> nieuwsbrief > 22e jg. -nr. 3/2005

Bijdragen over: Tip

3e Internationale Dag van het Nederlands

Op zondag 10 juli 2005, aan de vooravond van de Vlaamse Feestdag, heeft de 3e Internationale Dag van het Nederlands en het Afrikaans plaats. Deze dag wordt georganiseerd door de IDN-werkgroep, een samenwerkingsverband van een aantal verenigingen en instanties (*).

Het academische gedeelte van de editie 2005 begint om 16.30 uur. Deze manifestatie heeft plaats in het County House of Brussels, Heldensquare, te Ukkel. HET THEMA voor deze editie is: Dialect, Taalvariant, Standaardtaal en het programma is als volgt:

·   Verwelkoming door Leo Camerlynck, voorzitter van het IDN-comité

· Een Nederlands getuigenis uit Brussel door de heer Thomas Roukens

· Ukkel én Brussel als locatie voor deze Dag van het Nederlands, door de heer Jean-Luc Vanraes, voorzitter van de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC)

·  Een Vlaams-Indonesisch getuigenis uit Ukkel door de heer Stefan Cornelis, voorzitter van het Ukkelse Gemeenschapscentrum Candelaershuys

· Toespraak door de heer Gerhard Hiwat, ambassadeur van Suriname met een Nederlandse stem uit het Caraïbisch gebied 

· Toespraak door de heer Francois van der Merwe, ambassaderaad van Zuid-Afrika over de Parel onder het Zuiderkruis

· Filmpje over Frans-Vlaanderen

· Lezing door Prof. Dr. Sera de Vriendt, uit Sint-Genesius-Rode, over “Het Brussels, een apart geval in het Nederlandse taallandschap” 

· Slotwoord “Nederlands Extra Muros” door Prof. Dr. Jos Wilmots, medestichter en oud-voorzitter van de Internationale Vereniging voor de Nederlandistiek (IVN

· Tussendoor, een streepje poëzie uit Suriname, Aruba, de Nederlandse Antillen, Namibië, Zuid-Afrika, Duitsland en Frans-Vlaanderen door Milaine Goedhuys

· De academische zitting wordt gevolgd door een receptie om 18.15 uur en een Guldensporen-maal om 19.00 uur.

(*) De meewerkende verenigingen/instanties aan deze dag zijn: de Orde van den Prince Sint-Genesius-Rode – Beersel, de Academie van het Brussels, ARA!, het Gemeenschapscentrum Candelaershuys, de Stichting Zannekin, het Davidsfonds Ukkel Stalle, het Humanistisch Vrijzinnig Vormingswerk Zuid-West-Brussel + vertegenwoordigers uit Nederland, Frankrijk, Zuid-Afrika, Namibië, Indonesië, Suriname, Duitsland, Luxemburg, Polen, de Nederlandse Antillen en Aruba. 

Deelnemen aan het academische deel is gratis, maar kan enkel mits tijdig in te schrijven en voor zover er nog plaatsen beschikbaar zijn. Na het academische gedeelte volgt een Gulden Sporen-maal om 19.00 uur (35,00 €uro voor een groot buffet met warme en koude gerechten – drank niet inclusief). Ook hier is inschrijven uiteraard verplicht. 

 

Mededelingen

Hernieuwen bijdrage – jaar 2005

Slechts een gering aantal leden bleef totnogtoe “achterstallig”. Maak, indien dit voor u het geval is, het verzuim stante pede ongedaan! Uw abonnement op onze Nieuwsbrief en op het jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ blijft behouden op een basisbijdrage van 25 EUR. Ze geldt meteen als voorintekening op het 27e jaarboek dat eind mei 2005 verschijnt en waarvan de boekhandelprijs na verschijnen 30 EUR (+verzendkosten) zal belopen.

Genealogische CD-rm

Het Heimatverein des Erkelenzer Lande e.V. bracht in het najaar een vijfde genalogische CD-rom uit. De nieuwe datadrager brengt gegevens samen omtrent geboorten/dopen, huwelijken en sterfgevallen – omtrent in totaal 785.790 personen – uit de jaren 1659tot 1906 met betrekking tot de Ämter Elfgen, Flamersheim, Gimborn, Hardt, Kleingladbach, Marienheide, Rikelrath, Schweinhem, Vlodrop, Wipperfürth, Doveren, Mönchengladbach, Rimburg en Steinkirchen.

Studiekring Eerste Millennium

De studiekring, kortweg SEM genoemd, congresseert op zaterdag 5 november 2005 te Bavel. Het thema luidt: Geschiedschrijving: archivalia en archeologica. Reserveren voor deelname kan nu reeds op het adres: SEM, Hof 6, NL. 4854 AZ Bavel of via e-post info@semafoor.net  

 

Ons Nederlands, een parel van een taal

“Geen heikel onderwerp wordt uit de weggegaan, noch de spelling, noch de binding met het Nederduits, noch leenwoorden, gallicismen, barbarismen of germanismen. Vooral de ongeëvenaarde rijkdom, de grote uitstraling en de sierlijkheid van onze vloeiende taal worden in de kleuren gezet. Maar ook de bedreigingen vanuit Frankrijk, Wallonië en de Angelsaksische landen. Of hoe Vlaanderen zich liet of laat ringeloren door België en zijn volksverradende franskiljons. Hoe sommige “Hollanders” onze taal verkrachten.

Ruime aandacht gaat naar de verdringing van woorden en begrippen uit onze taal, naar de “uitzuivering” van eigen Nederlandse woorden door het onnodig gebruik van vreemde. Ook hoe de volksmens een “taaltje” wordt opgedrongen door zowel na-apers van de vroegere baronnen of door zogenaamde wetenschappers die hun eigen taalwetenschap niet meer kennen.

De Vlaamse Beweging komt ruim aan bod, maar ook het wereldje van politiek en ambtenarij. En de media: zowel de schrijvende als de gesproken pers. Een afzonderlijk hoofdstuk wordt besteed aan de wetenschappelijke waarde en nuttigheid van onze taal en een aan taalverbeteringen.

Ten slotte, en erg belangrijk is er een woordenlijst van rond de 1300 overbodig gebruikte vreemde woorden. Een veelzijdig werk, bruikbaar voor zowel jong als oud. Het kan ook een handige bron zijn voor scholen en leraars.”

