> nieuwsbrief > 22e jg. - 2e trimester 2004

Bijdragen over:
  • Studie-uitstap Pevelenberg, 15 mei

  • Pevelenberg – Mons-en Pévèle

  • De Slag op de Pevelenberg, 18 augustus 1302

  • Mededelingen

  • Inhoud Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ 2004

  • Internationaal Bonifatius-symposium

  • Oraniënbaum und Fläming

  • Geldern-Atlas

  • Bataven! Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk

  • Vanaf de zijlijn

 
Tip

 

Studie-uitstap op zaterdag 15 mei naar de Pevelenberg

Twee jaar na de Guldensporenslag te Kortrijk dienden onze gewesten andermaal slag te leveren tegen de Franse koning en zijn legerscharen. Dit keer zou de slag, die in augustus 1304 gestreden werd op de Pevelenberg, onbeslist eindigen. Zevenhonderd jaar na de slag wordt deze streek de bestemming van onze Studie-uitstap van zaterdag 15 mei a.s.

Dagindeling:

08.30 uur: vertrek bus aan het County House te Ukkel - Heldensquare

09.00 uur: opstapplaats station NMBS te Halle, verder langs historisch waardevolle routes naar Doornik

10.00 uur: opstapplaats station NMBS Doornik; vervolgens rit langs de Hel van het Noorden naar de Pevelenberg - bezoek aan de site

12.30 uur: middagmaal in Le relais de Merignies, 1405 Route Nationale te 59710 Merimnies. Na het middagmaal vertrek naar Pont-à-Marcq, Flines-lez-Râches (kerk, emplacement van de vroegere abdij) en Anchin; vervolgens naar Marchiennes (resten van de voormalige abdij)

16.00 uur: vijfuurtje in l’Ecu de France te Doornik

17.00 uur: terugrit via Doornik en Halle naar Ukkel

 

Praktische gegevens:

Overnachting: is op vrijdag- en/of zaterdagavond facultatief mogelijk in het County House te Ukkel tegen de gunstprijs van 77,50 Eur/persoon.

Deelname: wij verwachten uw inschrijving voor deze uitstap d.m.v. bijliggende “aanmelding” – terug te sturen tot uiterlijk 8 mei. Uw inschrijving wordt slechts definitief na betaling van de deelnemersbijdrage van 45 Eur (leden ZANNEKIN) of 50 Eur (niet-leden) op een van onze rekeningen. In deze bijdrage zijn alle kosten begrepen is, inclusief aperitief en dranken bij het middagmaal. NB. Huisgenoten van een lid worden vanzelfsprekend als leden beschouwd.

Informatie: verder in deze Nieuwsbrief werden enkele bijdragen opgenomen die aanvullende informatie bieden omtrent de Pevelenberg en de veldslag die er zeven eeuwen terug gestreden werd. ZANNEKIN nam de herdenking van deze slag te baat voor de publicatie van een tweetalige brochure Pevelenberg – 1304-2004 – Mons-en-Pévèle. Deze uitgave zal ter beschikking zijn op 15 mei.  

 

Pevelenberg - Mons-en-Pévèle 1304 - 2004

 

Leo Camerlynck  

 

DE PEVELENBERG - “waar het Vlamingen regende”

 

De gemeente Pevelenberg of Mons-en-Pévèle bevindt zich met zijn 107 meter boven de zeespiegel op het hoogste punt van de streek, de Pévèle. De gemeente telt 2.069 inwoners (jongste volkstelling - 1994) en is 1.237 ha groot.

Mons-en-Pévèle ligt in het westen van de Pévèle. De streek strekt zich uit ten zuiden van de snelweg Rijsel-Doornik en de Frans-Belgische grens, ten oosten van de snelweg naar Parijs en ten noorden en noordwesten van de Scarpe, tot die aan de grens in de Schelde stroomt.

Het hoogste punt van de streek ligt vlak bij Mons, dat zelf op de zuidoostflank van de 107 m hoge Pevelenberg ligt. De getuigenheuvel ligt zowat 15 km noordwaarts van Dowaai (Douai) en 10 km westwaarts van Orchies.

Het staat bekend om zijn “grès du Pévé” of de zandsteen van de Pévèle, die vaak als fundering voor kerken en monumenten in de streek heeft gediend.

In 673 werd Mons-en-Pévèle onder de hoede gebracht van de Sint-Vaastabdij te Atrecht (Arras). De Sint-Jan-Baptistkerk werd in 1824 gebouwd naar een opdracht van de Rijselse architect Dewarlez.

Maar de naam Pevelenberg roept vooral herinneringen aan de slag van 1304 op. Op 18 augustus van dat jaar, tijdens een snikhete dag viel de Franse koning Filips IV de Schone, die zich wilde wreken op de Vlamingen na de Guldensporenslag en die reeds Dowaai en Rijsel opnieuw had ingepalmd, het Vlaamse leger, dat werd aangevoerd door Filips van Chieti, Jan van Namen en Willem van Gulik. De slag bleef onbeslist, maar de held van 1302 - Willem van Gulik - sneuvelde. Het scheelde niet veel of de Franse koning, die zwaar gewond werd, liet er eveneens het leven. Filips de Schone was zo verrast door het aantal Vlamingen dat hij dacht dat “het Vlamingen regende”.

Men is algemeen van mening dat op de Pevelenberg en aan de oevers van de Mark (Marcq of Marque) één der belangrijkste veldslagen geleverd werd, die over het lot der Nederlanden besliste.

Over de onbesliste uitkomst schreef de Vlaamse kroniekschrijver Jacob de Meyer: “Ik geloof dat God niet alleen medelijden had met de koning, maar met ons dierbaar Vlaanderen, dat nog ergere calamiteiten te verwachten had indien de koning zou gesneuveld zijn.”

