> nieuwsbrief > 22e jg. - 3e trimester 2004

Bijdragen over Tip

Mededelingen

Hernieuwen bijdrage – jaar 2004

Onze leden ontvingen reeds aanvang mei het nieuwe jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’; het 26e in een stilaan statige reeks. Voor de achterblijvers nemen we verderop in dit nummer onze persberichten op, zowel m.b.t. het nieuwe jaarboek als m.b.t. de extra-uitgave naar aanleiding van de herdenking van de Slag op de Pevelenberg.

Lofuitingen n.a.v. ‘Vertel nog eens van België…’

De door de Vereniging/Stichting ZANNEKIN eind vorig jaar onder deze titel uitgebrachte verhalenbundel van de hand van André Alexander Galle – inhoudsoverzicht in onze Nieuwsbrief 1/2004, pp. 5-6 – kende een wel erg gunstig onthaal. Naast het vraaggesprek met de auteur, in Brussel, deze week, sprokkelden we nog volgende lofuitingen aan zijn adres:

“Stilistisch verzorgde en aansprekend vertelde verhalen. Telkens staat de wat zwakkere mens centraal. Hij trekt dan ook meestal aan het kortste eindje, in feite niet opgewassen tegen de maatschappelijke manipulaties van anderen. In die zin ook wel wat maatschappijkritisch, maar zachtjes en rustig aan, als het ware terloops maar wel met een duidelijke impact. Waardevol lijkt me ook de uitgesproken psychologische profilering van diverse karakters, eens te meer zonder veel nadrukkelijkheid gegeven. Fraai geschreven.” (Lectoraat)

“Met een haarfijn scalpel legt André Alexander Galle de Europese samenleving open.” (Howard Firkin, Australian Short Stories)

“Ik vind geen woorden om mijn verbazing over de schoonheid van de kaft te beschrijven. Ze  is prachtig! Kunt u de schilder en de naam van het schilderij zeggen? Kunt u me een zeer grote bijlage van de kaft sturen, zodat ik ze voor  mezelf kan drukken?” (G. P., Crispiano)

“Veel succes met uw boek en uw onweerstaanbare verhalen!” (D. W. , Luxemburg)

“De meesterlijke verteller slaat eindelijk weer toe. De hoofdrolspelers in de verhalen zijn ons bekend, zij wonen in de dorpen en de steden waar wij vandaan komen. Maar toch blijven zij ons verrassen met hun apart levensverhaal. Een must voor de feesten!” (‘t Leeuwke, nieuwsbrief van de Vlaamse Club Luxemburg)

“Wat heb ik ervan genoten! Houd me alsjeblieft op de hoogte als er weer iets van hem uitkomt, een roman misschien?” (J. M. , Thionville)

“U kunt zo heerlijk vertellen!” (A. D., Ukkel)

“Ik heb ervan genoten. Vooral de knipoogjes naar Monsieur Hulot zijn enig. P.S. Vertel nog eens van Italië.” (V. V., Halle)

“Ik was soms erg ontroerd, en altijd geestdriftig over je fijn geslepen taal en humor. Het laatste verhaal is een kostbaar kleinood dat ik al in De Standaard-magazine had gelezen. Goed dat je het hebt opgenomen!” (M. E. G, Aalst)

De uitgave is nog steeds beschikbaar, mits overschrijving van 14,80 euro op een van de ZANNEKIN-rekeningen.

Ontmoetingsdag ZANNEKIN

Onze Ontmoetingsdag zal dit jaar doorgaan op zaterdag 16 oktober. Met het thema van deze dag sluiten wij aan op het thema van onze Studie-uitstap van 15 mei naar de Pevelenberg. Voorafgaand aan de veldslag aldaar greep in datzelfde gedenkwaardige jaar 1304 een zeeslag plaats voor Zierikzee. De Vlamingen leden aldaar een nederlaag die niet zonder invloed geweest is op de uitslag van de strijd op de Pevelenberg. Zierikzee wordt daarmee het oord van onze Ontmoetingsdag, waarover méér in de volgende Nieuwsbrief.