Tot zover de foldertekst waarmee dit boek (384 pp.) van de hand van ZANNEKIN-lid Guido Thijs (onder pseudoniem WIDO) voorgesteld wordt. Een van de zeldzame boeken die méér brengen dan de titel belooft! En dit méér valt onmogelijk binnen de samenhang van een korte bespreking weer te geven. Zonder overdrijving kan gesteld worden dat hier een geestdriftige minnaar van ons prinselijk Nederlands aan het woord is. Zijn pijlenkoker zit vaak vol venijn, zijn taal bijwijlen eigenzinnig (en niet steeds in alles consequent) maar steeds genietbaar! Bestellen dus dit boek! 26,60 € (verzendkosten inbegrepen) op rekening 113-0457804-16 van G. Thijs, Grensstraat 51, B. 2580 Grasheide of via e-post:  emieldesmedt@hotmail.com .

 

De Brabantse Omwenteling, voorloper van België?(*)

F. de Tollenaere

In 1794 verscheen te Haarlem, bij François Bohn een boek met de titel Geheimzinnige Toebereidselen tot eene Boertige Reis door Europa. Vermaaks-halven voorgeleezen in, en opgedraagen aan de Maatschappij der Verdien-sten, onder de Spreuk: Felix Meritis door A. Fokke, Simonsz. Met kaarten. MDCCXCIV.

Fokke was een in moeilijke omstandigheden levende schrijver en voordrager ‘in boertige trant’. Zijn grappig bedoelde schrijfsels zijn nu niet meer te lezen, maar destijds schijnt hij meer gezocht te zijn geweest dan de dames Wolff en Deken. Die Geheimzinnige Toebereidselen kunnen hier dan ook gevoeglijk buiten beschouwing blijven. Vóór p. 1 van dat boek vond ik een kaart van “Europa, volgens de nieuwste Verdeeling. Te Haarlem, bij F. Bohn”, die hier niet opnieuw in zijn geheel wordt afgedrukt. Hierop staan de oude Nederlanden afgebeeld. Het noordelijke deel krijgt daar de naam Holland, het zuidelijke heet gewoon, kort en krachtig: Nederland.

Voor wie als kind reeds gewend was aan de verbinding Holland-Belgie, al was het maar bij de voetbal, is de combinatie Holland versus Nederland opvallend. Ze is echter allesbehalve absurd voor wie zich de historische stand van zaken uit 1794 voor de geest haalt, dit wil zeggen kort voor het einde, in 1795, van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

Het spreekt vanzelf dat Holland versus Nederland op kaarten veel ouder moet zijn dan in het boek van Fokke. F. Bohn tovert zijn kaart in 1794 natuurlijk niet uit het niet te voorschijn. Drs. D. de Vries, conservator Collectie Bodel Nijenhuis op de universiteitsbibliotheek te Leiden, was zo vriendelijk even aandacht te besteden aan een vraag hierover van mijn kant. Hij noemde mij, in zijn brief van 18 juli 2001, twee voorbeelden uit de rijkdom van zijn collectie. Op een kaart uit 1771 van W.A. Bachiene (P 207 N 79) worden de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden aangeduid met respectievelijk Vereen. Provincie en Nederlande. In 1754 verscheen te Parijs de meerbladige wandkaart van Europa van d’Anville, waarop overeenkomstige namen voorkomen Provinces Unies en Pays Bas.

Wij hebben dus niet de minste reden om ons te verbazen over de naam Nederland met betrekking tot België. De onrust tijdens de 18e eeuw in de Oostenrijkse Nederlanden was het gevolg van hervormingen van staat en kerk, waarmee keizer Jozef II vanaf 1781 begon, onder invloed van de werken der Franse Encyclopedisten.

Wie de literatuur i.v.m. de Brabantse Omwenteling van 1789 bekijkt1, ziet hoe gewoon de terminologie Nederland. fra. Pays-Bas, en Nederlands, fra. Belgique, m.b.t. inheemse toestanden toen was.

De Gazette van Antwerpen 1789, Nr. 102, wordt gepubliceerd “met permissie van het vereenigd comité der Nederlanden”. In 1790 verschijnt “tot Luxemburg” Het Nederlandsch Chronykje ofte Geschiedenissen van het Nederland. Te Brugge wordt gedrukt zonder jaar, een t’Samenspraek over de Krygsdaeden tegen de Patriotten in de Nederlanden. Een spotlied is getiteld Waeren troost aen den keyser in hei verlies van ‘t Nederland. In een strijdlied heet het:

De Dwingelands, o Nederland!

Het Vaderland doorwonden

en in een ander lied:

Bedrukte Nederlanders,

Aen hoort myn droef geschrey

Een te “Loven’ gedrukt loflied op generaal Van der Mersch heeft als beginwoorden Opwekking der Nederlandsche Zangeressen. In een verhalend lied, een Brief van Colin aan Liese, de ontboezeming van een jonge patriotse vrijwilliger, heet het

Wat zou ons alhier ontbreken?

Daer is geld in overvloed,

Om den Kop omhoog te steken

Tot het Nederlandsche Goed

Het slotvers in alle strofen van het lied “De heldinnen van Brahant” luidt: 

Van ons soete Nederland.

Het Franse equivalent van Nederlands is het adjectief Belgique. Zo heet “Son Excellencc” Heintje van der Noot “Agent Plénipotentiaire Du peuple Belgique”. In het Latijn heet Nederland Belgium, een in de vijftiende eeuw door de humanisten te Leuven en elders bedachte vertaling van Nederland, geïnspireerd als ze waren door wat Julius Caesar in zijn verhaal van de Gallische oorlog vertelt over de Belgae. De dubbele koperen oord van de nieuwgebakkcn republiek vertoont een leeuw met in zijn klauwen geklemd een stok met de vrijheidshoed in top; de keerzijde heeft het opschrift: “ad usum foederati belgii”, federatie bekend gebleven als de Vereenigde Nederlandsche Staeten. De termen Nederland en België zijn in die tijd nog volkomen synoniemen.

Op de vooravond van de Brabantse Omwenteling publiceert Verlooy zijn beroemde Verhandeling op d’Onacht der moederlyke Tael in de Nederlanden (1788).2 Daarin gebruikt hij als gewone term voor onze taal Nederduyts(ch), naast Nederlandsch en, dat is het nieuwe, ook wel Vlaems(ch). Hij is er zich duidelijk van bewust, dat het gebruik van deze laatste term te-ruggaat op een Frans model: francais et flamand = frans en vlaems’.3

In het verweerschrift dat de leider der democraten, Jan Frans Vonck, na de nederlaag der Patriotten schreef, heeft hij het niet over de Brabantsche maar over de Nederlandsche omwenteling.4 Een andere naam voor het zuidelijke Nederland was “de Catholyke Vereenigde Provinciën”.5 De inval van de Fransen in 1792. gevolgd door de annexatie in 1795. is niet direct bevorderlijk voor de termen Nederland en Nederlands: hun Franse equivalenten krijgen echter, zij het maar tijdelijk een kans waarvan ze niet hadden kunnen dromen.

