> nieuwsbrief > 23e jg. - 1e trimester 2006

Bijdragen over: Tip

Mededelingen

Bijdrage 2006

De jaarwisseling nadert andermaal met rasse schreden. Traditiegetrouw is dit het moment bij uitstek om elkaar alle goeds toe te wensen voor het nieuwe jaar. Al even traditiegetrouw komt daarbij de opdracht van de penningmeester om ervoor te zorgen dat de hernieuwing van de bijdragen een vlot verloop kent. Een en ander gebeurt dan bij deze! Niettegenstaande de in de loop van vorig jaar andermaal gestegen portkosten, kunnen wij – dank zij een zuinig beheer – de jaarbijdrage ongewijzigd behouden. Uw abonnement op onze Nieuwsbrief en op ons jaarboek De Nederlanden “extra muros” blijft met andere woorden beperkt tot een basisbijdrage van 25 EUR.

Deze bijdrage – méér is vanzelfsprekend steeds welkom – verwachten wij te kunnen boeken rond de jaarwisseling. Ze geldt meteen als voorintekening op het 28e jaarboek dat eind mei 2006 zal verschijnen en waarvan de boekhandelprijs na verschijnen 30 EUR (+ 3 EUR verzendkosten) zal belopen.

Als voorheen blijven de leden (en bij uitbreiding voortaan ook hun huisgenoten) genieten van een gevoelige korting op de deelnemersbedragen van onze Studie-uitstap en onze Ontmoetingsdag. 

Rekeningen: België: 464-8220251-39 Vereniging ZANNEKIN, 8900 Ieper - Nederland: giro Nederland 3876953 Stichting ZANNEKIN, B.8900 Ieper - Duitsland: Postscheckkonto Köln 275 33-505 ZANNEKIN, B. 8900 Ieper - Andere landen: IBAN BE13 4648 2202 5139 / BIC KREDBEBB, ZANNEKIN

Studie-uitstap ZANNEKIN

Onze jaarlijkse Studie-uitstap zal dit jaar doorgaan op zaterdag 13 mei 2006. We verkennen het gebied van de Leie aan weerskanten van de Schreve, met als “kers op de taart” een bezoek aan Ariën aan de Leie in de Franse Nederlanden. Méér hierover leest u in onze volgende Nieuwsbrief. Noteer alvast de datum!

Dialectdag – Tag des Platt

Op zaterdag 29 oktober jongsleden ging te Legden-Asbeck de 41e Dialectdag – Tag des Platt door. Deze dag is een initiatief van de Stichting Achterhoek – Westmünsterland en werd gehouden in samenwerking met de Kulturkreis Schloss Raesfeld, het Staring Instituut Doetinchem, de Dialectring Achterhoek en Liemers en het Landeskundliches Institut Westmünsterland. Een grensoverschrijdend initiatief dus, dat alle achting en waardering verdient. Onze erevoorzitter Marten Heida was te Asbeck. In zijn rubriek Vanaf de zijlijn brengt hij verslag uit over dit gebeuren.

Jan d’Haese: De Franse Nederlanden

Jan d’Haese, gewaardeerd kunstcriticus en dichter – en sinds jaar en dag lid van ZANNEKIN - overleed op 30 januari 2005. Van zijn hand leest u verderop in dit nummer het gedicht De Franse Nederlanden, ontleend aan zijn pas verschenen postume bundel Verder leven in mijn gedichten. De bundel werd ingeleid door onze jaarboekmedewerker Pieter Jan Verstraete, van wie tevens zopas de 2e druk verscheen van “Ik ben een non-conformist”, gesprekken met Jan d’Haese. Beide uitgaven zijn te verkrijgen bij Fien d’Haese-Ideler, Leebeekstraat 13, 9000 Gent. De prijs (inclusief verzending) beloopt respectievelijk 14 € (dichtbundel) en 15 € (‘gesprekken’), over te schrijven op rekening 737-0159178-44 t.n.v. Fien d’Haese-Ideler. De dichtbundel telt 160 pp., de ‘gesprekken’ 116 rijk geïllustreerde pp. 

Kalender Davidsfonds Frans-Vlaanderen

De kalender 2006 van het Davidsfonds Frans-Vlaanderen is beschikbaar! Hij omvat dit keer niet de traditioneel geworden pentekeningen van J.C. Bottin, maar wel 7 prachtige kleurenfoto’s van de hand van Cyriel Moeyaert. We zien beelden uit Ariën aan de Leie, Bollezele, Bavinckhove, de Kasselberg, Sint-Omaars en Ochtezele. Bovendien ook nog de zeldzame penning La Flandre Subjugée, herinnerend aan de Slag aan de Pene in 1677. Op de keerzijde van elke foto wordt deze gesitueerd en historisch toegelicht. Deze zeldzame want genummerde kalender wordt u toegestuurd mits overschrijving van 7  € (verzendkosten inclusief) op rekening 000-1529169-61 van het Davidsfonds Frans-Vlaanderen, p/a Jan van Ormelingen, Albertlaan 24, B. 3010 Kessel-Lo, tel. 0427- 374 851,  e-post: janvanormelingen@yahoo.com 

Ook te verkrijgen via de webstek: “Flandre à vélo” (Op de fiets door Vlaan-deren) www.fiets-vélo.com of per post: Gîte du Paradis de l’Yser, IJzerpa-radijs,4, Route de Bray-Dunes F 59470 Bambeke, te Kassel: De Drie Meu-len , op de Grote Markt, te Ekelsbeke: Maison du Westhoek/Huis van de Westhoek, op de Markt en te Oostkappel; Tolkantoor.

