> nieuwsbrief > 22e jg. - 4e trimester 2004

Bijdragen over: Tip

 

Ontmoetingsdag ZANNEKIN  

Zierikzee – 16 oktober 2004

Onze Ontmoetingsdag zal dit jaar doorgaan op zaterdag 16 oktober. Met het thema van deze dag sluiten wij aan op het thema van onze Studie-uitstap van 15 mei naar de Pevelenberg. Voorafgaand aan die veldslag greep in datzelfde jaar 1304 een zeeslag plaats voor Zierikzee. De Vlamingen leden aldaar een nederlaag die niet zonder invloed geweest is op de uitslag van de strijd op de Pevelenberg. Zierikzee wordt daarmee het oord van onze Ontmoetingsdag.

Stramien

·        10.30 uur: (vanaf) begroeting, koffie en welkomstwoord in de Nieuwe Kerk.

·        11.00 uur: verwelkoming door Leo Camerlynck, voorzitter; Waarom te Zierikzee, toelichting Jan van Tongeren, vice-voorzitter; De Stichting ZANNEKIN. Wat doet ze en waarvoor staat ze?, toelichting Leo Camerlynck; Huldeblijk aan Mr. Herbert P. Schaap, de eerste voor-zitter van ZANNEKIN, door Marten Heida, erevoorzitter.

·        11.30 uur: voordracht over het jaar 1304 en het Beleg van Zierikzee door de Vlamingen, door de heer Huib Uil, Gemeentearchivaris van Schouwen-Duiveland.

·        12.30 uur: lunch in de Brasserie De Gouwe Geit, Lammermarkt 18.

·        14.30 uur: stadswandeling o.l.v. gidsen van de VVV Zierikzee, van on-geveer anderhalf uur, onderbroken door:

·        15.00 uur: bezoek aan het stadsmuseum Zierikzee.

·        16.30 uur: koffie en gebak in Brasserie De Gouwe Geit en om:

·        17.00 uur: (omstreeks): afsluit.

Praktisch:

Iedereen komt op eigen houtje naar Zierikzee, waar de deelnemers elkaar treffen aan de Nieuwe Kerk tussen 10.30 en 11.00 uur. De deelname in de kosten “all in” (koffie bij aankomst, middagmaal inclusief koffie achteraf maar exclusief dranken bij de maaltijd, koffie en gebak, gidsing, toegang museum) bedraagt 35 EUR/persoon (leden) of 40 EUR (niet-leden). U staat bij ons als lid genoteerd wanneer uw naam op het adresetiket van deze Nieuwsbrief voorafgegaan wordt door een *-teken. Inschrijven vóór 11 oktober d.m.v. betaling van het verschuldigde bedrag op een van de ZANNEKIN-rekeningen. Verderop in deze uitgave leest u alvast enige historische informatie omtrent het oord van deze Ontmoetingsdag. Wij hopen u te mogen begroeten op deze ongetwijfeld boeiende dag.

ZIERIKZEE

Jan van Tongeren

Hoe oud en wanneer de stad gesticht werd is, mede dankzij het in de Franse tijd verkochte archief van Zierikzee, onbekend. Maar om toch ergens te beginnen weten wij, dat in ieder geval in de 7e eeuw onder invloed van de zee zich achter de oude duinen aan weerzijden van de benedenloop van de Schelde een schorrenlandschap van kreekruggen, klei-op-veengronden en getijdenwateren vormde, en dat zich daar vanaf ongeveer diezelfde tijd opnieuw mensen, het eerst achter de oude duinen en vervolgens ook verder landinwaarts, in het bijzonder op de kreekruggen zich gingen vestigen. Zij hielden zich vooral bezig met schapenhouderij en met het winnen van zout uit het met zilt water doordrenkte veen onder de klei. Dat de zoutnering al vroeg bedreven werd is zeker, maar dat men de stichting van de stad Zierikzee in 849 aan ene Zirunguser te danken zou hebben, zoals Jan Reygersberch in zijn in  1551 uitgekomen kroniek van Zeeland beschrijft, moet met een korrel van datzelfde zout worden genomen. Waarschijnlijk behoorde oorspronkelijk de gronden in de 7e en 8 eeuw aan de door Willibrord gestichte abdij te Echternach. Volgens de overlevering zou hij in deze buurt zelf hebben gepredikt (Kerkwerve) en het is dan ook daarom, dat hij de patroonheilige van de in de 18e  eeuw gebouwde Rooms Katholieke kerk werd.  In 837 wordt en zekere graaf Ekhard van Walcheren, (die waarschijnlijk ook goederen in Zeeland bewesten de Schelde beheerde) vermeld, die in een slag tegen de Noormannen is gebleven. In de jaren 879-885 en nogmaals in 891 en 892, is het een komen en gaan van Erik en zijn  Noormannen, en het is pas zo rond 890 dat de inwoners zich tegen de Vikingen gaan verdedigen. Dit door middel van  de zogenaamde ringburgwallen: cirkelvormige terreinen, omgeven door een gracht en een aarden wal met palissaden, waar  De burg van Burgh op Schouwen een goed voorbeeld van is.

In de 11e eeuw, nadat in 1012 de Duitse Koning Hendrik II het grafelijk gezag over Zeeland bewesten Schelde aan Boudewijn IV van Vlaanderen in leen heeft gegeven is er sprake van constante bewoning, en worden de slikken, die waarschijnlijk in handen van de St. Baafsabdij te Gent zijn gekomen, zie ook Noord- en Zuid Beveland (Beve = Bavo) ontgonnen en stichtte men vanaf het midden van de 11e eeuw nieuwe parochies. En het moet dan ook in die periode zijn geweest, men noemt wel eens het jaar 1048, dat er een  Hof, een versterkt gebouw of kasteel, later als ’s Gravenhof bekend, voor de Vlaamse Graaf, (Eyndius noemt Boudewijn van Rijssel) in Zierikzee werd gebouwd, dat zich ten westen van de tegenwoordige Sint Lievens Monstertoren bevond. Ook de patroonheilige van de stad St. Lievens wijst op een stichting van na  1007 toen het lichaam namelijk van zijn oorspronkelijk graf in Sint Lievens - Houthem naar de Sint Bavo-abdij te Gent werd overgebracht en daar onmiddellijk met zijn taak als wonderdoener begon.

Uit de 12e eeuw weten wij van de stad niets of heel weinig. Wel dat het hele gebied, eerst als onderleen van de graaf van Vlaanderen, zo langzamerhand onder invloed van de Hollandse graven kwam en het zou dan ook graaf Floris III  van Holland (1157 —1190) zijn geweest, die het eerste stadrecht aan Zierikzee zou hebben geschonken, zoals Reygersberch in zijn „Cronijcke van Zeelandt" (1551) beschrijft: „Bi dese Floris tijden „werden Middelburch ende Zierinczee seer groeyende ende opcomende van volcke, „huysen, ende andere timmeraigen. Ende cregen sommige loyen oft kueren van „rechte boven andere plaetsen, want si in dien tijden die vermaerste ende principaelste van Zeelandt waren daer die meeste heerlicheden ende tmeeste volc in was" .

