> nieuwsbrief > 10e jg. - 4/2005

Bijdragen over:

 

Tip

Ontmoetingsdag Keulen

15 oktober 2005

Zoals reeds vroeger aangekondigd zal onze Ontmoetingsdag dit jaar doorgaan te Keulen. Het programma van deze dag ziet er uit als volgt:

·         Plaats van samenkomst: Gasthof Alt-Köln am Dom, Trankgasse 7-9, rechtover de Dom, op 250 m. van het Hauptbahnhof/spoorwegstation (situatieschets op keerzijde).

·         10.30-11.00 uur: verwelkoming met koffie

·         11.00 uur: referaat door Hendrik Steeger, Keulen en de Nederlanden

·         12.00 uur: middagmaal

·         14.00 uur: stadsverkenning Nederlandse sporen in Keulen onder leiding van Jan van Tongeren

·         16.30 uur: koffie met gebak. Afsluit omstreeks 17.30 uur

Dit programma aan de “all in”-prijs (inclusief morgenkoffie, middagmaal, gidsingen, toegangen, vieruurtje) van 34 EUR, bij inschrijving – via bijliggende “aanmelding” en gelijktijdige betaling op een van de ZANNEKIN-rekeningen (zie p. 1 onderaan van deze Nieuwsbrief).

Verder in deze Nieuwsbrief leest u als smaakmaker fragmenten ontleend aan de brochure De (kunst)geschiedenis van Keulen op een namiddag van de hand van Jan van Tongeren. De volledige brochure (20 pp.) wordt ter plaats aan de deelnemers verstrekt (en is inbegrepen in de prijs).

 Inschrijven kan tot uiterlijk 7 oktober, via het secretariaat: Paddevijverstraat 2, B. 8900 Ieper of via e-post: secretariaat@zannekin.org . De inschrijving wordt eerst definitief na betaling van de deelnemersbijdrage van 34 EUR per persoon.

Voor de belangstellenden die met het openbaar vervoer naar Keulen wensen te sporen en reductietarieven willen genieten, is het raadzaam de reiskaartjes ten laatste eind september te bestellen of te kopen.

 

DE (KUNST)GESCHIEDENIS VAN KEULEN OP EEN MIDDAG.

De Romeinen

Het was Caesar 100-44 v. Christus die hier voor het eerst in deze streken verscheen en die in 53, na de opstand van de Eburonen, bijna al de inwoners van dit gebied over de kling joeg en de Ubiers, die aan de andere kant van de Rijn woonden, verzocht hun plaats in te nemen. De eerste vermelding van het huidige Keulen is dan ook Oppidum Ubiorum, ten tijde van Marcus Vispanius Agrippa 63-12 v. Christus. [….]

De Franken

Na de veroveringen van de Franken in 355 en 388 en na de aftocht van het Romeinse leger bleef de Romeinse stad voornamelijk ten oosten van de Cardo Maximus bewoond. In deze Frankische tijd is Keulen lange tijd de hoofdstad van de Silurische Franken, gelijkberechtigd met die van de Gallische Franken in het westen. Het was Clovis die in 507 de twee Frankische rijken tot een wist te maken. [….]

Keulen als handelsplaats 

Het is bekend dat Karel de Grote een immunitair fiscaal statuut aan de abdijen van St.-Pieter en St.-Bavo te Gent had verleend. Dit weten wij, dankzij een bekrachtiging van 13 april 819 door Lodewijk de Vrome. Wij weten verder dat de Gentse St.-Bavo abdij sinds 977 een tolvrijheid voor wijn, verleend door keizer Otto II, voor het hele Duitse Rijk, bezat. Misschien heeft deze tolvrijheid iets met het fiscaal gunstig regime van Karel de Grote van doen. [….]

De Vlamingen vestigden zich in een gebied dat al gauw “inter flamingos” werd genoemd, het zuidelijk deel van de Heumarkt. Hier vlak bij, aan de zuidwestkant van de Neumarkt was ook de platea Gallicorum, de Wallengasse. Hier woonden de Walen in het gebied van de Wahlgasse en de Vor St.-Martin en Malzbüchel. [….]

Ook de hertogen van Brabant hadden bezit in Keulen. In 1215 kreeg hertog Hendrik I van Brabant van de Augustinessen van het klooster Weiher, een stuk grond, voor de stadsmuur van Keulen gelegen, Am Hof nr. 20-22. Hier werd later een representatief gebouw opgetrokken, dat als logement voor de hertog moest dienen en de naam “Het huis van de Hertogen van Brabant” kreeg of “Het Brabants Hof”. Daar de hertog maar zelden in Keulen verbleef, verpandde hij het pand in 1237 aan Hermann van Uthe en in 1359 was het in handen van Greven Constantin von Lyskirchen en Johannes Rotstock en had het de naam Costin Greven Huis gekregen. [….]

De 14e en 15e eeuw

Onder invloed van de Vlaamse lakenindustrie bouwde ook Keulen de Keulse Hal of Nieuwe Hal. In 1373 werd de stadstimmerman Johann naar Leuven en Brussel gestuurd om daar goed de pas opgetrokken lakenhallen in zijn achterhoofd en waarschijnlijk ook op tekenpapier vast te leggen. Hij was amper terug, ontving voor die reis zijn 20 Mark, en begon aan de bouw van deze Hal, zodat ze een jaar later al geopend kon worden. Hoe deze Hal in Keulen eruit heeft gezien is niet bekend. [….]

Het Columba-triptiek van ca 1455

Het was niet alleen de architectuur die Keulen uit de Nederlanden tot zich nam; ook enkele schilders kregen opdrachten om voor kerken in Keulen altaren te vervaardigen. De belangrijkste is het Columba-triptiek van Rogier van der Weyden. Het altaar, dat geschilderd werd voor de Keulse parochiekerk St.-Columba verenigt drie scenes. [….]

De Dom

De oudste bouw van deze kerk had waarschijnlijk nog kort voor 313, in opdracht van bisschop Maternus plaats, naar voorbeeld van de Oude St.-Pieter te Rome. Weliswaar kleiner maar evengoed nog met een lengte van 130 meter. Ook de westoriëntatie herinnert aan de Oude St.-Pieter. Van uit het Oosten voerden een weg naar het voorhof met een Baptisterium en enkele vertrekken die verwarmd konden worden. Trappen leiden naar het Atrium waar aan de westzijde de eigenlijke, ongeveer 40 meter lange bisschopskerk lag. [….]

