> nieuwsbrief > 23e jg. - 1e trimester 2005

Bijdragen over: Tip

Mededelingen

Hernieuwen bijdrage – jaar 2005

De jaarwisseling nadert met rasse schreden; stilaan tijd dus om elkaar alle goeds toe te wensen voor het nieuwe jaar. Voor de penningmeester komt daarbij de opdracht om ervoor te zorgen dat de hernieuwing van de bijdragen een vlot verloop kent.

Een en ander gebeurt dan bij deze! Een zuinig beheer laat ons toe de jaarbijdrage voor 2005 ongewijzigd te behouden. Uw abonnement op onze Nieuwsbrief en van het jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ blijft met andere woorden beperkt tot een basisbijdrage van 25 EUR. Tussendoor even meegeven – en wellicht nuttig om er even bij stil te staan – dat we van die bijdrage niet minder dan 10 EUR dienen te spenderen aan louter port- en verpakkingskosten (voor verzendingen buiten België)!

Deze ledenbijdrage t.b.v. 25 EUR – méér is steeds welkom! – verwachten wij rond de jaarwisseling. Ze geldt meteen als voorintekening op het 27e jaarboek dat eind mei 2005 verschijnt en waarvan de boekhandelprijs na verschijnen 30 EUR (+verzendkosten) zal belopen.

Als voorheen blijven de leden uiteraard genieten van een gevoelige korting op de deelnemersbijdragen van onze Studie-uitstap en onze Ontmoetingsdag.

Studie-uitstap en Ontmoetingsdag 2005

Op zaterdag 7 mei 2005 verkennen wij vanuit het Brabantse Halle een bijzonder fraaie hoek van Henegouwen en op zaterdag 15 oktober zijn we te gast te Keulen. Nadere gegevens in de volgende Nieuwsbrief. Noteer alvast de data.

Stadsbezoek Maastricht

In samenwerking met de Vereniging voor Heemkennis Ons Amsterdam plannen wij op 21 mei 2005 een bezoek aan Maastricht. De dag vangt aan om 11.00 uur aan de ingang van de St.-Servaas, waar we een rondleiding door de kerk en de schatkamer krijgen. Ook een bezoek aan het Westwerk met zijn keizerszaal – normaal niet toegankelijk – wordt voorzien. Na de middagpauze bezoeken we om 14.30 uur de O.L.Vrouwkerk, waar eveneens de schatkamer aan bod komt, en waar wij het koor zelf mogen betreden, teneinde de bijzonder fraaie kapitelen te bewonderen. U kunt zich aanmelden via overboeking van 20 Eur op een van de ZANNEKIN-rekeningen (zie p. 1)

Gemeenschap voor Duits-Nederlandse Culturele arbeid

De gemeenschap hield haar Herfstbijeenkomst te Zutphen in het weekeinde van onze Ontmoetingsdag te Zierikzee. Op het programma stonden interessante lezingen met betrekking tot Actuele plannen en perspectieven betreffende grensoverschrijdende samenwerking en inleidingen over Historie en cultuur van de stad Zutphen. Zutphen was – evenals zijn nabuurstad Deventer – tot in de late Middeleeuwen voor het westelijk Munsterland een belangrijk handels- en cultuurcentrum. In deze mooie, oude doch zeer levendige stad discussiëerden vertegenwoordigers van de Nederlands-Duitse parlementariërskring over deze actuele vragen.

Liudger-tentoonstelling

In het Stadtmuseum te Munster loopt van 12 maart 2005 tot 11 september 2005 in tentoonstelling gewijd aan Liudger Alle detailinformatie is te vinden op: http://www.liudger-wird-bischof.de. Men kan aldaar abonneren op een e-mailnieuwsbrief teneinde op de hoogte te blijven van de nieuwste ontwikkelingen.

Waar waren wij…?

Waar vertoefden de ZANNEKIN-leden in de loop van de voorbije jaren naar aanleiding van onze Studie-uitstappen en Ontmoetingsdagen? Onderstaand lijstje geeft daaromtrent opheldering, waarbij SU staat voor Studie-uitstap en OD voor Ontmoetingsdag. Een overzichtje van de voorbije 13 jaren:

·        1992: SU: Oostelijke Nederlanden (Waldniel, Brüggen, Wachtendonk (NRW); OD: Vreden (NRW).

·        1993: SU: Henegouwen (Boussu, Le Quesnoy, Avennes-sur-Helpe); OD. Edingen (Noord-Henegouwen).

·        1994: SU: meerdaagse reis naar Boergondië; OD: Dowaai (Zuid-Vlaanderen).

·        1995: SU: Meurs (NRW); OD: Rijsel (Zuid-Vlaanderen).

·        1996: SU: Montreuil, Saint-Josse-sur-Mer (Artesië); OD: Duisburg (NRW).

·        1997: SU: Brussel (Zuid-Brabant); OD: Kamerijk (Zuid-Henegouwen).

·        1998: SU: Sint-Winoksbergen (Zuid-Vlaanderen); OD: Kempen (NRW).

·        1999: SU: de Slagvelden in de Zuidelijkste Nederlanden (Bouvines, Seclin, Pevelenberg, Bavik); OD: Luxemburg (stad).

·        2000: SU: Atrecht (Artesië); OD: Munster (NRW).

·        2001: SU: Kevelaer (NRW); OD: Broekburg en Grevelingen (Zuid-Vlaanderen).

·        2002: SU: Guldensporenslag: Kortrijk en Bethune (Artesië); OD: Waterloo (Zuid-Brabant).

·        2003: SU: Westmunsterland (Dinxperlo, Bocholt, Raesfeld); OD: Sint-Omaars (Artesië).

·        2004: Slagveld Pevelenberg (1304); OD: Zierikzee (zeeslag 1304).