De stad Zierikzee besloeg toen waarschijnlijk alleen maar het gebied rondom het grafelijk kasteel, met de daar tegenover gelegen Sint Lievenskapel of -kerk en wat huizen in de onmiddellijke omgeving. In 1205 werd de stad door de Vlamingen belegerd, zodat deze plaats al enigszins versterkt moet zijn geweest door middel van wallen en poorten. De omwalling liep ongeveer in het zuiden, gelijk met de tegenwoordige Regenboogstraat, Pieter Seliestraat; om dan naar het noorden af te buigen, richting Dam om dan weer westelijk via de Beddeweg, Minderborederstraat en Lammermarkt naar de Westpoort te lopen. Na het beleg van 1205 wordt de stad aan de westzijde uitgebreid.  In 1220 wordt, op de plaats van de tegenwoordige straat “de Watermolen” een grafelijke watermolen, in 1248 het vleeshuis en in 1271 het gasthuis vermeld. Ook was er nu ruimte genoeg voor enkele geestelijke instellingen, zoals het klooster van de Predikheren, 1255, voor  de Minderbroeders 1271, de Begijnen en de Tempeliers. Dat de stad ten tijde van het Vlaamse beleg van 1304 van muren en grachten was voorzien en dat er ook al verharde straten waren, kunnen wij bij Melis Stoke lezen.

Na het beleg van Zierikzee in 1304 wordt de stad nogmaals uitgebreid en krijgt het min of meer zijn huidige vorm en beleeft de stad uiteraard met ups en downs, haar grootste bloei, en het is dan ook niet verwonderlijk dat men vanaf het midden van de 15e eeuw prestigieuze bouwwerken laat oprichten, zoals de bouw van de Sint Lievenstoren, een gevaarte, waarvan alleen het voetstuk voltooid werd. De bouw die, volgens een, niet uit die tijd daterende inscriptie in de toren, in 1454 onder leiding van Andries I Keldermans werd begonnen, bleef al in 1466 steken, daar de kerk zelf in brand vloog en men uiteraard toen andere prioriteiten had. Nadat het verbrandde deel van de kerk, onder andere het koor, in 1479 voltooid was ging men, onder leiding van Anthonis Keldermans verder met de bouw van de oorspronkelijk gedachte 170 meter hoge toren, dus hoger dan de St. Rombouts te Mechelen en de O.L. Vrouwetoren van Antwerpen, verder. Dit bleek te hoog gegrepen en het was Rombout Keldermans die in 1530 een slechts 150 meter hoge toren ontwierp. Helaas dit meesterwerk van de Brabantse Gotiek kwam niet hoger dan zo’n 62 meter.

Tijdens de bouw van de toren begon de bloei en de voorspoed van de stad te tanen. De stad werd in 1468 getroffen door de pest, zelfs  in die mate, dat Karel de Stoute als graaf niet in de stad maar op de dijk bij Borrendamme gehuldigd werd. In 1472 kon Karel de Stoute van de inwoners van Zierikzee, door zijn extra belastingen, zelf de pest krijgen. Karel zou Karel niet zijn geweest, door de stad in te nemen en hen een lesje te leren. De stad moest tijdelijk (tot 1477) haar privileges, haar poortdeuren, en 30.000 Rijnse guldens inleveren en twaalf schuldigen verloren hun hoofd.

In 1509 en 1512 gingen veel schepen door stormen verloren, in 1519 verloor men nog eens 15 of 16 grote schepen en kwamen 400 opvarenden om. Een ramp die wel eens in verband is gebracht met de staking van de torenbouw. In April 1525 werden 125 huizen en 77 zoutketen, door vuur vernield. Dan was er ook nog de Sint Felixvloed van 5 November 1530, die flinke delen van het eiland Schouwen deed onderlopen. In 1532 begon de pest opnieuw haar kop op te steken, waarbij  zo’n 3000 personen of bijna een vierde gedeelte der gehele bevolking omkwam. Kortom, de wet van Murphy was hier van toepassing.

Nog had men de hoop niet opgegeven en begon men in de Renaissancestijl de stad te verfraaien. Van 1524-1526 bouwde de Antwerpse bouwmeester Harman van Aecken van 1524 tot 1526 het Gravensteen aan de Mol. Het allereerste Gravensteen stond waarschijnlijk in de nabijheid van het grafelijk slot – ’s Gravenhof – aan de Balie, maar in de 1358 werd besloten een nieuw pand te bouwen, dat onderdak moest bieden aan de ambtenaren van de graaf, de vierschaar en de gevangenen. 165 jaar later was het gebouw zodanig in verval geraakt dat tot nieuwbouw werd besloten. Uitvoerig zijn we ingelicht over deze bouw. De rekeningen vermeldden onder meer dat er 242.5000 Hollandse stenen werden geleverd, 425 plavuizen en 8000 “coppelsteenen”, arduinsteen en witte Brusselse steen voor de voorgevel. Mechelse smeden leverden het ijzerwerk waaronder de fraaie ankers in de voorgevel, die aan het Bourgondische en Oostenrijkse huis herinneren. Het schilderen van de arend op de top van de gevel kostte twee gulden. De bouw stond onder leiding van meester Albrecht Colinsz.

Het stadhuis aan de Meelstraat

In 1550 1554 op “der stede tuun” gebouwd. De achtkantige torenromp uit het eind van de 14e eeuw werd ooit gebruikt als stadsvleeshuis. Tegen de toren stond een klein stadhuis, die uiteraard in 1550-4 vervangen werd door het huidige gebouw. De oude vleeshal werd niet gesloopt. Het stadhuis heeft twee topgevels die worden omzoomd door een geprofileerde natuurstenen lijst, die in de tweede geleding een kwartcirkel vormt en in de derde geleding iets inzwenkt. De toppen worden afgesloten door halfronde bekroningen, waarin medaillons van Karel V en Philips II.

De houten toren werd in 1555 voltooid. Het is een sierlijk pagode-achtig geval, met hier en daar nog wat gotische herinneringen en wordt bekroond door een koperen Neptunes. In 1775 werd het benedengedeelte nog van een natuurstenen bekleding voorzien.

De achtkantige torenromp gaat via een complex stelsel van spits- en steekkappen over in een geprofileerde overkraging, die gedragen wordt door grote voluutconsoles met maskers. Hierop staat een balustrade met kandelaberspijlen. Het klokkenhuis wordt gevormd door pilasters waarop opnieuw voluutconsoles met maskers zijn aangebracht. Deze dragen een hoofdgestel van architraaflijst, onbewerkt fries en een kroonlijst waarop topjes zijn geplaatst met c-voluten. De stam van de peervormige spits is versierd met uitstekende bandwerkornamenten. Op de peer staat tenslotte nog een opengewerkte lantaarn.

In het klokkenhuis bevond zich tot aan de restauratie een carillon, dat in 1550/4 gegoten werd door Peeter van den Gheyn in Mechelen. Het spel van 13 klokken, waarvan er enkele gebarsten waren, is in 1964 aangebracht in de Zuiderhavenpoort.