Enkele Zuid-Nederlandse kunstwerken in de Dom

In de schakamer van de Dom van Keulen bevindt zich een retabel of gedenkteken van Jacques de Croy in de schatkamer van de Domkerk te Keulen. Deze de Croy was domheer en bisschop van Kamerijk in 1502. In 1512 kreeg hij van de keizer Maximiliaan de titel van hertog. Hij overleed te Dilbeek in 1516. In de Domkerk te Keulen kreeg hij een gedenkteken dat niet te verwarren is met het praalgraf van Cambrai/Kamerijk. Het gedenkteken uit verguld koper is goed bewaard. Het bevond zich vroeger op het altaar der Drie Koningen, thans in de Dom. [….]

St.-Jorisaltaar in de Engelbertuskapel - Antwerps

Het werd in 1840 bij een kunsthandelaar aangekocht voor de Dom. [….]. Het sculptuur gelijkt heel veel op de groep altaren die meester Gielisz, de maker van het grote altaar in de St.-Petrus te Dortmund vervaardigde. Dit werk is mogelijk iets ouder. De vleugels komen uit het atelier van de Antwerpse manieristen zoals Pseudo Bles, Jan de Beer en de meester van Lier, die waarschijnlijk te identificeren is met Gosewijn van der Weyden.

Het Agilolphusaltaar

Nog groter is het in de zuidelijke dwarsarm opgestelde Agilolphusaltaar. Ook dit werd zo rond 1520 in Antwerpen voor de achter de Dom gelegen kerk gewijd aan St.-Maria ad Gradus vervaardigt.[….]

De Epitafen van Cornelis Floris

De epitafen voor de aartsbisschoppen Adolf von Schauenburg +1556 en Anton von Schaumburg +1558 in de Dom te Keulen van Cornelis Floris. De quasi identieke Schauenburgmonumenten bestaan uit de samenvoeging van twee afzonderlijke graftypes: [….]

De Rubenstapijten ‘De Triomf van de Eucharistie’ 

Over de ontstaansgeschiedenis van deze omvangrijke reeks zijn wij tamelijk goed ingelicht. Zij werd vervaardigd in opdracht van Isabella Clara Eugenia, de dochter van de Spaanse koning Filips II en landvoogdes van de Zuidelijke Nederlanden. Na de dood van haar echtgenoot aartshertog Albrecht in 1621, was het de wens van de vrome Infante om de Nederlanden te kunnen verlaten en zich terug te trekken in een klooster in Spanje. [….]

Gürzenich

De officiële feesten vonden in dit gebouw plaats. Het werd gebouwd op grondbezit van de familie Gürzenich, en de bouw kostte in 1441/7 maar liefst 80.000 goudgulden. Men vermoedt dat de stadsbouwmeester Johann von Brueren het ontwerp zou hebben gemaakt. Vlak naast de Gürzenich bevinden zich de restanten van de St.-Albankerk, een van de oudste parochiekerken van de stad. [….] 

Stadhuis 1349

De bovenverdieping bevat de zogenaamde Hansazaal, een lang rechthoekige zaal met een spits tongewelf. De gedeeltelijk bewaarde filosofen maanden de vertegenwoordigers van het gerecht tot voorzichtigheid door middel van hun spreuken, zoals bijvoorbeeld Spreek recht over de armen zoals u over de Rijken zult oordelen.[….]

Het Belfort

Toen de gilden in 1396 de macht van de patriciërs overnamen, richtte zij in 1404-1414 als teken van hun vrijheden een 61 meter hoge Raadhuistoren met vijf verdiepingen op. In deze, aan de Nederlandse belforten herinnerende toren, met veel beeldhouwwerk versierd, vindt men op de eerste verdieping de zogenaamde Senaatszaal. [….]

De Renaissance

Cornelis Floris maakte een ontwerp voor het portiek van het Raadhuis 1557 die hij ontwierp terwijl hij zelf aan een epitaaf werkte voor de overledene. Er bestaan twee ontwerptekeningen voor deze portiek. [….]

Andere renaissance gebouwen

· Oostelijk van de raadhuistoren is het zogenaamde Leeuwenhof in 1551 door Laurenz van Kronenberg in vroeg renaissance stijl gebouwd. Tegenover het stadhuis lag de “de Spaanse bouw”, naar aanleiding van de hier in 1623 gehouden vergadering van de Spaanse Liga. De architect was Matthias von Gleen (Geleen?) en het werd tussen 1607 en 1615 gebouwd in de laat Hol-landse Renaissance stijl. [….]

Het doksaal van Hackeney in de Maria im Kapitol 

Het is bekend dat enkele bestellingen van werken van kleinarchitectuur te Mechelen ca 1517 werden gedaan door het gezin Hackenay uit Keulen, zoals bijvoorbeeld zijn grafmonument en een stenen retabel, beide verdwenen. Maar ook het doksaal in de Sint Maria im Kapitol te Keulen voltooid 1523, is een van de eerste werken van Zuid-Nederlandse kleinarchitectuur die Keulen kwam verrijken. Het oksaal werd tegen 1517 in Mechelen, bij Jan van Roome, besteld en in 1525 geplaatst. Het stelt voor: [….]

De Reformatie

Keulen was in eerste instantie erg tolerant voor de Nederlandse vluchtelingen. Zolang men zich maar niet als oproerkraaiers en rebels gedroeg en de gemeentelijke belastingen betaalden, was men hier welkom. Een lijst van 9 december 1566 geeft duidelijk aan, dat het niet alleen de kleine, maar ook de grote man was, die de Nederlanden had verlaten. [….]

Sternengasse

Sternengasse, de platea stellarum Hier woonden de rijksten van Keulen. Zo woonde op nummer 25 de familie Jabach, die beschouwd werden als de Fuggers in West-Duitsland. Op nummer 19 woonde 10 jaar lang de uit Antwerpen gevluchte Jan Rubens en hier groeide zijn zoon Pieter Paul op. [….]

De Petruskerk

De Keulse familie Anton Thonet gaf aan Cornelis Schut 1577-1653 de opdracht om het schilderij met de bekering van de H. Paulus voor Damascus te vervaardigen. Een veel belangrijker schilderij is de Kruisiging van Petrus door Peter Paul Rubens 1577-1640. Vroeger sierde dit werk het zogenaamde Jabachschen hoogaltaar. [….]

Vondel

Nadat de grootmoeder van de kleine Joost, daar haar man de wederdoper Peter Cranen, gevlucht was, op de Steen in Antwerpen, gevangen had gezeten, besloot het hele gezin Cranen naar Keulen te verhuizen, net zo als de oude Vondel. [….]

Het Elandsfriedhof

De St.-Katharinen, Catharina, dat ons moet herinneren aan het St.-Catharinagasthuis, en dat als gasthuis door de Duitse Orde werd gerund. [….] Aan de zuidkant bevinden zich twee plaquettes, een voor Vondel en een voor de Jezuïetenmissionaris Johann Adam Schall von Bell, die beiden aan het einde van de 16e eeuw in Keulen waren geboren, maar in de “vreemde” zijn overleden.