Het Verenigd Koninkrijk van Willem 1 propageert Nederlandsch ook in het Zuiden. Maar na zoveel jaren annexatie bij Frankrijk (1795-1813) dringt de term niet meer door tot de volkstaal van de Nederlandstalige zuidelijke provincies; in de Romaansc gebieden van het Rijk is Belgique vanouds kind aan huis. Vlaemsch heeft dan in het Zuiden een sterke positie, enerzijds vanwege zijn band met het graafschap Vlaanderen, anderzijds dank zij de invloed van het Franse flamand. Niet voor niets schrijft de Gentse hoogleraar Schrant in zijn inleiding bij de Gentse, door het landsbestuur gesteunde heruitgave in 1829 van Verlooy’s tractaat: “Nog hedendaegs wilt men het Hollandsch voor eene andere tael doen doorgaan dan het Vlaemsch!!!“ In het Noorden is Nederlandsch even officieel als in het Zuiden, maar in de volkstaal is en blijft het Hollandsch.

Nog voordat in februari 1831 de regent Surlet de Chokier tot eerste staatshoofd van België wordt gekozen. treft het Voorlopig Bewind6 tal van maatregelen die het universitaire onderwijs ontwrichten.7 Voor onze taal zijn de toenmalige gebeurtenissen in een woord rampzalig te noemen. Het nieuwe bewind zag de taalsituatie in België uitsluitend door een Frans-Brusselse bril; de woorden Nederland en Nederlands waren voor de nieuwe potentaten in Brussel taboe. De nieuwe staat tooit zich wel met de oude namen, maar alleen in het Frans. In de Noord-Nederlandse cartografie krijgt Holland voor het Noorden geen nieuwe kans, het blijft Nederland, voor het Zuiden ook Nederland weliswaar, maar nu met zijn Franse equivalent Belgique.

In het liberale, oranjegezinde Gent komt er na een poos een reactie. Jonkheer Philip Marie Blommaert publiceert in 1832 zijn Aenmerkingen over de verwaerlozing der Nederduitsche Tael. Jan Frans Willems sticht in 1837 zijn Belgisch Museum, waarin Belgisch, mogelijk een opportunistische naam, bij hem ongetwijfeld synoniem is met Nederlandsch. En dan, op 26 augustus 1849, precies tien jaar na het eindverdrag, opent Ferdinand Augustijn Snel-laert in de aula van de Gentse universiteit van koning Willem I, Belgii totius rex. letterlijk ‘koning van heel België’, het eerste “Nederlandsch Taal- en Letterkundig Congres”. In zijn openingstoespraak heeft Snellaert het over ‘‘eenheid in de werking der Noord- en Zuid-Nederlanders tot behoud van den gemeenschappelijken volkszin en van de gemeenschappelijke volkstaal”.8 Een emancipatiebeweging, later Vlaamse Beweging genoemd, breekt zich baan: veel later zal ze het België van 1830 grondig door elkaar schudden. Hiermee zijn we opnieuw aangeland bij het Nederland van de Brabantse Omwenteling op de Haarlemse kaart van François Bohn van 1794.

Het antwoord op de in de titel van deze bijdrage gestelde vraag kan luiden ja en neen. Ja. omdat het grondgebied van de toenmalige Zuid-Nederlandse staten: Brabant, Vlaanderen, Henegouwen, Namen en Luxemburg. zowat samenvalt met de staat die na 1830, uit de hoge hoed der grote Europese Mogendheden te voorschijn komt. Men moet daarbij dan wel in acht nemen, dat het Prinsbisdom Luik autonoom was, en dat het tegenwoordige Hertogdom Luxemburg een erfenis is van Koning Willem I. En laten we één ding niet vergeten: de vlag van Brabant werd de vlag van België.

Neen, indien men afgaat op de terminologie van de toenmalig populaire liederen en vooral van de politieke Heel-Nederlandse geloofsbelijdenis van Jan Baptist Verlooy. Die schreef immers op p. 99 van zijn Verhandeling op d’Onacht der moederlyke Tael in de Nederlanden (1788): “dat ik de vereenigde Nederlanden (bedoeld is de Noordelijke Vrije republiek) aenzie als deel te maken van ons land, en hun met ons als een eenig volkdom achte.” In acht genomen het hierboven geciteerde materiaal, denk ik dan niet aan ons huidige land, maar aan het Verenigd Koninkrijk van Koning Willem I.

Op de Grote Markt te Ronse herinnert een gedenkzuil, het pronkstuk van de toenmalige eerste waterleiding van Ronse (1818), nog aan deze te Brussel niet, maar in het liberale, Oranjegezinde Gent wel geliefde vorst. Die stad dankt aan hem niet alleen het kanaal van Terneuzen, maar ook de opnieuw gestichte universiteit. De eerste uit de zestiende eeuw (1578-1584)9 werd immers, na de Spaanse verovering van de stad, door Alexander Farnese, hertog van Parma, vernietigd.

Nog steeds prijkt trots op de fries van de klassieke gevel der monumentale aula in de Volderstraat, het opschrift:

ALSPICE.GULIELMO.l.ACAD.CONDITORE.POSLIT P.Q.G.MDCCCXXVI.

Wat wil zeggen: ‘Onder bescherming van Willem I, stichter der universiteit, legde het bestuur der stad Gent de eerste steen in 1826.” Dat gebeurde op het terrein van het voormalige jezuïetencollege.

Begrijpelijk is dat L. Roppe, na de Tweede Wereldoorlog gouverneur van Belgisch-Limburg, kon schrijven: “Tussen de staatshoofden die over onze gewesten hebben geregeerd zijn er weinigen die met zoveel dagelijkse inspanning, met zoveel zakenkennis hun regeringstaak hebben ten uitvoer gebracht als koning Willem 1 dat heeft gedaan.”10

Het jaar 1817 geldt als het jaar waarin de Gentse universiteit door de koning werd gesticht; 1817 dat is slechts twee jaar na de nederlaag van Napoleon te Waterloo. Bij de plechtige installatie van de Gentse universiteit, op 9 oktober 1817 in de troonzaal van het Gentse stadhuis, was de kroonprins zelf aanwezig “fils chéri de notre bienfaiteur, bienfaiteur lui-même des sciences et des arts, et digne rejeton du grand Guilaume.”11 Wie in het Gentse museum van folklore de rood-wit-blauwe Nederlandse vlag heeft aanschouwd, met het opschrift “les dames de Gand au prince d’Orange”, begrijpt het verband. Het zou meer dan honderd jaar en wel tot in 1930 duren, eer de universiteit van koning Willem I aan de Nederlandstalige gemeenschap van dit land werd toevertrouwd.

NOTEN

(*) Met dank overgenomen uit Annalen Geschied- en Oudheidkundige Kring van Ronse, 2003, pp. 69-74.