De Noordhavenpoort:

Aan de kant van de stad vinden wij twee huizen uit 1599, die de zelfde topgevels bezitten als het stadhuis. Boven de onversierde gevels van de begane grond is een band aangebracht over de volle breedte van beide gevels en de poort daar tussen in. De band is samengesteld uit een geprofileerde waterlijst, een onversierd fries en een architraaflijst daarboven; het geheel doet aan een hoofdgestel denken. Met dezelfde soort banden zijn de geledingen van de toppen van de gevels van elkaar gescheiden. In de eerste geleding is een hoog kruisvenster aangebracht, gevat in een aedicula met slanke pilasters met verdiepte velden, een blokkapiteel en boven het hoofdgestel een fronton, waarin een uitstekende kop is aangebracht. Links en rechts van de vensters zijn medaillonportretten aangebracht, de koppen van een man en een vrouw in een ronde bladerkrans. De eerste trede van de trap van de top is afgedekt met een liggende voluut die aan de buitenzijde rust op een maskersteen. De tweede geleding heeft aan weerszijden ingezwenkte c-voluten, de top wordt afgedekt door een ronde bekroning, waarin weer een ronde bladerkrans met uitstekende kopen is aangebracht. Mogelijk heeft men hier evenals bij het stadhuis, ook Karel V en Philips II willen afbeelden. De gevels zijn in de derde geleding gedateerd: 1559. Op de top van de noordergevel staat een ijzeren staaf, in de volksmond als de degen van de Spaanse bevelhebber Mondragon bekend.

Als men deze topgevels, en de toppen van het stadhuis vergelijkt met bijvoorbeeld het klankbord van de preekstoel in de St. Jan te Den Bosch en de medaillons met de sterk geprofileerde koppen vergelijkt met enkele huizen in Gorkum en Schelluinen, waarvan men weet dat Cornelis Bloemaert de ontwerper is, bemerkt men onmiddellijk overeenkomsten. Het zou dan ook Cornelis Bloemaert, die later in Amsterdam de leermeester van Hendrick de Keyser zou worden, wel eens de architect, of ontwerper van de poort en het stadhuis kunnen zijn.

U weet, dat u men aan de architectuur van de stad kan zien, wanneer het verval van de stad intreedt. Wel nu: na Karel V is het gedaan met de welvaart in Zierikzee. De tachtigjarige oorlog liet zijn sporen na. De stad koos voor de Geus. De Spanjaarden, met hun reputatie, namen de stad, onder leiding van Mondragon, in, maar vonden niet veel meer van hun gading. De aarde nu was woest en ledig.

Na de Vrede van Munster in 1648 herneemt het leven weer zijn oude gang, maar Zierikzee is nu in plaats van handelsplaats, meer het centrum van het platteland geworden. Het was een arme stad, zelfs zo arm, dat toen de St. Lievenskerk in de rampnacht van 6 op 7 oktober 1832 afbrandde, men geen geld en gelegenheid vond de kerk te restaureren. (Ondanks dat men buskruit moest gebruiken om de muren op te blazen), en de stad werd “verrijkt” (?) met een, nu toch wel heel bijzonder gevonden, neo-klassicistische kerk van architect P. Huijsers.

Maar dank zij die armoe is die stad bewaard gebleven en loont het zeker de moeite waard om de stad en het eiland Schouwen met een bezoek te vereren.

Zierikzee: monumentenstad in Zeeland

Rudi Koot

Enkele van de belangrijkste monumenten van Zierikzee volgen hierna.

Gravensteen in de Mol 25, oorspronkelijk gebouwd als gevangenis. Tevens zetel van de rentmeester be- Oosten Schelde 1524. De onderste muurankers zijn in de vorm van het wapen van het Bourgondische huis. Momenteel is hier het Maritiem Museum gevestigd. Uit de inscripties in het spijkerharde eikenhout is op te maken dat in de perioden 1630-1646 Duinkerker kapers gevangen hebben gezeten. Deze kapers voeren onder Spaanse vlag.

Beurs. Merkwaardige markthal in 1651 gebouwd als extra kerkruimte voor de te klein geworden gasthuiskerk, die erachter is gelegen.

Gasthuiskerk. Oorspronkelijke kapel van het Sint-Elisabethgasthuis, daterende uit de tweede helft van de 14e eeuw. Na de reformatie werd de kerk, vanaf omstreeks 1587, in gebruik gegeven aan de Waalse gemeente. In 1613 werd de Gasthuiskerk ter beschikking gesteld aan de groeiende Hervormde gemeente. In 1651 werd de kerk vergroot met een galerij, die op de beurs rust.

Nieuwe Kerk. Zaalkerk met zuilenportiek voltooid in 1848.

Sint Lievensmonstertoren. 15e–16e eeuw.

Het huis ‘De Haene’ (in de volksmond Tempelierenhuis). Oudste gevel van Zierikzee daterend uit de 14e eeuw en in Brugse trant.

Stadhuis, in de Meelstraat 6-8. Groot complex in verschillende fasen tot stand gekomen. Het oudste gedeelte (vleeshal) gebouwd omstreeks 1410. Uitbreiding 1550-1554. Raadzaal en trouwzaal vernieuwd in 1775-1779. In de topgevel prijken twee medaillons , voorstellende keizer Karel V (links) en koning Filips II. Tegenwoordig in gebruik als Stadhuismuseum. Videofilm van 50 minuten: aflevering Zierikzee uit de serie Steden des Tijds (wordt herhaald woensdag 1 december 2004 16.10-17.00 uur Nederland 1).

Koopvaardij

In 1750 telde Zierikzee een koopvaardijvloot van bijna 100 schepen. De lading van de schepen bestond op de heenreis meestal uit landbouw-producten van Schouwen-Duiveland: granen en vooral meekrap. Op de terugreis werd vanuit Zuidwest-Frankrijk zout meegenomen. In Engeland en Schotland werden kolen en oesters geladen, in Noorwegen kreeft, vis en hout. Uit Ierland brachten de schippers rundvlees en boter mee. Veel van deze goederen werden bij een andere reis weer vanuit Zierikzee uitgevoerd.

De Sint- Lievenstoren, de Sint-Lievensmonsterkerk en de Nieuwe Kerk

De meeste hieronder vermelde gegevens zijn ontleend aan de uitgave “De Nieuwe kerk te Zierikzee” door H. Uil, verschenen in 1988.

ANWB paneel

Overzicht van de plattegronden van de elkaar opvolgende kerkgebouwen.