Reizen 2005 van de Stichting Zannekin i.s.m. de Leesclub van het Seniorencentrum Brussel

25 & 26 april 2005 : La Route des Flandres (deel één)

Dag één: Brussel – Compiègne (stadhuis met Flandrin, Lansquenet et Langlois) – Senlis (middeleeuwse stadskern, kathedraal) - Orry-la-Ville (Nederlandse begraafplaats) – Chantilly (kasteel van Condé, miniaturen van de Gebroeders van Limburg “les très riches heures du Duc de Berry”)  Prémontré (abdij van Sint-Norbertus van Gennep) – Chamouille (hotel aan een meer/le Chemin des Dames)

Dag twee: Chamouille – Laon (butte couronnée, kathedraal, hoofdkerk met graf van gravin van Vlaanderen) – Longueval (Zuid-Afikaanse gedenksite met replica van het kasteel van Kaapstad) - Atrecht/Arras (Vlaamse marktpleinen, Sint-Vedatusabdij) - Brussel

6, 7, 8 & 9 juni 2005 : Sporen van de Nederlanden in Noord-Duitsland

Dag één: Brussel – Bentheim (Nederlands gereformeerde gemeente in Duitsland, burcht)  – Bremen (de Schütting, de Roeland, de Bremer Stadtmusikanten) – Hamburg-Altona (Vlaams-Nederlandse nederzetting) – Lübeck of  Lüneburg (stadskernen)

Dag twee: Lübeck of Lüneburg  – Schwerin (mooie stad aan een meer)  – Mölln (begraafplaats van Tijl Uilenspiegel) – Lübeck of Lüneburg

Dag drie: Lübeck of Lüneburg – Heide (museum en geboortehuis van Klaus Groth, vader van de Al-Dietse beweging en schrijver van Mijn Moederspraak) - Friedrichstadt (stad in Hollandse bouwstijl) – Lübeck of Lüneburg

Dag vier: Lübeck of Lüneburg – Celle (fraaie stadskern) – Duisburg (herinneringen aan Mercator) – Brussel

Alle informatie bij Leo Camerlynck, voorzitter Stichting Zannekin, op het telefoonnumer 00 32 485 63 02 27

De Nederlanden “extra muros” 2005

Even vooruitblikken op de rijke oogst aan jaarboekbijdragen waaruit de redactie putten zal voor ons 27e jaarboek:

Huib Uil, De zeeslag op de Gouwe (Zierikzee) in 1304

Albert Neetens, Een Vlaamse “kolonie” in Parijs

Erik Martens, Sophie van Thüringen en de Brabantse machtsuitbreiding

Dick Wortel, Een Hollander is ook maar een Vlaming

Cyriel Moeyaert, Molenschatting ‘Markeet Meulen’, Noord-Berkijn, 1680

Marten Heida, Emden en Groningen samen op weg naar de Reformatie

Pieter Jan Verstraete, Steffen Bartstra, de vergeten Friese schrijver

Jan van Tongeren, Zierikzee en de Henegouwse connectie

Antoon Lowyck, Nederlandstalige borden in de Westhoek van de Nederlanden in Frankrijk

Johan van Herreweghe, Kroniek ‘De Franse Nederlanden’

Marten Heida, Een opmerkelijk reisverslag

Pronk en Praal

Van 1 oktober 2004 t/m 1 augustus 2005 is in de Grote Kerk van Breda de tentoonstelling “Pronk en Praal, uitingen van dynastiek zelfbewustzijn: de Oranje-Nassau’s in de Grote Kerk van Breda” te zien.

De Grote of Onze Lieve Vrouwe Kerk in Breda (1410) is een Rijksmonument dat tot de belangrijkste monumenten van Nederland be-hoort. Van 1995 tot en met 1998 heeft het gebouw extern en intern een grondige restauratie ondergaan. Mede daardoor is de Grote Kerk (weer) het meest aansprekende monument van Breda geworden.

Het interieur van het gebouw is zeer bijzonder. De kerk herbergt een aantal Laatmiddeleeuwse grafmonumenten die als ensemble nergens anders in Nederland voorkomen. Ook de gewelfschilderingen zijn onvergelijkbaar met die in andere Nederlandse kerken. De gewelfschilderingen van de Prinsenkapel zijn zelfs uniek voor Europa: zelfs in Italië is er geen tweede schildering in deze vorm te vinden.

De aanwezigheid van deze unieke kunstschatten is te danken aan de (Oranje-) Nassau’s. In 1404 vestigt de familie Nassau zich in de Nederlanden/Breda. In de eeuwen daarna ontwikkelt de Nassau-familie zich tot een der rijkste en machtigste van Europa. Die ontwikkeling van rijkdom en macht is duidelijk terug te vinden in de Grote Kerk van Breda: enerzijds in de vorm van de diverse uitbreidingen van het gebouw, anderzijds in de vorm van schilderingen, grafmonumenten en kunstschatten. Uitbreidingen en verfraaiingen werden gefinancierd door de Nassau’s.

In de kerk liggen begraven Engelbrecht I en II van Nassau, Jan IV van Nassau, Hendrik III van Nassau; Rene van Chalon (de eerste Prins van Oranje en erflater aan Willem van Oranje); de eerste vrouw van Willem van Oranje Anna van Buren en tientallen andere familieleden en leden van hun hofhouding. Vanaf de dood van Willem van Oranje werden de Oranje Nassau’s in Delft begraven. De meeste voorvaderen van Willem van Oranje zijn bijgezet in Breda.