Bezoek aan Limburg/Limbourg

Het historische stadje waaraan onze provincies Limburg hun naam ontlenen krijgt op 20 mei bezoek. Het ANV komt er, samen met Ons Amsterdam, op bezoek. Er wordt een bus ingelegd vanuit Amsterdam, met opstapmogelijkheden in Utrecht en Sittard en met een vrije lunch te Vaals. Leden van ZANNEKIN uit deze regio’s kunnen daaraan vanzelfsprekend participeren. De buskosten belopen 18  €. Méér info: J.H. van Tongeren, Duivenkamp 851 te NL. 3607 WG Maarssen, tel/fax 0346 560947.

Broedertwist – België en Nederland en de erfenis van 1830

Onder dit motto loop van 24 september 2005 tot en met 8 januari 2006 een tentoonstelling in het Noordbrabants Museum, Verwerstraat 41 te 5200 BA ’s Hertogenbosch. In de tentoonstellingsfolder lezen we: “Nederland en België hebben een bijzondere relatie. We zijn buren van elkaar, in zekere zin zelfs familie. We delen een gemeenschappelijke geschiedenis en voelen ons cultureel verwant. We komen graag en veel bij elkaar opbezoek. Maar zelfs in de beste families gaar het wel eens mis: Broedertwist!” Méér over deze tentoonstelling valt er te lezen op de webpagina’s van het museum: www.noordbrabantsmuseum.nl Bezoekers uit België krijgen – op vertoon van hun identiteitskaart – gratis toegang tot de expositie. “Om het weer goed te maken, 175 jaar na onze Broedertwist”, aldus de folder. Na ’s Hertogenbosch verhuist de tentoonstelling naar Leuven, waar ze van 3 februari tot 30 april 2006 in de Predikherenkerk.

Genealogische databank

Andermaal bracht de Heimatverein der Erkelenzer Lande een genealogische CD-rom uit. Het is reeds de 6e in de rij. Dit keer werden er geboorte-, doop-, huwelijks- en overlijdensgegevens gebundeld over niet minder dan 661186 personen uit Birgden, Brachelen, Doveren, D’horn, Hückelhoven, Kück-hoven, Hürtgen, Lüttelforst, Kirchhoven, Millen, Körrenzig, Overkrüchten, Lövenich, Schwanenberg, Schwerfen, Vossenack en Wanlo. Info: theo.goertz@erkelenz.de 

Jaarboek De Nederlanden “extra muros” deel 28

Eerstdaags dient onze jaarboekredactie zich te beraden over de voor het 28e jaarboek De Nederlanden “extra muros” te weerhouden bijdragen. De oogst is groot en gevarieerd, maar we beschikken maar over 208 pagina’s.

Een overzicht over de bijdragen in portefeuille, in alfabetische volgorde:

·        “Ce ne sont que des gueux…”. De Waalse bijdrage in de Opstand en het lot der Waalse protestanten, een overzicht door Ruud Bruijns.

·        De Vlaamse Beweging in Frans-Vlaanderen. Een document uit 1930 van de hand van René Gillouin.

·        Steeds veranderend kampgebruik weerspiegelt wisselend tij, stelde Marten Heida vast.

·        Patriottische inwijking in Frans-Vlaanderen, nader bekeken door Marten Heida.

·        Kroniek de Franse Nederlanden, als steeds geselecteerd en verzorgd door Johan van Herreweghe.

·        Nederlandstalige borden in de Westhoek van de Nederlanden in Frankrijk, het vervolg van de reeks van onze ondertussen overleden medewerker Antoon Lowyck.

·        De Hagepreek te Boeschepe op 12 juli 1562, becommentarieerd en toegelicht door Erik Martens.

·        Een Vlaamse “kolonie” in Parijs, door Antoon Neetens.

·        Keulen en de Nederlanden, op basis van de lezing van Hendrik Steeger op de jongste Ontmoetingsdag van Zannekin.

·        Frieslands ‘Europese’ dichter: Obe Postma, andermaal een Fries portret door Pieter Jan Verstraete.

·        Kroniek en boekbesprekingen, op basis van een uitzonderlijk rijke oogst.

 

DE FRANSE NEDERLANDEN

    door Jan d’Haese

Hoe ligt ge daar:

Aarde van mijn aarde,

Waat’ren van mijn water,

Heuvels van mijn heuvels,

Dorpen van mijn dorp…

Van elke toren

In het landschap verloren,

Zegt men de naam

Met mijn mond.

 Met mijn hand

Op de grond,

Voel ik mijn vezels,

Mijn sappen,

Voel ik mijn bloei…

 Uit dezelfde hel,

Uit bloed en tranen,

Uit vernedering en last,

Uit dezelfde liefde

Groeide onze hemel,

Onvervreemdbaar gespannen

Boven de eeuwige gesteenten,

Boven het vergaan van dieren… 

                           En mensen…

Herleving van de Nederlandse taal in Zuid-Vlaanderen?

