> nieuwsbrief > 23e jg. - 2e trimester 2006

Bijdragen over: Tip

Studie-uitstap Aan weerszijden van de ‘Schreve’

Op zaterdag 13 mei 2006 verkennen we andermaal een stukje van de Frans-Vlaamse Westhoek. Aan weerzijden van de Leie - sinds zolang ten dele de grens tussen Frankrijk en België – gaan we met een autocar op exploratietocht. We komen in Wervik (met zijn Oranjestandbeeldje), Komen (met zijn Vlaams schooltje, waarover destijds zoveel te doen was), Busbeke (Ogier van Busbeke), Waasten (Robrecht van Kassel), Haezebroek (Camille Looten), Ariën (een bezoek overwaard) en, als verste punt, Lisbourg (waar de Leie haar bron heeft).

Tafelen, zowel voor het middagmaal als het vieruurtje doen we in de ons vertrouwde Hollemeers te Dranouter, aan de voet van de Kemmelberg.

Praktische info:

·                    Vertrek te Ieper station NMBS, Colaertplein om 9.45 uur (aan-komst trein vanuit Kortrijk om 9.20 uur).

·                    Terug op het vertrekpunt te Ieper om 19.30 uur (vertrek trein naar Kortrijk om 19.38 uur).

·                    Prijs “all in” (busreis, maaltijden, gidsing): 36 Eur voor onze leden en hun huisgenoten. Niet-leden betalen  40 Eur.

·                    Reservatie d.m.v. “aanmelding” + vereffening van de deelnameprijs op een van de Zannekin-rekeningen tot uiterlijk 6 mei. (e-post: maurits.cailliau@tiscali.be )

Verder in dit nummer leest u enige achtergrondinformatie omtrent enkele aspecten van deze uitstap.

 

Mededelingen

Bijdrage 2006

Wie totnogtoe naliet zijn ledenbijdrage te vereffenen – de basisbijdrage bedraagt van 25 EUR ontvangt eerstdaags een herinneringsschrijven. De bijdrage geldt als steeds als voorintekening op het jaarboek dat eind mei 2006 zal verschijnen en waarvan de boekhandelprijs na verschijnen 30 EUR (ex. verzendkosten) zal belopen. Als voorheen blijven de leden (en bij uitbreiding voortaan ook hun huisgenoten) genieten van een gevoelige korting op de deelnemersbedragen van onze Studie-uitstap en onze Ontmoetingsdag.

Kalender Davidsfonds Frans-Vlaanderen

Onder hetzelfde kopje prezen we in onze vorige Nieuwsbrief (p. 4) deze uitgave aan. Spijtig genoeg slopen in de meegedeelde ‘coördinaten’ enkele fouten. Het rekeningnummer waarop de 7 € dienen betaald te worden luidt: 000-1529169-61. Het telefoonnummer van Jan van Ormelingen is 016-720 187. Zijn e-postadres was juist, nl. janvanormelingen@yahoo.com , zijn adres blijft onveranderd: Albertlaan 24, 3010 Kessel-Lo.

32e Frans-Vlaamse dagen te Nieuwpoort

Van 1 tot 17 april a.s. staat Nieuwpoort weer in het teken van Frans-Vlaanderen, waarbij dit keer Capelle-la-Grande in de kijker wordt gesteld en waarbij tevens een zoektocht in en naar Sint-Winoksbergen tot het gevarieerd programma behoort. Méér info: Dienst Toerisme, Marktplein 7, 8620 Nieuwpoort.

30e Zwijgende Voettocht door het slagveld van de Peene

Op zaterdag 22 april 2006 start in Noordpeene, vlak voorbij de Kasselberg de 30e ‘Zwijgende Voettocht doorheen het slagveld van de Peene’. Men verzamelt om 14.30 uur op het Dorpsplein aan de kerk.

De Slag aan de Peene (een zijrivier van de IJzer), ook de 3e Slag bij Kassel genoemd, werd geleverd op 11 april 1677, tussen de legers van de Nederlanden onder leiding van Willem van Oranje-Nassau en de Franse koning Lodewijk XIV. De slag had tot gevolg dat dit stuk van de Nederlanden (dat sindsdien Frans-Vlaanderen wordt genoemd) bij Frankrijk werd ingelijfd.

De jaarlijkse voettocht start beurtelings in Noordpeene en Zuidpeene, twee rustige dorpjes op amper 3 km van elkaar gelegen. Op de grenslijn tussen beide staat de Peene-obelisk die aan de veldslag herinnert.