1 De hier geciteerde aanhalingen zijn afkomstig uit dr. E. de Goeyse. De Brabantsche Omwenteling van 1789. programmabrochure. Nederlandse reeks, van het toenmalige N.l.R.. uitgegeven in 1939, d.w.z. 150 jaar na de Brabantse Omwenteling. Zie echter uitvoeriger, ook J. Grietens en E. de Goeyse, Het volkslied ander de Brabantsche Omwenteling van 1789 (1940).

2 Uitgegeven zonder privilegie “tot Maestricht”, maar in werkelijkheid te Brussel gedrukt op de persen van Belle.

3 Hij schrijft “het Nederduyts is d’onze. Nochtans in het spreken nemen wy wel somtyds volgens de Fransche benaeming van Allemand en Flamand het woord Duytsch voor Hoogduytsch, en Vlaemsch voor Nederduytsch”.

4 Leo Delfos in Wetenschappelijke lijdingen, 10, 1950. nr. 2. 54.

5 t’Zamenspraak tusschen eenen Engelsch-man, eenen Gentenaar, eenen Brusselaar ende eenen Mechelaar nopens de tegenwoordige gesteltenis van de zoogenaamde Catholyke Vereenigde Provincien (1790).

6 Hiertoe behoorde ook de overgrootvader van de huidige Waalse politicus Paul-Henri Gendebien van het Rassemblement Wallonie-France (RWF). Volgens een interview (Leidsch Dagblad, 17 mei 2003) ijverde die overgrootvader in 1830 “al voor aansluiting van de Zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk”.

7 Rijksuniversiteit Gent 1817-1967, p. 14 (1967).

8 Aangehaald door Matthias de Vries in zijn inleiding, gedateerd “31 Maart 1882” van het eerste deel van zijn Woordenboek der Nederlandsche Taal.

9 Paul Frederick,”l’Université calviniste de Gand (1578-1584)”, in Revue de l’Instruction Publique 21. 1878, 245-261.

10 In zijn “‘Ten Geleide” bij het boek van A. de Jonghe. De Taalpolitiek van Koning Willem 1 in de Zuidelijke Nederlanden, Brugge 1967.

11 Rijksuniversiteit Gent 1817-1967, p. 9 (1967).

 

Levenwekkend "Op ze Vlaams" (*)

Gerhard, Tienen

Een openbaring. Hoe bestaat het, in Zuid-Vlaanderen, waar de pletwals der drie-eeuwige verfransing, hoe langer hoe meer, bij de jongere generaties zelfs te lande, de dialecten gaat verdringen. Maar kijk, het bestaat. De S.O.S.-"Blootland" heeft zo pas een c.d. uitgebracht met 12 Vlaamse liedjes van ene Edmonda Vanhille. Door haar geschreven en gezongen in haar streektaal en, op een tweetal na, door haar ook getoonzet. "Op ze Vlaams" is de titel van de gedichten.

Tegenover onze graag op sterven na dood verklaarde taal zijn er dus nog levenwekkers. Wekkers van taalcreativiteit ook, zelfs van poëtische aard. Na Klerktje en Joël Devos weer een nieuw geluid. De schrijfster zegt zelf er wat schroomvallig tegenover te hebben gestaan om het aan te durven.

"Notre langue régionale n'ayant pratiquement été utilisée, pendant près de cent ans; que sous sa forme orale, il me paraissait bien difficile de laisser une trace écrite de ces textes" zegt ze. Niet helemaal terecht over het algemeen genomen, maar wel, wat waardevolle letterkundige teksten betreft, voor ons goed aanneembaar.

Ze werd tot schrijven in haar taal gestimuleerd door J.Devos, die haar overigens begeleidt op deze e.d., en door het voorbeeld van J.M. Ternynck. Geboeid door de gedichten die Ternynck een paar jaar geleden liet uitgeven, heeft ze ertoe besloten haar eigen inspiratie in hedendaagse Zuid-Vlaamse spreektaal op schrift te stellen. Het doet wat huiveren als je leest en hoort hoe simpel het klinkt op een al eeuwendurende dramatische achtergrond van cultuurgenocide. Zo ging het: "J'ai donc étudié l'écriture de ma langue maternelle…’’ En daarmee komt ze nu voor het voetlicht van ons Vlaamse luisterliedpodium. Met een vanzelfsprekende spontaniteit en natuurlijkheid. Die van de mensen waarover ze zingt.

Ze had blijkbaar niet anders te Ieren dan de spelling, want haar taaluiting klinkt zo vlot en fris en natuurlijk, recht uit gemoed en mond. Helemaal geen maakwerk. Geen spoor van maakwerk te horen. Daarmee overtreft ze zelfs wie ze als voorbeeld aanwijst. Er zit in luisterliedjes van nature ook gauw wat anekdotiek, maar die wordt bij Vanhille nergens laag-bij-de-gronds of triviaal. Gevoelswarmte voert in al haar werk de hoofdtoon. Er is treffende taalpregnantie te over in haar dichtregels. B.v. al in het eerste gedicht, in gewone spreektoon: "k’Hadden ik een boek/Hounderd jaer oud/vul zantjes van me mette/Waer hen ‘k’t eleid':.. En dan veert er een dwarsere regel op:

"Hoe meer dat je geeft hoe minder datje zyt/': De suggestie is ook goed invoelbaar. Het boek dat ze had en de bidprentjes en daartegenover het kwijt zijn van nu, het weerspiegelt haar verhouding tot haar taal.

Zo hoor je haar met die taal ook "in Duunkerke "zijn. De aanvangsregel begint slepend-gewoon: "'’t Was een keer in Duunkerke een boot': Hij was"van de westenwind nooit benouwd': En dan ontwaakt snerpend de "bootjesvaerder"-toon. "’t En is nieten te doen hen gaet an de dood'; om te culmineren in "Je kryscht je leven je kryscht je brood/En je kut het niet geloven/hen is an ‘n hals ekommen':

Haar innigste is wel een wiegliedje: "De kelte valt. En de visschers zyn verre'; "Slaapt me kindje, slaapt../ Een vliegende storme is ekommen mit 't hoog waeter.../ Slaapt me kindje, slaapt.. Nuuw doet schoone dromen, ‘k wachten ik achter je vaeder'

"Kleinkunst" zal allicht wel eens te horen zijn daarover. Maar het is pakkende kleinkunst. En je hoort en ziet Zuid-Vlaanderen. Ze moffelt het ook niet weg om "mondiaal" op te snijden. In het meer anekdotische register van "een raeren boer" b.v. 't Is pas naar haar hart "lik in Vlaanderen. En ‘t Is wel maer me Vlaanderen/(ge)mist, thuus moen'k ik were keren':..