1.      Reconstructie koorpartij tufstenen basiliek 12e eeuw.

2.      Reconstructie bakstenen koor 14e eeuw.

3.      Sint-Lievensmonsterkerk, laat gotische hallenkerk, gebouwd in de 15e eeuw, door brand verwoest in 1832.

4.      Nieuwe Kerk, huidige kerkgebouw voltooid in 1848.

5.      Sint Lievensmonstertoren 15e-16e eeuw.

In de 14e en 15e eeuw was er grote welvaart in Zierikzee. Dit stelde de Zierikzeeënaars in staat een grote nieuwe kerk te bouwen, die toegewijd was aan Sint Livinus, een heilige die werd overgenomen van de stad Gent. Rond 1470 werd hiermee aangevangen. In het begin van de 16e eeuw is de Sint-Lievensmonstertoren voltooid. De laat-gotische hallenkerk was 102 m lang en circa 37 m breed: de grootste kerk van Zeeland! Zij telde 27 kapellen en 49 altaren. In oktober 1832 is een grote brand ontstaan, die de kerk grotendeels in as legde. Loodgieters hadden een vuurpot onafgedekt in een dakgoot laten staan … De restanten werden gesloopt. In 1848 werd op deze plaats de huidige neo-klassieke Nieuwe Kerk in gebruik genomen.

Gravure, voorstellende de Sint-Lievens Monstertoren met kerk. De toren staat tweemaal afgebeeld. Het ene exemplaar toont de toren zoals hij werkelijk gebouwd werd tussen 1454 en 1530 (hoogte ± 58m) en het andere de toren zoals hij had moeten woerden (hoogte ± 207m). Het ontwerp van de toren is van Andries Keldermans, later uitgewerkt door zijn zoon en kleinzoon Anthonie en Rombout. Toch is men van het vervaardigen van deze kopergravure uit 1657 met veel fantasie te werk gegaan. Een onderzoek naar dit bouwwerk, wees uit dat deze berekend waren op een maximale hoogte van 130 à 140 meter. (Bron: teksten Stadsmuseum)

Toen dit schilderij omstreeks 1560 werd gemaakt, waren de bouwers tot een hoogte van 60 meter gevorderd. Kort daarna werd de bouw echter gestaakt. Het geld om de toren te voltooien ontbrak.

Ter vergelijking: de Domtoren in Utrecht is anno 2004 112 meter hoog. De Euromast in Rotterdam is 185 meter hoog. Het hoogste bouwwerk in Nederland is de tv-mast uit 1961 in IJsselstein (375 m). Hoogste gebouw in Nederland: Delftse Poort aan het Weena in Rotterdam (1991): 151 m. 

Heilige Lieven

In Heiligen uit ons volk door Aubert-Tillo van Biervliet, o.s.b., uitgeverij Tabor, Brugge, 1987 staat op bladzijde 88 een afbeelding en op bladzijde 89 de tekst over de heilige. Ierse heilige in Vlaanderen (12 november). Andere vormen zijn Livinus en Livien.

Het is overigens een andere heilige dan de Heilige Liafwin die op bladzijden 86 en 87 staat. Geloofsbode in Overijssel (12 november), die ook Lebuinus genoemd wordt.

Mededelingen

Steden des Tijds

De serie Steden des Tijds wordt opnieuw uitgezonden op Nederland 1. De gegevens kun je vinden op: http://www.teleac.nl/pagina.jsp?n=64661 Deze uitzendingen vangen telkens aan om 16.10 uur. Een overzicht:

1 Tongeren: op wo. 24 november 2004

2 Zierikzee: wo. 1 december 2004

3 Geertruidenberg en Willemstad: wo. 8 december 2004

4 Gent: wo. 15 december 2004

5 Dordrecht: wo. 5 januari 2005

6 Kampen: wo. 12 januari 2005

7 Hoorn: wo. 19 januari 2005

8 Brussel: wo. 26 januari 2005

9 Breda: wo. 2 februari 2005

10 Den Haag: wo. 9 februari 2005

9e Historische beurs Vlaamse Beweging

Inderdaad: reeds voor de 9e keer richt de Vlaamse Verzamelaarskring van Nijlen deze tweedehands- en antiquariaatsmarkt in uitsluitend gewijd aan de geschiedenis van de Vlaamse Beweging en de nationale beweging in Nederland, Zuid-Vlaanderen en Zuid-Afrika.

De beurs vindt plaats op zondag 17 oktober (van 9 tot 16 uur) in de feestzaal Nilania, Kesselsesteenweg 52, 2560 Nijlen.

Internationaal Bonifatius-symposium

Naar aanleiding van de herdenking van het 1250e sterfjaar van Bonifatius richt de Studiekring Eerste Millennium (SEM) op zaterdag 6 november 2004 een internationaal symposium in. Voor thema’s en sprekers die daar aan bod zullen komen verwijzen we naar de mededeling terzake op pagina 13 van onze Nieuwsbrief 2e trimester 2004. Info: www.semafoor.net

Naer Oostland willen wy ryden….

Met een “dikke dertigtal” Oostlandvaarders vertrokken wij op dinsdag, 8 juni naar de Fläming, kompas pal Oost, vanuit onze aloude Brabantse hoofdstad Brussel. Aandachtige lezers hebben daarover al in onze vorige Nieuwsbrief iets gelezen.

Maar wat zij zeker niet bemerkt hebben en dat dus ook niet kunnen weten, is dat op reis gaan met Leo Camerlynck zo iets is als op reis gaan in gezelschap van een wandelende bibliotheek. Wat zeg ik, bibliotheek? Neen, wandelende universiteit past beter. Wat wij die dagen allemaal niet hebben moeten, of liever: mogen leren? On-be-schrij-fe-lijk!

Wij leerden er niet alleen over het Nederduits en zijn (gedeeltelijke) teloorgang, over de Hanze, zelfs in haar vroegste vorm met de Antwerpenaar Volkmar, over de rattenvanger van Hamelen/Hameln, over Hoffmann von Fallersleben, over Thyl Ulenspiegel, over Baron von Münchhausen, over Bertold Brecht…, enfin ga zo nog maar een tijdje door….

Maar hoofdzaak van deze reis was toch het ontdekken, beter het her-ontdekken van de Fläming, een streek die in de 12e eeuw gekoloniseerd werd door land- en dijkenbouwers uit onze Lage Landen, hoofdzakelijk uit Vlaanderen, Brabant, Holland en Friesland, op verzoek van de bisschop van Maagdenburg/Magdeburg. En dat dit ginds tot op de dag van vandaag nog altijd niet vergeten is, spijts een scheiding van haast negen eeuwen en het overleven in een meermaals beroerde geschiedenis, met o.a. dertig jaar godsdienstoorlogen, twee wereldoorlogen en, last but not least, een verblijf van bijna 40 jaar in het Oostduitse “arbeidersparadijs”, bewijst het bestaan van een vereniging, met zetel in Lütherstadt-Wittenberg, Kulturverein Fläming-Flandern geheten. Allemaal Duitse mensen die op zoek zijn ge-gaan naar hun “roots” in onze contreien. Lütherstadt, waar Martin Lüther ooit zijn stellingen op de deur van de kathedraal spijkerde en daarmee een cultuurbreuk in Europa veroorzaakte die diep haar sporen in ons oude continent heeft nagelaten. Een van de bijzonderste gevolgen was trouwens dat het Nederduits, zo nauw verwant aan ons Nederlands, daardoor in een defensieve stelling werd gedrongen.