Deze natuurwandeling staat symbool voor de heropleving van het Nederlands. Ieder jaar nemen talrijke Vlamingen en Nederlanders aan dit gebeuren deel. Onze Frans-Vlaamse volksgenoten weten dit beslist te waarderen. Teneinde provocaties te voorkomen worden enkel Vlaamse Leeuwenvlaggen en Heel-Nederlandse Oranje-blanje-bleu-vlaggen toegelaten.

De deelname aan de voettocht kan aangevuld worden met een bezoek aan het nabijgelegen historische vestingstadje Cassel dat zijn Vlaams karakter grotendeels heeft bewaard en beslist een bezoek loont.

Méér info bij Robert Toussaint, Bergenstraat 1, B.8691 Alveringem-Beveren, tel. 057-301 016 of op de webpagina’s van de Michiel de Swaenkring www.mdsk.net

Een nieuw lid maken?

Ons secretariaat helpt u graag! U bezorgt ons naam en adres van een vriend of kennis en wij sturen met uw groeten:

·                    Onze kennismakingsfolder

·                    Een exemplaar van onze jongste Nieuwsbrief Zannekin

·                    Een begeleidende brief.

Doen! Met onze hartelijke dank voor uw gewaardeerde medewerking 

Indien de bestemmeling effectief tot lidmaatschap besluit, dan ontvangen zowel u als hij/zij, respectievelijk bij wijze van dank en welkom, een exemplaar van onze uitgave ·                    Laus Flandriae van de hand van Jean-Marie Gantois

 

Ariën aan de Leie

Gesticht in de 7e eeuw door de Grote Forestier van Vlaanderen, Liederik. Pepijn de Korte verbleef hier en bouwde een kasteel ‘van de Zaal’. Hier werd Adalhard (750-826), neef van Karel de Grote, geboren te Huise, samen met zijn broeder Wala, aan het hof van zijn oom Pepijn opgevoed. De H. Itisberga, vereerd te Iberge (Isbergues) overleed hier ca 806-8 De arend in het stadswapen zinspeelt wellicht op de stadsnaam? Boudewijn II, graaf van Vlaanderen, versterkt het stadje; Boudewijn IV bouwt er in 1028 een burcht; Boudewijn V van Rijsel (1035-67), zijn zoon, sticht er in 1059 het Sint-Pietersstift, met kapittel van 14 kanunniken; in 1075 wordt de kastelnij Ariën voor het eerst vermeld; eerste schepenhalle in 1093 en eerste Sint-Pieterskerk einde 11e eeuw; graaf Filips van de Elzas verleent de kerk een belangrijke bescherming in 1169; ze telde 39 kanunnikenprebenden (tot 1792); Filips verleent in 1188 een beroemde gemeentelijke keure, ‘Loi d’amitié’; in 1198, onder Boudewijn IV, omwald; Sint-Jan de Doperziekenhuis, reeds vermeld in de 13e eeuw; kapel van 1710. Ariën werd door zijn gunstige ligging een belangrijk handelscentrum; in de 14e eeuw ontstaan de jaarmarkten; begijnhof gesticht in 1320; verdwenen; in de 14e eeuw, onder Margareta van Vlaanderen en Artezië, wordt het schependom definitief ingericht; in 1355 bouw van het eerste belfort in 1421, bouw van het Baljuwgerecht in 1484 wordt een broederschap van ‘Notre-Dame des Ardents’, genaamd ‘du Joyel’, ingericht in de verdwenen kapel van de gemeentehalle; begin 16e eeuw worden de Costumen van Ariën opgesteld; keizer Karel V wordt er geestdriftig ontvangen na de inneming van Terenburg; verfranst in de 16e eeuw; hier was een Jezuïetencollege van 1614 tot 1762; Lodewijk XIV laat de vesting door Vauban naar een nieuw plan herstellen; s’slechts voorgoed bij Frankrijk ingelijfd door de Vrede van .Utrecht (1713).