Het gaat met een vanzelfsprekendheid - behalve één enkel keertje dan eens... - die je inpalmt om erbij te willen horen. "’t Was ne keer niet verre van de schreve/ halfweg tussen de kerke en de Veurnevaert”, en "Langs de weg diet leidt naar Steenvóórde”; "Menschen van hier, van daer en gunter, Duunkerkenaers…" Dan komt ze bij een knal-puik Karnaval terecht in dat Duunkerke waar ze woont.

En ze merkt op, met de nodige scherpte van tong: "drinken om te bluuven byt de meisjes/Maer niet te vele om te kunnen vryen.”

De c.d. klinkt uit op een "Vlaamsche klaagliedtje". Het is een ontroerend slot. Opwegend tegen een "t is te laete, nuus Vlaams is dood”; komt er geen programmatisch of propagandistisch lied, maar een diep doorleefd stukje belijdenis van de Zuid-Vlaamse tragedie:

Waer is ze egaen, me moedertale?

Is ‘t der etwien diet wilt mit myn klappen 

Van overtyd of van vandage,

Mit de zo zoete woorden van me Vlaams! 

Waer is ze egaen... Waer is ze egaen...

 Z'hen al me woorden diepe in d’erde

Bedolven... Een dichter gaet ze kunnen vinden...

Want vliegende stormen gaen de werreld

bewerken... En ‘t Vlaams gaat nog kunnen zingen! 

Waer is ze egaen... Waar is ze egaen...

Haar woorden hebben nu al een dichter gevonden. En of! Ze hebben in hààr een natuurtalent-dichter gevonden, die aanspreekt. Die meer dan aanspreekt, want zij staat te zingen. Door haar gaat, in koor met haar onmiddellijke voorgangers, het "Vlaams nog kunnen zingen. Op zijn Vlaams" .

Zoals ze zelf in "Marieke zingt" getuigt, in de Franse versie die daarvan bestaat: "une voix qui a le coeur d‘un poète de chez nous”. Dat is ook haar stem. Dat doét ook haar stem. Misschien niet ten volle conservatorium-geschoold, maar met trillende of bijtende echtheid.

Voor zo'n stem heeft ze "me moeder evounden mit traenen in neur ogen”: Bij het zingen van Marieke met name. Dat zal door haar stem ook anderen overkomen, waar men beseft op welke achtergrond van meer “gaen"dan "komen” die stem zo helder en doordringend klinken kan. Waar men beseft dat het toch, hoe dan ook, nog kan, terwijl met zovele "wetenschappelijkheid" het ene overlijdensbericht op het andere volgt voor onze taal in het Westland. Het is bovendien een ontroerend en hoogstaand werkstuk dat door die stem, die nog steeds niet gesmoorde eigen Nederlandse stem, zo talentrijk wordt vertolkt. En ook de muzikale begeleiding door Joël Devos draagt daar aanzienlijk toe bij.

Is dat niet een overdreven geestdriftig onthaal voor het zangbundeltje? Ik wil daarover heel formeel zijn: nee. Het is niets teveel gezegd. Zowel naar inhoud als naar vorm is het volwaardig.

Kan ik me wapenen tegen de aanvechting van mijn ronduit positieve waardering, die - als "onkritisch" af te doen zou zijn? Het kan maar in kleinigheidjes zijn te zoeken en dat moet dan maar. Als het vitterig overkomt, dan neem ik het in de koop. Het kan allicht dienstig zijn voor een herdruk die ik de dichteres -zangeres van harte toewens.

Ik weet dat we in oppervlakkige lagen belanden bij het bekijken van de spelling van iemand die ze in Zuid-Vlaamse omstandigheden heeft moeten Ieren hanteren. Ik weet dat zeker dialectenspelling niet een makkelijk klusje uitmaakt. Maar er zijn wel enkele problemen.

Liefst zou b.v. het dialect geografisch moeten worden geïdentificeerd in het brochuurtje. Al sluit de taalvorm dichter aan bij de Nederlandse cultuurtaal dan dat voor sommige dialecten uit het Belgisch-"gefedereerde" Vlaanderen het geval is, toch is dat een onmisbare vereiste. Al was het maar om uit te maken waar momenteel "over de schreve" nog zo vlot een volwaardig Nederlands dialect wordt gesproken.

Of om het verschijnsel van een toegevoegde "t" in "byt" (bij) met een normalere wegval van "t" te vergelijken.

De vraag naar die precisering heeft niet de bedoeling E. Vanhille alleen als een dialectdichteres en dito zangeres te beschouwen. Alleen al door de historische situatie van haar "streek" werkt zij met meer dan met "streektaal". Zij werkt met streektaal in een regio waar de aansluitende cultuurtaal verdrongen en verboden is. Zij schrijft in het echt "behouden" Nederlands uit de "verloren hoek" van haar en ons cultuurtaalgebied. Situationeel bekeken is dat meteen meer dan een zogenaamd cultuurdialect. Het is daar de enige echt overlevende bloeistek van Nederlandse taal. En met intrinsieke literaire kwaliteit hanteert ze die taalvorm.

Als haar werk rustig de vergelijking met het beste van Joos Utendaele en van Willem Vermandere kan doorstaan, dan reiken haar verdiensten daarboven uit. En ook de betekenis van haar prestatie is voor onze cultuur aanzienlijker en belangrijker.

Ook bij de beste dichters in Nederlandse streektalen tussen Oostfriesland over Benthem en Drente tot de Nederrijn staat ze lang niet achter. Uit haar taalvermogen blijkt duidelijk dat ze, wat ze te verwoorden had, in die eigen moedertaal alleen maar heeft moeten Ieren neerschrijven.

Tegenover de spraakopwelling is dat neerschrijven alleen een bijkomstigheid. Maar voor wie kan wat zij kan, moet die tenslotte toch meetellen. En haar spelling die is niet steeds coherent. Zo is er te vinden: "Vlaamsch", "Vlaemsch", "Vlaams". In andere woorden ook soms “ae” naast “aa”.

Met een "ij" is de "i"- of "y"- uitspraak van "gordijne" niet te verantwoorden. De verenkeling van klinkers (e,a,o,u) wordt soms wel, soms weer niet in acht genomen. Veelal is de sch-uitgang overbodig. En de sch "voor de sj"-uitspraak is betwijfelbaar. De uitspraak voor het "sch"-teken verschilt naar gelang van de stand in het woord, vooraan, achteraan of tussenin. Ook is niet overal in Zuid-Vlaanderen bij gelijke woordstand dezelfde uitspraak te horen, zeker niet aan het woordeinde. Heeft de schrijfster daarom een buiten haar lokale uitspraakspelling uitreikend teken gekozen? Dat zou dan toch het best alleen voor het woordeinde moeten gelden. Of heeft ze ruimer "Westvlaams" gedacht? De "sch"-klank ligt daar zowel als "sk", "sj" en zelfs “sch" voor, om bij het "gewoon" spelbare te blijven...