De historicus Mabille de Poncheville vermeldt de aanwezigheid van een militie uit Dowaai, die de Vlamingen ter hulp is gekomen en zeshonderd man verloren had. De stad Dowaai draagt in haar wapenschild een door een gouden pijl gekwetst hart waaruit zes druppels bloed vloeien.

In het dorpscentrum, tussen de kerk en het dorpsrestaurant, bevindt zich een doodlopende zijstraat, met aan het einde ervan een hoeve, waarnaast een monumentje staat met zowel een Nederlandse als een Franse tekst ter nagedachtenis aan de slag van 1304 en van andere veldslagen in de geschiedenis van de Nederlanden, maar vooral ter aanmoediging van de vrede. Dit monument met een replica van Onze-Lieve-Vrouw-ter-Potterie uit Brugge werd op 23 augustus 1992 opgericht met de steun van de Gemeente Pevelenberg, de KBC, de Jogging Club van Brugge, de West-Vlaamse Gidsenkring, de Jan Breydel en Pieter de Coninck-commissie, de Marnixring Brugge, de Kunstzaak Garemyn uit Brugge, in aanwezigheid van Burgemeester E. Cupers van Pevelenberg en Kanunnik R. Lagrain. Het geheel kwam mede tot stand dankzij K. de Vos, Martin Formesyn, Hilaire Servien en André Maréchal.

 

WANDELING

 

Onze wandeling in Mons-en-Pévèle begint op de Place Général de Gaulle. Als u met uw gezicht naar het oorlogsmonument staat begint u de wandeling schuin rechts.

 

DE PAS ROLAND

Even later staat u al aan de rand van het dorp. Langs deze kant van het dorp strekt zich het slagveld van 1304 uit. Beneden bevindt zich een klein ravijn, dat de Parolan of Pas Roland heet. Er circuleren twee versies over het ontstaan van die naam. Volgens Abt Herengt, historicus van Mons-en-Pévèle, had er de avond voor de slag van 1304 een conferentie plaats op de Pas Roland, in een poging te komen tot een ‘preventieve’ vrede. De Engelsen hadden op dat moment net een vloot vóór de Nederlandse kust verloren en konden de Vlamingen niet te hulp komen. Maar de eisen van de Fransen brachten de kans op vrede in het gedrang. Bij deze onderhandelingsronde zou de oorspong van bet woord parolan liggen: ‘lieu où l’on a échangé des paroles.’

Een legende vertelt echter dat het ravijn de pootafdruk is van Roelands paard, dat met één enkele stap een reusachtige hoop aarde van de berg had losgemaakt om de Drievuldigheidsberg (Mont-Saint-Aubert) bij Doornik te vormen. Roeland was een afstammeling van Clovis, en paladijn van Karel de Grote. Deze heuvel is hoger dan die van Mons-en-Pévèle. Wil dat zeggen dat Doomik groeide ten koste van Mons in die periode?

In werkelijkheid is de Pas-Roland een uitholling in de vorm van een hoefijzer, een soort natuurlijke piste waar zich in de loop der tijden toernooien en ringsteekspelen hebben afgespeeld. Nog niet zo lang geleden werd, tijdens graafwerken om er een speelveld aan te leggen, een oude tribune gevonden.

U gaat naar links, langs het park en bekijkt beneden u de vreemde instulping in de heuvel. U gaat onder de poort door. Links ziet u een monument in een grasperk (zie hiervoor). Het verwijst naar de Slag op de Pevelenberg en de daarmee verbonden ‘Brugse Belofte’. In de zomer van 1304 hadden de vrouwen van de Brugse ambachtslui immers de belofte gedaan om, ingeval hun mannen overwonnen, elk jaar een kaars van 36 pond aan Onze-Lieve-Vrouw-ter-Potteriekerk te schenken. Sinds 1305 (met een onderbreking tussen 1796 en 1839) gaat elk jaar op 15 augustus ‘s morgens de Blindekensprocessie uit waarbij twaalf meisjes de kaars naar de kerk brengen. Ook Vlaanderen was dus overtuigd van zijn overwinning nabij Mons-en-Pévèle!

 

KAPEL VAN DE HEILIGE RITA EN DE COURANT DE COUTICHES

Ter hoogte van de bocht naar links, voert een smal paadje rechts u naar een weiland. Vanaf hier hebt u nogmaals uitzicht op het slagveld, dat we nu beter gaan verkennen. Bij het prikkeldraad kunt u maar één kant uit: links. Via de trap komt u op de straat, waarna u rechts afslaat. Bij de grote weg slaat u opnieuw rechts af. Aan de overkant strekt zich het kerkhof uit, met een bijzonder mausoleum aan de linkerkant. De volgende straat die u neemt is opnieuw rechts. Waar de Rue du Pas Roland van rechtsboven komt, slaat u links het aarden pad in. U gaat door totdat u de vroegere spoorlijn naar Mons-en-Pévèle bereikt (links ziet u het stationnetje), die nu als een wandel- en fietspad is ingericht. U gaat rechtdoor, verder de helling af. U loopt nu ongeveer op de lijn waar de karren van de Vlamingen stonden opgesteld in 1304. Links en rechts daarvan omsingelden de Fransen de Vlaamse stellingen. Na een tijd komt u bij een kapel van de Heilige Rita op een straat uit, waarlangs een beek loopt: de Courant de Coutiches. Ze vormde de zuidkant van het slagveld.

 

CENSE ABBATIALE

U slaat nu naar rechts af, en volgt de straat die wat later een bocht maakt naar rechts en stijgt. Aan een T-kruispunt slaat u opnieuw rechts af, wat u even later nog eens doet en u slaat dan de Rue du Hem in. Bij de volgende splitsing gaat u opnieuw rechts. Even later komt u op hetzelfde kruispunt als daarnet. Nu slaat u echter links af, de Rue du Pas Roland in. U hebt nu een mooi uitzicht op de kerk, op de oude linde, de verbouwde resten van de abdij en op de Pas Roland. De abdij werd hier rond 600 na Christus gesticht door Bretoense monniken. Ze werden uiteindelijk uit Mons verjaagd tijdens de Franse Revolutie van 1789. De cense abbatiale, het gerestaureerde hoevegebouw langs weerszijden van de onderdoorgang, behoorde ooit nog toe aan de religieuze gemeenschap. De oude Linde werd in 1789 geplant als ‘boom van de vrijheid’.