Het Geuzenkerkhof

Weynental hoek Kerpener Strasse. Het kerkhof werd in 1574-76 buiten de grenzen van de Vrije Rijksstad Keulen aangelegd en diende als kerkhof voor alle Evangelische Keulse gemeenten tot 1829, toen het als Melatenkerkhof tot Centraalkerkhof voor alle confessies werd verheven. Helaas zijn de opschriften van de grafzerken vaag of geërodeerd. [….]

De Barok

Maria an der Kupfergasse. Gedurende de godsdienstoorlog in de Nederlanden vluchtten de Karmelietessen zo rond 1630 uit Den Bosch naar Keulen. In 1660 begonnen zij met de bouw van het klooster. [….]

Frans Hogenberg

Hij stamde uit Mechelen en volgens zijn eigen getuigenis vertrok hij in 1564/65 naar Keulen. [….]

 

De Nederlandse taal en cultuur lonen de moeite

10 juli 2005: Ukkel als trefpunt voor belangstellenden in de Nederlandse taal en cultuur uit de hele wereld

Om en bij 150 belangstellenden in de Nederlandse en (Zuid-) Afrikaanse taal, onder wie tal van ZANNEKIN-leden, ontmoetten elkaar in het fraaie “County House” te Ukkel op een zonnige 10 juli. Elf nationaliteiten waren aanwezig: uit België zowel Nederlands- als Franstalig, Nederland, Zuid-Afrika, Suriname, Indonesië, Luxemburg, Oostenrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, China, Polen. Aan het woord kwamen negen sprekers, die allen samen een caleidoscoop boden van de Nederlandse taal in alle continenten van onze blauwe planeet. Het algemene thema luidde: “Standaardtaal, Taalvariant, Dialect”. De Stichting Zannekin nam dit initiatief samen met een aantal sociaal-culturele verenigingen.

Thomas Roukens, actief in het Ukkelse cultuurleven, beet de spits af en vertelde op frisse wijze zijn wedervaren als Nederlander in België’s hoofdstad. 

Jean-Luc Vanraes, voorzitter van het OCMW Ukkel, bracht als VGC-voorzitter een hartversterkend referaat. Terecht hield hij een pleidooi om het woord Nederlands te gebruiken als het om de taal gaat.

Een eveneens aandachtig beluisterde uiteenzetting en tevens Vlaams-Indonesisch getuigenis bracht Stefan Cornelis, voorzitter van het GC Candelaerhuys en van de Nederlandstalige Ukkelse Bibliotheek, die naar het Vlaamse land van zijn vader en de Indonesische gordel van smaragd aan moederszijde verwees.

Beelden uit het Caraïbisch gebied en uit Suriname begeleidden door Milaine Goedhuys voorgedragen poëzie uit Aruba, Curaçao en Suriname. Zijne Excellentie, de heer Gerhard Hiwat, ambassadeur van het Zuid-Amerikaanse Suriname, belichtte zijn multiraciaal en multireligieus groene land tussen de Atlantische Oceaan en het Amazonegebied, waar het Nederlands de “lingua franca” is van Creolen, Javanen, Chinezen, Hindoestani’s, Indianen, Bosnegers, Blanken. Hij bracht onder meer de recente toetreding van Suriname tot de Nederlandse Taalunie te berde, een uiterst positieve stap in de richting van een steviger basis voor het Nederlands.

Dan brak het ogenblik aan om het Afrikaans te belichten, dat door voormalig Nederlands staatssecretaris Aad Nuis omschreven werd als Nederlands dat lange tijd in de zon heeft gelegen. Zuid-Afrika’s Ambassaderaad te Brussel Francois van der Merwe wist dan ook de toehoorders te boeien met zijn referaat in het Nederlands van Zuidelijk Afrika, dat doordrongen is van poëzie en exotisme. Naast het algemeen erkende Afrikaans bracht hij een smaakvol prozastukje in de Kaapse variant en tevens ook oudste vorm van het “Kaaps-Hollands”, dat naar het Afrikaans evolueerde.

Twee onderdelen van het algemene thema waren al aan de beurt, namelijk de standaardtaal en de taalvariant. Het derde werd aangesneden met een mede door schrijver dezes gerealiseerd filmpje over Frans-Vlaanderen, waar een West-Vlaams dialect van het Nederlands na ruim drie eeuwen miskenning en onderdrukking nog steeds voortleeft.

Van Frans-Vlaanderen werd opnieuw koers gezet naar Europa’s, België’s en Vlaanderens hoofdstad Brussel. Prof. Dr. Sera de Vriendt, professor emeritus van de Vrije Universiteit Brussel, en geboren Ukkelaar, bracht een voortreffelijke uiteenzetting over “het Brussels, een apart geval in het Nederlandse taallandschap”. Het was een zeer geapprecieerd referaat over het Brusselse dialect, dat net als een standaardtaal niet ontsnapt aan klankevolutie en –verschuiving. Aan de hand van een aantal plaatsnamen uit Ukkel en omgeving, zoals de Moensberg, dat van “Maans” naar “Moens” evolueerde, toonde hij aan dat de meeste klanken van het huidige Brussels vermoedelijk ongeveer twee tot drie eeuwen geleden hun vaste uitspraak hebben gekregen.

Prof. Dr. Jos Wilmots, professor emeritus van het Limburgs Universitair Centrum, dat omgedoopt werd tot Universiteit Hasselt, en eredoctor van de Tsjechische Universiteit van Olomouc/Olmütz, boeide het aandachtige publiek met zijn lezing over het “Nederlands extra muros”, waarbij hij een overzicht gaf van het onderwijs van het Nederlands op universiteitsniveau over de hele wereld. Hij hing een gematigd positief beeld op van het onderwijs van het Nederlands in de wereld. Daar waar de Scandinavische landen ooit beter scoorden, blijft de belangstelling voor het Nederlands groeien in de voormalige Oostbloklanden. Het Poolse Wrocław/Breslau hoort bij de toppers op het vlak van het onderwijs van de Nederlandse taal, maar ook in Tsjechië, Slovakije, Hongarije wordt degelijk werk verricht. Ook landen als Roemenië, Bulgarije, Slovenië doen hun uiterste best. Van recentere datum is Tbilissi in Georgië. En ook in het grote Rusland zouden meer financiële middelen een verdere uitbouw van de neerlandistiek ten goede komen. 