Bijna een halve eeuw geleden werd in Frans- (zeg beter: Zuid-) Vlaanderen gestart met het organiseren van taallessen in het Nederlands. Ter herinnering: meteen nà Wereldoorlog 2 bestonden in de streek slechts 2 officiële taalcursussen: aan de Katholieke en de Staatsuniversiteit te Rijsel. 

Toen kwam het K.F.V. – Komitee voor Frans-Vlaanderen -  in actie. Dit Waregems komitee is al meer dan vijftig jaar actief op tal van terreinen. Het houdt zich ver van partijpolitiek, preekt gematigde taal, maar werkt op alle terreinen voor het behoud van volkstaal en volkscultuur, en benadert alle vraagstukken rond het behouden van de historische Nederlandse geest.

Wat nu de taalcursussen betreft: in het cursusjaar 2004-2005 zag de toestand er zo uit:

·        niemand wordt bezoldigd, noch de leraars (dit jaar zijn het er 18), noch de medewerkers, er is hoogstens een geringe tussenkomst in de vervoerskosten;

·        wat de leerlingen betreft: dit werkjaar zijn er 291 ingeschrevenen voor 30 cursussen. Hierbij zijn er 152 ‘beginners’. Dit lijkt een lichte achteruitgang tegenover vorig leerjaar toen er 342 cursisten en 31 cursussen waren, maar men dient te bedenken dat de KFV-cursussen in Belle en Armentiers werden overgedragen naar het ‘Huis van het Nederlands’.

Men kan stellen dat de werking van het K.F.V. weinig spectaculair is. Wellicht. Alleen met de Frans-Vlaamse cultuurdag in Waregem verneemt men soms iets uit de media. Alle respect voor de ploeg onvermoeibaren die, met de onlangs 80 jaar geworden Luc Verbeke op kop, zich bleven en blijven inzetten voor onze cultuur in die uithoek van de Nederlanden.

Toen in 2001 de André Demedtsprijs werd uitgereikt aan het “Huis van het Nederlands” in Belle (Bailleul), zei Francis Persyn, oud-inspecteur voor het Nederlands in Frankrijk dit: “De particuliere cursussen van het K.F.V. zijn vandaag de dag verreweg het belangrijkste net van buitenschools onderwijs van het Nederlands”. Daar hoeft niet veel aan toegevoegd worden. Alleen dit: voor contacten met, inlichtingen over, of steun aan de bewuste Zuid-Vlamingen, één adres: Dirk Verbeke, Kerelsstraat 17, 8800 Roeselare. En nog dit: wie zo geestdriftig is dat hij (of zij) het K.F.V. wil ondersteunen: rekening 469-1003761-50 van het KFV te Waregem. (K.v.V.)

Bron: Ledenblad Delta-Stichting, nr. 90, maart/april 2005.

Paris, ça suffit

Trois siècles et plus que Paris nous dicte notre conduite: une lente mort poli-tique et culturelle, qui a fait de nos Pays-Bas du sud un simple “territoire” (dans la langue des ronds de cuir), dont le nom même, Norpadcalé, sym-bo-lise cette décadence sans fin... Et pourtant, les exemples de l'aire néerlandophone de nos grands Pays-Bas sont là pour nous montrer la voie, Flandre du nord et Pays-Bas du Nord. Serait-ce donc une tare de l'aire francophone (ou sous influence francophone) que d'être incapable de regarder ailleurs autrement qu'en poussant des cocoricos arrogants? Les historiens et les régionalistes qui connaissent l'Histoire évoquent souvent avec nostalgie l' “âge d'or des Pays-Bas” auxquels nous appartenions, depuis le puissant Comté de Flandre des origines jusqu'aux Pays-Bas Bourguignons qui fai-saient verdir d'envie les rois de France. Nous étions maîtres de notre destin, de nos décisions et de nos ressources, libres de parler nos langues et de choisir nos alliances. Notre génie pouvait s'exprimer librement dans un espace naturel au cœur de l'Europe du nord-ouest. Nous vivions une sorte de fédéralisme avant l'heure. Aujourd'hui, nous appartenons toujours géographiquement à cette partie du monde, mais nous ne sommes plus maîtres de nos décisions économiques, ni de nos choix politiques, ni du maintien de nos langues et de nos identités. Nous sommes devenus le Nord-Pas-de-Calais, une sorte de cul de sac de la France, pays qui se veut méditerranéen, une immense friche sinistrée sur bien des points (économie, éducation, san-té, etc.), dont le voisinage avec nos frères du Nord prospères et ouverts sur le monde offre un contraste criant et choquant.

Aldus de internetpagina van de Alliance régionale Flandre-Artois-Hainaut. De volledige tekst valt na te lezen op www.streek-verbond.org 

Waalse identiteitscrisis

Wauthier (*)

Wat is Wallonië, welke culturele (in de brede zin van het woord) identiteit heeft het? Aan die moeilijke kwesties willen we ons deze week even wagen. Eigenlijk weten we - en de Walen zelf ook - vooral wat Wallonië niet is: het is niet Vlaanderen, het is niet Brussel, het is niet de Belgische francofonie en het is niet Frankrijk. Om in dat laatste verband maar meteen elke mythe te ontkrachten, het enige deel van de Nederlanden dat ooit formeel tot Frankrijk heeft behoord, was het graafschap Vlaanderen; een situatie waaraan slechts in 1529 door het Verdrag van Kamerijk een einde kwam. In de Nederlandse geschiedenis is het dan ook dat graafschap Vlaanderen dat de ellendigste los-vastrelatie met Frankrijk heeft gehad, terwijl de Waalse gewesten steeds natuurlijkerwijze in het empire germanique en de Lage Landen ingebed waren.