 

SINT-JAN-BAPTISTKERK

U gaat via de rechterkant van de Pas Roland naar boven, gaat nogmaals onder de abdijpoort door, maar slaat daarna links af, richting kerk. Het opvallendste monument van Mons-en-Pévèle is de Sint-Jan-Baptistkerk uit de periode 1820-1824. Dewarlez, een Rijselse architect, ontwierp haar (net als de kerkhofpoort van Seclin!). Het klokkenensemble dateert uit 1882. Vroeger was de klokkentoren een toeristische trekpleister. Bij helder weer zouden wel 100 torens kunnen waargenomen worden, zoals die van Rijsel, Valencijn (Valenciennes), Orchies, Dowaai, Hénin-Beaumont en Lens of die van de oorlogsmonumenten van Notre Dame de Lorette en Vimy.

 

SINT-JANSBRON (FONTAINE SAINT-JEAN) EN ‘BÉGUINAGE’

Even verderop, ter hoogte van het dorpsrestaurant, slaat u linksaf naar de Place de Gaulle. U bent nu rond, maar er is nog iets wat u op uw wandeling niet hebt gezien: de Sint-Jansbron (Fontaine Saint-Jean). Tijdens de Slag bij de Pevelenberg zou het leger van Filips de Schone deze belangrijke waterput bezet hebben. De bron bestaat nog steeds, al ligt ze op privaatterrein. We kunnen haar wel exact voor u situeren. Aan het kruispunt met het dorpsrestaurant ligt aan de overzijde een soort recent woonhof: het béguinage de La Fontaine Saint-Jean (in de Rue du Moulin). Aan de achterkant van de binnenplaats van het hof, dat niet toegankelijk is, begint een steile helling naar beneden. In de diepte bevindt zich een gemetselde put, waar een roestige golfplaat overheen ligt. Het zijn vooral de koeien die de bron naar hartelust kunnen bewonderen... Ze zou beschikken over helende eigenschappen voor de ogen en de hersenen. Tot in de voorbije 20e eeuw kwamen omwonenden (en zelfs mensen uit België) om er hun kinderen met oog- en hersenproblemen te wassen en te baden. Oorspronkelijk was het een beekje met ijzerhoudend water, dat doorheen het moeras aan de voet van de berg stroomde, op en die via het kasteel van Blocus de rivier de Mark bereikt in Pont-a-Marcq.

 


De Slag op de Pevelenberg  18 augustus 1304

Leo Camerlynck

 

Na de zeeslag nabij Zierikzee op 10 augustus 1304 tussen een Vlaams-Engelse en een Frans-Hollandse vloot, waarbij de laatste als overwinnaar uit de strijd kwam, begon het tij te keren voor de Franse koning. De verovering van Zeeland door Gwijde van Namen was mislukt. Hij raakte in gevangenschap. Daarenboven was een van de helden van de Guldensporenslag, Jan van Renesse, op een ongelukkige manier om het leven gekomen. Na de slag verdronk hij toen een veerpont op de Lek te zwaar beladen was met manschappen.

In Vlaanderen had Filips van Chieti ondertussen een groot Vlaams leger verzameld. Ook de Franse koning had zijn landleger op de been gebracht. Via de toegangspoort Rijsel zou hij nogmaals een aanval doen op Vlaanderen. Na de nodige schermutselingen in Vlaanderen, onder andere nabij Dowaai en Grevelingen was het dan uiteindelijk zover. De legers waren elkaar tot op een halve mijl genaderd. De koning kon dit niet negeren. Ondertussen hadden de Vlamingen zich op de Pevelenberg verschanst. Strijd leek dus de enige overgebleven optie.

Die dag in augustus was het verzengend heet. Vroeg in de morgen kwamen de Vlamingen naar beneden met hun karren. Ze plaatsten ze op zodanige wijze, dat ze er drie hagen mee vormden die van de berghelling afliepen, over een lengte van zo’n 800 meter. Daartussen verschansten ze zich. Men schat dat beide legers ongeveer even sterk moeten zijn geweest: het Vlaamse telde zo’n 12.500 tot 15.000 manschappen, het Franse kon rekenen op zo’n 3.000 tot 3.500 ridders en 9.000 tot 11.500 man voetvolk. Rond negen uur begon de strijd. De Fransen deden enkele pogingen om de Vlaamse verdedigingslinie te ontmantelen. Zo lieten ze een ridderleger stormlopen op de karrenlinie, wat echter een list was. Zodra ze dicht genoeg genaderd waren, staakten ze hun aanval, het verlies van de Guldensporenslag indachtig. Speerwerpers en kruisboogschutters bestookten intussen de Vlamingen. Tegelijk trachtte de Franse ruiterij de Vlamingen weg te lokken uit hun stellingen door opeenvolgende geveinsde stormlopen. Dat lukte gedeeltelijk.

Meermaals deden (vooral) groepjes Ieperlingen en Gentenaren uitvallen tegen delen van het Franse leger, die zich ietwat afgezonderd hadden, wat vaak werd afgestraft als ze zich te ver van hun karrenlinie waagden. Het front bleef muurvast zitten. Intussen werden de Vlamingen ook bestookt met projectielen en werptuigen. Het waren uiteindelijk de Ieperlingen die erin slaagden vijf van die tuigen onschadelijk te maken. Een echte frontale aanval op het karrenstelsel mislukte iets daarna.