Het verdwijnen van de ooit zo actieve faculteit Nederlands aan de Universiteit van Kingston-upon-Hull behoort dan weer tot de tegenvallers. In Noord-Amerika kan het bij wijlen ook beter. Duitsland, Frankrijk, Italië blij-ven dan weer goed scoren. 

Al bij al kan vastgesteld worden dat de belangstelling voor het Nederlands op internationaal vlak tijdens de jongste decennia ruimschoots is toegenomen. Dat was een positieve balans voor deze met poëzie opgeluchte Internationale Dag van het Nederlands en het Afrikaans, dat met een rijk banket eindigde.

Vóór het Academisch gedeelte gidste vice-voorzitter van de Stichting ZANNEKIN, Jan van Tongeren, uit Maarssen bij Utrecht, geïnteresseerde wandelaars langs de bezienswaardigheden in en om het Wolvendaelpark, waar heel wat heel-Nederlandse geschiedenis en literatuur werd geschreven. Onder de aanwezigen was Brussels Staatssecretaris Brigitte Grouwels, die bekend staat als een vurig verdediger van de Nederlandse taal in Brussel en elders. 

Leo Camerlynck 

Voorzitter Stichting ZANNEKIN

Mededelingen

Wraakroepend

De kapel met de graftombe van Henriëtte van Nassau, geboren gravin d'Oultremont de Wégimont, dient momenteel als opslagplaats voor hockeystickx, honkbalknuppels, handbogen, pylonen en ballen. De ruiten zijn stuk, de verf op de muren bladert af. De verwaarloosde kapel staat in het provinciale domein van Wégimont bij Luik. Deze adellijke dame werd in 1792 in Maastricht geboren en was twintig jaar hofdame van Koning Willem's vrouw Wilhelmina. Nadat deze laatste in 1837 overleed ontstond er iets mooi tussen de gravin en de oudere vorst van Oranje. De gravin was katholiek en Belgisch. Nederland was in hoofdzaak protestants waarin roomse onderdanen voor tweederangsburgers doorgingen en België had zich net afgescheiden. Maar Willem I zette door, deed in 1840 troonsafstand en huwde met Henriëtte in Berlijn, één jaar later. Zij werd gravin van Nassau. Zij stierf in 1864 en overleefde hem vele jaren. Ze werd bijgezet in het familiegraf maar nu kijkt niemand meer om naar het graf.

Historische boekenbeurs

Op zondag 16 oktober 2005 organiseert de Vlaamse Verzamelaarskring van 9 tot 16 uur in feestzaal Nilania, Kesselsesteenweg 52 te 2560 Nijlen reeds voor de 10e maal de "Historische Beurs Vlaamse Beweging".

Zoals steeds wordt ook dit jaar de netto-opbrengst van de inkomgelden van de beurs geschonken aan een Vlaamsbewust intiatief. Dit jaar is het Taal Aktiekomitee aan de beurt, dat reeds meer dan 30 jaar radicaal en militant opkomt voor Vlaamse rechten te Brussel, Voeren en in de Rand.

Interessante thesis op internet

ZANNEKIN-lid Wolfgang Alt uit Trier deelt ons mee dat zijn thesis “Sprache und Macht: Das Spanische in den Niederlanden unter Philipp II. bis zur Eroberung Antwerpens (1555-1585)” nu per Internet gratis verkrijgbaar is: Zijn promotor was Prof. Dr. Klaus Gerteis van de universiteit Trier. Het werk is te vinde onder: http://ubt.opus.hbz-nrw.de/volltexte/2005/326/

In zijn onderzoek gaat het om volgende vragen: 

·         Was de taalkeuze in de 16e eeuw toevallig of had zij (ook) politieke of sociale betekenis?

·         Heeft Filips II gepoogd het Spaans in de Nederlanden als taal van de regering in te voeren? 

·         Wat was de politieke rol van de Spaanse taal in deze tijd? 

·         Wie onder de edelen en juristen sprak welke taal?

·         Zijn er eventuele tegenreacties te bespeuren bij de Nederlanders bij het gebruik van het Spaans? 

·         Welke talen werden er in de Nederlanden voor administratie en regering gebruikt? 

·         Bestond er een samenhorigheidsbesef in de Nederlanden? Wat was de rol van de taal daarbij?

·         Waren er taalgrenzen belangrijk bij militaire of vreedzame (erfrecht) veroveringen?

 In zijn thesis speelt ook de politieke achtergrond van die tijd een grote rol zodat dit werk ook als geschiedenis van de Opstand kan worden gelezen. Het is beslist het omvangrijkste en meest recente werk over die tijd in het Duits. In een kleiner hoofdstuk van ca. 40 pagina’s gaat het over de taalpolitiek in Zwitserland en Frankrijk (Roussillon en Frans-Vlaanderen) in de Nieuwe Tijd. Er is ook een klein vergelijkend hoofdstuk gewijd aan de “taalpolitiek” van Filips II met die van Lodewijk XIV. 

We brengen hieronder de samenvatting van de thesis als terug te vinden op de hoger geciteerde webpagina’s. Daar valt uiteraard ook de omvangrijke volledige tekst na te lezen in PDF-formaat.

„D’acquistare e governare e mantenere gl’imperii sono tre instromenti: la lingua, la spada et il tesoro.“ (Tomaso Campanella) 

Untersuchungsgegenstand der Arbeit bildete die politische Bedeutung der spanischen Sprache in den Niederlanden unter Philipp II., der als König Kastiliens in Personalunion zugleich Landesherr der niederländischen Provinzen war. Das Corpus, das untersucht wurde (hauptsächlich der Briefwechsel zwischen den Regierungsstellen in Brüssel und Madrid), zeigt, daß die Wahl der Sprache wesentlich häufiger von politisch-ideologischen Faktoren be-stimmt war, als dies von der Forschung bisher wahrgenommen wurde. Bereits 1562 - als die Auseinandersetzungen zwischen Philipp II. und den Adligen in den Niederlanden in eine neue Phase traten - wurden das Ita-lienische und das Spanische in der Form eines „zweiten Verbindungskanals“ in die Korrespondenz zwischen der Landvogtin Margarete von Parma und dem König eingeführt, in welcher fortan Angelegenheiten größerer Wich-tigkeit diskutiert wurden. Seit der Ankunft des Herzogs Alba im Jahre 1567 ist dieser inoffizielle Briefwechsel ausschließlich in Spanisch gehalten und entwickelte sich verstärkt zu einem herausragenden Instrument, um die Macht der niederländischen Regierungsstellen zu untergraben. Hatten die niederländischen Adligen vor dem Aufstand nichts dabei gefunden, sich des Spanischen zu bedienen, wenn es ihren Zwecken nützte, so änderte sich diese Haltung besonders nach der Ankunft Herzog Albas im Jahre 1567: die Sprachwahl wurde fortan eher von strategischen Faktoren determiniert und der Gebrauch der spanischen Sprache wurde aus ideologischen beziehungsweise propagandistischen Gründen negativ bewertet. Besonders innerhalb der Oberklasse und bei denjenigen Niederländern, die aus politischen oder beruflichen Gründen außerhalb der Siebzehn Provinzen lebten, wuchs die Zahl derer, welche die Niederlande als Einheit wahrnahmen und zugleich ihrer Muttersprache einen höheren Wert zuerkannten. Die Anhänger des Aufstandes instrumentalisierten ihre eigene Sprache als eine Waffe und ein Argument gegen die „spanische Vorherrschaft“. Zugleich gab es einige - allerdings unvollendete - Pläne Philipps II. durch Einrichtung eines spanischen Lehrstuhles an der Universität Löwen oder eines Austausch-programms für Studenten in Salamanca und Leuven für die Verbreitung seiner Muttersprache zu sorgen und somit „Sprachpolitik“ zu betreiben. Ein weiteres Kapitel der Arbeit ist der Sprachpolitik in der Schweiz und Frankreich im 16. und 17. Jahrhundert gewidmet. In Übereinstimmung mit dem oben zitierten Zeitgenossen Tomaso Campanella kann das Ergebnis der Arbeit folgendermaßen umschrieben werden: Drei Instrumente sind nötig, um Staaten zu erwerben und zu erhalten: Sprache, Militär und Geld.