Over deze Oranje Nassau’s in de Grote Kerk van Breda wordt een bijzondere expositie georganiseerd. Een expositie met bijzondere presentatievormen waarbij de nadruk ligt op beleving.In de expositie worden nieuwe media (CD-rom) gebruikt waardoor (graf)-monumenten op normaliter ontoegankelijke plaatsen bekeken kunnen worden: vanaf 6 meter hoogte, aan de achterzijde, aan de onderkant (opname’s van de grafkelder), inzoomen op details, enz. Bijzondere manuscripten die tegelijkertijd aan de buitenkant en aan de binnenkant bekeken kunnen worden. Door middel van digitale visualisatie wordt in beeld gebracht hoe rijk de kerk vroeger was ingericht. Een digitale verteller, Justinus van Nassau, neemt de bezoeker mee langs de bijzondere monumenten en objecten. Er worden speciale Oranje Nassau rondleidingen aangeboden door de expositie onder leiding van een gids. Door de educatieve flyer is de expositie ook heel geschikt voor kinderen vanaf 10 jaar.

In de expositie wordt een groot aantal objecten uit diverse musea uit binnen- en buitenland geëxposeerd. Ongeveer twintig collectiestukken worden in speciale vitrines voor het eerst aan het publiek getoond.

___________

Grote Kerk Breda, bezoekadres: Kerkplein 2. Openingstijden: het gehele jaar maandag tot en met zaterdag 10.00-17.00 uur, zondagen 13.00-17.00 uur (behoudens activiteiten). Meer informatie over de tentoonstelling is te vinden op www.grotekerkbreda.nl. Zie ook: www.breda600jaarnassau.nl.

De Nederlanden in de 21e Eeuw

Drs Ruud Bruyns

Een toekomstgerichte verkenning van de Nederlanden in Europa

Over de ligging en de grondslag van ‘Nederland’ of de ‘Nederlanden’ zijn al veel visies bekend, maar deze zijn echter alle tijdsgebonden. Niettemin vormen al deze gedachten een welkome inspiratiebron voor toekomstige inzichten. De toekomst zelf is echter onontgonnen terrein en staat in al haar maagdelijkheid open voor de pioniers van de idealen. Deze idealen moeten echter door deze wegbereiders van de toekomstige orde concrete invulling krijgen, zodat de toekomst tegemoet kan worden gezien als het begin van een nieuwe dageraad. Ik zal op basis van mijn leesuurtjes, overpeinzingen en inzichten een consistent beeld proberen te scheppen over hoe ik het staatkundige concept ‘de Lage Landen aan de Zee’ (Pays-Bas Belgiques) inhoud zou willen geven in de komende eeuw. De eeuw, waarin nationalisten de taak hebben om een nieuwe orde te scheppen om de wereld weer leefbaar te maken en de samenleving wederom menselijk te maken. Bovenal is dit artikel de weergave van mijn visie over de positie van de Nederlanden binnen de Europese cultuur en in de Europese toekomst.

Over de grootte en de omvang van de werkelijke Nederlanden is al veel geschreven, maar er bestaat (nog steeds) geen eenduidig criterium. Dit komt, omdat er onenigheid bestaat over het ontstaan en de samenstelling van de Nederlanden. Velen zijn van mening, dat de Nederlandse taal gans het volk omvat, terwijl anderen wijzen op de lotsverbondenheid met de Walen. De territorialiteit van de Nederlanden valt echter mijns inziens terug te voeren op het simpele principe, dat de Nederlanden liggen op het breukvlak van de Germaanse en Romaanse wereld. Dat overgangsgebied is ontstaan als gevolg van de strijd tussen de Romeinse en de Germaanse wereld in West-Europa vanaf de vestiging van de Rijngrens door Caesar tot aan de Grote Volksverhuizingen. De Nederlanden lagen precies in het grensgebied van het Romeinse Rijk, waar Romaanse kolonisten zich vestigden na hun diensttijd aan de Rijn en waar Germaanse stammen zich vestigden als bondgenoten van de Romeinen. In de periode daarna bleven de Lage Landen in een grensgebied liggen tussen Frankische Rijk en het Duitse Rijk in de vorm van het Karolingische Middenrijk van Lotharius, dat op den duur werd opgedeeld door Frankrijk en het Duitse keizerrijk.

Ondanks gebiedsverlies aan en onderwerpingen door Fransen en Duitsers in de daarop volgende eeuwen hebben de Nederlanders echter altijd het bewustzijn gekend anders te zijn dan de oosterburen en de zuiderburen. Dit komt enerzijds, omdat de taalgrens dwars door de Nederlanden loopt, en anderzijds omdat de werkelijke grens tussen het Franse koninkrijk en het Duitse keizerrijk door de Nederlanden heeft gelopen. De Bourgondische hertogen hebben de Nederlanden losgeweekt van beide vorstendommen, waardoor een nationaal bewustzijn zich heeft kunnen ontwikkelen. In de loop van de tijd zijn de Nederlandse gewesten los komen te staan van de Duitse natie en het Franse koninkrijk.

De polariteit van (het huidige) Europa, die wordt belichaamd door enerzijds Frankrijk en anderzijds Duitsland, is niet van toepassing op de Nederlanden, omdat hier de Germaanse en de Romaanse wereld samenkomen. Ik wil hier echter concreet mee zeggen, dat de mensen uit de Lage Landen aan de Zee nooit echte Duitsers en ook geen echte Fransen zijn geweest. In het verleden zijn we vaak verleid of gedwongen geweest om te kiezen tussen beiden zijden - Noords protestantisme versus Zuidelijk katholicisme, Verlichting versus Romantiek, Revolutie versus Reactie, Franse Republikeinse inslag versus Duits Aristocratische mentaliteit. Al deze zaken zijn aanwezig in de Nederlanden, al deze zaken hebben ons ooit verscheurd en steeds weer laten we ons verleiden en bedreigen door beide zijden. We moeten echter bewust voor onszelf kiezen! Kiezen voor eenheid en verscheidenheid in de Lage Landen om onze unieke eigenheid te bewaren.