Merkwaardigheden

1. Aan het uiteinde der stad, Sint-Pietersstiftskerk, verknoeid omstreeks 1738 (zie b.v. de gewelven en de vensters van de middenbeuk). Blijft toch een van de indrukwekkendste laatgotische en renaissancebouwwerken (begin 16e eeuw) uit de Zuidelijke Nederlanden. Toren (1569 en 1760), 62 m. hoog, met 8 hoektorentjes. Binnen is de kerk 103 m. lang, 40 m. breed en 23 m. hoog. De niet uitspringende dwarsbeukportalen werden dichtgemetseld. Laatste verwoesting: 8 augustus 1944, bij luchtaanval (de absis); een goede restauratie van omgang en absis is uitgevoerd. De benedenkerk met dwarsbeuk is weer toegankelijk. Ze verkeerde tot voor kort in een toestand van verwaarlozing en vervuiling, met lelijke neogotiek en schilderwerk van 1864. Monumentale, prachtige eiken orgelkast (1633) uit de abdijkerk van Kleremeers door de monniken gebeeldhouwd; hier sinds 1792 op een oksaal van dat jaar. In de weekkapel, empire-O.L.V.-altaar, met zeer mooie Vlaamse Madonna uit de 16e eeuw. In de kapel van het H. Hart, in de rechterzijbeuk, thans sacristie, fresco’s, zestien panelen (ca. 1594), die de lotgevallen verhalen van de schedelreliek van Sint-Jakob de Meerdere, door Ka-rel de Kale aan de Sint-Vaastabdij te Atrecht geschonken, overgebracht naar Ariën door graaf Filips van de Elzas en daarna voor de helft gedeeld met Atrecht.

Aan de noordwesterpijler van de viering, verguld houten wonderbeeld van O.L.V. met de Broden = Notre Dame Panetière (begin 17e eeuw). In de linkerdwarsbeuk, bovenaan, schilderingen 16e eeuw, betreffende de heilige Isberga; grafzerken l7e-17e eeuw.

2. Bailliage = Baljuwgerecht (1599-1603), mooi renaissancegebouwtje door architect Pierre Framery, uit Ariën. Was tot aan Franse Omwenteling Hoofdwacht. Aan Markt en Atrechtsestraat beelden; aan de noordergevel, de vier hoofddeugden; Temperantia, Fortia, Justitia, Prudentia. Langs de voorzijde de drie goddelijke deugden Caritas, Spes, Fides en langs de Artrechtse straat de symbolen van de vier natuurelementen: Aarde, Vuur, Water, Wind. Verder: attributen van Sint-Jakob en emblemen van de Guldenvliesorde.

3 Stadhuis (1716-21), barok, aan de Grote Markt: architect Héroguelle uit Atrecht. Het 45 m. hoge stenen belfort met koepel op 7 maart 1914 afgebrand, doch na de Eerste Wereldoorlog heropgebouwd, gelijkt op de belforten van Bergen en Cateau-Cambrésis. Goede lichte beiaard van 16 klokken (1924), automatisch, met twee klokken uit einde 15e eeuw. Aan de Markt en door de hele stad, 18e-eeuwse huizen: aan de Atrechtsestraat, vlak naast het Baljuwgerecht, fraai huisje. Esplanade is een overblijfsel van de burcht, een bastion of waterpoort, met twee bogen, waaronder de tot hier bevaarbare Leie de stad binnenvloeit. Aan de Sint-Omaarsstraat, Sint-Jakob de Meerderekerk (1682-8), voormalige kapel van het Jezuïetencollege, in Jezuïeten-barok. De gevel werd geïnspireerd door die van de lyceumkapel te Sint-Omaars. Het college, met schilderachtig binnenplein, heet thans Institution Sainte-Marie. De Jezuïet Jacques Malbrancq, schrijver van De Morinis, onderwees er in 1638. Georges Bernanos (1888-1948) was er leerling (1904-1906).

(Bron: Jozef van Overstraeten, De Nederlanden in Frankrijk,(1969).

 

Jaarboek De Nederlanden “extra muros” deel 28

In de nieuwe aflevering van ons jaarboek wordt o.m. aandacht besteed aan de aanloop tot de scheiding van Noord en Zuid als gevolg van de godsdienstoorlog, die in feite aanving met de hagenpreken waarvan de eerste in Hondschoote, in het huidige Frans-Vlaanderen - zo wil het de traditie – gehouden werden.

Over dezelfde eeuw wordt bericht omtrent de daadwerkelijke en niet geringe bijdrage van de Waalse protestanten tot de Nederlandse vrijheidsstrijd.

Aanvullend op onze reeks van destijds over de expansie van onze Nederlandse cultuur, maken we kennis met een Vlaams-Nederlandse kunstenaarskolonie in Parijs.