Stadsgezichten van de Lage Landen

Onder het motto Stadsgezichten. Wandelen door cultuur en religie van de Lage Landen organiseert het Davidsfonds een reeks activiteiten gespreid tussen 17 april en 17 oktober. Beurtelings komen aldus Leiden, Leuven, Antwerpen, Amsterdam, Ieper, Rotterdam, Deventer, Rijsel, ’s-Hertogen-bosch en Gent in de kijker te staan. Meer info: www.stadsgezichten.org

Jaarboek 26

zie publicaties

Brochure  Slag op de Pevelenberg

zie publicaties

Gerhard Tersteegen

Raymund Sper, Meurs

Kennelijk ontroerd volgde de zijn dienst verlatende bondskanselier Helmut Kohl op 17 oktober l.l. in Speyer de “Große Zapfenstreich” (de grote taptoe), ten uitvoer gebracht door de Bundeswehr en in aanwezigheid van 17.000 toeschouwers. Hij genoot daarmee na zestien jaar bondkanselier geweest te zijn de eer van het hoogste militaire ceremonieel. Wat hij te horen kwam na het bevel aan de erehaag soldaten “Helm ab zum Gebet” (helm af voor het gebed) dat was het vrij gevoelvol geïntoneerde gebed van grote protestantse schrijver van kerkliederen Gerhard Tersteegen: “Ich bete an die Macht der Liebe” (Ik bid tot de macht van de liefde), dat al tientallen jaren bij het grote taptoe hoort. In de liedboeken van de protestantse kerk is de Duits gereformeerde piëtist, dichter, stichter van een broedergemeenschap en schrijver van opbouwende werkjes en geestelijke liederen wel nog heel erg present, en dat niet alleen in Duitsland maar wel over de hele wereld in vertaling.

Geboren werd Gerhard Tersteegen, of Gerard ter Steegen of ook Gerrit ter Steegen, op 25 november 1697 in Moers - toen nog Meurs geschreven. Vandaag de dag is er niet meer veel te merken van het bestaan van deze man, tenminste niet in zijn geboorteplaats. Wel hangt er aan zijn geboortehuis (op de hoek Kirchstraße/Altmarkt) een bronzen plaatje met een herinnering aan de grote zoon van de stad en aan de rand van het stadcentrum is bovendien een vrij rustige Tersteegenstraße te vinden en het “Evangelische Gemeinde-zentrum” op de Haagstraße is naar hem genoemd: het Tersteegenhaus. In de telefoongids zijn een dertigtal ansluitingen met deze naam opgenomen, maar de Tersteegens komen aan de Duitse Nederrijn in verschillende schrijfwijzen ook heel vaak voor. Het is dus niet gezegd, dat het nazaten van Gerard Tersteegen zijn. Hoe dan ook: Gerhard Tersteegen heeft met Moers ook niet al te veel te maken gehad behalve dat hij daar zijn prille jeugd heeft doorgebracht. Maar daarover is helaas niet veel bekend. Er bestaat trouwens ook geen portret van de dichter. Meer herinneringen, zoals het huis waarin hij gewoond en gepreekt heeft, zijn in Mülheim aan de Ruhr te vinden, dat zo’n 25 kilometer van Moers vandaan ligt.