De eigenheid, die de Romaanse wereld en de Germaanse wereld in zich verbindt in plaats van elkaar scheidt. We vormen namelijk in onszelf en onze ontwikkeling deze verbondenheid! De Vlaamse steden in de 15e eeuw hadden dezelfde uitstraling en zelfbewustzijn als de Lombardische steden in die tijd, het Romaanse Wallonië heeft dezelfde industriële inslag als het Teutoonse Ruhrgebied en de grandeur van het Bourgondische hof straalde eens over gans Europa dank zij de economische en kunstzinnige rijkdom van de Nederlanden. Dat is niet verwonderlijk, want de Nederlanden hebben namelijk zowel de Germaanse als de Romaanse geest in zichzelf gesloten door haar unieke ontwikkeling op het breukvlak van beide werelden.

De Heel-Nederlandse gedachte dient dus in het teken te staan van de dualistische aard van de Nederlanden en de eenheid met behoud van de taal, de gewoonten en de gebruiken van de lagere geledingen, en de gewesten in het bijzonder. Daarom is er een speciale rol weggelegd voor de Heel-Nederlandse gedachte in de ontwikkeling van de Europese eenwording, omdat de Nederlanden het sluitstuk vormen die beide werelden met elkaar verbindt. Daar waar de Fransen en de Duitsers aan elkaar grenzen verschansen ze zich van achter hun fysieke en psychische verdedigingslinies met hun groteske namen, maar binnen de Nederlanden komen deze werelden samen. De gewesten en streken in de Nederlanden zijn verschillend van elkaar, maar de dualistische eigenheid van de Nederlanden vormt de sleutel voor de eenheid van de gewesten en het bewustzijn van die eigenheid de afbakening van de Nederlanden ten opzichte van haar buren.

Dit is namelijk ook het geval met Zwitserland, dat op kantonnaal niveau een grote verscheidenheid heeft op allerlei gebied dat de kantons onderscheidt van elkaar, maar ook een daadwerkelijke eenheid door het eedgenootschap vanaf de 14e eeuw. In Zwitserland komen de Romaanse en Germaanse wereld ook bij elkaar, worden beide werelden verenigd door het respect voor de eigenheid van de verschillende gemeenschappen en tot een eenheid gevormd door een confederatie van berggemeenschappen. Het land heeft er bewust voor gekozen om het lot in eigen hand te nemen en überhaupt geen partij te kiezen in welk conflict dan ook! Zwitserland vormt echter net als de Nederlanden een spil binnen Europa, waar de wegen bij elkaar komen en weer vertrekken. Zulke volkslichamen personifiëren de waarachtige vrede door het respect voor de eigenheid der gewestelijke gemeenschappen en het verdedigen van de belangen van deze gemeenschappen op een vreedzame wijze.

Dit betekent echter in geen geval de rechtvaardiging van de staat België en is al helemaal geen pleidooi voor staatsnationalisme! De staat België is namelijk ontstaan als een geopolitieke schepping in dienst van de strategische belangen van de Europese grootmachten, waarin het dienst doet als bufferstaat en exponent van de Franse beschaving. De staat België is dus de antithese van het waarachtige Nederland, omdat het ten eerste sinds 1830 de nationale rechten van de Nederlandssprekende gewesten op grove wijze schendt, ten tweede de Lage Landen sinds 1830 in de wurggreep van de grootmachten houdt doordat haar bestaan de eenheid van de Nederlanden verhindert, en ten derde de staatsmacht van bovenaf laat prevaleren aan de volkswerkzaamheid van onderaf.

Ook Nederland is echter niet zonder schuld, omdat deze staat zich kwijt van haar taak om de Nederlandse gewesten te verenigen en zich bezondigdt aan het centralisme, waartegen het met succes in opstand was gekomen in de 16e eeuw. Beide staten dienen dan ook te verdwijnen door hun de macht te ontnemen en terug te geven aan de lagere geledingen van de samenleving. Dat houdt concreet in, dat de gewesten, de gemeenten en de overige lage geledingen wederom een belangrijke rol moeten gaan spelen in het bewustzijn van het volk, zodat de nieuwe Nederlanden op de stevige grondvesten van de volksgemeenschap gebouwd kan worden. Hierdoor zullen de belangen en de eigenheid van het volk voortaan voorop staan, doordat de macht bij het volk zal liggen met de nadruk op de lagere geledingen. De hogere geledingen behoren daarom juist in dienst te staan van de lagere geledingen, omdat zij zo de soevereiniteit van het volk hierdoor belichamen door de oorspronkelijke functie van hun bestaan - het bestendigen van de maatschappelijke orde en het vertegenwoordigen van de belangen van de volksgemeenschap.