Intussen viel het onbewaakte bevoorradingskamp van de Vlamingen op de heuvelflank in handen van het Franse voetvolk. Veel Franse boogschutters verlieten hun stelling aan de Courant de Coutiches (Coutichesbeek) om te gaan plunderen. Na uren schermutseling bleef de uitslag van de kamp onbeslist. Aan beide kanten leden soldaten grote dorst, die vooral de Vlamingen parten speelde. Onder de felle zon zaten zij geblokkeerd in hun linie. Enkel de Bruggelingen, vlak bij de beek, hadden water. Zowel aan Vlaamse als aan Franse kant stierven mannen door een zonnesteek! De Vlamingen vroegen onderhandelingen, die vervolgens van vijf tot halfzeven duurden — de strijd werd even opgeschort. Intussen voerde Guy de Saint-Pol een omsingelingsmanoeuvre uit, waarvan de Vlamingen zenuwachtig werden. Toen gebeurde er een incident. Eerst werd een Frans onderhandelaar vermoord, nadien gingen de Vlamingen in de clinch met de Saint-Pol. Op het moment van het mislukken van de gesprekken vroeg Jan van Namen aan de drie andere opperbevelhebbers wat er moest gedaan worden. Zij opperden een frontale aanval uit te voeren.

De onzekere krijgstoestand had een tijdelijke rust gebracht in het Franse kamp. De Fransen maakten van de gelegenheid gebruik uit te rusten, en sommigen verkeerden in de overtuiging dat de strijd er voor die dag opzat. Opeens zagen ze de Vlamingen hun karrenlinie verlaten en op zich afstormen. Voor het Franse leger kwam de aanval onverwacht.

Filips de Schone raakte ingesloten. Zijn paard werd gedood door Van Guliks mannen. Hij werd blijkbaar niet herkend doordat hij zijn koninklijke lelies niet op had — ofwel hadden zijn dienaars die afgerukt om hem te beschermen, ofwel hadden ze geen tijd gehad om ze opnieuw aan te brengen. Door een van zijn eigen mannen werd hij in zijn harnas op een ander paard gehesen, zodat hij aan de Vlamingen kon ontsnappen. Zijn weldoener werd echter onthoofd. Op dat moment kon een deel van de Fransen zich hergroeperen. Zij snelden hun koning te hulp, waarbij de te ver doorgestoten groep van Willem van Gulik door een overmacht van Fransen helemaal werd uitgemoord. Intussen al avond, was de rest van de Vlaamse strijdmacht doorgestoten tot de tent van de koning. Toen bleek dat slechts de rechtervleugel van het Vlaamse leger, met manschappen uit het Brugse en het Rijselse onder leiding van Filips van Chieti, Robrecht van Nevers en Willem van Gulik, ten aanval waren meegetrokken. Jan van Namen had immers besloten om met zijn linkervleugel van Gentenaars en Ieperlingen de aftocht naar Rijsel te blazen, omdat zijn manschappen zwaar vermoeid waren door de schermutselingen vroeger op de dag. Omdat het bijna volle maan was en de Vlamingen vreesden voor een Franse tegenaanval, besloten ze zich terug te trekken naar de beek. De Fransen overwogen dat nog even, maar beslisten uiteindelijk er niet toe over te gaan.

Beide legers claimden daarop de zege. Het verlies van hun legerinfrastructuur betekende echter een gevoelig Vlaams financieel verlies. Op 20 augustus werd Seclin door Filips de Schone platgebrand. Op 23 augustus begon het Franse leger Rijsel te belegeren. Daar kon een nieuw kat-en-muisspel beginnen tussen beide legers. Beide kampen sloten een ‘akkoord’. Rijsel zou zich min of meer overgeven. De wens naar vrede in beide kampen leidde er echter toe dat het tot een wapenstilstand kwam. Filips van Chieti aanvaardde een vazal te worden van de Franse koning en Gwijde van Dampierre werd opnieuw graaf van Vlaanderen. Toch zou deze laatste, die nog steeds in de kerker van de Franse koning opgesloten zat, nooit worden vrijgelaten.

Over de onbesliste uitkomst schreef, zoals reeds hierboven vermeld, de Vlaamse kroniekschrijver Jacob de Meyer: ‘1k geloof dat God niet alleen medelijden had met de koning, maar met een dierbaar Vlaanderen, dat nog ergere calamiteiten te verwachten had indien de koning zou gesneuveld zijn.’

In het Paleis van Versailles - in de Galerie des Batailles - hangt een schilderij van de slag. Met dien verstande dat het daar opgehangen is omdat de Fransen zich — ook — als overwinnaars beschouwden.

 

Mededelingen

 

Hernieuwen bijdrage – jaar 2004

Het hernieuwen van de ledenbijdragen verliep uitzonderlijk vlot. In het geval dat u totnogtoe vergat of naliet de bijdrage te vereffenen verwijzen we andermaal naar onze rekeningnummers elders in deze webpagina’s. U kunt dan alsnog opteren voor de ledenbijdrage van 30 EUR (inclusief de extrapublicatie over de Pevelenberg), dan wel enkel voor het nieuwe jaarboek (25 EUR).

 

30e Frans-Vlaamse veertiendaagse

 

Wanneer deze Nieuwsbrief de lezer onder ogen komt zal de veertiendaagse – van 3 tot 18 april – reeds grotendeels verleden tijd zijn. Misschien toch meegeven dat binnen het kader van de veertiendaagse ook een dubbele tentoonstelling loopt in de zaal Iseland van de vismijn. Thema’s ervan zijn ’30 jaar Frans-Vlaamse 14-daagse’ en ‘700 jaar Slag om de Pevelenberg’. Onze aan de Pevelenberg gewijde nieuwe publicatie zal er te verkrijgen zijn.