 

Frans-Vlaanderen leeft!

WORDT DE REGIO “NORD-PAS-DE-CALAIS” herdoopt tot

RÉGION DES PAYS-BAS FRANÇAIS?

De Franse regio “Nord-Pas-de-Calais” dankt zijn naam aan de revolutionairen van 1790 die komaf wilden maken met de oude provincies, hun persoonlijkheid, hun talen, hun geschiedenis en hun identiteit. Er steekt dus geen ziel in die naam!

Deze streek, die ooit tot de Nederlanden behoorde, moet daarom een andere naam krijgen. Zo stelt de “Alliance Régionale Flandre-Artois-Hainaut”, die ook een Nederlandse naam heeft: “Streekverbond Vlaanderen-Artesië-Henegouwen”. Dat zal ertoe bijdragen, zo menen de initiatiefnemers, dat de streek haar economisch dynamisme zal terugvinden, haar fierheid, de haar ontstolen identiteit.

Daarom, zo lezen we in een recent nummer van La Flandre au Lion/Vlaanderen den Leeuw (tweemaandelijks blad van de Michiel de Swaenkring), stuurt voornoemd Streekverbond een petitie naar de regionale verkozenen met het verzoek de stemming te eisen van een wet om de streek haar historische naam terug te geven. Voorgesteld wordt:

“PAYS-BAS FRANÇAIS”

In hetzelfde nummer van La Flandre au Lion / Vlaanderen den Leeuw lazen we een artikel van Régis de Mol, voorzitter van het Streekverbond Vlaanderen-Artesië-Henegouwen, waarin deze de onwil beschrijft van het Frans politiek unitarisme om de regionale talen in Frankrijk een plaats te geven naast het enig grondwettelijk voorziene Frans. Ter Informatie van onze lezers drukken we dit artikel hier gedeeltelijk in (eigen) vertaling af. 

MISPRIJZEND SARCASME TEGEN ONZE REGIONALE TALEN

Op 26januari jl. hebben de Bretoense afgevaardigden de hr. Le Drian en de hr. Le Fur, evenals mevr. Le Branchu en de hr. Bayrou vergeefs gepoogd amendementen te doen aannemen om art. 2 van de Franse Grondwet te wijzigen waarin slechts het Frans erkend wordt als taal van de Republiek. De commissie ad hoc heeft deze amendementen verworpen en verijdelde aldus de hoop door Frankrijk het Europees Charter van de regionale en minderheidsialen te zien ratificeren.

Frankrijk blijft, met Griekenland, het enig Europees land dat bedoeld Charter niet geratificeerd heeft, terwijl deze ratificering vereist is om aan te sluiten bij de Europese Unie. Herinneren wij eraan dat art. 2 van de Grondwet in 1992 gewijzigd werd om uitdrukkelijk te bepalen dat het Frans de taal van de Republiek is. Deze beslissing werd genomen om te vechten tegen het risico van de hegemonie van het Engels. Luid en sterk werd toen gepreciseerd dat dit artikel geenszins de regionale talen op het oog had.

Men moet daar evenwel aan twijfelen en het verbaast de regionalistische bewegingen niet: Parijs komt zijn verbintenissen niet na! Dit art. 2 wordt systematisch opgeworpen tegen de verdedigers van de regionale talen, al hun eisen zodoende onaanvaardbaar makend. Het Vlaams is aldus in 2005 nog altijd verboden als onderwijstaal in Frans-Vlaanderen!

Het land dat zichzelf uitroept tot het “Vaderland van de rechten van de mens”, waarvan de President op het internationaal forum paradeert met mooie liedjes over “dialoog tussen de culturen” en “taalkundige verscheidenheid”, blijft krampachtig op zijn verouderd standpunt binnen zijn eigen grenzen. Dit “land van de verlichting” volhardt in obscurantisme en ziekelijke obsessie inzake de voorrang van de Franse taal.

Het Streekverbond Vlaanderen-Artesië-Henegouwen maakt zich geen illusies over de geest van openheid vanwege Parijs in deze kwestie, een illusie die onderhouden wordt in bepaalde regionalistische kringen rond de Parijse machthebbers, en versterkt zijn wil deze strijd op het politiek terrein te brengen. Het Streekverbond eist de erkenning en het onderwijs van het Vlaams en het Nederlands, (...). Het Streekverbond zal elk initiatief ondersteunen, uit welke hoek ook, om deze dringend wordende eis te verwezenlijken. Het wil samenwerken met andere regionalistische bewegingen van de “Zeshoek” die strijden voor identieke doelstellingen.

Régis de Mol

voorzitter van het Streekverbond Vlaanderen-Artisië-Henegouwen.

Info - BP 2 — F 59253 La Gorgue. www.alliance-regionale.org 

Bron: Mededelingen Vereniging Vlaams-Nationale Auteurs, jg. 29, nr. 3/2005.