En met dit Nederduits werden wij al ’s middags geconfronteerd toen wij in de Piärdestall in Hövelhof, midden de mooie natuur van het Teutoburger-wald, gingen middagmalen. Vandaar ging het via Hamelen/Hameln – ge weet wel de stad van de vermaarde rattenvanger (een legende die klaar-blijkelijk op vele plaatsen in Europa voorkomt) naar ons gastverblijf Der Quellenhof in Bad-Helmstedt, waar je tot voor een aantal jaren de Bondsrepubliek verwisselde voor de DDR. Sporen nog altijd niet helemaal uitgewist, al was het maar door de beangstigende ontvolking waarmee Oost-Duitsland (is Midden-Duitsland niet juister?) geconfronteerd wordt.

Langs het Eulenspiegelhof in het pittoreske dorpje Kneitlingen (met natuurlijk de verplichte fotosessie) ging het de volgende morgen naar het al genoemde Wittenberg, waar we in de Alte Canzley verwelkomd werden door enkele bestuursleden van Fläming-Flandern. Dat de Fläming de relicten van zijn herkomst nog altijd bewaart, wordt aangetoond door tal van dorpsnamen die aan de Lage Landen herinneren: Brück (Brugge), Euper (Ieper), Rosenthal (Rosendaal), e.a.

Daarna ging het naar Dessau met zijn beroemd modernistisch Bauhaus van Walter Gropius (de tegenhanger o.a. van onze Henry van de Velde), door de Unesco terecht op zijn lijst van het werelderfgoed geplaatst. Bijzonder gesmaakt werd de namiddagkoffie, op een zonnig terras van het Kornhaus, met fraai zich op de Elbe. Vooraleer naar ons hotel terug te keren ging het nog via Maagdenburg/Magdeburg, waar we de kathedraal (jammer volop in restauratie) van naderbij bekeken. Over die ontvolking waarover we het zo net hadden: men spreekt over een sluiting van de universiteit van Maagdenburg/Magdeburg ingevolge een tekort aan… studenten!

En dan donderdag, het bezoek aan Berlijn. Maar voor we zover waren, hielden we eerst halt in het historische Potsdam, waar we het Holländerviertel bezochten. Ja, we stonden wel even perplex toen we de bus verlieten: het is net alsof men in een typische Nederlands stadje wordt neergeplant! Een nalatenschap uit de tijd toen men poogde Nederlandse middenstanders naar ginds te lokken. Na de ochtendkoffie bij - hoe kan het anders? - de Fliegenden Holländer ging het nog even langs het wereld-beroemde Sans Souci (eveneens in restauratie) om dan, na het middagmaal in het Forsthaus Paulsborn, onze sightseeing van Berlijn aan te vatten: Potsdammerplatz, Brandenburgertor, Kurfürstendamm, Alexanderplatz, enz… Maar vooral de zonnige boottocht op de Spree werd gewaardeerd..

Mooie liedjes duren nu eenmaal niet lang en de dag daarom werd de terug-reis al aangevat. Maar niet vooraleer het Braunschweig van Hendrik de Leeuw en het Münster van de Wederdopers met een kort bezoek vereerd te hebben. Besluit? Dat alles doet naar “nog” verlangen! Dank je wel, Leo!

Vik Eggermont

Pevelenberg – Mons-en-Pévèle 1304-2004

In navolging van de brochure van de vereniging Zannekin over de Guldensporenslag (Camerlynck, Leo, 1302. Een heel-Nederlandse geschiedenis, Zannekin, Ieper, 2002) geeft de vereniging nu een boekje uit over een wat minder bekende slag: de slag om de Pevelenberg in 1304. Het boekje toont ook nu weer de invloed aan van deze veldslag op de relaties tussen de verschillende Nederlandse graafschappen (o.a. de relatie met Holland, door J. van Tongeren).

J. de Sutter geeft een uitgebreide beschrijving van het verloop van de strijd. Het moet een zeer wrede oorlog geweest zijn, waarin voor het eerst katapulten gebruikt werden. Daarenboven is het ontzettend warm (de Vlamingen hadden voedsel noch drank). De Vlamingen wachten de Fransen op aan de Pevelenberg en zijn beschermd door een rij karren. Na een dag vechten trekken de uitgeputte Vlaamse afdelingen zich ’s avonds terug. Willem van Gulik strijd echter verder en waagt een uitval, waarbij de Vlamingen er bijna in slagen om de Franse koning, Filips de Schone, te doden. Het Franse kamp wordt ingenomen en de Vlamingen doen er zich te goed aan de voedsel –en drankvoorraden. Dit geeft de Fransen echter de kans om zich te hergroeperen. De Vlamingen blazen de aftocht en hierdoor verliezen zij volgens het oorlogsrecht de strijd: de partij die het langst op het slagveld blijft is overwinnaar… Aan beide kanten zouden zo’n 2000 mannen gesneuveld zijn. Zoals de Franse gesneuvelden na 1302 geen graf kregen, krijgen nu ook de Vlaamse gesneuvelden van de Fransen geen graf.

De Vlamingen trekken zich terug in Rijsel. Daar laat men een garnizoen achter en men trekt verder naar het Noorden. Rijsel wordt later door de Fransen belegerd. Hertog Jan II van Brabant slaagt erin om een vredesverdrag te bemiddelen, wat leidt tot de vrede van Athis-sur-Orge (1305). De Vlamingen krijgen er zware financiële verplichtingen opgelegd en moeten hun militaire macht inperken. Historisch is het dus nogal moeilijk om te spreken van winnaars-verliezers.

Dit verhaal wordt in de brochure aangevuld met o.a. een bijdrage van de burgemeester van Pevelenberg, petits-histoires van twee Frans-Vlaamse historici (O. Cornille en G. Hugot), bijdragen van L. Camerlynck over Waals-Vlaanderen, een beschrijving van een wandelroute en de omgeving van de Pevelenberg. De Sutter geeft een levensbeschrijving van Willem van Gulik en een van Gwijde van Namen.

Een handig en interessant tweetalig boekje voor wie geïnteresseerd is in de Nederlandse geschiedenis van de Middeleeuwen en bovendien een uitstekend initiatief om de banden met Frans-Vlaanderen nauwer aan te halen.

Bruno Daems

__________________

Recensie: CAILLIAU, M. (red.). Pevelenberg. 1304-2004. Mons-en-Pévèle. Zannekin, Ieper, 2004, 80 p. Te verkrijgen bij: M. Cailliau, Paddevijverstraat 2, 8900 Ieper (057/20 41 94). Prijs: leden 5 Eur; Niet-leden 10 Eur.

 

Vanaf de zijlijn

Marten Heida, Veenendaal

Gelukwens

Iemand feliciteren met zijn 66e verjaardag is niet uitzonderlijk. Dat is wel het geval als dit cijferpaar een omgekeerd beeld vertoont. Deze verjaardag heeft ons lid dr. A. van Hulzen uit Utrecht onlangs mogen vieren. Ik ben ervan overtuigd namens de hele ZANNEKIN-kring te spreken door hem van harte te feliciteren met het binnengaan van zijn 100e jaarkring.