Wat die Waalse gewesten uiteraard altijd onderscheiden heeft van de overige Nederlanden is dat de volkstaal er Romaans was. Het is belangrijk om “Romaans” niet zomaar met “Frans” gelijk te stellen. Aangenomen wordt dat het “Waals-Romaans” zich tussen de 8e en 12e eeuw heeft ontwikkeld als noordelijkste variant van de langue d’oil. De grens tussen taal en dialect is vanzelfsprekend flinterdun en vaak betwistbaar (zeker in historisch opzicht), maar we mogen met een gerust gemoed zeggen dat de taalgeschiedenissen van het “Frans” en het “Waals”, hoewel vrij nauw met elkaar verwant, allesbehalve gelijklopen. Daarmee kan niet worden ontkend dat tussen ouder, noordelijk Frans (dat min of meer als schrijf-, bestuurs- of cultuurtaal fungeerde) en de Waals-Romaanse volkstaal een bepaalde wisselwerking bestond en tot op de huidige dag bestaat (de meeste Walen spreken immers veeleer en in verschillende gradaties “franco-wallon” dan standaard-Frans). In de late l8e eeuw is het de Franse bezetter, fanatiek bestrijder van de als relicten van het Ancien Régime beschouwde”dialecten”, pijnlijk duidelijk dat hij zich in Wallonië nauwelijks beter verstaanbaar kan maken dan in Vlaanderen. Dezelfde Franse bezetter had het echter te druk met het leegroven, brandschatten en algemeen verpesten van het land om aan een volgehouden taalpolitiek toe te komen. Daarvoor moeten we wachten op het België van 1830, waarover dadelijk meer.

Frustratie

In een vorige bijdrage [in ’t Pallieterke, nvdr] wezen we op de moeilijkheid van een aparte Waalse geschiedschrijving. Waals-nationalistische historici hebben nochtans pogingen daartoe ondernomen. Een van de populairste werken in het genre is La Wallonie, son histoire (1999) van de hand van, de vooral als politicus bekende, Hervé Hasquin. Slecht is dat boek niet, maar het heeft bij gebrek aan beter een wat onterechte status als referentiewerk gekregen. Iets anders is het oeuvre van Léopold Genicot (1914-1995). Genicot was een autoriteit op het gebied van de middeleeuwse geschiedenis en hoogleraar aan de UCL, met - terecht - een enorm wetenschappelijk prestige. Daarnaast was hij helaas ook een fervente wallingant van wie meer dan één gekke, Vlaamshatende bokkensprong bekend is.

Professor Genicot is misschien wel het meest dramatische voorbeeld van de zich in alle bochten wringende ontwerper van een autonome Waalse identiteit. Met die Waalse identiteit (de term “Wallonië” wordt in zijn huidige betekenis trouwens pas gebruikt sinds 1842 toen hij bedacht werd door de romanticus Jean Grandgagnage) is tot tenminste de 19e eeuw weinig of niks aan te vangen buiten de context van de Nederlanden. Dat is de grote frustratie geweest van allerhande Waalsgezinde revisionisten die dan als enige uitweg de Franstaligheid van Wallonië hebben gezien.Wat karikaturaal gezegd: “Wallonië is misschien niks, maar het behoort wel tot het grootse Franse universum en niet tot de Germaanse barbarij.”

Probleem daarbij is dat die Franse aanhorigheid van Wallonië met geen enkele werkelijkheid strookt. De eminente en serieuze historicus Genicot kon zich iets dergelijks niet veroorloven en moest erkennen dat de echte verfransing van Wallonië maar in de helft van de 19e eeuw is ingezet. Hij beschouwt dat dan wel als een zegening: de Walen nemen onder zachte (Belgische) dwang het universele Frans aan en de Vlamingen hebben zich daar, tot eigen scha en schande, stijfhoofdig tegen verzet.

Moeilijke keuze

De gebeurtenissen van 1830 zijn grotendeels georchestreerd door oude getrouwen van het verdreven Franse regime, met ruime medewerking van veelvormige Franse agenten. De ultieme betrachting van deze lieden was de herannexering van “België”. Door internationale druk (van onder meer en godzijdank Groot-Brittannië) is dat net niet gelukt Sindsdien heeft het dubbelhartige België in ieder geval gekozen voor een niet-Nederlandse identiteit, maar heeft het nooit definitief kunnen kiezen tussen (opgelegde) neutraliteit en Frans vazallendom. Die tweeslachtigheid is actueler dan ooit en heel zichtbaar in het hedendaagse Belgische Europabeleid.

Uiteindelijk is dat alles niet het werk van “de Walen” geweest, maar van een Franstalige en Fransgezinde sociale klasse die in het hele land nog aan voldoende touwtjes wist te trekken, Wallonië is, om het uitdagend te zeggen, misschien nog meer het kind van de Belgische rekening geworden dan Vlaanderen. Vlaanderen heeft zich immers relatief, en met schrijnende moeite, kunnen herstellen; Wallonië zit opgezadeld met een permanente identiteitscrisis en kan zichzelf niet meer hervinden zonder een beroep te moeten doen op de zo “geweldige” francofonie die hier te lande nooit iets anders dan verderf heeft gebracht.