Enkele eeuwen later bleken de Franse Nederlanden een tijdelijk toevluchtsoord te zijn voor de malcontente Noord-Nederlandse patriotten. Een episode waarover in Vlaanderen weinig of niets geweten is.

Tijdens de jaren van het interbellum bleek men ook op hoog niveau belangstelling – en inzicht! – te hebben in wat de Vlaamse Beweging in Frans-Vlaanderen toen beroerde. Dit document bied een status questionis anno 1923.

Hoe het er vandaag de dag aan toe gaat blijkt uit het niet afnemend succes dat het initiatief rond de Nederlandstalige borden in de Westhoek te beurt valt en overigens ook uit onze kroniekbijdragen omtrent de Franse Nederlanden. Ook Friesland komt andermaal in de kijker met de bijdrage over de dichter Obe Postma.

Tot wat een voormalig kamp van de Arbeidsdienst in het graafschap Bentheim allemaal kon dienen spreekt tot de verbeelding en biedt tevens een relaas omtrent de politieke ontwikkelingen van het desbetreffend tijdsbestek.

In het laatste “hoofdstuk” komt een bepaald rijke oogst van kortere bijdragen en vooral boekrecensies in verband met de Nederlanden “extra muros” andermaal het jaarboek afsluiten.

We wensen u veel leer- en leesgenot!

 

NOUS SOMMES UNE FRACTION DETACHEE DES PAYS-BAS !

Le 7 novembre 1659, les royaumes de France et d'Espagne signaient le traité des Pyrénées, prétendant ainsi mettre fin à l'un des nombreux conflits qui, pendant près de 80 ans (1635-1713), ont ravagé nos provinces septen-trionales, et en particulier nos Pays-Bas du sud, Flandre, Artois, Hainaut.

Aujourd'hui, souvenons-nous que “nous sommes une fraction détachée des Pays-Bas” (Jules Cambon, préfet du “Nord”, s'adressant à son ministre en 1885), séparation commencée par ce traité signé entre une monarchie absolutiste et une monarchie inquisitoriale, s'affrontant pour asseoir leur domination sur une Europe dont nos Pays-Bas étaient l'un des fleurons. Séparation achevée en 1713 par le traité d'Utrecht (Pays-Bas du Nord).

L'un des premiers pas vers une réconciliation avec l'histoire serait que nos provinces de Flandre et Hainaut du sud (formant, avec le Cambrésis, l'actuel département du “Nord”) et d'Artois (formant avec le Boulonnais, l'actuel département du “Pas-de-Calais”) retrouvent leur nom historique: Pays-Bas, Pays-Bas français.

Ainsi, contrairement à ce que l'on peut lire dans certains manuels d'histoire ou dans les commentaires “historiques” sur telle de nos villes, il ne s'agissait alors pas de rattachement à la France, mais bien d'arrachement aux Pays-Bas !

Les traités de dépeçage des Pays-Bas du Sud: 

 

Traité des Pyrénées en 1659, qui fait suite à la guerre franco-anglo-espag-nole (1655-1659): La France s'approprie l'Artois (sauf Aire/Arien et Saint-Omer/Sint-Omaars), ainsi que Gravelines/Gravelingen, Bourbourg/ Broek-burg, Bergues/Sint-Winoksbergen et Saint-Venant/Papighem pour la Flan-dre, et Le-Quesnoy/Kiezenet, Landrecies/Landeschie, Avesnes/Avenne, Phi-lippeville et Mariembourg/Mariemburg pour le Hainaut...

Traité d'Aix-la-Chapelle en 1668, qui fait suite à la guerre de dévolution (1667-1668, Louis XIV réclamant à l'Espagne la dévolution des Pays-Bas, faux prétexte pour justifier la conquête): la France s'approprie plusieurs vil-les des Pays-Bas, dont la plupart en Flandre: Armentières/Armentiers, Ber-gues/Sint-Winoksbergen, Furnes/Veurne, Courtrai/Kortrijk, Audenarde/ Ou-denaarde, Lille/Rijsel, Ath/Aat, Douai/Dowaai, Tournai/Doornik (date à la-quelle y est créé le Conseil Souverain), Binche, Charleroi. La plupart en Flandre, où la dévolution est inconnue…

Traité de Nimégue à 1678, qui fait suite à la guerre de conquête de la Fran-ce vers les Provinces Unies (1672-1678): avec l'aide de la Grande Alliance de La-Haye/Den-Haag (Provinces-Unies, Danemark, Espagne, Autriche et Empire), l'Espagne “récupère” Gand/Gent, Audenarde/ Oudenaarde et Charleroi, mais la France s'approprie Cambrai/Kamerijk, Valenciennes /Valensijn, Maubeuge/Malbode-Mabuse, Saint-Omer/Sint-Omaars et Aire/ Ariën (la France s'approprie ainsi l'ensemble de l'Artois), Cassel/Kassel, Ar-mentières/Armentiers et Bailleul/Belle.