Tersteegen werd als jongste kind van de koopman Heinrich Tersteegen en zijn echtgenote Anna Cornelia Triboler geboren. Het echtpaar kreeg in het geheel zes zoons en twee dochters. Op 1 december 1697 werd de kleine Gerhard gedoopt, en wel in de gereformeerde geloofsleer. Uberhaupt grepen toen in de regio waar hij geboren werd verschillende godsdienstig-kerkelijke invloeden in elkaar wat met het versplinterde territoriale bestel en de wisselvallige politieke gebeurtenissen te maken had. Aan de ene kant stonden het Nederrijnse en het Nederlandse protestantisme in reformistische oriëntering, en daarnaast de lutherse geloofsgemeenschap. Aan de andere kant handhaafde zich het Roomse katholicisme met Duitse en Spaanse signatuur. Vooral de confessionele gevechten vonden hun neerslag in de geschiedenis van het graafschap Meurs. Na introductie van de Lutherse reformatie (1560) door graaf Hermann komt het graafschap onder Spaans bewind (1586), wordt dan door vererving een Nederlands gebied vooraleer het (1702/1712) bij Pruisen komt. Vooral in de tijd van de heerschappij door het huis Oranje (1597 tot 1712) werd de gereformeerde gemeente groot en sterk. Een kerkzegel uit de eerste helft van de 17e eeuw toont een roos tussen doornen. En dat staat ook in het Latijn geschreven: Sigillum Ecclesiae Morsensis ut Rosa inter Spinsis (Zegel van de kerk van Moers. Als een roos onder doornen). Moers kreeg toen als gereformeerde gemeente in Rheinland-Westfalen binnen het katholieke “Kurköln” een orgel, wat misschien niet onbelangrijk is voor de biografie van Gerard Tersteegen want de kleine Gerard woonde op niet meer dan dertig á veertig meter afstand van de kerk vandaan en heeft het zeker vaak horen bespelen. In plaats van met de andere kinderen aan een dichtbij gelegen vijver te gaan hengelen of iets anders te spelen moest hij meestal in huis blijven omdat hij een erg ziekelijk jongentje was. In 1703 werd Gerard Tersteegen in de Latijnse School “Schola Illustris”, het huidige Gymnasium Adolfinum, opgenomen. Hij doorliep alle klassen en leerde heel goed het Grieks en het Hebreeuws. In het Latijns was hij zo goed dat hij bij een openlijk examen een rede in het Latijns hield! Een van de aanwezige wethouders was zo onder de indruk dat hij Gerards moeder dringend aanraadde haar zoon te laten studeren. Maar ze wees het af omwille van familiale redenen. 

Op zijn vijftiende - 1713 - ging Gerard Tersteegen naar Mülheim aan de Ruhr, om daar bij zijn schoonbroer, de koopman Matthias Brink, een vier jaar durende opleiding als koopman te volgen. In zijn vrije tijd las hij in de bijbel en bestudeerde hij godsdienstige geschriften die hij van een godsvruchtige koopman uit mocht lenen. Es dat waren vooral in het Nederlands opgestelde boeken.Later zou hij als zijdebandwever te gaan werken en maakte hij een grote ontwikkeling door. Hij werd uiteindelijk zielzorger en naturopaat. Op 3 april 1769 stierf hij aldaar.


Govert van Bocholt

Drs. Leo Rienks, Nieuwerkerk/IJssel

De eerste twee hoofdstukken behandelen de betrokkenheid van deze Gelderse edelman bij de ontginning van de pas bedijkte Zijpepolder bij Alkmaar. Van het vroegere zeegat het Zijpe is de monding nog steeds kenbaar aan de Pettense zeewering die de duinenrij onderbreekt.

Van Bocholt verwierf zijn gronden onder meer uit het bezit van ene Mr.Ncolaï en de schilder Jan van Scorel die als bedijkers waren opgetreden.(1552) Hij richtte er een zoutziederij op die geheel verwoest werd toen de Allerheiligenvloed van 1570 een dijkbreuk veroorzaakte. Herbedijking kwam pas op gang in 1577 en bracht veel juridische en financiële strubbelingen met zich mee.

De eerste twee hoofdstukken zijn waarschijnlijk meer een gelegenheidsstudie n.a.v. het 400-honderdjarig bestaan van de Zijpepolder, tevens schrijvers geboortestreek,waarbij zijn aandacht werd getrokken naar Van Bocholt wat resulteerde in diens levensbeschrijving. Deze hoofdstukken over de Zijpepolder hadden beter ingepast kunnen worden in het geheel van de activiteiten van Godert, hetgeen de opbouw van het boek ten goede zou zijn gekomen. De schrijver spreekt in zijn “Ten geleide” haast verontschuldigend van een “twee-sporen-opzet”, waarvoor “na overleg” gekozen is.

Pas in de volgende hoofdstukken wordt nader ingegaan op de persoon van Van Bocholt, zijn handelingen en optreden in de oorlog met Frankrijk bijvoorbeeld en de beginjaren van de Opstand in de Lage Landen.

Het geslacht Van Bocholt is afkomstig uit Opper-Gelder, waar het voorvaderlijk slot gelegen was bij Lobberich ten oosten van Venlo. Binnen de lotgevallen van dit geslacht worden de staatkundige en godsdienstige gebeurtenissen beschreven tot het hertogdom Gelre met Karel V onder Habsburgs-Bourgondisch gezag kwam. (Verdrag van Venlo, 1548) Bijzondere aandacht wordt in dit kader aan het stamgewest en de vestingstad Wachtendonk besteed.