Bron: weekblad ’t Pallieterke, 20 juli 2005.

Oostfreesk (*)

Gerhard, Tienen

Het is me wat met Oostfriesland en het Oostfries. Wat voor Oostfries doorgaat, is een conglomeraat van Nederlandse dialecten die het meest verwant zijn met die van Groningen en Drente over de Duits-Nederlandse taalgrens. Net zoals het ommeland van de stad Groningen hebben de Oostfriese gewesten sinds de middeleeuwen met een “ontfriezing” te maken gehad, die het Fries, op één enkele belangrijke enclave als het Sa(gel)terland na, heeft verdrongen. Door inwijking van Nedersaksen en door de invloed van de voor deze streken wezensbelangrijke Nedersaksische-Nederfrankische handelstaal van de Hanze is de streektaal er nu Nedersaksisch, een Nederduits dialect dat tot de vorming van het Nederlands heeft bijgedragen. Zoals de Friezen en de Nedersaksen ook hun aandeel hebben in de Nederlandse volksstructuur!

Als zodanig en mede door allerlei religieuze invloedsfactoren, kon het Nederlands tot in de 18e-19e eeuw voor westelijk Oostfriesland als cultuurtaal fungeren in school, kerk en soms zelfs bestuur. De met de dialecten volkomen strijdige Hoogduitse cultuurtaal heeft via de Lutheraanse “gemeenten” en via dynastische erflatingen er ook invloed gekregen en ze werd met de eraan toegedachte functie van “natietaal” een concurrent. Onder Pruisisch bestuur werd dat de “geleider” om de uitroeiing van de Nederlandse cultuurtaal gaandeweg te voltooien. Maar zoals steeds bij opzettelijke cultuurtaalverdringing, blijven de bijbehorende dialecten zich handhaven. Wel ondergaan ze fikse invloeden van de overheerserstaal. Zeker is dat zo als het om taalverdringers met een ruimer geldingsbereik gaat, zoals het Frans of het Duits ten opzichte van het Nederlands. Ook de dialecten corrumperen zelfs onder die beïnvloeding. Kijk naar onze binnen-’Vlaamse” dialecten, kijk vooral naar de met nog grotere continuïteit bedreigde Zuid-Vlaamse dialecten in Noord-Frankrijk. In Oostfriesland, zoals in het Eemsland, Lingen, Benthem, Westmunsterland en het Nederrijnland, heeft dat tot ingrijpende verhoogduitsing geleid.

Terwijl de taalverdringers de hegemonie van de enige “natietaal” als uitroeiingsmotivering handhaafden, gebeurde er van Nederlandse zijde weinig of niets. Integendeel zelfs, gebiedswissel, als voor Lingen b.v., leek geen enkel probleem. De Verenigde Provinciën konden ook weinig uitrichten. Voor Zuid-Vlaanderen, na de nederlaag van Willem III in 1677 al niet meer. Oostwaarts, stond het er niet beter voor.

Op wetenschappelijk vlak is dat, zelfs op taalgebied, ook nog steeds zo... Het probleem Zuid-Vlaanderen kent men nog, zelfs in de ruimste zin. Het “Oostland” was voor ons meestal een onbekende, een witte vlek op de wereldkaart. Buiten enkele uitzonderingen: Gert van der Schueren voor het Kleefs. De Heuiter na hem nog. Dichter bij ons, Johan Winkler, J.D. Domela-Nieuwenhuis en J.W.Müller.

Maar deze laatste bekeek zelfs de nauwe verwantschap van de Oostlanddialecten met onze cultuurtaal niet, maar hield het bij een expansieverschijnsel van die cultuurtaal. Daar sloot het merendeel der “taalgeleerden” zich, met graagte en vlijt, veilig bij aan.

Dichter bij ons ontwikkelde men op terminologisch gebied per taal-”familie” zelfs een “overkoepelings”-constructie, waardoor Nederduitse dialecten feilloos door een opgedrongen Hoogduitse cultuurtaal “overkoepeld” kunnen worden. Een nog linkere vondst dan het gemoraliseer met een “natie”-taal. Al vindt men in Duitse studiewerken nog steeds de motivering door een natietaal als “wetenschappelijke” grondslag aangevoerd! Het is of wij het uitlokken met onze “wetenschappelijke” definities, Of wij om de “Eindeutschung” van die gebieden niet rouwig zijn. Er mee om hebben gevraagd.

In de Hitler-tijd was die “Eindeutschung” ondertussen finaal een onomkeerbaar te achten “feit”. Onze politiek heeft ook met deze ervaringen nooit rekening gehouden. In Noord-Nederlandse publicaties uit de oorlogstijd werd die grensoverschrijdende overeenkomst van dialecten zelfs in omgekeerde zin opgevat als een bewijs van “al-Duits”-zijn.

In het zuiden heeft, bij mijn weten, maar één politicus uit de collaboratie de moed gehad om het probleem te berde te brengen. Dat was Jan Brans in een VNV-brochure over onze taal. Daar was moed toe nodig, want zelfs over de “platdietsche” gemeenten kon met geen woord worden gerept. Bij Jan Brans werd het probleem overigens ook afgedaan met het besluit dat de dialecten van ons Oostland in het Hoogduits waren “opgegaan”. Een hele “opgang” naar ondergang! Maar dat was misschien zelfs geen specifieke uiting van opportunisme voor de collaboratiepolitiek. Ook J.W. Müller zag de mogelijkheid van het opgaan in Diets of Duits reeds als “normaal”.