De Nederlanden zijn mijns inziens dus geen vastomlijnd gebied of een taalgemeenschap, maar een bewustzijn van de eigenheid van de landstalen en de gewesten. Wij behoren onszelf toe en zullen zelf onze toekomst inhoud geven door te streven naar de eenheid van de Lage Landen aan de Zee. Zowel de Waalse, de Friese als de Nederlandse gemeenschap behoren tot het Dietse Rijk, omdat juist de Heel-Nederlandse gedachte ontstaan is door de uitdrukkelijke wens om onszelf te willen blijven zonder onze eigenheid te verliezen. Hierdoor zullen de Nederlanden allereerst in het teken staan van de rechten van zowel de nationale, als de gewestelijke en de lagere geledingen, omdat die rechten de eigenheid en vooral de eenheid van de Nederlanden moeten belichamen. Juist het zelfbewustzijn van het volk van de Lage Landen aan de Zee en de belichaming van dat bewustzijn door alle geledingen van de gemeenschap is de grondslag voor de Heel-Nederlandse gedachte van de 21e eeuw. Noch de bezetting door de Fransen tussen 1795-1815, noch de bezetting door de Duitsers tussen 1940-1945 heeft de Nederlanden namelijk bij respectievelijk de Franse of Duitse cultuurwereld kunnen voegen. Elke keer triomfeerde het zelfbewustzijn en de samenhorigheid van de Nederlanders, waardoor de eerste keer het Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830), en de tweede keer de Benelux als (doodgeboren) kind van vooroorlogse ideeën ontstond. Beide pogingen om de eenheid van de Nederlanden te bestendigen mislukten echter door de geopolitieke en economische belangen van Duitsland, Frankrijk en Engeland bij de verdeeldheid van de Lage Landen. Zowel het huidige Nederland als het ontstane België zijn hiervan het resultaat. De Hollandse republikeinse inslag en de Belgische monarchistische constructie vormen slechts pionnen op het geopolitieke schaakspel der grootmachten. Alleen de eenheid van de Nederlanden kan ons uit deze wurggreep redden, omdat zij beroep doet op het bewustzijn en vooral de grootsheid van de Nederlanden!

De Nederlanden behoren niettemin tot de Germaanse wereld van het Noorden. Op zijn minst vanwege hun sleutelpositie aan de Noordzee als de binnenzee der Noordse volkeren van Europa, maar vooral door de samenstelling van het Nederlandse volk. Germaanse stamverbanden zijn tijdens en na de (gedeeltelijke) Romeinse bezetting de Lage Landen binnengetrokken, en hebben in de daarop volgende eeuwen de dorpen, de steden, de streken en de gewesten hun eigenheid meegegeven. In het westen en het noorden vestigden zich de Friezen met hun legendarische koning Radboud, in het oosten vestigden zich de Saksen met hun stoutmoedige hertog Widukind en in het zuiden vestigden zich de Franken onder leiding van de illustere hoofdman Syagrius. Wat betreft afkomst behoren de Nederlanders onbetwist tot de Germaanse tak van de Europese boom, maar door hun grenspositie vormen ze een brug tussen de Germaanse en de Romaanse wereld vanwege hun unieke geografische ligging in de delta van de Rijn, Maas en Schelde en aan de zee. Het land heeft de Nederlanden verbonden met de continentale Romaanse machten, maar de zee heeft de Lage Landen altijd al verbonden met de maritieme Germaanse wereld, waartoe de Nederlanders zelf ook behoorden. Daar waar de zee de Nederlanden altijd veel voorspoed heeft gebracht, is de territoriale integriteit daarentegen altijd een zorg geweest voor de Lage Landen. De Lage Landen liggen namelijk op een strategische positie en vormen een economische sleutelgebied binnen Europa, maar bovenal zijn ze verdeeld. Hierdoor vormden ze een gemakkelijke prooi voor ambitieuze vorsten en machtige rijken in de loop van de geschiedenis, waardoor er verscheidene gewesten ons ontvallen zijn door de agressie van de buurstaten en het gebrek aan eensgezindheid in de Nederlanden.

De Nederlanden vormen enerzijds het grensgebied van de Romaanse en de Germaanse wereld, en anderzijds het knooppunt van deze culturen De Lag Landen aan de Zee hebben echter in de loop van de eeuwen een eigen identiteit ontwikkeld, ondanks het feit, dat ze meerdere malen dreigde ten onder te gaan aan de veroveringen en de verleidingen van beide beschavingen. Toch prevaleerde de vrijheidszin en de solidariteit van de gewesten en de lagere geledingen ten opzichte van de eenheid - eenheid in de verscheidenheid van de gewesten.

Het Heel-Nederlandse streven heeft altijd al in het teken gestaan van de bestendiging van de eenheid en het behoud van de vrijheid en verscheidenheid van de lagere geledingen. De afzonderlijke eigenheid en vrijheid kan immers alleen beschermd worden door het streven naar een samenhangende eenheid - de Nederlanden. Binnen de rijksgedachte is er plaats voor de belangen en de eigenheid van de landstalen. Daar waar in het centrum de Nederlandse (streek)talen overheersen, zo overheersen aan de randgebieden de Luxemburgse landstaal in Luxemburg, de Saksische landstaal in Drente en Groningen, en de Waalse landstaal in de Ardennen, Luik en Henegouwen - in het oosten laat zich namelijk de invloed vanuit Duitsland merken en in het zuiden is de Franse cultuurwereld net om de hoek. Vlaanderen en Friesland nemen in dit geheel een bijzondere positie in door hun sterk cultureel en politiek bewustzijn - beiden geven sterke uitingen van taalbewustzijn en het bewustzijn van de culturele eigenheid.

Zowel de Vlamingen als de Friezen zijn echter beide Nederlanders, niet zozeer in taalkundig opzicht, maar wel in historisch opzicht. Beide gewesten hebben immers binnen de geschiedenis van de Nederlanden in staatkundig opzicht altijd al een relatief onafhankelijke positie ingenomen, beide gewesten hebben zich succesvol verzet tegen het opdringen van een dominante cultuur binnen de vorming van de nationale staten in de 19e eeuw, en beide gewesten hebben dit verzet inhoud gegeven door de nadruk te leggen op hun culturele eigenheid. Hiermee wil ik zeggen, dat het hedendaagse nationalisme de nadruk moet leggen op de eigenheid van de geledingen waaruit een volk is opgebouwd en daarmee moet het taalnationalisme van de 19e en de 20e eeuw vaarwel gezegd worden. Dat taalnationalisme was namelijk eerder een staatsnationalistische uitdrukking van de vestiging van een gecentraliseerde eenheidscultuur in het kader van natievorming dan van het behoud van de eigenheid. Taalnationalisme is echter in wezen niet slecht - ze behoudt zelfs een wezenlijk onderdeel van de identiteit - maar men moet zich hoeden voor standaardisering en uniformering van de taal, en zeker wanneer het ten dienste is van een hogere staatkundige eenheid! De taal is niet gans het volk of anderszins absoluut, maar het maakt wel onlosmakelijk deel uit van de identiteit, die in haar wezen uit meerdere componenten bestaat. ‘Heel-Nederlands’ staat in mijn ogen niet voor een taalkundige eenheid in de Nederlanden, maar voor de eigenheid en de vrijheid van de Nederlandse gewesten.