 

SEM-Congres in Bavel

op zaterdag 5 november 2005

Tijd: 11.00 uur tot 16.00 uur; plaats: Zalencomplex Bruininks; gratis parkeergelegenheid. Kosten 20 euro per persoon (inclusief dagverzorging lunch, koffie en thee)

Thema: GESCHIEDSCHRIJVING: ARCHIVALIA en ARCHEOLOGICA

m.b.t. het eerste millennium

Toelichting bij het congresthema:

Is het niet zo dat de bronnen waarop historici hun analyses en reconstructies baseren, een totaal ander deel van de werkelijkheid weergeven dan de archeologen terugvinden? Volgens mij belichten de bewaarde uitingen van de zogeheten Ansprüchschriftlichkeit uit de volle en vroege Middeleeuwen (in het merendeel van de geschreven bronnen worden vooral ideologische en juridische claims vastgelegd) een heel ander aspect van de samenleving dan de materiële cultuur en sporen die voor archeologen de belangrijkste informatiebron vormen. Archeologen  komen vooral veel te weten over de economische en agrarische bestaansbronnen van mensen in het verleden, zaken waarover de geschreven bronnen juist goeddeels zwijgen. Om het pregnant te zeggen aan de hand van een hedendaags voorbeeld: hoe leg je het verband tussen de historische cultuur die gereconstrueerd kan worden op basis van notariële akten en de cultuur die naar voren komt uit het onderzoek van vuilnisbelten? Het is duidelijk dat dat verband niet een-twee-drie te leggen valt – hoewel het er wel is. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor middeleeuwse geschiedenis en archeologie. Het vergt heel wat meer kennis en theoretisch denkwerk om beide bij elkaar te brengen dan er momenteel aan de dag wordt gelegd. (prof.dr. A.-J. Bijsterveld, Archeologen versus historici?, NHN mei 2005).

Inleidingen en discussies: zie hieronder enige voorlopige ideeën. Concrete uitwerking volgt later. Aan de orde komen o.m.:

·                     Vikingen in de Lage Landen: archeologische vondsten 

·                     Vikingen en Saksen 

·                     Voorburg-Leidschendam: Forum Hadriani en de eeuwen daarna

·                     Archeologische gaten in de geschiedenis van steden 

·                     Is en blijft archeologie een hulpwetenschap?

O.a. de volgende sprekers komen aan het woord: Erik de Quick, voorzitter Viking-Genootschap; Arnout-Jan Bijsterveld, historicus, hoogleraar UvT (Tilburg); Nico Arts, archeoloog Eindhoven; Wilco de Jonge, archeoloog Voorburg-Leidschendam, eindredacteur van het te verschijnen boek over Forum Hadriani.

Reserveren via SEM, Hof 6, NL 4854 AZ te Bavel. (reserveren via e-mail is ook mogelijk: info@semafoor.net); introductie toegestaan. (Medegedeeld)

 

Herleving van de Nederlandse taal in Zuid-Vlaanderen?

Bijna een halve eeuw geleden werd in Frans- (zeg beter: Zuid-) Vlaanderen gestart met het organiseren van taallessen in het Nederlands. Ter herinnering: meteen nà Wereldoorlog 2 bestonden in de streek slechts 2 officiële taalcursussen: aan de Katholieke en de Staatsuniversiteit te Rijsel.

Toen kwam het K.F.V. – Komitee voor Frans-Vlaanderen -  in actie. Dit Waregems komitee is al meer dan vijftig jaar actief op tal van terreinen. Het houdt zich ver van partijpolitiek, preekt gematigde taal, maar werkt op alle terreinen voor het behoud van volkstaal en volkscultuur, en benadert alle vraagstukken rond het behouden van de historische Nederlandse geest.

Wat nu de taalcursussen betreft: in het cursusjaar 2004-2005 zag de toestand er zo uit:

·         niemand wordt bezoldigd, noch de leraars (dit jaar zijn het er 18), noch de medewerkers, er is hoogstens een geringe tussenkomst in de vervoerskosten;

·         wat de leerlingen betreft: dit werkjaar zijn er 291 ingeschrevenen voor 30 cursussen. Hierbij zijn er 152 ‘beginners’. Dit lijkt een lichte achteruitgang tegenover vorig leerjaar toen er 342 cursisten en 31 cursussen waren, maar men dient te bedenken dat de KFV-cursussen in Belle en Armentiers werden overgedragen naar het ‘Huis van het Nederlands’.

Men kan stellen dat de werking van het K.F.V. weinig spectaculair is. Wellicht. Alleen met de Frans-Vlaamse cultuurdag in Waregem (dit jaar op 25 september) verneemt men soms iets uit de media. Alle respect voor de ploeg onvermoeibaren die, met de onlangs 80 jaar geworden Luc verbeke op kop, zich bleven en blijven inzetten voor onze cultuur in die uithoek van de Nederlanden. 

Toen in 2001 de André Demedtsprijs werd uitgereikt aan het “Huis van het Nederlands” in Belle (Bailleul), zei Francis Persyn, oud-inspecteur voor het Nederlands in Frankrijk dit: “De particuliere cursussen van het K.F.V. zijn vandaag de dag verreweg het belangrijkste net van buitenschools onderwijs van het Nederlands”. Daar hoeft niet veel aan toegevoegd worden. Alleen dit: voor contacten met, inlichtingen over, of steun aan de bewuste Zuid-Vlamingen, één adres: Dirk Verbeke, Kerelsstraat 17, 8800 Roeselare. En nog dit: wie zo geestdriftig is dat hij (of zij) het K.F.V. wil ondersteunen: rekening 469-1003761-50 van het KFV te Waregem.  (K.v.V.)

_________________

Bron: Ledenblad Delta-Stichting, nr. 90, maart/april 2005.

 

“Trouw Dietsch”

Het Dietsch Studenten Verbond”

Het is niet bij velen bekend, maar tijdens het Interbellum bestond er ook in Noord-Nederland een breed gedragen opvatting dat de Noord- en Zuid-Nederland tot een land samengesmeed diende te worden. Er is tot nu nog maar weinig onderzoek naar verricht, maar met deze publicatie over het Dietsch Studenten Verbond wordt er meer duidelijkheid geschapen over het draagvlak van de zogeheten ‘Groot-Nederlandse gedachte’.

Het boekje van circa 60 pagina’s over het DSV schept een mooi sfeerbeeld van de Groot-Nederlandse studentenactie in Noord-Nederland in de periode 1922 tot 1941. Het onderwerp is namelijk te omvangrijk en verdient zeker nadere studie, maar dit werk is een mooie eerste aanzet naar een meer uitgebreide en diepere studie van de Groot-Nederlandse beweging.

Door middel van levendige anekdotes en nooit eerder gepubliceerde foto’s komt uit deze voorlopige studie een beeld naar voren van een in de academische wereld breed gedragen ‘Groot-Nederlandse’ overtuiging. Het werkje geeft ook goed de tijdgeest weer tijdens het Interbellum en is daarom des te interessanter. Het geeft een scherper beeld van het verleden en dat is immers het doel van geschiedvorsing. Dit boek is dan ook warm aanbevolen!