Meerdaagse reis

Binnen het perspectief van Nederlands erfgoed in Duitsland leidt Leo Camerlynck andermaal een meerdaagse reis naar Duitsland. Stond vorig jaar de Rijn centraal, dan gaat het in 2004 - onder het motto Naer Oostland willen wij rijden… - naar de streek waarheen in vroegere tijden Nederlanders uit Noord en Zuid emigreerden; de streek die haar naam ontleend aan de herkomst van die landverhuizers: de Fläming. Een en ander daarover viel reeds te lezen in onze Nieuwsbrief 4/2003 (p. 8-9) en ook in dit nummer (Oranienbaum und Fläming) wordt er aandacht aan besteed. ZANNEKIN-leden krijgen andermaal de gelegenheid tot deelname aan deze reis die zal doorgaan van maandag 8 tot donderdag 11 juni a.s. Het secretariaat zal u op uw verzoek graag méér informatie meedelen.

 

Ontmoetingsdag ZANNEKIN

Onze Ontmoetingsdag zal dit jaar doorgaan op zaterdag 16 oktober. Met het thema van deze dag sluiten wij aan op het thema van onze Studie-uitstap van 15 mei naar de Pevelenberg. Voorafgaand aan de veldslag aldaar greep in datzelfde gedenkwaardige jaar 1304 een zeeslag plaats voor Zieriksee. De Vlamingen leden aldaar een nederlaag die niet zonder invloed geweest is op de uitslag van de strijd op de Pevelenberg. Zieriksee wordt daarmee het oord van onze Ontmoetingsdag, waarover méér in een volgende Nieuwsbrief.

 

 

Inhoud Jaarboek ZANNEKIN 26 (2004)

 

Medio mei verschijnt het nieuwe ZANNEKIN-jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’. De leden hebben het beslist vóór het einde van de maand in huis – eventueel samen met de brochure Pevelenberg 1304-2004.

 

3          Ten geleide

5          De Vereniging/Stichting ZANNEKIN

7          “Hanze” in Vlaanderen

            Erik Martens

21        De Slag op de Pevelenberg, 18 augustus 1304

            Joris de Sutter

33        Een Hollands verhaal in de aanloop naar Slag bij de Pevelenberg

            Jan van Tongeren

49        Vluchtelingendrukkerijen in het Kleefsland

            Dr. W.F.W.M. van Heugten

59        Oost-Nederland tussen Westfalen en Holland

            Marten Heida

63        Rintsje Piter Sybesma: een Fries nationalist verdwaald in de politiek

            Pieter Jan Verstraete

77        Taalverhoudingen en nationaal bewustzijn in Oost-Friesland

            Marten Heida

91        Een opmerkelijke vertaling

            Marten Heida

95        Nederlandstalige borden in de Nederlanden in Frankrijk (1)

            Antoon Lowyck

153      Kroniek De Franse Nederlanden

            Johan van Herreweghe

174      Kroniek en boekbesprekingen

207      Inhoudsopgave

 

 

Internationaal Bonifatius-symposium

Internationale meeting n. a. v. het 1250e-sterfjaar van Bonifatius

Organisatie: Stichting SEM (Studiekring Eerste Millennium)

 

Datum: zaterdag 6 november 2004

Locatie: Zalencomplex Bruininks Bavel (bij Breda)

Tijd: 11.00 uur - 16.00 uur

Kosten: 20 euro p.p., inclusief syllabi en lunch.

Reservering verplicht. Alle intekenaren krijgen persoonlijk bericht.

 

Voorlopig programma met de volgende lezingen:

1.    Dokkum en Bonifatius: historie of devote mythe?

2.       Alternatieve hypotheses

                   Bonifatius, Willibrord en Frans-Vlaanderen

                   Bonifatius, Willibrord en Antwerpen

                   Bonifatius, Willibrord en Maastricht

Lunchpauze

3.       Commentaar op de alternatieve hypotheses

4.    Het onhanteerbare begrip “Middeleeuwen”; een literatuuronderzoek

5.    Het verschijnsel “vervalsing”, onder meer in verband met Fulda

Theepauze

6.    Plenaire discussie

7.    Afsluiting

 

Voorlopige sprekerslijst:

De presentaties 1, 2, 4 en 5 worden verzorgd door medewerkers aan het SEM-kwartaalblad SEMafoor. Voor presentatie 3 worden deskundigen uitgenodigd uit de kring van de Fryske Akademy te Leeuwarden.

 

Medegedeeld door en info bij: Secretariaat SEM,

Hof 6 4854 AZ Bavel (NL)

E-mail: info@semafoor.net

Website: www.semafoor.net


Oranienbaum und Fläming  

Auf den Spuren der NiederIänder und Flamen  

in Sachsen-Anhalt und Brandenburg

 

door RhedaWiedenbrück & Jürgen Sudhölter

Im Juni 2003 wurde nach umfangreichen Restaurierungsarbeiten das Barockschloss Oranienbaum mit einer Ausstellung über die Verbindungen des Bauwerks mit dem Königshaus der Oranier wiedereröffnet. Die Ausstellung unter dem Titel “Oranienbaum. Huis van Oranje - Wiedererweckung eines anhaltinnischen Fürstenschlosses” will die 5 Jahrhunderte der Familiengeschichte von Wilhelm von Oranien his zu Königin Beatrix durch Bildwerke und andere Exponate sichtbar machen.

Angefangen hatte alles im ,Jahre 1659, als Prinzessin Henrietta Catharina, Tochter Frederik Hendriks und seiner Gattin Amalia von Solms, den Erbprinzen von Anhalt-Dessau heiratete. Die letzten 60 Jahre beherhergte das Schloss allerdings das Archiv yon Anhalt. Nun ist die Schlossanlage für die Öffentlichkeit wieder zugänglich und wird gewiss auch viele Touristen aus den Niederlanden anlocken. Als Prunkstück des Gebäudekomplexes, der etwa 100 km südwestlich von Berlin in Sachsen-Anhalt liegt, kann sicherlich der Speisesaal mit den blauen Delfter Fliesen angesehen werden. Schloss Oranienbaum wurde unter die Leitung der Kulturstiftung Dessau-Wörlitz gestellt.