Een Artesiër wordt grietman in Fryslân

Eén van de grietenijen – een bestuurlijke eenheid die te vergelijken is met de huidige gemeente – in de zuidwesthoek van Fryslân was Hemelum, Oldefurd en Noordwolde. Daarover werd in 1574 als grietman aangesteld een zekere Marten Baijert. Zijn naam doet het niet vermoeden,  maar hij was afkomstig uit Artesië. In dat gewest was hij heer van Gantau. Naarstig speurwerk heeft mij niet op het spoor gebracht van deze “bezitting”; mogelijk zijn er onder u die hierover een licht kunnen laten schijnen.

In 1574 trokken de Spanjaarden is Fryslân nog aan de bestuurstouwtjes. En daar Artesië in die tijd nog deel uitmaakte van de Nederlanden is het dus niet zo verwonderlijk dat deze “Fransman” – zo wordt hij door Abma aangeduid, maar hij zal hebben bedoeld “Franstalige”, daar hij geen onderdaan van de Franse koning was – voor bovengenoemde functie in aanmerking kon komen. Van een hechte samenwerking met de ingezetenen zal geen sprake geweest zijn; men was namelijk allerminst op deze vreemdeling gesteld. Of deze opstelling ook bijgedragen heeft tot de duur van zijn “rijk” weet ik niet; wel is bekend dat er in 1578 al een eind aan kwam; in dat jaar werd hij door de prinsgezinden (= handlangers van Willem van Oranje) gevangen genomen.

Bron: dr. C. Abma, Himmelumer, Aldeferd en Noardwâlde, p. 55.

Waar een verblijf in Frankrijk al niet goed voor kan zijn

Na de mislukte poging de macht in handen te krijgen (en te houden) weken in 1787 vele Patriotten uit naar Frankrijk. Daar maakten ze tijdens hun verblijf kennis met een centraal bestuurde eenheidsstaat en in het verlengde daarvan met een uniform waterstaat op centraal niveau. Dat wilden ze ook gaan toepassen in hun thuisland. Toen ze in het kielzog van de inval van de Fransen in 1795 terug kwamen, hadden ze een prachtige blauwdruk zowel van een nieuwe staatsinrichting als van een centrale waterstaat in hun achterzak meegenomen.

Bron: J.L. Kool-Blokland, De rand van het land. Wetenschapsgeschiedenis van Schouwen en Duiveland, p. 155.

Eemsland in kort bestek

U had altijd al eens een bezoek willen brengen aan het Eemsland? Dan doet het mij plezier u een helpende hand te kunnen toesteken bij de voorbereiding daarvan. Die stelt u in staat zich vooraf deugdelijk te informeren. En wel met behulp van een boekje op zakformaat – dus gemakkelijk weg te steken – dat u in kort bestek het Eemsland uit de doeken doet zowel op het gebied van de cultuur als de natuur.

De schrijver verstaat de kunst met een minimum aan woorden een maximum aan informatie door te geven. Zeker wanneer u voor het eerst kennis gaat maken met deze regio hebt u er ruim voldoende aan. Voor de overzichtelijkheid heeft hij de stof verdeeld over drie hoofdstukken die elk een bepaald facet tot onderwerp hebben. Zo gaat het eerste over de geschiedenis en laat hij u in het tweede kennismaken met het land en zijn bewoners.

Als u zo heeft “ingepraat” kan de verkenning worden begonnen. Aan de hand van een viertal reisroutes wijst hij u de weg. En zoals dat de taak is van een gids praat hij u onderweg bij over de bezienswaardigheden. Hij is er van uitgegaan dat u de vier belangrijkste plaatsen langer met een bezoek wilt vereren; u hoeft daar niet verloren te lopen dank zij de opgenomen plattegronden. Afgesloten wordt met het doorgeven van een aantal praktische tips die alfabetisch gerangschikt zijn. En ingeval u iets zoekt over een bepaalde plaats of onderwerp dan kunt u terecht in het zaak- en personenregister.

N.a..v. Christof Haverkamp, Das Emsland, seine Kultur un Natur entdecken und erleben. Ein illustriertes Reisehandbuch, 152 pp., 10,90 EUR. ISBN 0049-421 34843-0, Edition Temmen, Hohenlohestr. 21, D. 28209, Bremen.

Ik was weer eens in Emden

In 1976 bracht ik voor de tweede keer een bezoek aan de Oostfriese havenstad Emden. Bij die gelegenheid maakte ik enkele foto’s van de ruïne van de Grote Kerk. Dit godshuis was hiertoe vervallen als gevolg van een geallieerd bombardement op 11 december 1943. Het beeld dat ik toen te zien kreeg was niet verheffend: de muren waren geblakerd en de binnenruimte was een grasveld. Het zou tot 1992 duren vóór men daar verandering zou gaan aanbrengen als gevolg van het besluit de ruïne niet af te breken maar te restaureren. Het opvallende is wel dat men de ruïne intact gelaten heeft – men kijkt nog altijd tegen de geblakerde muren aan – en voorzien heeft van een bedekking. Dat maakte het mogelijk de daardoor ontstane ruimte functioneel in te richten. Zo heeft het vroegere grasveld plaats moeten maken voor een vloer van zwart-marmeren tegels en is de ruimte nu o.m. in gebruik als concertzaal. Verder heeft men een deel van het gebouw ingericht als bibliotheek die genoemd is naar de Oostfriese hervormer Johannes a Lasco. Daarmee heeft de in 1559 begonnen boekenverzameling ten dienste van de predikanten weer onderdak gekregen op dezelfde locatie waar ze vanaf 1570 gehuisvest was.

Is het u ook al weer opgevallen?

Het is weer zover. In menige Nederlandse stad of dorp is het woord “sale” weer in beeld. Afhankelijk van het woordenboek dat je er  op naslaat om te achterhalen wat de juiste betekenis is, zijn er twee conclusies mogelijk. De eerste is dat ons land blijkbaar overspoeld wordt door een vloedgolf van Engelstalige klanten die door dit woordgebruik gelokt moeten worden om voor een schappelijk prijsje bepaalde voorraden aan te vullen. Bij de tweede frons ik mijn voorhoofd. Het wil er bij mij niet in dat de betreffende winkeliers publiekelijk bekend maken dat je maar beter niet naar binnen kunt gaan vanwege de “vuile” boel.

Natuurlijk wet ik ook wel dat met het daarstraks genoemde woord “uitverkoop” bedoeld wordt. Maar men heeft verzuimd er bij stil te staan dat men in feite uitverkoop houdt van de Nederlandse taal. Het wordt hoog tijd dat aan deze vorm van vervuiling – en nu grijp ik weer terug naar de Franse betekenis van dit woord – van het straatbeeld een eind komt. Keur de zaken waar het een “sale” boel is geen blik waardig.

Marten Heida

Prins Willem-Alexanderpark 53

3905 CB Veenendaal

Het laatste woord

Aan de talrijke reacties, die de Stichting ZANNEKIN tijdens de voorbije maanden mocht ontvangen, hebben wij mogen vaststellen dat de publicaties van onze vereniging, en dit zijn de Nieuwsbrief, het Jaarboek en andere uitgaven, gretig gelezen worden, hetgeen ons veel genoegen doet en ons aanmoedigt om vol te houden.