De "oe"-klank vertoont in de liederteksten nog meer problemen, zoals in alle West-Vlaams. Hier wordt die nu eens "oe" (b.v."doen"), verderop weer "ou" gespeld voor dezelfde klank. Het zal wel voor de plaatselijke leesbaarheid zijn dat die "ou" er voor een "oe" staat. Ook in plaatsnamenspelling (b.v. houk) komt dat "ou" zo voor. Het komt uit kadaster-aantekeningen. Maar ter wille van de eenvormige spelling van het Nederlands en van de Nederlandse dialecten zou die "ou" voor "oe" toch maar best verdwijnen. Alleszins brengt "jounge", "evounden" naast "etrouwd" en "bouwen" verwarring mee voor de uitspraak. De eerste woorden hebben immers oe-klanken, de beide laatste ou-klank.

Het duidelijkst blijkt de verwarring bij "een vrouwe stokoud", waar vlak naast elkaar eerst een ou-klank en daarna een oe-klank eenzelfde teken krijgen toegewezen. Ook het aaneenschrijven van een afgekapt lidwoord of het partikel (tussenwerpsel) "en" met andere woorden of persoonsvormen van werkwoorden (“'k wachten ik; 't is nieten te doen; diet wil”) werkt storend, voor het taalgevoel zelfs.

Ik zit ermee verlegen om het aan te stippen. Ik weet dat het totaal onbetekenend is tegenover het werk dat voorligt en tegenover de prestatie die ermee gemoeid is. Het zijn maar wat stipjes die onooglijk onbelangrijk zijn. Wat kruimelrestjes van de drie-eeuwige uitroeiingspoging tegenover onze taal in ons Westland. Die door de dichteres met brio worden "overzongen". Bij dat alles tot besluit ook een eresaluut aan wie haar onze spelregels voor het schrijven van haar en onze moedertaal hebben bijgebracht. Het was de moeite waard.

______________

"Op ze Vlaams" - S.O.S.-BLOOTLAND-uitgave, rue J. MoreI 47, F-59210 Coude-kerque-Branche, Nord - Frankrijk, 17,30 Euro, verzendkosten incluis.

(*): Met dank overgenomen uit het maandblad Dietsland-Europa, 50e jg., nr. 2/2005.

 

De Nederlanden “extra muros” 2005

Over die Nederlanden extra muros en ook vaak over hun relatie met het huidige “kernland” vindt de lezer van het nieuwe – reeds het 27e - jaarboek opnieuw heel wat leerrijke, onbekende, ja bij wijlen miskende informatie, die zonder meer illustratief blijft voor de rijkdom van die “Lage Landen” bij de Noordzee. 

Dit zoals bij de vorige uitgaven opnieuw rijkelijk geïllustreerde jaarboek wil een blik werpen op wat ons bindt binnen de Nederlanden, en ook en vooral binnen die “randgebieden”, en dat is veel meer dan men ook zou vermoeden. Ook dit jaarboek telt weer zijn kloeke 208 pagina’s en is als steeds rijk geïllustreerd.

Onze leden kregen het jaarboek ondertussen reeds toegestuurd. Tot einde juni geldt nog de ledenprijs van 25  €. Vanaf 1 juli geldt de boekhandelprijs van 30  € (+ 3  € verzendkosten in België of 8  € buiten België).

 

Willibrord en Bonifatius

Waren ze ooit in Nederland?

In de  geschiedenis van de Lage Landen vanaf de Romeinse tijd tot (in) de 10e eeuw, is voornamelijk een complexe veronderstelling. Ze is voortgekomen uit interpretaties van oude documenten waarvan de authenticiteit vaak twijfelachtig is. Vooral de interpretaties van de middeleeuwse en renaissance-historici hebben het kader gevormd en de toon gezet. Deze interpretaties zijn nu zelf historie. Kritiek op deze interpretaties is er in het verleden wel geweest, maar heeft weinig indruk gemaakt.

In tal van wetenschappelijke en populair-wetenschappelijke publicaties, en ook in de onderwijsleermethoden, wordt die geschiedenis echter voorgesteld als een feitelijk gegeven. De benadering is ongeveer zo: de oude interpretaties zullen wel waar zijn, al moeten ze nog wel bewezen worden. In deze publicatie wordt gepleit voor een andere benadering: wat niet aangetoond is, is niet meer dan veronderstelling, past in een context of discovery” maar is geen wetenschappelijke bevinding. En deze andere benadering leidt tot een andere presentatie, namelijk minder verhulling en misleiding en een veel productiever klimaat voor onderzoek en discussie. Het roer moet om. Deze publicatie, als eerste in een reeks, wil daaraan bijdragen.

Dit boek gaat vooral over twee bekende heiligen: Willibrord en Bonifatius, en vooral over een bepaalde plaats: Traiectum. De vraag die aan de orde is, luidt: waar lag het Traiectum dat van belang was in het leven en werk van Willibrord en Bonifatius? Het zoeken naar deze plaats is meteen ook van belang voor de interpretatie van tal van andere historische namen, zoals Dorestadum en Dockynchirica.

Op de vraag naar Traiectum heeft de traditionele geschiedkunde een antwoord, namelijk: Utrecht. In dit boek wordt met kracht van argumenten deze stelling verdedigd (hoofdstuk 1) maar ook bestreden. Er waren al lange tijd twijfels bij de identiteit van Traiectum en Utrecht. Binnen de kringen van historici was er vóór de Tweede Wereldoorlog een discussie over de vraag of Antwerpen een betere verklaring zou zijn. Sommige archeologen uitten vanuit hun discipline bij tijd en wijle duidelijk hun scepsis wat betreft een Traiectum in de achtste eeuw na Chr. op of nabij de locatie Utrecht. Circa 1960 hebben geleidelijk aan drie andere hypotheses vorm gekregen: Albert Delahaye kwam met zijn visie dat de in Nederland geplaatste geschiedenis van het eerste millennium in de Franse Nederlanden (Noordwest-Frankrijk) plaatsgevonden moest hebben (hoofdstuk 4). Ook de draad van de hypothese van Antwerpen werd opnieuw opgepakt en onderzocht (hoofdstuk 3). En er diende zich sinds 1990 geleidelijk een nieuwe zienswijze aan: het gaat hier niet om de identificatie van Traiectum met Utrecht, maar Traiectum met Maastricht (hoofdstuk 2). Ook deze hypotheses worden in deze publicatie gepresenteerd. Voor het Traiectum van Willibrord en Bonifatius zij er dus vier opties of alternatieven: Utrecht, de Franse Nederlanden (Tournehem met name), Antwerpen en Maastricht. De kracht van deze hypotheses zal in de verdere discussie duidelijk worden. Het vijfde hoofdstuk trekt in twijfel of het huidige Noord-Nederland in de achtste eeuw na Chr. het werkgebied geweest kan zijn van Willibrord en Bonifatius. In hoofdstuk 6 wordt het discussiethema nog intensiever aan de orde gesteld door na te gaan hoe het gesteld is met de betrouwbaarheid van teksten die betrekking hebben op de geschiedenis van het eerste millennium in de Lage Landen.