De Nederlanden liggen verborgen in de wil van het volk van de Lage Landen aan de Zee om hun eigenheid en vrijheid te behouden ten opzichte van de machtige buurstaten, die ieder deel uitmaken van respectievelijk de Romaanse en de Germaanse wereld. Die beide werelden komen in de Nederlanden samen en omdat we met beiden vertrouwd zijn, zijn beiden binnen ons volk met elkaar verbonden. Beide werelden gaan namelijk in elkaar over binnen het deltagebied van de Nederlanden, waardoor de gewesten (en de lagere geledingen) in zichzelf een bijzondere eigenheid hebben. Dit komt, doordat ze op dat breukvlak liggen, waardoor ze enerzijds verbonden zijn met de Romaanse of Germaanse wereld en anderzijds zich ervan onderscheiden door hun specifieke eigenheid. Deze specifieke culturele taalkundige en etnische eigenheid liggen aan de grondslag van de identiteit der Nederlanders vanaf plaatselijk tot gewestelijk niveau. De Nederlanden hebben echter een historische ontwikkeling doorgemaakt, waardoor het bewustzijn is ontstaan om de vrijheid en de eigenheid van de gewesten en de gemeenten in de delta van de Schelde, de Maas en de Rijn te bewaren en te beschermen tegen vorsten en staten. Dit zal mijns inziens het uitgangspunt moeten zijn voor de vereniging van de Nederlanden in de 21ste eeuw als zijnde enerzijds het bewaren van de volksgemeenschap en het land, waarin zij leeft als de grondslag van al het handelen en anderzijds de vervolmaking van de Nederlanden als regionale macht binnen Europa.

______________

Ruud Bruyns is Nederlands historicus en is verbonden aan diverse culturele en politieke organisaties. Deze bijdrage van zijn hand werd ontleend aan de rubriek “artikels” van de webpagina’s van http://roepstem.tripod.com

Vanaf de zijlijn

Een man met een eigen stijl

Mij was gevraagd op de Ontmoetingsdag (te Zierikzee op 16 oktober j.l.) het één en ander te vertellen over mr. Herbert Paul Schaap, de eerste voorzitter van het in 1966 (her-)opgerichte ZANNEKIN. De reden was gelegen in het feit dat hij een band had met de stad waar wij bij elkaar waren gekomen. Zierikzee was n.l. de plaats waar hij vanaf 1962 heeft gewoond als gevolg van zijn functie bij de rechterlijke macht en waar hij twintig jaar later – op 12 juli 1982 is overleden.

Ik heb hem meegemaakt als voorzitter van onze vereniging en heb ervaren dat hij een man was die zich kenmerkte door een geheel eigen stijl van optreden. Ik wil dat graag illustreren met twee anekdotisch gekleurde voorvallen. Het eerste heeft alles te maken met zijn jonge jaren, voorzitter als hij in 1922 werd van het Diets Studentenverbond. Dit wetend zult u het niet vreemd vinden dat aan de gevel van zijn huis in deze stad op 11 juli jaarlijks de leeuwenvlag uithing. Het anekdotische gaat schuil in de overgeleverde reactie van zijn melkboer; deze vroeg op zekere 11e juli aan Schaap, daarbij wijzend op de op de vlag aangebrachte figuur: “Wat voor draak is dat?” Schaap kennend zal hij hem omstandig hebben uitgelegd dat het geen draak maar een leeuw voorstelde en dat het uithangen van deze vlag voor hem een uiting was van zijn verbondenheid met Vlaanderen.

Het tweede heeft te maken met de wijze waarop nieuwe bestuursleden door hem geïnstalleerd werden. Of het door hem gehanteerde gebruik gewoonte was in de kring van de rechterlijke macht weet ik niet; wat ik wel weet is dat ik zijn ritueel heb moeten ondergaan. En daar heb ik geen deuk aan overgehouden. Wellicht ziet u het in gedachten voor uw ogen gebeuren. Hij pleegde op te staan, ordende de knopen van zijn jasje en liep dan met afgemeten pas – hij was officier in het Nederlandse leger geweest – op de nieuweling toe. In zijn hand had hij het teken van zijn waardigheid – de voorzittershamer –waarmee hij bij het aankomend bestuurslid een ferme tik tegen zijn voorhoofd gaf.

Omdat niet alle bestuursleden gecharmeerd waren van dit ritueel was bij herhaling geprobeerd hem in overweging te geven ervan af te zien. Maar elke poging strandde op zijn soevereine beslissing dat het gebruik gehandhaafd bleek tot op het ogenblik – en dat was tijdens de op 28 februari 1976 in zijn thuisstad Zierikzee gehouden bestuursvergadering – dat hij de hamer overdroeg aan zijn opvolger, de heer Jef Goethals.