Die Ausstellnng. zu der auch ein Katalog zum Preis von 29,80 EUR erschienen ist, lauft bis zum 24. August 2003. Das Schloss kann bis zum 31. Oktober besichtigt werden.

Wer die Autobahn A 9 von Berlin in Richtung Dessau fährt, durchquert die Moränenlandschaft des Fläming. Der Name der Landschaft rührt von den hier im Mittelalter in grosser Anzahl als Siedler zugezogenen Flamen oder Flämingern. Albrecht der Bär wurde 1134 Markgraf der Altmark und unterwarf auch Brandenburg. Die dünn besiedelten Gebiete wurden damals noch überwiegend von slawischen Völkern bewohnt. Albrecht der Bär rief Rheinländer, Holländer und Flamen zur Besiedlung ins Land. Dabei half ihm Erzbischof Wichmann von Magdeburg. In der Magdeburger Schöppenchronik heisst es: .”Dusse bisschop Wichmann bedwang dat land to Juterboc unde satte dar bure und makede dat land dissem godeshuse tinsaftig.” Mit “bure” sind Bauern, nicht Nachbarn gemeint, und “tinsaftig” bedeutet zins und tributpflichtig.

Enige Ortsnamen erinnern noch heute an die Siedler, die aus den Niederlanden und Flandern kamen. So liegt rechts der A 9 bei der Ausfarht Nr. 4 die Ort Brück von Brügge. Links der Autobahn bei der Ausfarht Nr. 5 kommt man nach Niemegk, benannt nach Nijmegen. Rosenthal an der Bundesstrasse 102 entwa 20 km östlich von Jüterbog geht wohl auf Roosendaal zurück. Während die bisher genannten Orte alle in Brandenburg liegen, gehört das Dorf Euper, das das flämische Ieper oder Ypern verkörpert, zu Sachsen-Anhalt und liegt nordlich der Lutherstadt Wittenberg.

Ontleend aan: nachbarsprache niederländisch, 1/2003, p. 61, Uitgegeven door de Fachverenigung Niederländisch e.V., Alter Steinweg 6/7, D. 48143 Münster.

Geldern-Atlas

 

Karten und Texte zur Geschichte eines Territoriums

Naar een overzichtelijke historische atlas met betrekking tot de geschiedenis van Gelderland diende men tot voor kort tevergeefs te zoeken. De thans door het Historischen Vereins für Geldern und Umgegend gepubliceerde Geldern Atlas. Karten und Texte zur Geschichte eines Territoriums dicht deze lacune op voortreffelijke wijze. De atlas bevat 45 ingekleurde paginagrote kaarten omtrent de politieke geschiedenis, de territoriale evoluties en bestuursindelingen, de kerkelijke en confessionele verscheidenheid en de geestes- en cultureel-historische geschiedenis van deze gebieden, deels gelegen binnen de Duitse Bondsrepubliek, deels behorend tot het Koninkrijk van de Nederlanden, maar in zijn geheel behorend tot het voormalige hertogdom.

De tegenover de kaarten afgedrukte teksten bieden bijkomende gegevens en helpen de kaarten te interpreteren binnen hun geografische en historische context. Een historische overzichtstekst biedt een chronologisch geheel dat reikt van de middeleeuwen tot op de dag van vandaag. Een uitvoerige literatuuropgave rond het geheel af. Deze uitgave richt zich niet slechts tot de vakhistorici, maar bied een breed publiek inzicht in wat geweest is en hoe het allemaal gegroeid is.

________________

N.a.v. Irmgard Hantsche, Geldern-Atlas. Karten und Texte zur Geschichte eines Territoriums, Uitg. Historischen Vereins für Geldern und Umgegend, Band 103, Geldern, 2003, geb., ill., 128 p., ISBN.3-921760-39-9.

 

Bataven!

 

Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk 1787-1793

Frankrijk, het land van de revolutie. Duizenden Nederlanders maakten de Franse Revolutie als politieke vluchtelingen mee. Een groot Pruisisch leger had hen in september 1787 uit Nederland verdreven. Dit Pruisische leger was de prins van Oranje, stadhouder Willem V, te hulp geschoten bij het onderdrukken van de democratische hervormingsbewegingen van de patriotten. De krijgshandelingen gingen gepaard met veel geweld, duidenden vernielde huizen en massale vervolgingen.

Het Frankrijk van koning Lodewijk XVI bood de patriotse vluchtelingen veiligheid, uitkeringen en onderdak. In Frans-Vlaanderen vormden zij een soort kolonie (Sint-Omaars en Sint-Winoksbergen). Zowel daar als in Parijs waren zij getuige van de Franse Revolutie die korte tijd later uitbrak. De patriotse leiders hadden nauwe banden met de revolutionairen als Mirabeau, Lafayette en Cloots. Samen met hen zaten zij in revolutionaire clubs.

Naar het voorbeeld van hun heldhaftige voorvaderen namen de patriotse vluchtelingen de naam van Bataven aan. Ze bezaten hun eigen uitgeverijen, kranten en genootschappen. Met succes voerden zij een lobby om democratie en mensenrechten alsnog met Franse militaire steun in Nederland ingevoerd te krijgen.

Historicus Joost Roosendaal gaat in deze doorwrochte studie over een vrij onbekende maar dramatische periode uit de Nederlandse geschiedenis op zoek naar deze Bataven en hun politieke cultuur. Wie waren zij? Wat was de eigen taal van de Nederlandse revolutionairen? Geloof en revolutie bleken voor hen niet zo strijdig als wel wordt verondersteld. We komen op deze studie terug middels een uitgebreide recensie in het ZANNEKIN-jaarboek!

_______________

N.a.v. Joost Rosendaal, Bataven! Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk 1787-1795. Uitg. Vantilt, Nijmegen, 2003. ISBN. 90 77503 064. Geb., 735 p., 39,90 EUR, met CD-rombijlage Bataven! Lijst van de Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk 1787-1795.  