Door huwelijken breidde Godert intussen zijn bezit uit en vergrootte zijn aanzien. Bij de krijgsverrichtingen van Oranje in het Overkwartier,die aanvankelijk succesvol verliepen, moest Van Bocholt Wachtendonk, waarover hij de heerlijke rechten uit oefende,overgeven. Waarschijnlijk bracht dit een eerste ontmoeting van Van Bocholt met Oranje te weeg, wiens zijde hij naderhand kiest en tot wiens ”oudste trouwe dienaren” hij later gerekend wordt. (hs.36)

Van Bocholt zal zich aanvankelijk onderscheiden als gezant en krijgsman onder de Habsburgse Landsheren, onder meer in de Slag bij St.Quentin tegen Frankrijk en later in dienst van de Staten-Generaal. Mede-ondertekenaar van het Compromis der Edelen (1566) stond hij aan het begin van de Opstand van de Nederlanden en sneuvelde in een gevecht tegen plunderende Hoogduitse huurlingen in Spaanse dienst bij Roermond.(1577) De Pacificatie van Gent (1576), het kroonstuk van Oranje in zijn streven naar algehele samenwerking en godsdienstvrede in de Nederlanden heeft Van Bocholt nog meegemaakt en dit gebeuren zal hem, ook als Katholiek, bijzonder aangesproken hebben.

De schrijver heeft met zijn boek een tamelijk onbekende historische persoonlijkheid uit de beginjaren van de Opstand a.h.w. aan de vergetelheid ontrukt. Deze man had verschillende kwaliteiten en zette zich op velerlei terrein in voor de wordende Nederlanden, inzonderheid in zijn eigen gewest, maar ook bijvoorbeeld in Artesië en Noord-Holland.

Een schat van gegevens, goed gedocumenteerd, is bijeengebracht rondom de hoofdpersoon. Dit geldt evenzeer voor de beschrijving van de gebeurtenissen in het vergeten gewest Opper-Gelder en in het algemeen voor episoden uit de Vaderlandse Geschiedenis.

De schrijver overschrijdt echter soms de levensloop van de titelpersoon door lijnen naar het toekomstperspectief te trekken en af en toe ver vooruit te grijpen op wat nog komen moet. Zo gaat hij nader in op de gevolgen van de Unies van Atrecht en Utrecht (1579) voor Opper-Gelder en vermeldt zelfs de bekende bepaling over Opper-Gelder bij de Vrede van Munster (1648) dat het tegen een te onderhandelen “gelijkwaardig equivalent” over zou gaan naar de Republiek.

Niettemin een zeer lezenswaardig boek, ook juist door wat het meer geeft dan de titel belooft.

________________

N.a.v. P. Dekker, Govert van Bocholt, Uitg. Pirola, Schoorl, 1998. ISBN 90 6455 247 7

De Nederlandse Taalunie is springlevend

Bij ons lijkt het stil rond de Nederlandse Taalunie tussen Vlaanderen en Nederland. Zelfs als er zich opmerkelijke gebeurtenissen voordoen, zijn de media nauwelijks geïnteresseerd. In de brede pers vonden we de vorige weken dan ook niets terug over belangrijke ontwikkelingen in de schoot van de Nederlandse Taalunie. Zo werd op 2 december in Brussel in de ambtswoning van de Vlaamse minister-president een overeenkomst onder-tekend waardoor Suriname officieel deel gaat uitmaken van de Nederlandse Taalunie. Het Nederlands is daar immers de lingua franca boven zo’n twintig andere talen en wordt dan ook aanzien als de taal die gebruikt wordt voor groepsoverschrijdende communicatie Het is de taal in het onderwijs, het bestuur en een groot deel van het openbare leven. Door het verdrag zal Suriname ook de officiële Nederlandse spelling gaan aannemen.

Deze uitbreiding van de Taalunie is zonder meer een verrijking voor alle partners. Niet alleen vergroot daarmee de officiële groep Nederlandstaligen op de wereld, maar wordt de status van onze taal merkelijk vergroot.