Traité d'Utrecht, enfin, en 1713, conclut la guerre de succession d'Espagne (1701-1713): la France, affaiblie, cède les villes les plus au Nord mais con-quiert l'ensemble des villes du sud. Elle doit ainsi restituer Furnes/Veurne, Ypres/Ieper, Comines-Nord/Nord-Komen, Warneton/Waasten, Menin/Me-nen, Tournai/Doornik, Namur/Namen, Wervicq-Nord/Nord-Wervick, Pope-ringe, mais annexe “définitivement” Lille/Rijsel (après l'avoir de nouveau rendue en 1708, comme Douai/Dowaai, Béthune/Betun et Aire/Ariën en 1710 et Bouchain/Boesem en 1711), Lille/Rijsel dont Louis XIV voulait fai-re le Paris des Pays-Bas...

Les batailles de Malplaquet, à proximité de Bavay, en septembre 1709, et surtout celle de Denain, en juillet 1712, marquent l'arrêt de la progression de l'Alliance de La Haye vers le sud et la fin des espoirs des Provinces Unies (les Pays-Bas du Nord) de voir la France rendre les villes des Pays-Bas du sud: Louis XIV s'est approprié l'Artois, le Cambrésis, ainsi que le sud de la Flandre et du Hainaut...

De ces 80 années de guerre et de ces traités est née la frontière actuelle, la schreve, trait artificiel dénué de sens sauf pour Louis XIV et Vauban qui réalisent leur souhait d'une frontière quasiment rectiligne: le pré carré, qu'aucun gouvernement français ne démentira jamais plus.

Souvenons-nous, ce 7 novembre: Artois, Flandre et Hainaut du sud, nous sommes un fraction détachée des Pays-Bas !

_____________________________

Bron: webpaginas Alliance Régionale Flandre-Artois-Hainaut. 

www.streek-verbond.org 

Gelderns Nachbarn im Mittelalter

,,Ein guter Nachbar ist ein edel Kleinod. Das Herzogtum Geldern im Span-nungsfeld von Bündnis und Konkurrenz an Maas, Rhein und IJssel” lautet der Titel des neuesten Buches des Historischen Vereins für Geldern und Umgegend. Es behandelt verschiedene Aspekte zur Geschichte des Herzogtums Geldern. Die Aufsätze wurden von bedeutenden Kennern der geldrischen Geschichte verfasst.

·   Wilhelm Janssen gibt zu Anfang einen guten Überblick über die Geschichte Gelderns bis zum Traktat von Venlo (1543). Hier wird insbesondere die starke Stellung der Stände hervorgehoben.

·   Jan Kuys berichtet über Zentral- und Lokalverwaltung von Grafschaft und Herzogtum Geldern bis 1543. Von einem einheitlichen System von territorialen Amtern und von einem flächendeckenden Herrschaftsbereich der Grafen von Geldern konnte keine Rede sein.

·   Dieter Scheler stellt den Adel in Kleve und Geldern als Stützen der Herrschaft dar. Während Amtsaufgaben nur von einem Teil des Adels wahrgenommen werden konnten, war der Krieg die zentrale Aufgabe des gesamten Adels.

·   Severin Corsten schreibt über die vorgelagerte Exklave Erkelenz. Als Vorposten geldrischer Macht im Süden des Herzogtums war sie eingebunden in ein Beziehungsgeflecht zwischen Aachen, Geldern und Jülich.

·   Johanna Maria van Winter ist mit zwei Aufsätzen vertreten. Einmal über das Bistum Utrecht zwischen Geldern und Holland, zum anderen über die Grafschaft Zutphen und die Grafen von Hamaland. In beiden Berichten wird das familiäre Beziehungsgeflecht bedeutender Adelsgeschlechter unseres Raumes besonders hervorgehoben.