Met dit te vertellen heb ik een tipje willen oplichten van de sluier die rond deze markante figuur hing. Hij genoot er zichtbaar van zijn rol als voorzitter te spelen. Als ik dat zo verwoord heb, dan heb ik daarin iets willen laten doorschemeren over de kwaliteit van zijn wijze van leiding geven. Die muntte sterk uit in delegeren wat er in de praktijk op neerkwam dat vrijwel alles wat voor de vereniging gedaan moest worden werd toegespeeld aan de toenmalige secretaris dr. Jan Rutten.

Meerdere bestuursleden plaatsten dan ook bij herhaling vraagtekens bij dit functioneren. In zeer bedekte termen werd hem af en toe de hint gegeven een punt te zetten achter zijn voorzitterschap. Maar óf hij verstond de hint niet óf hij dacht dat hij het toch goed deed – in die zin kon hij zich bij tijd en wijle grappig uitlaten – hij dacht er niet aan zijn stoel ter beschikking te stellen. Pas toen hij zich niet meer kon verplaatsen – reden waarom de daarstraks genoemde bestuursvergadering in Zierikzee werd gehouden – achtte hij het ogenblik aangebroken de hamer over te dragen.

Nationale minderheden in Duitsland

Onder dit opschrift schreef Thomas Steensen een bijdrage in het septembernummer 2004 van het tijdschrift Nordfriesland. Hierin refereert hij aan het Frankfurter Parlement, dat tijdens de revolutie van 1848-’49 als grondwetgevende vergadering bijeenkwam. In artikel 13 werd bepaald dat de niet-Duitssprekende volken de garantie kregen dat hun nationale ontwikkeling gerespecteerd werd; dit respect had betrekking op de gelijkberechtiging van hun talen op de terreinen van kerkelijk gebruik, het onderwijs, het bestuur en de rechtspraak. Dat artikel mag gegolden hebben voor minderheidstalen als het Deens en het Pools, voor het in het Nederrijnland gesproken Nederlands niet. Daar werkte de “verduitsingsmachinerie” nadat Pruisen in 1815 er opnieuw de lakens mocht uitdelen (krachtens een beslissing van het Wener Congres) op volle toeren. Het Nederlandse taalverleden moest met inzet van alle beschikbare middelen uitgewist worden.

In feite gebeurde hier al wat vanaf 1871 ook andere taalminderheden werd aangedaan. Ze werden als storende elementen ervaren die de eenheid van het Reich in de weg stonden. Van enige vorm van gelijkberechtiging was in het geheel gen sprake meer.

Het tij is pas gaan keren in de jaren ’90 van de vorige eeuw toen een raamovereenkomst werd gesloten met betrekking tot het beschermen van nationale taalminderheden. In dit kader worden genoemd: de Deense, de (Noord)-Friese, de Sorbische en de Roma en Sinti... Het Nederlands komt in dat rijtje niet meer voor; dat is in de loop van de voorbije eeuwen “ausradiert” in het officiële gebruik. Wat er nog van rest zijn de relicten van de streektalen waarvan het merendeel van de gebruikers nauwelijks nog weet dat ze een Nederlands dialect spreken en geen Duits.

Gelukkig wordt er in de aan Nederland grenzende gebieden op grote schaal Nederlands onderwezen. Maar dit is niet voldoende om deze taal weer de plaats te hergeven waarop ze historisch gezien recht heeft. Hopelijk draagt dit onderwijs wel bij tot het zich bewust worden van wat door ingrijpen van overheidswege verloren is gegaan, om zo opnieuw belangstelling te krijgen door de taalfamilie waarvan men eens deel uitmaakte.

De gevolgen van de vaststelling van de nieuwe oostgrens

Nar het verdwijnen van Napoleon van het Europese toneel moest orde op zaken gesteld worden. Ter bereiking van dat doel werd Europa in 1815 in Wenen op de tekentafel gelegd om in gemeenschappelijk overleg de grenzen van een groot aantal landen opnieuw vast te stellen. Zo werd de voormalige Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vergroot met de vroegere Zuidelijke Nederlanden die vanaf 1715 tot Oostenrijk hadden behoord.

Maar niet alleen in deze richting was er sprake van gebiedsuitbreiding; ook in het oosten kwam gebied binnen het gezichtsveld van koning Willem I te liggen en wel als gevolg van de vaststelling van de nieuwe oostgrens. Voor een deel van de bewoners van dit gebied – het vroegere Gelderse Opperkwartier – had deze politieke beslissing tot gevolg dat de situatie van vóór 1795 hersteld werd: ze werden na 20 jaar Frans bestuur weer onderdaan van de Pruisische koning. Dat was niet het geval met hen die aan de westkant van de nieuwe scheidslijn – die op 800 Rijnse roeden (= 3012,80 m) evenwijdig aan de Maas was getrokken en bekend kwam te staan onder de naam Kanonschotgrens – waren komen te wonen: zij werden geacht voortaan burgers te zijn van het nieuwbakken Koninkrijk der Nederlanden.

Van een leien dakje is trouwens de definitieve vastlegging van de grens niet gegaan. Eerst in 1818 en pas na 124 zittingen van de daartoe benoemde commissie, kon de nieuwe afbakening als voltooid beschouwd worden. Het door de huidige Limburgse gemeente Tegelen aangetekende verzet tegen deze gedwongen “landverhuizing” had niet gebaar. Bron: Geldrischer Heimatkalender 2004, pp. 211-214.