_________________

N.a.v. Willibrord en Bonifatius. Waren ze ooit in Nederland?, SEM & Mens en Cultuur, 2005, ISBN 90-6728-176-X, 136 pp., 25 eur. Deze summiere gegevens bij wijze van voorproef. Een uitgebreide recensie van dit boeiend verhaal volgt in het volgende ZANNEKIN-jaarboek. 

  Vanaf de zijlijn

Marten Heida, Veenendaal

Grensoverschrijdende bezinning op “bezetting, bevrijding en daarna”

Op de morgen van zaterdag 9 april j.l. waren uit een wijde omgeving een honderdtal mensen afgereisd naar Oeding, het eerste Westmunsterlandse dorp na het Achterhoekse Winterswijk. Hun reisdoel was het Burghotel, de plaats waar de bijeenkomst werd gehouden. Deze had plaats in het kader van het herdenken van het feit dat het dit jaar 60 jaar geleden was dat er een eind kwam aan de Tweede Wereldoorlog. De inrichters waren de Stichting Culturele Grenscontacten en de Arbeitsgemeinschaft Achterhoek-Westmünsterland. Ik had voor deze ontmoeting een uitnodiging ontvangen en laat hieronder het verslag van dit unieke samenzijn volgen.

De leiding was in handen van dr. Timothy Sodmann, directeur van het Landes-kundliches Institut Westmünsterland te Vreden. In zijn openingswoord refereerde hij onder meer aan het feit van de indrukwekkende lijst van publicaties die in de loop van de voorbije 60 jaar over het te herdenken oorlogsgebeuren is verschenen. Tegen deze achtergrond stond hij stil bij de vraag “Wat weten wij aan weerskanten van de grens eigenlijk over deze tijd? Wordt de kennis die we ervan hebben niet gekenmerkt door vooroordelen en stereotypen?” Na kort een aantal daarvan te hebben aangestipt zette hij het doel van deze bijeenkomst uiteen en sprak er zijn blijdschap over uit dat zovelen aan de uitnodiging gevolg hadden gegeven. Afsluitend stelde hij het viertal sprekers aan de toehoorders voor.

De spits mocht worden afgebeten door dr. Ben Jansen uit Lobith. Hij sprak allereerst over de gang van zaken rond de bevrijding van Liemers en de Achterhoek. Dit gebied kwam in het voorjaar van 1945 in de frontlijn te liggen als gevolg van de Niederrheinstellung die de hoeksteen vormde van de Duitse tegenstand; er was hen alles aan gelegen een overtocht van de geallieerde troepen over de Rijn te voorkomen. Maar daarin zijn ze niet geslaagd getuige de oversteek bij Rees ondanks felle tegenstand. Op 3 april was de Liemers op Doesburg na bevrijd. De korte maar hevige strijd had de meeste sporen nagelaten in het westelijk deel van de Liemers.

Vervolgens bracht hij de zuivering ter sprake; naar zijn mening waren het vooral de “kleine vissen” die er het slachtoffer van werden. Afsluitend handelde hij over de grenscorrecties; Elten en Süderwick zouden tot 1 augustus 1963 tot Nederland gaan behoren. Eerst met de teruggave zou de rust in deze streek terugkeren.

Dr. Hermann Terhalle uit Vreden begon zijn voordracht met het aanhalen van herinneringen aan de naoorlogse tijd. Spraakmakende onderwerpen waren toen de Franse bezettingstroepen, de strook niemandsland langs de grens, de tractaatlanden, de annexatiedreiging van Nederlandse kant en de opvang van vluchtelingen uit het oosten.Voor het overgrote deel behoorden dezen tot de verdrevenen uit Silezië; met deze verdrijving werd in 1946 door het Poolse bestuur begonnen. Ze konden alleen maar worden opgevangen in de Engelse en Amerikaanse zones (niet in de Franse en Russische) en werden ondergebracht op het platteland omdat daar in verhouding tot de stedelijke gebieden weinig was beschadigd.

Ondertussen zorgden de tractaatlanden voor veel problemen. Ze waren een uitvloeisel van de grensverdragen uit de na-Napoleontische tijd; ze bepaalden dat boeren met bezit aan weerskanten van de grens toegang hielden tot hun percelen. Na de oorlog werden de Duitse bezittingen aan Nederlandse kan geconfisqueerd. Eerst in 1949 verdween deze twistappel van tafel; de voormalige Duitse eigenaars konden toen hun vroeger bezit terugkopen!!

Uitvoerig ging hij vervolgens in op de grenscorrecties en de daarmee samenhangende problemen. Zo mochten b.v. zij die er in 1938 woonden er blijven wonen; de anderen kregen te horen dat zij moesten vertrekken. Geen wonder dat één en ander op veel verzet stuitte bij de bevolking. “Wij zijn Duits en willen Duits blijven” en “Liever droog brood in Duitsland dan brood met boter in Nederland” waren toen veel gehoorde slogans. In zekere zin waren de Engelse bezettingstroepen hun bondgenoten als gevolg van het feit dat zij de bevolking in hun zone van voedsel moesten voorzien; afstand van gebied aan Nederland zou betekenen dat het daarin geproduceerde voedsel naar dit land zou gaan en niet ter beschikking kwam van de Duitse bevolking.

Winfried Semmelmann uit Borken onderstreepte in zijn betoog het veranderingsproces dat met de capitulatie op 8 mei 1945 werd ingezet. Uitvoerig ging hij in op de betekenis daarvan voor de toenmalige verhouding tussen de bewoners aan weerskanten van de grens. Uiteraard had men niet veel oog voor elkaar als gevolg van de voorbije oorlog. Bovendien had men af te rekenen met eigen problemen. Stond aan de Nederlandse kant weldra alles in het teken van de wederopbouw, in Duitsland bleef men nog lang worstelen met de catastrofale levensomstandigheden die nog versterkt werden door de vele te betreuren doden en de talloze krijgsgevangenen waarvan de thuiskomst jarenlang op zich liet wachten.