Het boekje is voorlopig alleen te verkrijgen via de redactie van het maandblad Delta en via onze Nieuwsbrief. De prijs van dit unieke werkje beloopt 10,50 Euro, inclusief verzendkosten. Als u een bericht met uw naam en adres stuurt naar onze redactie, dan krijgt u deze unieke studie zo spoedig mogelijk in huis. Aarzel niet want de oplage is beperkt!

Ruud Bruyns

_______________________

N.a.v. Willem Voorthuysen, Trouw Dietsch – het Diets Studenten Verbond (1922-1941), Uitgave Decus Maiorum, Amsterdam, 2005 – 60 p., ill., 9 Eur + verzendkosten (België 1,50 Eur, Nederland 4,20 Eur). Verkrijgbaar via ons secretariaat, Paddevijverstraat 2, B. 8900 Ieper. Betaling op rekening 464-8220251-39  IBAN: BE13 4648 2202 5139 / BIC: KREDBEB3 t.n.v. Vereniging/Stichting ZANNEKIN, 8900 Ieper.

 

Vanaf de zijlijn

Marten Heida, Veenendaal

Augustus – Van Hulzenmaand

Voor zover mij bekend is, is het niet eerder een ZANNEKIN-lid overkomen dat een maand naar hem/haar genoemd werd. Uit het bovenstaande kopje hebt u inmiddels wel af afgeleid dat deze eer ons oudste lid te beurt gevallen is. Op donderdag 25 augustus j.l. mocht dr. A. van Hulzen zijn 100e verjaardag vieren. Als eerbewijs heeft StadsLeven de maand augustus – voor zover het zijn woonplaats Utrecht betreft – uitgeroepen tot “Van Hulzenmaand”.

En daarbij heeft men het in de Domstad niet gelaten. In het Volksbuurtmumeum Wijk C is een tentoonstelling ter zijner ere ingericht. Eén van de opvallendste bezienswaardigheden is de wieg waarin hij als pasgeborene werd neergelegd. Trouwens ook speelgoed uit zijn jongensjaren ontbreekt niet.

Velen hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt dr. Van Hulzen te feliciteren met deze uitzonderlijke verjaardag. Als ZANNEKIN-kring willen we niet achterblijven met het uitspreken van onze gelukwensen. Als zodanig is dit berichtje in ieder geval bedoeld. We wensen hem toe dat hij nog lang over de kracht en de lust mag beschikken voort te doen om zo dienstbaar te zijn aan de gemeenschap van zijn woonstad die hij op velerlei wijze met zijn studies heeft verrast.

Negentiende-eeuwse taalprobleem in het Nederrijnland

Wie vandaag in het Nederrijnland zijn oor te luisteren legt, zal uit de mond van de jongste generatie maar weinig klanken meer opvangen die herinneren aan het Nederlandstalig verleden van deze streek. Vastgesteld kan worden dat de verduitsing gründlig is geweest. Ruim 175 jaar geleden was de taalsituatie even grondig anders. Toen in 1825 de leerplicht in dit tot Pruisen behorende gebied werd ingevoerd, had men ook af te rekenen met een groot taalprobleem. Immers de voorgeschreven onderwijstaal was Hoogduits maar die van de schoolbevolking niet. En dit gold zowel de leerlingen als de onderwijzers. De laatsten werden dan ook verplicht eerst nog speciale cursussen te volgen om zich het Hoogduits eigen (?) te maken. 

Trouwens ook op het kerkelijke erf stuitte men op de taalproblematiek. Zo werd in een schrijven van 14 juli 1828 aan de kapelaan van de deken van Xanten meegedeeld op welke wijze de zielzorg moest worden uitgeoefend. De achtergrond van dit schrijven was de gewoonte van menige priester in het Nederlands te preken. Ze werden dan ook aangespoord zo spoedig mogelijk het Hoogduits aan te leren en die taal ook te gaan gebruiken. In een tijdsbestek van een half jaar moesten ze die taal zó beheersen dat ze daarin konden preken en catechisatie geven. 

Bron: Geldrischer Heimatkalender 2005, p. 58 en 199.

Kortrijk en Leeuwarden zijn een Bro(el) rijk

Stoelt het kernwoord in het hierboven geplaatste kopje met betrekking tot de daarin genoemde steden op dezelfde wortel? Deze vraag drong zich aan mij op toen ik in het kader van mijn belangstellingsveld ‘archeologie’ kennis nam van de inhoud van de jongste aflevering van Paleo-Aktueel (een uitgave van het Groninger Instituut voor Archeologie). Hierin wordt o.m. verslag gedaan van een opgravingresultaat in de Friese hoofdstad. Het heeft betrekking op de Brol. Oorspronkelijk was dit een brug bij de Vismarkt die in de loop van de tijd de functie van een gewelf gekregen heeft.

Ik laat verder het Leeuwarder grachtenstelsel voor wat het is. Belangwekkender is het tekstgedeelte waarin de nodige uitleg wordt gegeven en dat ik hier als citaat laat volgen: “De naam ‘Brol’ gaat mogelijk terug op het Keltische woord ‘brogilo’ (Dolk, 1997). In Friesland wordt deze naam in meer-dere plaatsen aangetroffen (…) Plaatskundig laat de naam zich verklaren als ‘lage moerasachtige plaats’ (Enc. v. Friesland, 1958, p. 215 (…) De Brol wordt voor het eerst vermeld in 1458: langhs bij dae Broel.”

Het is hier dat ik de overstap maak naar Kortrijk. Immers ook in deze West-Vlaamse stad is dit woord nog steeds gangbaar, getuige de Broeltorens. Op basis van de betekenis die in Leeuwarden aan het woord “broel” wordt toegekend, leid ik af dat deze indrukwekkende tweeling alles te maken moet hebben met de moerassen waardoor Kortrijk in het verleden blijkbaar omgeven was. Hiermee hoop ik een antwoord te hebben gegeven op de in de aanhef gestelde vraag met betrekking tot dezelfde wortel.

Aansluitend op het bovenstaande hoop ik de heer Joop van der Horst wat bijgelicht te hebben. In De Standaard van 25 april bespreekt hij namelijk het woord “brol”. Hij stelt: overal in het Vlaamse land is het gangbaar, maar niet in Nederland. Ik neem aan dat zijn vaststelling voor wat het Nederlandse taalgebied betreft juist is maar voeg er in één adem aan toe dat ze niet opgaat voor de provincie war de tweede rijkstaal wordt gesproken. Of het nog tot de woordenschat van de huidige jonge generatie behoort, weet ik niet; daarvoor ben ik te lang (vanaf 1953) buiten mijn geboortegewest woonachtig geweest. Wat ik wel weet is, dat het in mijn jongenstijd nog een algemeen gangbaar woord was (en nog is bij de oudere generatie zoals ik bij navraag aan de weet ben gekomen). Bij herhaling kregen mijn broers en ik – als we weer eens rijkelijk ons speelgoed hadden rondgestrooid – van onze moeder te horen dat we er een “brol” van gemaakt hadden.

