim.de

Op zaterdag 23 augustus vond in het Kloster Frenswegen bij Nordhorn een bijzonder evenement plaats. Op die dag richtte de Stiftung Kloster Frenswegen een muziekwedstrijd in, waarvan de winnaar de eerste Duits-Nederlandse kerkmuziekprijs in ontvangst mocht nemen. Deze unieke wedstrijd is een samenwerkingsinitiatief van de Grafschafter Sparkassenstiftung, de kerken in Nordhorn en de landelijke organisatie voor kerkkoren en cantorijen in Nederland. Met het instellen van deze prijs wil men de grensoverschrijdende activiteiten op het gebied van kerkmuziek stimuleren. Centraal staat het samenspel van liturgische en muzikale kwaliteiten, waarbij alle mogelijke vocale kerkmuzikale uitingen vertegenwoordigd mogen zijn. Voor winnende koren is een prijzentotaal van 3500 euro beschikbaar. Belangstellenden kunnen voor informatie terecht bij: Stiftung Koster Frenswegen, Klosterweg 9, D.48527 Nordhorn. Tel. 0049-5921 8222330. Bron: Nederlands Dagblad, 24.1.03.

 
Grensoverschrijdende monumentenzorg

 

In de grensstreek van Duitsland en de provincies Gelderland en Overijssel worden in de loop van het volgende tweetal jaren zestien historische moumenten gerestaureerd. Hierbij moet gedacht worden aan gebouwen als molens, boerderijen, schuren en andere monumenten van cultuurhistorische betekenis. Deze restauratie vindt plaats om het grensoverschrijdende toerisme te bevorderen. Het project wordt gecoördineerd door de overkoepelende Euregio. De te behandelen gebouwen staan in de provincie Overijssel en de Kreisen Bentheim, Steunfurt en Borken. Voor de financiering zorgen naast de Euregio de provincie Overijssel, de deelstaten Noord-Rijnland-Westfalen en Nedersaksen en het Nederlandse ministerie van Economische Zaken. Bron: NRC-Handelsblad, 5.5.03.

 
Oproep

 

Bovenstaand bericht is mij in de vorm van een knipsel aangereikt door Leo Rienks. Ik vermeld dit niet met de bedoeling hem een pluim op de hoed te steken maar om u uit te nodigen zijn voorbeeld te volgen. In het geval u activiteiten onder ogen komen die een grensoverschrijdend karakter dragen aarzelt u dan niet mij daarvan op de hoogte te stellen. Hetzelfde geldt voor gebeurtenissen die niet direct een grensoverschrijdend karakter dragen maar wel belangwekkend zijn vanwege het historische karakter waarin het geheel of een deel van de Nederlanden betrokken is. Ik zie met belangstelling uw knipsels tegemoet.

 

Das Buch der Bücher

 

Onder dit opschrift was dit voorjaar een Bijbeltentoonstelling te bezichtigen in het Hamaland Museum aan de Butenwall te Vreden. De achterliggende gedachte was te laten zien hoe de Bijbel in de loop der eeuwen tot ons gekomen is. Aan een tweetal aspecten werd bijzondere aandacht geschonken. Het eerste was het grensoverschrijdende karakter van deze tentoonstelling. Met andere woorden: het aangrenzende Nederland was duidelijk aanwezig ondermeer met een “Prent-Bijbel” uit 1847 en de uit 1722 daterende Schriftuurlijke Geschiedenissen en Gelijkenissen in Konstplaaten en Rymen van Jan Luyken. Het tweede was de aandacht die besteed werd aan Bijbelvertalingen in streektalen. Zowel in Duitsland als in Nederland neemt de belangstelling voor deze wijze van Bijbellezen sterk toe. Als voorbeeld lag in Vreden Dat Ole Testament in unse Moderspraak dat geschreven is in het Holsteiner Platt, de regiotaal van de deelstaat Sleeswijk-Holstein.

 

Emden in de kerkelijke schijnwerper

 

In de 16e eeuw was de Oostfriese havenstad Emden hét toevluchtsoord voor menige uit de Nederlanden afkomstige protestant. Een gedenkteken in de gevel van de Grote Kerk herinnert tot op de dag van vandaag aan die grootschalige inwijking.

Toen op dinsdag 21 januari 2003 Emden voor een ogenblik in de kerkelijke schijnwerpers werd geplaatst, had dat niet direct met bovengenoemd stuk kerkgeschiedenis te maken maar wel met gebeurtenissen op het kerkelijk erf uit de 19e eeuw. Er was zelfs sprake van een grensoverschrijdend karakter. Toen in 1834 de Afscheiding (van de Nederlands Hervormde Kerk) plaats vond, bleef die niet beperkt tot Nederland; ook in Oost-Friesland en de Graafschap Bentheim ontstonden afgescheiden gemeenten. Na verloop van tijd organiseerden die zich in het Verband der Altreformierten Kirchen dat sinds 1923 deel uitmaakt als twee aparte classes van de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN).

Deze kerken komen om de twee jaar samen in een synode die genoemd wordt naar de plaats van de samenroepende gemeente. En dit was dit keer de Altreformierte Gemeinde van Emden. Voor het beleggen van deze bijeenkomst mocht gebruik gemaakt worden van de Grote Kerk. Dit gebouw is tijdens een bombardement in het najaar van 1944 zwaar beschadigd en heeft als ruine bestaan tot de jaren negentig; toen heeft men de kerk gerestaureerd om er vervolgens de bestemming van Johannes à Lasco-Bibliotheek aan te geven.