Zo werd naar onze mening en eventuele standpunten gevraagd over uiteenlopende onderwerpen zoals het onlangs geopende Vlaams-Nederlands Huis in Brussel, over de Nederlandse Taalunie, het Algemeen Nederlands Verbond en andere verenigingen of instanties, die zich bezighouden met de taal en/of cultuur der Nederlanden. We komen er later op terug. Ook over humanisme en christendom binnen de Nederlanden en Europa kwam een vraag binnen. U leest hierover verder meer.

Dinxperlo - Süderwick

Het gemoedelijke Dinxperlo in de Gelderse Achterhoek koekt morfologisch samen met het Duitse Süderwick. “Koek van enen deeg” is het echter niet altijd geweest tussen beide leefgemeenschappen. Van 1949 tot 1963 werd Süderwick als oorlogsschadevergoeding aangehecht bij Dinxperlo. Veel zaken in het dagdagelijkse leven moesten vaak met pasjes en allerlei machtigingen gebeuren.

In zowel Dinxperlo als Süderwick werd en wordt er nog grotendeels haast hetzelfde dialect gesproken. Dezelfde taal verstaan en spreken betekende nog niet dat dit automatisch tot verstandhouding leidde.

Gelukkig zijn de zaken tijdens de jongste decennia in dermate gunstige richting geëvolueerd dat de verstandhouding nu opperbest is. Meer nog, de Nederlandse en Duitse politiediensten van de grensstadjes sloegen de handen in elkaar en huizen nu in één en hetzelfde gebouw, dat  pal op de grens tussen beide landen gevestigd is.

De steden Kerkrade en Herzogenrath ervaren al een tijdje hun samenwerking in het raam van het Eurode-project als zeer succesvol. In beide Duits-Nederlandse samenwerkingsverbanden speelt het plaatselijke dialect, het “platt”, een heel belangrijke rol, maar dit mag niet de hoofdessentie vormen.

Remi Piryns ging heen

Een Groot-Nederlander ging heen. De Standaard van 12 augustus 2004 berichtte op pagina 8 het overlijden van Remi Piryns in een keurig artikel. We halen er een paar fragmenten uit.

”Groot-Nederlander Remi Piryns overleden. Dinsdag (10 augustus, nvdr) is de ondernemer en Groot-Nederlander Remi Piryns overleden te Onze-Lieve-Vrouw-Waver. Over minder dan een week zou hij 84 zijn geworden.

Tot op hoge leeftijd zat Remi Piryns het door hem mee opgerichte Algemeen Nederlands Congres voor. Al van in zijn jeugd stoelde zijn maatschappelijk denken op de Groot-Nederlandse gedachte. Zijn hele leven bleef hij ijveren voor een nauwe, vooral culturele samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen. De op 16 augustus 1920 geboren Piryns ging aan de voor-avond van de Tweede Wereldoorlog rechten studeren aan de Leuvense universiteit. Hij engageerde er zich in het katholieke flamingantisme, via het Algemeen Katholiek Diets Studentenverbond en het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond, waarvan hij ook een jaar preses was.” (…)

Door zijn verzet tegen het gebrek aan Groot-Nederlandse en christelijke inzet bij het NSJV raakte Piryns politiek op een zijspoor. De Duitsers pakten hem (tijdens de bezetting, nvdr) zelfs een paar keer op omdat hij weigerde te gaan werken in Duitsland.

Na de Bevrijding belandde Piryns, net als zoveel al dan niet echte collaborateurs, in het gevangenenkamp van Lokeren. Hij kwam snel weer vrij en werd nooit veroordeeld. Tijdens zijn gevangenschap schreef hij het bekende, door Gaston Feremans getoonzette lied Gebed voor het Vaderland: ,,Heer, laat het Prinsenvolk der oude Nederlanden / niet ondergaan in haat, in broedertwist  en schande. / Maak dat uit d'oude bron nieuw leven nogmaals vloeit.'' Piryns richtte ook mee het satirische weekblad Rommelpot mee op, dat stem gaf aan de flamingantische kritiek op de naoorlogse repressie. (…)”

Naer Oostland

In dit nummer van de Nieuwsbrief vindt u een verslag van Zannekin-bestuurslid Vik Eggermont over de reis naar de Fläming. Na de reis naar de geboortegrond van Willem de Zwijger in 2003 en na de reis naar de Fläming in 2004 is er kennelijk een nieuwe “Drang nach Osten” bij een aantal leden en sympathisanten ontstaan.

Er worden reeds plannen gesmeed om in 2005 naar het land van de Flandrer te gaan. En dat brengt ons naar Zevenburgen, in Roemenië. In zijn boek Leer mij ze kennen … de Vlamingen , uitgegeven in 1969 bij AW Sijthoff te Leiden, schrijft Karel Jonckheere op bladzijde 23 het volgende: “In Roemenië moet men op zijn tellen letten als men zegt afkomstig te zijn uit Vlaanderen. Ik dacht dat Vlaming in deze taal Flamand was of daaromtrent. Het is Flamanz en flamînd betekent uitgehongerd. Zo erg is het nog niet in Karel van de Woestijnes “welig huis waar we zijn als genoden aan rijke taeflen”. In Transsylvanië, waarheen in 1178, tijdens het bewind van Filips van den Elzas Saksers, Hollanders, Friezen en Vlamingen verhuisden om hier aan de overstromingen te ontsnappen en ginds te boeren, wonen nog altijd afstammelingen van deze gezamenlijke volksverhuizingen, uitgelokt door de koning van Hongarije. Ze heten Flandrer. Na de jongste oorlog kon men in Cluj, eertijds Klausenburg, op de muren lezen maar dan in het Roemeens: “Flandrer, go home”. Deze door Duitsland gesensibiliseerde mensen houden van hun oorspronkelijke taal, door een West-Vlaming goed te begrijpen, en geven hun gedeeltelijke zelfstandigheid niet op.

Een van deze taaie Flandrer, Michael Albert (1836-1893), dichter, novellist, romancier en dramaturg, schreef omstreeks 1884 een historisch drama Die Flandrer am Alt, Vlaanderaars aan de Olt-rivier. In dit stuk wordt het recht op eigen taal en zeden opgeëist. Wij schijnen ook ginds onverbeterlijk te blijven”. Tot zover, Karel Jonckheere.

Vermoedelijk in juni 2005 gaat ZANNEKIN opnieuw naar Oostland. Over de mogelijke reis naar Klausenburg (Cluj-Napoca), Kronstadt (Braşov), Sibiu (Hermannstadt) en andere plaatsen in de Karpaten en op de weg ernaar toe verneemt u meer in een volgende Nieuwsbrief.

Media augustus 2004 was de vereniging Fläming-Flandern e.V. te gast in Vlaanderen. Namens ZANNEKIN bracht Vik Eggermont hen een welkomstgroet in Antwerpen.