Nederlandse grensgebieden

Maar de Taalunie werkt ook nog op andere fronten. Zo ondertekenden op vrijdag 28 november de Nederlandse Taalunie en de lnspection Académique du Nord (verantwoordelijk voor het basisonderwijs in Noord-Frankrijk) een overeenkomst die de bevestiging vormt van een jarenlange samenwerking en die uiting geeft aan de intentie van beide partijen om hun inspanningen voor het onderwijs Nederlands in de departementen Nord en Pas-de-Calais verder te blijven bundelen. Het is nauwelijks geweten dat de Vlaamse en de Nederlandse overheid het onderwijs Nederlands in Noord-Frankrijk al sinds de jaren tachtig ondersteunen. De Nederlandse Taalunie was al in een vroeg stadium bij die initiatieven betrokken en neemt nu de ondersteunende rol helemaal over. Noord-Frankrijk is overigens niet de enige streek waar het reguliere onderwijs Nederlands in de lift zit. Bij onze Duitstalige en Franstalige buren uit Wallonië leren duizenden kinderen Nederlands. In Duitsland volgden in het schooljaar 2000-2001 meer dan 18.000 leerlingen Nederlands in het basis- en secundair onderwijs, in Frankrijk waren dat er meer dan 8.000 en in de Franstalige gemeenschap van België liggen de cijfers veel hoger. Met elk van deze gebieden wil de Taalunie reeds bestaande samenwerkingsverbanden verder uitwerken en nieuwe initiatieven opzetten. Daarnaast worden er ook voorzieningen opgezet die nuttig zijn voor docenten uit alle grensgebieden; zoals informatieverstrekking via het internet en na- en bijscholingscursussen. (…)

Bron: weekblad ’t Pallieterke, 31 december 2003, p. 12

Vanaf de zijlijn

Marten Heida, Veenendaal

Een terechte ontboezeming of een zure oprisping?

M.A. Holtman is een Groninger amateur-historicus en dito archeoloog. Op beide terreinen wordt hij door de “echte” historici en archeologen niet altijd serieus genomen. Dat deze opstelling hem niet lekker zit, is te begrijpen. Bepaalde zinsneden in zijn publicatie Het Hogeland, het Lageland leggen daarvan een niet mis te verstaan getuigenis af. Eén wil ik u niet onthouden, waarbij ik aanteken dat ik de beantwoording van de vraag in het kopje hierboven met een gerust hart aan uw vrijheid van keuze overlaat.  Hier volgt het citaat: “We moeten tegenwoordig alles overlaten aan deskundigen. Het gewone volk moet zijn mond houden. Het bezit van een eigen mening door een eenvoudig man is vaak voldoende om een gezelschap van snobistische pedanten, waar de academies – vroeger en nu – het patent op lijken te hebben, uit de toon vallen. Biologen bepalen wat er met de natuur moet gebeuren en archeologen vertellen je wat er in de grond te vinden is. Dat doen zij het liefst in het Engels, want dat geeft status. Alsof die Nederlandse artikelen roofgoed zijn in Engelssprekende landen. Ze kunnen hun eigen artikel gewoonlijk niet zelf vertalen. Vóór de 2e wereldoorlog deden ze het in het Duits, maar dat was daarna taboe. Deze uitwas op taal-gebied is te wijten aan het feit dat veel Nederlanders hun taal niet foutloos en zonder accent kunnen spreken of schrijven. Het publiceren in het Engels is een minachting van de gewone man, terwijl de archeologen leven van de belastingcenten van het Nederlandse volk. En ze durven ook nog te klagen over weinig belangstelling van de man in de straat voor hun tak van wetenschap. Laten ze algemeen beschaafd Nederlands gebruiken en een normale zinsbouw zoals ze thuis in hun gezin doen en dan blijkt archeologie het meest spannende vak van wetenschap te zijn.” (p. 16, r. 28-43).

Op het spoor van Backhuysen

De Nederlandse Gouden Eeuw kenmerkte zich o.m. door een grote bloei van de schilderkust. Als ik dat zo neerschrijf dan zullen u onmiddellijk een aantal namen te binnen schieten. Maar in dat rijtje komt – nar ik aanneem – die van Ludolf Backhuysen niet voor. En toch stond deze Emder schilder (1630-1708) bekend als een maker van zeegezichten. Zo kreeg hij in 1666 van het bestuur van Amsterdam de opdracht een schilderij te maken met een gezicht op deze stad vanaf het IJ. Ander beroemde doeken van hem zijn Schipbreuk van de heilige Paulus  en De overgave van het opperbevel aan Michiel de Ruyter op 18 augustus 1665.