Het zal waarschijnlijk zowel de eerste als de laatste keer zijn dat een Oostfriese Altreformierte gemeente naamgeefster is van een synode van de Gereformeerde Kerken. Dat is een gevolg van het Samen-op-Wegproces dat in 2004 moet uitmonden in het nieuwe kerkverband Protestantse Kerk in Nederland (PKN), een samengaan van de Nederlands Hervormde Kerk, de GKN en de Evangelisch Lutherse Kerk.

In dat nieuwe verband is voor de tien gemeenten van de Alreformierte Kirchen geen plaats meer. Trouwens ook in Duitsland voltrekt zich zoiets als een SoW-proces en wel tussen de Evangelisch Reformierte Kirche en de Altreformierte Kirchen. Wel zullen ze een bepaalde band met de Nederlandse kerken blijven behouden door vertegenwoordigers te zenden naar de synodebijeenkomsten in Nederland.

Marten Heida

Prins Willem-Alexanderpark 53

NL. 3905 CB Veenendaal

  Het laatste woord

 

“I have a dream”

Veertig jaar geleden sprak Martin Luther King deze gevleugelde woorden uit. Hij droomde ervan dat in zijn land, de Verenigde Staten van Amerika, de gelijkberechtiging tussen zwart en blank langs vreedzame weg zou worden bewerkstelligd. Die droom wordt langzaam aan werkelijkheid. Hij mocht de concretisering ervan jammer genoeg niet zelf beleven.

Ik ook heb een droom, eveneens over iets dat langs vreedzame weg moet bereikt worden. De hereniging van de Nederlanden heet die droom. De Nederlanden van de Dollart tot de Zomme, een natie die de welvarendste van de aardbol zou zijn met de grootste havens ter wereld, Rotterdam, Antwerpen, Duinkerke, met een hoogtechnologisch vernuft, met een eeuwenoude gezaghebbende cultuur, met niet alleen welvaart, maar ook welzijn. Het is tevens het hart van Europa, niet alleen omdat het centrum van Europa in Oignies-en-Thiérache in de Waalse Nederlanden ligt, maar tevens omdat het een haast onontwijkbaar doorkomstgebied vormt.

Ooit fungeerde de Benelux overigens als hoofdinspirator van de Europese Unie, maar die Benelux zelf is hoogdringend aan een hernieuwde dynamiek toe.

 

“Het is niet nodig te hopen om te ondernemen,

noch te slagen om te volharden”,

zei Willem van Oranje, bijgenaamd de Zwijger. Er is hoop, maar er is ongetwijfeld ondernemingszin.

De wenkbrauwen worden steeds minder gefronst, wanneer vooraanstaande personen openlijk hun Heel- of Groot-Nederlandse sympathieën uiten. Gewezen Eerste-Kamerlid Andries Postma en gewezen Binnenlandminister en thans Burgemeester van Leuven Louis Tobback stoppen het niet onder stoelen of banken. Steeds vaker wordt gewag gemaakt van Nassau, een natieconcept met de Benelux en delen van Noordrijn-Westfalen, Rijnland-Palts en zelfs Hessen. En ook in de Franse Nederlanden klinkt een wil tot nauwere betrekkingen met de Lage Landen steeds luider. Niet alleen in culturele kringen, maar ook in politieke, economische en sociale middens.

 

Er is hoop en de droom krijgt vastere vormen, maar er is nog veel werk aan de winkel. Het is een processie van Echternach, de stad in de Luxemburgse Nederlanden waar de heilige Willibrordus begraven ligt, één van de grondleggers van wat later de Nederlanden zouden worden.

 

Henegouwen

 

Toerisme en historische correctheid gaan niet altijd hand in hand. Dat moge blijken uit de toeristische informatie met betrekking tot Henegouwen in zowel Frankrijk als België.

Zo’n tien jaar geleden werd bij het hertekenen van de toeristische kaart van het Franse Noorderdepartement de Frans-Vlaamse stad Dowaai en haar omgeving bij “Hainaut-Cambrésis” ingedeeld.

Deze aberratie tart alle verbeelding en doet de haren van menig geschiedenis- en cultuurminnende ten berge rijzen. De stad van het “Parlement de Flandre” zonder meer tot Henegouwen rekenen kan verstrekkende gevolgen hebben, niet in het minst op het vlak van de geschiedenisvervalsing.

In de Belgische Provincie Henegouwen is het niet beter gesteld. Daar ook werd de toeristische kaart herschikt. Het historisch met Vlaanderen verbonden Doornikse, of le Tournaisis, werd uitgebreid tot Edingen, Lessen, Vloesberg, Aat en nog andere van oudsher zuiver Henegouwse plaatsen. Er werd op al even potsierlijke wijze gehandeld met het gebied van Moeskroen en Komen-Waasten, die met de regionaam Picardië werden bedacht. In dit gebied dat tot 1963 tot West-Vlaanderen behoorde mag de gewesttaal dan naast het West-Vlaams wel een Picardisch dialect zijn, tot Picardië hebben Ploegsteert, Waasten, Neerwaasten, Houthem, Komen, Moeskroen, Dottenijs, Luigne (Lowingen) en Herseaux (Herzeeuw) nooit behoord. Hier valt duidelijk een staaltje aftandse Vlaamsvijandige treiterijen te bespeuren, waarmee men de historische correctheid moedwillig wil discrediteren.

 

Sint-Omaars

 

Om op een positieve noot te eindigen wil ik zo veel mogelijk belangstellenden aansporen om deel te nemen aan de ontmoetingsdag op zaterdag 4 oktober 2003 te Sint-Omaars, een stad die haar Vlaamse en dus ook Nederlandse geschiedenis wel weet aan te prijzen. Meer informatie hierover vindt u elders in deze Nieuwsbrief.

Leo Camerlynck

Voorzitter ZANNEKIN

E. Michielsstraat 51

1180 Ukkel