Vanaf de zijlijn

 

Marten Heida, Veenendaal

 

Veranderend taalgebruik

Albert Rötterink is er niet helemaal gerust op. Vandaar dat hij achter zijn schrijftafel is gaan zitten om zijn mede-Graafschappers deelgenoot te maken van wat hem bezig houdt aangaande het sterk veranderde taalgebruik. Oude woorden zijn buiten gebruik geraakt; ze hebben plaats moeten maken voor nieuwe. De oorzaak? Wel de voorwerpen die er door benoemd werden zijn verdwenen; ze zijn “ingeruild” voor een keur aan toestellen met uiteraard hun eigen benaming. Anders gezegd: “man mött mett de Sproake mettgoan in de Tied.” Dat was ook vroeger al het geval, alleen het tempo van verandering ligt veel hoger als gevolg waarvan “de plattdütsche Sproake hoast nich meer mettkump”. Afsluitend komt hij tot de vaststelling (en ik laat het hem maar weer zeggen in zijn eigen streektaal): “Disse Entwicklung is nich uptohollen. Et is bloss wichtig, dat man de aulen Utdrücke en Wöärde föör disse aulen Saken upschriff, dat se föör de Noawearld owerlewert wödd’ en nich verlören goat, men in ’t daagsche Lewen bint se nich meer te gebruiken. Wat wegg is, dat is wegg, dat is nu eenmoal soa. Heel wichtig föör de plattdütsche Sproake is, dat see soavöll as ’t geht noch spröcken en doarmett wietergewen wödd, am besten in de Familien sölws, men ock in de Schoole, bij ’t Wark off in de Gesellschup. Ock plattdütsch in’n Kinnergoaren was wichtig off ock in de Karke. Man kann ock up platt beten en singen.

Wat könn wij van dat Geseggte fastehollen? De plattdütsche Sproake mött sick verannern en mett de Tied mettgoan. Dan heff dat Plattdütsche ne groote Kaanst ook in Tokumst to bestoann. Men Plattdütsche mött plegt wönnen, anners starwt et in eenige Joaren ut. Alle dee noch Platt proat’ en dee, dee an ’t Platte interesseerd bint, süllen doaran mettwarken en vöorupgoan. Wij mött soa däinken, sünner ounse Platt günk ouns sölws, men besünners ounse Noakummen ne heele Masse verlöören. Dat was doch jammer. En noch eens, woarum man ock plattproaten süll: Twee Sproaken  bint meer as eene.” Bron: Bentheimer Jahrbuch 2004, pp. 385-387.  

De Genadekapel in Kevelaer bestaat 350 jaar

Dat feit gaat men op een zeer bijzondere wijze luister bijzetten. Kopieën van het in deze kapel aanwezige Mariabeeld gaan op rondreis. Een gezin, een persoon of een organisatie mag er voor 24 uur één mee naar huis nemen om het te aanbidden of zomaar te bewonderen. De volgende dag moet het worden teruggebracht om tijdens het “avondlof” te kunnen worden overgedragen aan een volgende kandidaat. Niet slechts inwoners van Kevelaer hebben te kennen gegeven voor de tijdelijke huisvesting in aanmerking te willen komen, ook elders wonenden – waaronder Nederlanders – hebben er zich voor aangemeld. Maar voorlopig zijn zij nog niet aan de beurt; de komende maanden zijn namelijk volgeboekt door inwoners van Kevelaer. Bron: Nederlands Dagblad, 3.2.2004.

 

Een Nederrijnlandse erfenis

In 1600 kwam stadhouder Maurits in het bezit van het graafschap Meurs; hij erfde het van de gravin van Nieuwenaar. Weliswaar nam de hertog van Kleef bezit van de stad, maar dat deerde Maurits nauwelijks. Immers zolang Meurs deel uitmaakte van het hertogdom Kleef lag het in neutraal gebied. Het was dan wel niet helemaal gevrijwaard van Spaanse aanvallen, maar toch relatief veiliger dan wanneer de Staten zelf de verdediging op zich hadden moeten nemen. Bron: dr. A. Th. Van Deurzen, ‘Maurits van Nassau’, pp. 218-219.

 

Gedoogde immigratie

In het Friesland van de 16e eeuw kwam naast contractimmigratie ook gedoogde immigratie voor. De laatste vorm had met name betrekking op doopsgezinde vluchtelingen uit het zuidelijke deel van de Nederlanden. Zij vonden in dit gewest vooral onderdak in Harlingen. Dat ze hun brood verdienden in de lakenindustrie blijkt uit de naam “tobbedânsers”. Hun integratie verliep allesbehalve soepel. “Ze gaven b.v. aanstoot door hun zwierige kleding en door de Bourgondische manier waarop ze hun relaties plachtten te onthalen.” Als dan ook nog de Gentse immigrant Jeroen Tingieter benoemd wordt tot voorganger is dat voor de Friese broeders van de Harlinger Doopsgezinde gemeente te veel van het goede; de gemeente “valt uiteen in een grote Friese en een kleine Vlaamse”.

Eén van de Harlinger doopsgezinde voormannen is de (vermoedelijk) uit Kortrijk afkomstige Jacob de Ring. Hij was eigenaar van een brouwerij. Zijn zwager was ene Rogier Jans. Deze trad “in Harlingen op als agent voor het Antwerpse handelshuis Coymans”.Zo verscheepte hij in 1577 ruim 3000 kg. hop van Antwerpen naar Harlingen. Aan deze handel had zijn huis de naam Hopzak te danken. Het ligt voor de hand dat een deel van deze hop bestemd was voor zijn zwager Jacob de Ring, die met de productie van Vlaams bier op Friese bodem kennelijk een gat in de markt had gevonden. Deze hop was afkomstig uit Aalst en Poperinge. Al kwam de aanvoer regelmatig in het gedrang door oorlogshandelingen, via zijn zwager kon hij profiteren van de wijdvertakte contacten van de familie Coymans. Bron: De Vrije Fries, 200.3, pp. 10-17.