Henk Krosenbrink uit Winterswijk was op “zijn” bevrijdingsdag (30 maart 1945) 17 jaar geworden. Hij wilde daarmee zeggen dat hij het hele oorlogsgebeuren bewust had meegemaakt. De bevrijding had hij ervaren als het afdraaien van een film met als hoogtepunt de tankslag in Woold (een dorp ten zuiden van Winterswijk). Na de bevrijding werden direct NSB’ers opgepakt; in totaal waren het er 727. Hun goederen werden in beslag genomen en in hun bedrijven werden zaakwaarnemers aangesteld. Zelf werden ze te werk gesteld in afwachting van verhoor en berechting door een van de speciaal daarvoor ingerichte tribunalen. Uiteraard moesten deze mensen ergens worden ondergebracht en bewaakt; dat gebeurde onder verantwoordelijkheid van het Militair Gezag.

Na de capitulatie van Duitsland werd Winterswijk een doorlaatpost en opvangplaats van toestromende dwangarbeiders en spitters. In totaal werden er rond de 6500 personen geregistreerd en zo’n 150.000 maaltijden verstrekt. Een apart hoofdstuk werd gevormd door de teruggekeerde joodse medeburgers. Vóór de oorlog telde Winterswijk 270 joodse ingezetenen; 35 van hen doken onder, de anderen zijn weggevoerd waarvan acht terugkeerden.

De omgeving was vergeven van landmijnen en allerlei andere soorten van munitie; dat moest worden opgeruimd. Verder werden de in Winterswijk woonachtige Rijksduitsers uitgewezen, d.w.z. de felle nationaal-socialisten onder hen; de anderen werden met rust gelaten. Afsluitend memoreerde Krosenbrink dat er in Winterswijk gedurende de oorlog 320 mensen waren omgekomen waarvan er 17 waren gesneuveld tijdens de meidagen van 1940 en 11 het leven lieten voor het vuurpeloton als straf voor deelneming aan verzetsactiviteiten.

Na het aanhoren van dit viertal boeiende lezingen was er ruimschoots gelegenheid voor discussie waarvan op grote schaal gebruik gemaakt werd. Het was – zoals Krosenbrink in zijn slotwoord terecht opmerkte – een met-elkaar-in-gesprek-komen en het uitwisselen van ervaringen. En dat was nu juist het doel van deze grensoverschrijdende ontmoeting geweest. Hij kon dan ook niet anders dan vaststellen dat deze bezinningsdag in alle opzichten aan het beoogde opzet beantwoord had.

Marten Heida, Prins Willem-Alexanderpark 53, 3905 CB Veenendaal

 

Het laatste woord

Onze Vereniging/Stichting Zannekin huldigt drie constanten in haar werking, zijnde de studie-uitstap, de ontmoetingsdag en het jaarboek. Steeds meer wordt ons verbindingsblad, de Nieuwsbrief van Zannekin, gelezen en zelfs gretig gelezen. Dit merken wij aan de reacties.

Sinds een paar jaar ontpopt Zannekin zich ook regelmatig als organisator en mede-organisator van bijkomende activiteiten zoals meerdaagse reizen of thematische wandelingen. Deze extra-activiteiten lokken steeds meer Zannekin-leden en -sympathisanten.

3e Internationale Dag van het Nederlands en het Afrikaans

Zo ook neemt de Stichting Zannekin zeer actief deel aan de organisatie van de 3e Internationale Dag van het Nederlands en het Afrikaans in de schoot van de IDN-werkgroep.

Zannekin streeft ernaar de cultuur van de Nederlanden te belichten in de gebieden extra muros. De Nederlandse taal vormt uiteraard een heel belangrijk onderdeel van dit gegeven, maar daartoe beperkt onze stichting zich niet. De Vlaamse schrijver Karel Jonckheere zei heel lyrisch dat de Vlamingen zoveel te vertellen hadden dat ze er twee talen voor nodig hebben. Ruimer gezien zou men kunnen stellen dat de cultuur der Nederlanden zo veel in zich heeft dat meerdere talen onontbeerlijk zijn. En dat zijn vanzelfsprekend het Nederlands, het Frans, het Duits, het Fries, het Luxemburgs, het Waals, de talen van de Nederlanden van de Dollart tot de Zomme.

Uit de Nederlanden extra muros, het werkgebied bij uitstek van de Stichting Zannekin, stammen overigens talrijke belangrijke families en personen, die de Nederlandse cultuur en ook taal hebben overgebracht naar Midden- en Oost-Europa, naar de nieuwe wereld aan de andere zijde van de Atlantische Oceaan, naar Zuidelijk Afrika. 

Onder de stichters van Nieuw-Nederland, dat later onder Peter Stuyvesant Nieuw Amsterdam werd, en nog later New York, vinden wij de Frans-Henegouwer Jesse de Forest uit Avesnes en de Waals-Brabander Pierre Minuit of Peter Minewiet uit Ohain bij Waterloo. Pierre Minuit week eerst naar Wesel, aan de Nederrijn, uit alvorens naar de Nieuwe Wereld te trekken.

Uit de Noord-Duitse gebieden stammen de familieleden van Praetorius, van wie een nazaat Pretoria stichtte, dat nu ten onrechte Tshwame dreigt te heten.

Uit Frans-Vlaanderen komen talrijke families, die zich aan de Kaap vestigden. Wie het Hugenoten-museum in Franschhoek in Zuid-Afrika heeft bezocht, kon duidelijk zien dat hele gezinnen uitgeweken waren uit Rijsel, Fleurbaix, Kales, Giezene, Armentiers en andere Frans-Vlaamse plaatsen. Namen als du Toit, du Buisson, de Villiers, Marais, Leroux e.a. zijn er schering en inslag. Veel Franstaligen en ook Duitstaligen voerden als het ware de Nederlandse taal in op het Amerikaanse continent en aan de Kaap. 

Dit zijn voldoende redenen om beslist naar de Internationale Dag van het Nederlands en het Afrikaans op 10 juni 2005 te komen.

Deze manifestatie gebeurt in het “County House of Brussels”, Heldensquare 2-4, B-1180 Ukkel/Brussel.

Wie wenst kan om 14.30 uur aan een korte wandeling in het voetspoor van Tijl Uilenspiegel deelnemen. De Academische Zitting heeft plaats om 16.30 uur en wordt gevolgd door een receptie. Om 19.00 uur is er het Guldensporen-maal want het is de vooravond van 11 juli, de Vlaamse feestdag.

Meer details vind u vooraan in deze Nieuwsbrief. Van harte welkom op 10 juni 2005!

Leo Camerlynck, Voorzitter

“De Zavelberg” Edouard Michielsstraat 51, B – 1180  UKKEL / Brussel

Tel.  00 32 485 63 02 27