Backhuysen – zo blijkt duidelijk uit deze voorbeelden – had iets met het water. Maar het zou onjuist zijn hem uitsluitend te rubriceren onder het lemma “maritiem schilder”. Van hem zijn evenzeer doeken bekend waarop taferelen zijn uitgewerkt die kenmerkend zijn voor landschap- en genreschilderkunst. Bovendien was hij ook een zeer gewaardeerd portretschilder; van de grote kwaliteit van dit facet getuigt o.m. zijn zelfportret dat te bewonderen is in de Johanns a Lasco Bibliotheek te Emden.

Het is de uit Greetsiel afkomstige dr. Gerlinde de Beer die zich verdiept heeft in het werk van haar “gewest”-genoot. Na het vele voorbereidende werk – een karwei dat vele jaren in beslag genomen heeft – nam ze in 1997 het besluit over deze Oostfriese schilder een monografie te schrijven. Begin 1998 was ze zover dat ze met de uitvoering van heer voornemen kon beginnen. Een vol jaar heeft ze eraan gewerkt. Toen moest er nog een uitgever gevonden worden. Op deze zoektocht is ze uiteindelijk terecht gekomen bij Waanders Uitgevers in Zwolle. Daar is dit standaardwerk in mei 2001 van de pers gekomen. Bron: Ostfriesland Magazin, 2004/2.

Profielschets van het hart van de Ommelanden

Onbekend maakt onbemind zegt het spreekwoord. Als dat ergens voor geldt dan voor het Hogeland van de provincie Groningen. Het gebied strekt zich uit ten noorden van de gelijknamige hoofdstad. Het is een zeekleilandschap dat in de loop van 25 eeuwen is ontstaan. De geschiedenis ervan is op menige plaats in het landschap af te lezen; de “regels” worden o.m. gevormd door de dijken, de maren (overblijfsels van de voormalige uitstroomgeulen) en de wierden (zo worden in deze provincie de terpen genoemd). Maar het blikveld kan verruimd worden als je gebruik gaat maken van een goede kaart of gids. De laatste handreiking is gedaan door Meindert Schroor. Hij beschrijft op een bevattelijke wijze de geografische geschiedenis van deze streek. Wie gedocumenteerd kennis wil maken met dit deel van de Nederlanden zal in deze pennenvrucht een uitstekend hulpmiddel vinden. Het is een uitgave van Profiel te Bedum, telt 80 pp. en kost 13,50 euro. ISBN 90-5294-282-x.

Gids voor cultuur en landschap

Wie zich op weg begeeft naar de noordelijkste provincie van Nederland zal ongetwijfeld de kortste weg nemen. En die gaat voor het merendeel van de reizigers door Drenthe. Ik kan u aanraden uw ogen onderweg niet te sluiten voor het vele natuurschoon dat dit gewest in een veelheid van facetten te bieden heeft. Om dat goed te bewonderen zou u er verstandig aan doen er niet “ingeblikt” doorheen te rijden maar uitstappen te gaan maken op de “draadezel”, Drenthe is namelijk een fietsland bij uitstek.

Op informatief gebied kunt u veel hulp ontvangen van genoemde gids. Die geeft een gedetailleerd overzicht van wat deze provincie te bieden heeft. Per regio verschaft hij informatie over zowel de geschiedenis als de geografie. Verder worden van elk dorp of gehucht de bezienswaardigheden, natuur-gebieden en musea genoemd en van een passende toelichting voorzien. Het boek, geschreven door het duo W.R. Foorthuis en P. Brood, is door De Ploeg uitgegeven in een handzaam formaat. Het telt 336 pp en kost 15,90 euro. ISBN 90-5294-242-0.

De Schüttorfer textielindustrie en 1830

Als in 1830 de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden – opnieuw – uiteenvallen heeft dat voor bepaalde takken van industrie ingrijpende gevolgen gehad. Met name de textielindustrie in de zuidelijke gewesten heeft daar zwaar onder geleden; een groot deel van het productieproces werd verplaatst naar Twente. Maar niet alleen in deze streek nam deze vorm van industrie een hoge vlucht; ook aan de Bentheimse kant van de grens had men te maken met het uitstralingseffect daarvan. Zo verrezen vanaf 1834 met name in Schüttorf talrijke ondernemingen als gevolg waarvan dit stadje het belangrijkste middelpunt werd van de Bentheimse textielindustrie. Bron: Bentheimer Jahrbuch 2004, pp. 153-166 en 176-192.