 

Een woord aan eigen bodem

U hoeft zich niet langer bezwaard te voelen dat u een nakomeling bent van de bedenkers van het misprijzende woord waarmee Duitsland in onze landen nogal eens wordt aangeduid. Over welk woord ik het heb? Het zal u duidelijk worden als ik u alvast de eerste letter – een “m” – meegeef en eraan toevoeg dat het woord in totaal zeven letters telt. Het is me gebleken dat dit woord geen Nederlandse of Vlaamse “uitvinding” is, maar één van de eigen Duitse bodem. De Graafschap Bentheim stond n.l. vroeger niet al te goed aangeschreven bij hen die er ten oosten van woonden. Wanneer Wilhelm Lange (afkomstig uit de omgeving van Osnabrück-Osnabrugge) in het najaar van 1904 benoemd werd als onderwijzer te Osterwald in de Graafschap, dan reageert hij op dit bericht met de woorden: “Uitgerekend Moffrika!” Afsluitend kan ik melden dat het hem er goed gegaan is; hij heeft zelfs dit afgelegen oord lief gekregen. Bron: Bentheimer Jahrbuch 2004, pp. 247-250.

Marten Heida

Prins Willem-Alexanderpark 53

3905 CB Veenendaal

 

Over Aalst en andere verhalen

Met ‘Vertel nog eens van België’ heeft André Alexander Galle, bekend van zijn kortverhalen in De Standaard Magazine, zijn eerste verzamelbundel uit. Het boek bevat 13 kortverhalen. Eén ervan speelt zich af in Aalst en Lede.

‘Schwarzbraun ist die Haselnub’ is de titel van het bewuste kortverhaal en gaat over een Aalsterse schelm die er wil achterkomen of de Duitsers werkelijk muziek in het bloed hebben. De Asserendries, het rangeerstation Kerrebroek en de Vijfhuizen. Wie de streek kent, kan het zich levendig voor de geest halen. Alle verhalen in het boek werden gebaseerd op waargebeurde feiten. De rest is verzonnen. Allen zijn het snapshots uit het Belgische leven in nog niet zo lang vervlogen tijden. Nu woont Galle in Ukkel, maar de Tweede Wereldoorlog maakte hij mee in Aalst. De beschrijvingen in het kortverhaal over de Aalsterse schelm zijn dus deels gebaseerd op zijn ervaringen. “Ik heb er zowel de intrede van de Duitsers als de Engelsen meegemaakt”, vertelt de auteur. “Twee indrukwekkende gebeurtenissen die heel wat nieuwsgierigen lokten.” ‘Vertel nog eens van België’ gaat over Vlamingen in Belgische situaties. “Ik wilde vooral de kleine man beklemtonen en heb ook plaats gelaten voor heel wat humor”, besluit André Alexander Galle. ‘Vertel nog eens van België’ werd uitgegeven bij Zannekin en kost 16,03 euro (inclusief verzendkosten).  

Het laatste woord

Europa zal Belgisch zijn of zal het niet zijn

Deze woorden komen uit de mond van niemand minder dan Benno Barnard, de Belgisch-Nederlandse schrijver en publicist. Hiermee bedoelde de auteur van Uitgesteld Paradijs dat Europa de verscheidenheid aan talen en culturen zal beschermen of dat het anders dreigt uit te groeien tot een groot geheel met één taal, het Engels, en waar de cultuurvervlakking elke diversiteit fnuikt. Met Belgisch wilde Benno Barnard verwijzen naar de huidige Belgische Staat. Maar in historisch verband is Belgisch ook synoniem voor Nederlands. De Leo Belgicus is er het mooiste voorbeeld van.

De Benelux, die ook grotendeels de historische Nederlanden uitmaakt, lag aan de wieg van het één wordend Europa. We maakten er al eerder melding van. Binnen de grenzen van die Nederlanden kiemde het Europese samenhorigheidsbesef. Het zou jammer zijn indien wij die voortrekkersrol niet zouden blijven behartigen. Binnen de circa 85.000 km² van de historische Nederlanden ontwikkelden zich talen en levensbeschouwingen, maar er bleef één gemeenschappelijke cultuur overeind ondanks de balkanisering van het gebied.

De talen, het Nederlands, het Fries, het Duits, het Letzeburgs, het Frans, het Waals, genieten bescherming. De levensbeschouwingen, religieus of humanistisch, worden geëerbiedigd. Dat moet model staan voor heel Europa. Dat het in het verleden niet altijd zo is geweest en dat het resultaat niet zonder slag of stoot werd bekomen, staat buiten kijf. Maar alles is tot rust gekomen. Een Iers EU-ambtenaar vertrouwde ooit toe dat de Nederlanden het laboratorium voor Europa zijn. Dit moet er ons toe stimuleren niet alleen een voortrekkersrol te spelen, maar tevens een taak van behoeder en uitdrager van het dierbaar Nederlands gedachtegoed te vervullen. Te vaak ontbreekt het binnen die Nederlanden evenwel aan voldoende zelfvertrouwen om die opdracht te behartigen. Economische motieven werken nog vaak remmend. Denken wij bvb. aan de IJzeren Rijn.

Maar er zijn meer tekenen van verbondenheid dan onenigheid. Het jongste voorbeeld van succesvol grensoverschrijdend initiatief is Rijsel 2004 Europese Culturele Hoofdstad. Rijsel werkt samen met historisch Nederlandse steden zoals Atrecht, Grevelingen, Robaais, binnen de Franse Nederlanden, maar ook met steden zoals Kortrijk en Antwerpen binnen Belgisch-Vlaanderen en met Doornik en Bergen binnen het Walenland.

Leo Camerlynck

Voorzitter ZANNEKIN

“De Zavelberg”, E. Michielsstr. 51, B. 1180 Ukkel