Wanneer dan nu een poging wordt ondernomen om dat “Oostfries” als een conglomeraat van dialecten uit een aantal noordelijke Oostland-streken te bewaren, is dat al hoogst verdienstelijk.

Er bestaat een vereniging “Oostfreeske Taal” voor “Oostfreeske Spraak en Kultur” en er is al een 51e kwartaalblad van “dat oostfreeske Bladdje” verschenen. Het voert de stekelige titel “Diesel”, dat is onze “Distel”. Bewust stekelig ingaand tegen de taalverdrukking in Oostfriesland. Met dialectpublicaties, organisatie van voorleessessies per telefoon, overzettingen van gedichten in dialecten tussen oostelijk Noord-Nederland en Oostfriesland. Die zijn vaak revelerend voor deze “taaleenheid” en voor een gemeenschappelijke cultuurtaalkoepel die niet anders dan het Nederlands. kan zijn. Omdat het Nederlands de enige “natuurlijk” bij deze dialecten aansluitende cultuurtaal kan zijn. Dat komt in gedichten met hun meer compacte zegging meestal nog het makkelijkst tot uiting. Want men mag dialecten ook niet onderschatten in de afwijking van welke “natuurlijk” aansluitende cultuurtaal ook. Dat kun je ook met Tongers en Maastrichts en Sittards eens proberen te bekijken. En met het Gronings en Drents dan eveneens!

Ook staan het Kleefs, Gelders, Benthems, naar mijn aanvoelen, dichter bij onze cultuurtaal dan het Oostfries. Hoe verder dialecten afliggen van de kernhaard van de cultuurtaaluitstraling, hoe meer afwijkingen er te ontmoeten vallen. Er is bovendien een intense verhoogduitsing waar te nemen, want de verwijdering van de kernaard werkt hier ook in de tijdsorde verder terug, via de door de graven van Oostfriesland bevorderde Luthersen.

De aanrakingspunten met de Nederlandse cultuurtaal zijn voor het hele Oostland overigens al lang zeldzamer dan toen die nog school-, kerk- en zelfs bestuurstaal was. Om een geschrift daar voor de eerste en hoofdzakelijke doelgroep leesbaar te houden, moet men ook uitgaan van de spellingspraktijk in een taal die wel algemeen wordt aangeleerd. En onder talen van eenzelfde familiegroep ligt het hier dan voor de hand de Hoogduitse spelregels gebruiken. Jammer, maar... onvermijdelijk, zeker in het stadium waar ons Oostland zich bevindt.

Het Oostfriese “bladdje” wil dan ook niet helemaal zó stekelig staan tegenover het Hoogduits, als zijn naam het aangeeft. Een beroep op een “Tweesprakenland” is als een hoofdmotief zeer aansprekend aanwezig, soms zelfs ook met literaire uitingen in het Hoogduits. Het is een wervingsgerichte term. Die wekt meer aannemelijkheidskansen uiteraard. En de tweede “spraak” is dan vanzelfsprekend, reaalpolitiek beschouwd, het Hoogduits. De verdringende taal nog wel! Jammer, meer dan jammer. Maar we kennen uit Zuid-Vlaanderen ook de opportuniteitsgerichte propaganda voor “tenminste “ tweetaligheid. Waar wij niet veel inbreng aan te reiken hebben, kunnen we ook niet bekritiseren dat de kunst der mogelijkheden wordt beoefend.

Toch kan niet alleen het behoud van een streektaal het streefdoel zijn. Die wordt trouwens gewoonlijk het minst en alleszins het laatst verdrongen. Het is steeds de erbij aansluitende cultuurtaal die het eerst en het meest wordt verdrongen. De dialecten zijn, in gevallen van taalverdringing, steeds het langst de relicten van het elimineringsproces.

Toch is het een grondrecht voor de mens dat hij opleiding, opvoeding en onderwijs kan krijgen in de cultuurtaal, die het nauwst aansluit bij de streektaal van zijn woongebied. Het is een grondrecht dat hij onder die omstandigheden kan deelnemen aan de cultuur van en aan de cultuuruiting in dat gebied. Passief én actief. Al het overige is gekortwiekte eigenheid en dat schendt het allicht belangrijkste grondrecht van een individu op ontwikkeling.

Ook als zo’n openlijke rechtseis in een aanvangsstadium met een “tweesprakenland”-promotie niet nuttig uitpakt, moet die toch uiteindelijk gaan doorklinken. We hopen dat ook “Diesel” dat, zodra het pas geeft, zal kùnnen doen doorklinken.

“Diesel” doet alleszins voor ons “Oostland” meer dan wat in andere gewesten voor taalbehoud, zij het via dialectpromotie, wordt ondernomen. Daar zijn er wel dialectpublicaties en heel wat in “Jahrbücher” en “Kreiskalender” geplaatste teksten en studiebijdragen over en in de dialecten. Maar de actieve promotie met een kwartaalblad, een ledenvereniging en zelfs voorleessessies per telefoon, het lijkt mij het grote pluspunt voor de Distel-van-Oostfriesland. Met de bijbehorende felicitaties van ons daarvoor.