In het voorgaande heeft “brol” de betekenis die er ook door Van der Horst aan wordt toegekend, te weten: rotzooi, troep, rommel. Blijft over de vraag of er ook verband bestaat tussen deze uitleg en het gebruik van het woord in Kortrijk en Leeuwarden. Ik ben geneigd die vraag bevestigend te beantwoorden rekening houdend met het feit dat een moerassig gebied (zeker in het verleden) voor de nodige overlast kan (kon) zorgen.

Belle - Leiden

Eén van de predikanten die te maken krijgt met de afhandeling van de besluiten van de Synode van Dordrecht (1618-’19) aangaande de veroordeling van de leer der Remonstranten is een zekere Passchier de Fyne. Als hij in de avond van zijn leven is aangekomen zet hij zich tot het beschrijven van Het Leeven en eenige bysondere voorvallen. Hieruit geef ik u het volgende door; leest u maar mee: “Om terstond tot de saek te komen: ik ben geboren te Leyden, in den jare onses Heeren 1588 op de lesten January des morgens ten 4 uuren, gelyk ik in mynen zaligen vaders memory boekje geteikent vinde. Myn vader was genaamt Passchier de Fyne, ende myn moeder Maey-ke Couwets. Sy waren beyde Vlamingen, gebooren te Belle, van waar sy door den oorlog verdreven wierden, ende te Leyden eenigen tyt gewoont hebbende te samen getrout zyn geworden, hebbende acht kinderen gehadt, waarvan ik de eerste ben geweest, die (door Godes genade) alle myne broe-ders en susters hebbe overleeft. Myne ouders geneerden (= voorzagen in het levensonderhoud) haar met het laeckenberyden, ende also sy naeckt en bloot van Vlaanderen waren verdreven, deden sy vroeg en laet haar best om eygen broot te mogen winnen, waer van ik (so haest ik konde) behulpig was met de harden (= stookplaatsen) schoon te maken, also dat ik altemet (noch maer 5 à 6 jaren out zynde) des morgens te vieren opstont om de harden te veegen, eer ik ter schoole ging” 

Bron: Spectrum Nederlandse Letterkunde, dl. 11, p. 218-219.

Hollandse inwijking in het Nederrijnland

Het is algemeen bekend dat in de late Middeleeuwen velen zowel uit Vlaanderen als uit Holland zijn ingezet bij de ontginning van woeste gronden en moerassen in Holstein en Brandenburg. Minder bekend is dat ook dichter bij huis graag een beroep op het Hollandse vakmanschap inzake ontwatering van moerasgebied werd gedaan. Ten zuidoosten van Sonsbeck strekte zich vroeger een dergelijk moeras uit, waaraan diverse toponiemen als daar zijn: Veen, Stadveen, Veenen tot op de dag van vandaag herinneren. Eén van de in dit gebied liggende buurtschappen – te weten Craeyenveen – heeft zijn ontstaan te danken aan Hollandse kolonisten die hier rond 1650 naar toe zijn gehaald door de hertog van Kleef. Blijkbaar waren in de Franse tijd – het Nederrijnland maakte van 1794-1814 deel uit van Frankrijk – de nazaten nog steeds niet volledig geïntegreerd. Dat is af te leiden uit een mededeling over de Mairie van Veen, waarin het gaat over het “slechte” Duits dat door de bevolking werd gesproken. Het heeft zich klaarblijkelijk duidelijk hoor-baar onderscheiden van de streektaal uit de omgeving.

Bron: Jahrbuch Kreis Wesel 2005, p. 198 en 200.

Marten Heida

Het laatste woord

Zon en schaduw over … de Nederlanden

Eens te meer parafraseer ik de medestichter van de voorheen overtuigd, maar nu nog weinig “Vlaamse” Toeristenbond en “Vlaamse” Automobilistenbond, met name wijlen Jozef van Overstraeten, die jarenlang een rubriek verzorgde over het wel en wee van de Zuidelijke Nederlanden, in casu de inmiddels geïnstitutionaliseerde Vlaamse deelstaat van het Koninkrijk België. Zijn belangstellingsveld reikte echter tot alle hoeken van de Nederlanden, en tot de sporen ervan in de wereld. Onze vereniging mocht ooit de naar hem genoemde prijs ontvangen.

De zon schijnt boven de Nederlanden, maar soms overheerst droefheid. Zo betreurt de Stichting ZANNEKIN het heengaan van een trouw lid en medewerker aan ons jaarboek, Eerwaarde Heer Antoon Lowyck, geboren op 1 december 1914 en overleden op 26 juni 2005. In een volgende Nieuwsbrief schenken wij ruimer aandacht aan deze waardevolle idealistische priester, die ontzettend veel van Frans-Vlaanderen hield.

Ook betreuren wij het heengaan van Han van Liempt, geboren te Nijmegen op 9 juni 1959, en overleden te Eindhoven op 17 augustus 2005. Veel te jong ging een groot verdediger van de Nederlandse taal en cultuur binnen de Nederlanden en in Zuidelijk-Afrika heen. Ook voor Frans-Vlaanderen koesterde hij veel sympathie.

Het zonnige element brengt de E.H. Cyriel Moeyaert, die bij het Davids-fonds een boek uitgeeft over het Frans-Vlaams, waarvan hij reeds 50 jaar lang zonderlinge woorden, zinnen, gezegden en spreuken verzamelt. Het heet Woordenboek van het Frans-Vlaams – Dictionnaire du Flamand de France”. Ook hierover later meer.

En dan stel ik er prijs op onze volgende ontmoetingsdag aan te bevelen, die in de geboortestad van Joost van de Vondel, namelijk Keulen, plaatsvindt. Deze dag ligt deels in het verlengde van de succesvolle “Internationale Dag van het Nederlands en het Afrikaans”, waarvan u een sfeerbeeld kunt opsnuiven in deze Nieuwsbrief. In Keulen wordt dieper ingegaan op de Nederlandse sporen in Duitsland.

Afspraak op 15 oktober 2005 in Keulen (zie programma elders in de Nieuwbrief).

Ook verklappen wij u nu al dat wij op 13 mei 2006 naar Frans-Vlaanderen gaan en meer bepaald in en om de Leie.

Leo Camerlynck

Voorzitter Stichting Zannekin