Als gevolg van “Wenen” werd uitgeweken naar Enkhuizen

Op het Wener Congres anno 1815 werd besloten dat Hannover het in Oost-Friesland voor het zeggen kreeg. Dat had tot gevolg dat voortaan Oostfriese schepen onder Engelse vlag moesten varen (de koning van Hannover was ook koning van Engeland). Werd voorheen de haringvisserij van staatswege (door Pruisen, waartoe Oost-Friesland toen behoorde) geldelijk ondersteund, onder het Hannoverse bestuur was daar geen sprake meer van. Als gevolg daarvan konden de Oostfriese haringvissers niet langer concurreren met hun Nederlandse vakbroeders. Dit was voor de Emdense reder Abegg (1760-1827) voldoende reden om met zijn koggen uit te wijken naar het in Noord-Holland gelegen stadje Enkhuizen. Blijkbaar had hij over deze beslissing toch geen al te goed gevoel, want later is hij teruggekeerd naar zijn thuisbasis Emden. Bron: Ostfriesland Magazin, 2004/10, p. 25.

Gaan we naar een tweedeling van de samenleving?

Als de belangrijke “men” zijn zin krijgt, dan gaat het Engels een in toenemende mate belangrijker plaats binnen het geheel van het onderwijs innemen. Het grote gevaar dat hierin schuilt is dat zij die straks geroepen worden leiding aan de samenleving te geven zich niet meer in het Nederlands kunnen uitdrukken, omdat de juiste woorden niet meer tot hun woordenschat behoren. Het is tegen deze achtergrond dat me onlangs een gesprek te binnen schoot dat ik eens voerde met de Oostfriese historicus dr. Harm Wiemann. Geboortig als hij was uit Bunde beheerste hij het Oostfriese Platt als geen ander. “Maar”, zo verzekerde hij mij, “vraag me niet een referaat daarin te moeten houden; dat kan ik niet omdat ik daar de woorden niet voor heb, opgeleid als ik ben in het Hoogduits.”

Het gevaar is niet denkbeeldig – als voortgewerkt wordt volgens het huidige beleid – dat we binnen ons taalgebied ook soortgelijke reacties te horen zullen krijgen. Dat wil dus zeggen dat dan de status van onze taal verlaagd zal zijn tot alleen maar geschikt voor huis-, tuin- en keukengebruik.

Met dit toekomstbeeld voor ogen zou ik me kunnen voorstellen dat inwijkelingen zich de vraag gaan stellen of het wel de moeite loont een inburgeringscursus te volgen. Het is al wel een kwarteeuw geleden dat een (toen) jonge Frans-Vlaming weten liet dat – en nu veralgemeen ik zijn uitspraak – Nederlandstaligen niet fier zijn op hun taal. De inmiddels in gang gezette ontwikkeling overtuigt mij er steeds meer van dat zijn uitspraak nog niets aan actualiteit verloren heeft.

Herstelbetaling in boeken

In augustus 1914 hebben de Duitse troepen onder meer de Leuvense universiteitsbibliotheek in vlammen laten opgaan. In datzelfde jaar stierf prof. dr. Alfred Eberhard die grote bekendheid had gekregen door de wijze waarop hij in Brunswijk het hoger onderwijs in nieuwe banen had geleid. Hij liet een bibliotheek na van maar liefst 30.000 banden. Dit boekenbezit moest na de oorlog worden afgestaan Leuven in het kader van de opgelege herstelbetalingen. Bron: Ostfriesland Magazin, 2004/10, p. 24.

Marten Heida,

Prins Willem-Alexanderpark 53

3905 CB Veenendaal

Het laatste woord

Mijn Diets verdriet

Ons ontvallen geregeld en te vaak trouwe vrienden. Het is zeer vaak een pijnlijk afscheid. Het ene heengaan komt harder aan dan het andere. Zo verliest de Stichting Zannekin een trouw lid, een minzame man. Hij was een heel-Nederlander in hart en nieren, onze kameraad André Galle.

Als socialist, of eerder sociaal-democraat, doch ook als kritisch bewonderaar van Joris van Severen, Lode Claes, Pieter Geyl, was André een verrijking voor de Stichting Zannekin.

Vertel mij van België pende hij neer. Zannekin bracht het uit. Het werd een bundel belevenissen van een lieve mens, die zich een weg trachtte te banen door het getormenteerde Belgische, lees heel-Nederlandse geopolitieke kluwen. Tot ziens, vriend en kameraad André. André Alexander Galle overleed op 21 november 2004 op 78-jarige leeftijd.

Naar Oostland

De geplande reis naar Zevenburgen in Roemenië wordt verder voorbereid, doch zal pas in 2006 doorgang kunnen vinden. Ofwel haakt Zannekin een wagen aan de locomotief vast van een reisbureau, die een klassieke toer door Transsylvanië aanbiedt zonder aandacht voor de sporen uit de Nederlanden aldaar, ofwel doen wij het op eigen houtje en in de geest van onze stichting Zannekin. Er werd voor het tweede geopteerd, maar dat vergt wel wat meer organisatietijd.

Maar de stichting heeft heel wat in petto. Naast de jaarlijkse studie-uitstap, die in 2005 op 7 mei gepland is en Henegouwen (Cousolre, Lobbes, Maubeuge, e.a.) als bestemming heeft, en de jaarlijkse ontmoetingsdag, die in 2005 op 15 oktober plaatsgrijpt in Keulen, zijn er alvast nog twee extra’s.

Het betreft een tweedaagse reis naar Picardië en Artesië op 25 en 26 april 2005 en een vierdaagse reis naar Noord-Duitsland van 6 tot en met 9 juni 2005. U verneemt hier meer over elders in dit tijdschrift.

ANV, Taalunie, Vlaams-Nederlands Huis, e.d.m.

Dit artikel wordt naar een volgende Nieuwsbrief van de Stichting Zannekin verdaagd omwille van plaatsgebrek en dringender aangelegenheden.

Aan iedereen een gelukkig en voorspoedig 2005 gewenst …..

Leo Camerlynck Voorzitter

“De Zavelberg” Edouard Michielsstraat 51

1180 Ukkel / Brussel