Marten Heida

Prins Willem-Alexanderpark 53

3905 CB Veenendaal


Het laatste woord

Naer Oostland

Met zijn dertig waren wij om “naer Oostland te ryden”. Het prachtige gebied in de voormalige DDR, dat tussen Maagdenburg, Potsdam en Dessau ligt, vormde eertijds het Arcadië van de Vlamingen. Heel wat sporen verwijzen nog naar de Nederlanden zoals de plaatsnamen Euper (Ieper), Brugk (Brugge), Lichterfelde (Lichtervelde), Niemegk (Nijmegen), Kemegk (Kamerijk), Rosenthal (Roosendaal), Wittenberg, e.a.

Maar Midden-Duitsland herbergt nog veel meer sporen uit de Nederlanden zoals de Holländerviertel in Potsdam, de architectonische bijdragen aan kerken, kastelen en patriciërshuizen in Brunswijk, Helmstedt, Hamelen, Maagdenburg, en andere plaatsen in het land van Hoffmann von Fallersleden, die “Vlaenderen, dag en nacht denk ik aan u” neerschreef. En ook Uilenspiegel is nooit ver weg.

Een vereniging “Flandern–Fläming” is actief in de Fläming om zo veel mogelijk de banden tussen enerzijds Vlaanderen en de Nederlanden over het algemeen en anderzijds de Fläming aan te halen. Over dit onderwerp verneemt u meer in een volgende bijdrage.

Rijsel 2004

Op zaterdag 5 juni 2004 liep op de Nederlandse tv-zender NPS (Nederland Drie) een programma over Rijsel. Het was een boeiende uitzending, die zich hoofdzakelijk tot de jeugd richtte. Het verhaal handelt over een in Nederland woonachtige Marokkaan, die plots ontdekt dat Rijsel een heuse Vlaamse stad is. Vlaamse Leeuwen, de woorden Flandre en Flamand, overal. Voorts bezoekt hij een aantal zaken, die kaderen binnen Rijsel 2004, culturele hoofdstad van Europa. Contactpersonen voor dit programma waren o.a. Annemarie Broeders uit Nederland en Hedwig van Hemel uit Frans-Vlaanderen. Onrechtstreeks verleende onze Stichting Zannekin ook haar medewerking aan dit programma door het verstrekken van historische en praktische informatie.

Het Perfide Albion

Iedereen kan en mag bewondering koesteren voor een bepaalde persoon en het grondig eens zijn met het gedachtegoed van diezelfde persoon, maar dit sluit niet uit dat divergenties nog altijd moeten kunnen. Zo behoort de Frans-Vlaming Jean-Marie Gantois bij mij tot de personaliteiten, voor wie ik altijd een grote achting heb bewaard. Wat de Stichting Zannekin verdedigt, kadert binnen de ideologische denkwereld van J.M. Gantois, waarachter ik mij ten volle schaar. Op één punt zou ik met hem niet in zee hebben kunnen gaan, namelijk wanneer hij het over Engeland heeft en dat land als de historische bondgenoot van Vlaanderen, of beter van de Nederlanden beschouwt.

Waarom ik dit neerpen, en dan nog wel in de ik-vorm, heeft te maken met het feit dat ik persoonlijk aangesproken werd door Zannekin-sympathisanten, die mij de vraag stelden waarom de kennismaking met onze Stichting Zannekin, die in het Nederlands, Frans en Duits op de webstek verschijnt, ook niet in een Engelse versie mocht.

Als antwoord wil ik daarop vermelden dat het niet wordt uitgesloten dat ook een toelichting in het Engels over de werking van Zannekin op de webstek van de stichting wordt toegevoegd. Het Engels groeide ten slotte uit tot het Latijn van onze huidige wereld. Het is te gek om zich tegen een taal te keren; het gaat hem eerder om het misbruik ervan aan de kaak te stellen.

Maar de vraag blijft rijzen: was Engeland, de bakermat van de Engelse taal, echt de historische bondgenoot van de Nederlanden?