Rijsel 2004 Culturele Hoofdstad van Europa

is een overrompelend succes. De Rubens-tentoonstelling overtrof alle verwachtingen en voorspellingen en de Reuzenoptochten deden de hoofdstad van Frans-Vlaanderen opnieuw in euforie baden.

Beide manifestaties met een duidelijk Vlaams-Nederlands karakter waren tot nu toe de voltreffers. Andere activiteiten wisten ook heel wat volk op de been te brengen.

ZANNEKIN-bestuursleden en –leden verzorgden op een aantal terreinen heel wat logistieke ondersteuning door middel van gidsbeurten, assistentie bij vertalingen, adviezen, e.d.m. Ettelijke honderden bezoekers werden door hen in het Nederlands door de Rijselse metropool geloodst. Medewerking werd onder meer verleend aan initiatieven van de Orde van den Prince, de Federatie van Vlaamse Vrouwengroepen, het Davidsfonds, het Nederlandse Thijmgenoot-schap, het Rijselse Centre universitaire d’Études de la Langue et de la Culture flamandes, de Vlaamse Volksbeweging, en nog  tal van andere verenigingen uit de Nederlanden, zuidelijk en noordelijk. De kaderteksten voor de “Maisons Folie” werden naar het Nederlands vertaald op verzoek van het organisatiecomité van Rijsel 2004 Culturele Hoofdstad.

Op 12 september 2004 hebben te Rijsel “Stadsgezichten” plaats met een interessante voordracht door dhr. Dick Wortel, uit Leiden, in de Katholieke Universiteit van Rijsel en met rondleidingen door de Frans-Vlaamse hoofdstad en naar de Frans-Vlaamse Westhoek.

Op 2 oktober 2004 is er de grote Rijseldag van de Vlaamse Volksbeweging.

Frans-Vlaanderen als verfransend element?

In het verleden toen de Schreve, de grens tussen West- en Frans-Vlaanderen, nog een duidelijke afbakening vormde tussen twee landen, konden de Vlamingen aan weerszijden van deze scheidingslijnen probleemloos met elkaar in het West-Vlaams converseren. De gewesttaal van Boeschepe (F) verschilde nauwelijks van die van Reningelst (B).

Tijdens de jongste decennia uitte de verfransingdruk zich naar de taal toe steeds duidelijker en bleven de Vlamingen in West-Vlaanderen West-Vlaams spreken, maar de Vlamingen in de Frans-Vlaamse Westhoek verloren stilaan contact met de “tale van hun voorouders”.

Daar waar tot vóór een tiental jaar her en der nog een drankje in het “Vlamsch” in een Frans-Vlaamse herberg kon worden besteld, is dit nu een zeldzaamheid geworden. Een aantal jongere Frans-Vlamingen leggen zich echter toe op het leren van het Nederlands om in de Vlaamsvriendelijke handelszaken van de Frans-Vlaamse Westhoek de klant in Vondels taal te woord te staan, maar ze vormen (nog) geen grote groep. Er is duidelijk werk aan de winkel.

Wat echter nauwelijks of niet door de beugel kan, zijn de horecazaken in West-Vlaanderen, die personeel in dienst nemen, dat geen “gebenedijd” woord Nederlands spreekt. Van Heuvelland tot De Panne vindt men steeds meer taveernen en restaurants met totaal Nederlandsonkundig personeel. Het zou deontologisch en ethisch niet correct zijn namen te noemen, maar het mag wel gezegd zijn dat de handels- en horecazaken op de Zwarte Berg in Heuvelland de kroon spannen. Maar ook elders zoals in Watou, Beauvoorde en nog andere plaatsen laat het zich steeds duidelijker voelen.

In De Panne en Koksijde, waar tot een kwarteeuw terug terecht steen en been werd geklaagd omdat men in veel zaken niet in het Nederlands terecht kon, wordt opnieuw steeds vaker Nederlandsonkundig personeel aangeworven.

Wat het geheel nog dramatischer maakt, is het feit dat de overgrote meerderheid van deze Franseentalige werknemers uit Frans-Vlaanderen komt.

De eigenaars van de bewuste horeca- en handelszaken, waar de klanten nog nauwelijks in het Nederlands worden bediend, beweren dat zij geen personeel meer in eigen streek kunnen vinden. Daarom moeten zij aanvaarden wie zich dan toch uiteindelijk komt melden.

Dat kan best waar zijn, maar het is toch maar een kleine inspanning om een paar elementaire begrippen in het Nederlands aan te leren.

Het Perfide Albion

Mijn bijdrage over het Perfide Albion lokte een aantal reacties uit, doorgaans positieve, doch ook een paar negatieve. Ik wil op de ene, noch op de andere ingaan omdat het soms te veel afwijkt van de doelstellingen van de Stichting ZANNEKIN.

Humanisme en Christendom in de Nederlanden extra muros

Een opmerkelijke vraag naar ons toe had betrekking op de Europese grondwet. De Nederlanden, en ongetwijfeld ook de Nederlanden extra muros, waren en zijn nog grotendeels de bakermat van diverse levensbeschouwelijke stromingen. Vooreerst was één der grootste humanisten, namelijk Desiderius Erasmus, een Nederlander. Uit de Friese gebieden stamt Menno Simonszoon, stichter van de Mennonieten. Uit Kempen aan de Nederrijn stamt Thomas Hamerken van Kempen, beter bekend als Thomas a Kempis. Uit Xanten komt Norbertus van Gennep, die in Prémontré in Picardië een abdij stichtte. Adelgundis en Waldetrudis stammen uit Henegouwen, Coleta en Ansgar uit de buurt van Corbie aan de Somme. Ansgar, de apostel van het noorden, stichtte Corvey bij Höxter in het Weserbergerland en ligt begraven in Bremen als eerste bisschop van die stad. De protestant Petrus Dathenus werd te Cassel geboren en belandde na veel omzwerving door de Nederlanden en Duitsland in Oost-Pruisen, waar hij in het nu Poolse Elbing/Elbląng, rust. Van recentere datum zijn Huizinga, Apostel, Schillebeeckx, Kruithof, e.a., die buiten de Nederlanden ook bekendheid genieten.

Zoveel namen uit de levensbeschouwelijke wereld met een uitstraling naar Europa en de wereld. Humanisme en christendom maken onlosmakelijk deel uit van het Europa van vandaag, waar mensenrechten en vrije meningsuiting vaste waarden zijn, die na eeuwen verworven werden. Ja, Europa, waar in de meeste landen kerk en staat gescheiden zijn. En gelukkig maar.

De Nederlanden hebben tot de totstandkoming van die sfeer van tolerantie en algemene verdraagzaamheid aanzienlijk bijgedragen, in het bijzonder Holland of de Noordelijke Nederlanden.

Het is dan des te betreurenswaardiger dat politici uit de Zuidelijke Nederlanden, met name de Belgen Roger Lallemand en Louis Michel heden ten dage het voortouw hebben genomen om begrippen als humanistisch en christelijk uit de Europese grondwet te weren. Het is zon én schaduw over Magnum Belgium.

Leo Camerlynck

Voorzitter ZANNEKIN

“De Zavelberg”, E. Michielsstr. 51,

B. 1180 Ukkel