______________

Diesel, Heidhauerkamp 4, D-27356 Unterstedt, Oostfriesland, Duitsland.

(*) Met dank overgenomen uit het maandsblad Dietsland-Europa, 50e jg., nr. 11 (november 2005), pp. 25-28.

Wel heel ver “extra muros”

Geen geluk/Kein Glück - Mennonieten in Siberië & Het hemels vaderland - Hollanders in Siberië

In Geen geluk/Kein GlückMennonieten in Siberië heeft fotograaf  Ad van Lit op indringende wijze de onontkoombare teloorgang van de Mennonietengemeenschap in het dorp Neödatsjino (Geen Geluk) vastgelegd.

In Het hemels vaderland – Hollanders in Siberië beschrijft Bart Rijs hoe hij in een dorpje diep in de Siberische taiga mensen treft die ‘van ergens ginds in Europa’ komen. Hij begint een zoektocht naar hun voorouders, die terugvoert naar de protestantse ketters die Holland over de Oostzee ontvluchtten en aan de rafelrand van het continent hun kolonies stichtten. Maar telkens als ze een nieuw huis hadden gevonden, werd het hun weer ontnomen. Reizend in hun voetspoor blijkt hoe ze tot speelbal werden van Poolse prelaten, Hitlers rassenkundigen en Stalins geheime dienst. Als het communisme valt, wordt de nieuwe vrijheid hen noodlottig.

De presentatie van beide uitgaven werd ingeleid door Gerard Jacobs die sinds 1986 door de binnenlanden van Siberië reist. Hij maakt mee hoe de Sovjet-Unie ineenstort en de bewoners van Siberië op de puinhopen van de communistische heilstaat een nieuw bestaan proberen op te bouwen. Hij leeft temidden van gouddelvers, mijnwerkers en oliemannen, noteert de verhalen van overlevenden uit de goelagarchipel en brengt de geschiedenis tot leven.

___________________

N.a.v. Ad van Lit, Geen geluk/Kein Glück. Mennonieten in Siberië, Met een inleiding van Patricia Gorissen. Eigen beheer 2005, 128 pp., grootformaat, PB: EUR 39,50 & Bart Rijs, Het hemels vaderland- Hollanders in Siberië, Atlas 2005, 365 pp., PB: EUR 22,50.

Vanaf de zijlijn

Marten Heida, Veenendaal

Dialectzorg door taalconsulenten

Onder dit thema werd op zaterdag 29 oktober 2005 de jaarlijkse Dialectdag van de Stichting Achterhoek-Wesmunsterland gehouden. Was vorig jaar het Achterhoekse boekenstadje Bredevoort de plaats van samenkomst, voor deze bijeenkomst hadden de inrichters de keus laten vallen op het Dormitorium van het Westmunsterse stiftsdorp Asbeck. Gewoontegetrouw stond de dag onder leiding van dr. Timothy Sodmann, directeur van het Landes-kundliches Institut Westmünsterland te Vreden.

In zijn openingswoord ging hij in op de vraag “Wanneer is het ogenblik aangebroken dat men in de Kreis Borken moet vaststellen dat de streektaal is uitgestorven?” Onderzoek heeft uitgewezen dat dit slechts een kwestie van tijd kan zijn. Immers de percentages van hen die het dialect gebruiken vertonen een sterk dalende lijn; sprak in 1938 nog zo’n 80% van de bevolking de streektaal, in 2003 stelde men vast dat het percentage bleef steken op 20. En voor de toekomst ziet het er nog slechter uit als bedacht wordt dat slechts 2% van de kinderen zich in de streektaal kan uiten. Toch wilde hij niet spreken van een ondergangsstemming. In dit verband refereerde hij afsluitend aan de verkregen status van het Nederduits als minderheidstaal. Dit grondwettelijk vastgelegde recht geeft hoop voor de toekomst. In dat teken wilde hij ook de bijdragen plaatsen die deze dag ter discussie werden gesteld.

Als eerste kreeg Antje Gronewold het woord. In het dagelijkse leven geeft ze leiding aan het Plattdütskbüro van de Ostfriesische Landschaft in Aurich. Bij de start was aangeknoopt bij wat bestond. Het was niet moeilijk vast te stellen dat ook Oost-Friesland had af te rekenen met achteruitgang van het taalgebruik. Wel maakte ze daarbij de kanttekening dat de “taalomgeving” hierbij van groot belang was. In een poging het tij te keren heeft men de koppen bij elkaar gestoken. Dit heeft onder meer geresulteerd in een overleg met bestuurders van de gemeenten. Het gevolg is geweest de oprichting van de projectgroep Plattdütsk bi d’Arbeid en dat onder het motto Oostfreesenspraak is Oostfreesensaak. Tegen deze achtergrond wordt in Oost-Friesland geijverd voor twee-taligheid. Om daar handen en voeten aan te geven is men met de mensen uit de onderwijswereld gaan praten. Alleen daar moet het niet bij blijven; wil men iets bereiken dan zal men er zich voor moeten inzetten. Als motor wil het Plattdütskbüro daar alles aan doen onder meer door daaraan structuur te geven. Maar tegelijkertijd beseft ze dat daarmee de kous niet af is; deze structuur moet uiteindelijk in praktijk worden omgezet wil ze kunnen fungeren als krachtbron voor het behoud van het Oostfreeske Platt.