Charles de Gaulle, Rijselnaar van geboorte, maar ook en vooral generaal en Franse president, argumenteerde dat het Verenigd Koninkrijk niet tot de Europese Gemeenschap moest toetreden omdat het niet eens tot Europa behoort of wil behoren. Had hij gelijk? Of niet? Achter de redeneringen van deze grote Rijselnaar gingen wel andere gedachten schuil, maar ongelijk had hij toch ook weer niet.

Veel Deule-, Leie-, Schelde-, IJzer- en Maaswater stroomde daarna Noordzeewaarts. Jean-Luc Dehaene, voormalig Belgisch premier, en de getipte kandidaat om het ruim een decennium geleden te maken als Europees commissaris, mocht geen plaats nemen aan de feestdis der Europese groten omwille van het Britse overigens ongegronde veto. Het mocht niet zijn voor het Europese stemmenkanon.

Jean-Luc Dehaene bekende zich echter nooit tot enig Heel-Nederlandse ideeëngoed. Wie dat wel deed, was Guy Verhofstadt, huidig België’s eerste minister, die ik een paar keer heb mogen ontmoeten in de schoot van de “Eén-oktober-groep”, een door wijlen Lode Claes opgericht gezelschap van personen van diverse signatuur en uit verschillende windstreken, doch die een algemeen-Nederlands gedachtegoed genegen waren. Tijdens één van die gemoedelijke samenkomsten van de denkgroep gaf Guy Verhofstadt te kennen enige affiniteiten te hebben met voorstanders van een verder samengroeien van de Beneluxlanden, en wat daar rond ligt, namelijk oud-Nederlandse gebieden in Duitsland en Frankrijk, uitgerekend twee landen, die recent zijn kandidatuur voor het ambt van Europees commissaris steunden. Zich openlijk orangistisch uiten zoals Leuvens burgemeester Louis Tobback of oud-Eerste-Kamerlid Andries Postma, deed hij niet.

Maar diezelfde Verhofstadt mocht ondertussen geen Europees commissaris worden omwille van opnieuw een Brits veto van Tony Blair, ditmaal, premier van “Britannia”, dat nog altijd hoopt “to rule the waves” en dat zich, mijns inziens, onnodig in een “Irakees avontuur” heeft gestort, waar een uitkomst nog lang niet in het verschiet ligt.

De Nederlander Jakob Gijsbert de Hoop-Scheffer mocht wel opklimmen tot aan het hoofd van de NATO. Maar dat is een ander verhaal.

De historische Nederlanden werden deels verfranst in het zuidwesten en deels verduitst in het oosten. Het door Châteaubriand bedachte “Perfide Albion” stal van de Nederlanden Nieuw-Amsterdam, Australië, ook nog Nieuw-Holland of het Land van Diemen geheten, Nieuw-Zeeland, Malakka, Ceylon, Mauritius, … en moordde onze stambroeders in Zuidelijk-Afrika uit.

Vroeger in de geschiedenis was het vaak wachten geblazen op hulp van de Engelsen zoals bij de Guldensporenslag in 1302 en ook bij andere veldslagen, waar Engelse assistentie was beloofd.

Ooit in de 17e eeuw stootten de Ruyter en Tromp moedig door tot Londen om die Engelse hoge heren mores te leren. Jammer genoeg neemt de anglofilie binnen de Nederlanden nog altijd ongehoorde proporties aan.

Hoewel ik goede contacten onderhoud met Schotland, Wales, Engeland en Ierland, waar op veel plaatsen sporen uit de Nederlanden te vinden zijn, die verdienen onderzocht te worden, behoort het plaatsen van een Engels commentaar bij de werking van de Stichting Zannekin niet meteen tot de prioriteiten. Maar nogmaals, het wordt niet uitgesloten.

Tenslotte wil ik nog vermelden dat wie als Engelstalige of –kundige belangstelling koestert voor de heel-Nederlandse geschiedenis, de informatie beslist op onze webstek zal kunnen vinden en ook de nodige moeite zal doen om het Nederlands, Frans of Duits te verstaan.

Leo Camerlynck

Voorzitter ZANNEKIN

“De Zavelberg”, E. Michielsstr. 51,

B. 1180 Ukkel