De tweede spreker die zijn licht liet schijnen over dit brok taalproblematiek was Gerrit Kraa, tot voor kort medewerker aan de in Enschede gevestigde Twentse Akademie. Hij spitste zijn verhaal met name toe op het toepassen van een doelgerichte strategie als het gaat om behoud van de streektaal. Wat dit betreft mag men in Twente niet al te luid klagen; immers zo’n 70% van de bevolking heeft daar nog weet van. Hoofddoel van taalgerichte actie moet dan ook zijn: breng de mensen zelfvertrouwen bij. Langs deze weg moet men ze laten ontdekken dat er met het gebruik van de streektaal niets mis is. In dit kader wordt gebruik gemaakt van spotjes op RTV-Oost en een Twentse soap. Duidelijk stelde hij dat de medewerking van de media in dit verband van grote betekenis is.

Het afsluitend verhaal werd uitgesproken door Geert Roelofs, medewerker van het Staring Instituut te Doetinchem. Ook in zijn regio (Liemers-Achter-hoek) moet achteruitgang van het streektaalgebruik worden vastgesteld. Maar tegelijkertijd blijft de belangstelling bestaan. En daar wordt door het Staring Instituut dankbaar op ingespeeld onder meer door de streektaaltelefoon. Met behulp daarvan kan de bevolking inlichtingen krijgen over de juiste spelling van bijvoorbeeld mededelingen in het Achterhoeks. Ook op het praktische vlak is men bezig en wel door de kinderen kennis te laten maken met de streektaal door ze de vogels te laten benoemen in de streektaal en het laten maken van daarin gestelde gedichten. Het welslagen van dit soort initiatieven is echter sterk afhankelijk van de medewerking van de onderwijzers en de media.

In de discussieronde werd allereerst de vinger gelegd bij het feit dat ook de streektaal aan verandering onderhevig is. Verder werd vastgesteld dat als het niet gelukt is de streektaal een plaats te geven in de school het ijveren ervoor een verloren zaak is. Dat er op dit gebied echt wel iets bereikt kan worden werd duidelijk gemaakt aan de hand van het Saterlandse voorbeeld; met inzet van iedereen in deze gemeenschap is het gelukt de streektaal – het Saterlandse Fries – weer op de kaart gezet te krijgen. Afsluitend werd opgemerkt dat streektaal allereerst spreektaal is en dat het gebruik daarvan niet taalkundig wordt bepaald maar psychologisch.

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53

NL – 3905 CB Veenendaal

Het laatste woord

Leo Camerlynck, Ukkel

In Memoriam de E.H. Anton Lowyck en Roger Viroux

De Stichting Zannekin betreurt het heengaan van twee trouwe leden en medewerkers, de E.H. Anton LOWYCK en Roger VIROUX. De bijdragen van de E.H. Anton Lowyck over zijn geliefd Frans-Vlaanderen in onze jaarboeken werden naar waarde geschat, tot ver buiten de Zannekin-kring. Jarenlang opzoekingswerk resulteerde in een uitgebreid werk over belangrijke personen, sites en gebeurtenissen in het Vlaamse land over de Schreve.

De West-Vlaming was een beminnelijk man, die altijd bereid was te helpen bij het verstrekken van informatie over meestal minder bekende aspecten van het Vlaamse leven in Frankrijk.

Ook van ons jarenlang bestuurslid Roger Viroux hebben we met pijn en smart afscheid moeten nemen. Hij hield van de Nederlanden van de Dollart tot de Zomme. Zijn werkterrein was echter in de eerste plaats zijn geliefd Walenland, waarvan hij de taal, het Waals, koesterde. Deze op en top Waalse Nederlander ijverde voor de erkenning van het Waals als taal. Daar is ook voor een groot deel in geslaagd.

Van Oignies-en-Thiérache tot Bastenaken, van Malmédy tot Montignies-Saint-Christophe, in heel het Walenland verwierf de bijzonder sympathieke Roger Viroux bekendheid. Maar ook in Vlaanderen en elders in de Nederlanden mocht hij op veel sympathie rekenen.

Zij rusten in Gods vrede.

Franse websteks ook in het Nederlands

Wie met het openbaar vervoer in Frankrijk wil reizen kan al een tijdje informatie over die verplaatsingsmogelijkheden raadplegen op internet. De Franse spoorwegen (SNCF) en het Parijse tram-, metro- en busbedrijf (RATP) stellen een gebruiksvriendelijke webstek ter beschikking van de reislustigen en andere belangstellenden, die tevens consulteerbaar is in het ... Nederlands. Sinds kort ontwierp het Rijselse openbaarvervoerbedrijf ook een drietalige webstek. Die talen zijn het Frans, het Engels én het Nederlands.

De "Communauté urbaine de Lille - Roubaix - Tourcoing" bezorgt ook informatie in het Nederlands. Zo ook de toeristische websteks over de Franse Nederlanden. Wat opvalt is de ruimere verspreiding van het Nederlands in het Rijselse deel van Frans-Vlaanderen dan in de nog deels Vlaemsch-sprekende Westhoek. Hoe dan ook, de Nederlandse taal wordt steeds meer "au sérieux" genomen in Frans-Vlaanderen, maar ook elders in Frankrijk.

Leo Camerlynck

Voorzitter Stichting ZANNEKIN

Edouard Michielsstraat 51

B - 1180 UKKEL (Brussel)