·   Dieter Geuenich nimmt die Beziehung zwischen dem Reich und den Grafen von Geldem (11.-l4. Jahrhundert) in den Blick. Die Dynastie der Grafen von Geldern bemühte sich stets um gute Beziehungen zum Reich und versuchte ihren Besitz, ihre Rechte und Lehen vom König legitimieren und bestätigen zu lassen. Dabei waren die Ambitionen der Grafen von Geldern auf die Region an Niederrhein und Untermaas konzentriert, wo sie sich meist als loyale Organe des Reiches erfolgreich behaupteten.

·   Ralf G. Jahn schreibt über das Verhäiltnis zwischen Frankreich und Geldern. Dieses war in der Regel recht gut. Gemeinsame Feinde waren Burgund und Habsburg.

·   Petra Ehm liefert einen Bericht über Geldern und Burgund unter Karl dem Kühnen. Dieser unterwarf sich das Herzogtum im Jahre 1473 schliesslich ganz, indem er den Zwist innerhalb des Hauses Egmond zunächst betrieb und dann zum Anlass nahm, selbst die Regentschaft an sich zu reissen. 

·   Nach seinem Tode wurde sein Schwiegersohn Maximilian 1. Herzog von Burgund. Ober dessen Verhältnis zu Geldern schreibt Claudia Rotthoff-Kraus. 1492 erhohen sich die geldrische Stände und befreiten sich von der Habsburgerherrschaft. Es begann ein 50-jähriges Ringen zwischen Geldern und Habsburg, das erst 1543 entschieden wurde.

·   Das Verhältnis der Territorien Kleve und Jülich-Berg zu Geldern um 1500 und der Vertrag von Orleans lautet das Thema von Clernens von Looz-Corswarem. Mit diesem vom französischen König vermittelten Frieden vom Jahre 1499 fand eine über 25-jährige Auseinandersetzung zwischen den niederrheinischen Territorien ein wenn auch nur ,,vor1äufiges” Ende.

·   Johannes Arndt schildert die Beziehung zwischen Geldern und dem Reich während des niederländischen Aufstands (1566-1609). In diesem Zeitraum veränderten sich die Reichsbeziehungen zu den niederländischen Provinzen durch den Aufstand gegen Spanien grundlegend, und zum ander-en wandelte sich die Struktur des Herzogtums Geldern. Das innere Gefüge des früheren Herzogtums und der späteren niederländischen Provinz waren sehr verschieden.

·   Ralf G. Jahn liefert eine Genealogie der Grafen von Geldern-Egmond, die von einem unehelichen Sohn des Herzogs Adolf von Geldern abstammen. Dieses ursprünglich holländische Adelsgeschlecht ist heute in Bayern beheimatet. Ebenfalls von Ralf G. Jahn stammt der Aufsatz über die Titel der Grafen und Herzöge von Geldern. Ihre Titelführung spiegelt die europäische Geschichte mit Erbfolgestreitigkeiten, Ansprüchen und Genealogien wider.

·   Abgerundet wird der Aufsatzband mit einer Darstellung der Einteilung des Herzogtums Geldern und mit Regentenlisten.

Das Buch verdankt sein Entstehen der Schöpferkraft des viel zu früh verstorbenen Kreisarchivars Karl-Heinz Tekath. Die Bilderauswahl nahm Bernhard Keuck vor, aus dem Niederländischen übersetzten Gerd Halmanns und D. M. Oudesluijs, das Layout stammt von Hans Terlinden, die Redaktion besorgte Ralf G. Jahn. Finanziell gefördert wurde der Aufsatzband aus Mitteln des Interreg II-Programms der Euregio-Rhein-Waal.

Alle diese Fachaufsätze fassen die bislang geleistete Forschungsarbeit zusammen und präsentieren die Ergebnisse auch dem historisch interessierten ,,Laien”. Eine Ausgabe im Auftrag des Historischen Vereins für Geldern und Umgegend, Geldern, 2005 (183 S., 23 meist farbige Karten und Bilder) ISBN 3-921 760-33-X, 18,90 Eur. Info: www.hv-geldern.de 

Bourgondische pracht en praal in de Zuidelijkste Nederlanden

Van 18 november 2005 tot 18 februari 2006 kon de kunst- en muziekliefhebber met volle teugen genieten van een viertal evenementen die respectievelijk in Dowaai, Kamerijk, andermaal Dowaai en Belle plaatsvonden.

In de gemeentelijke bibliotheek te Dowaai was er een tentoonstelling Rituels. Expression de la voix te bewonderen, waarbij prachtig geïllustreerde handschriften inzake muziek aan bod kwamen. 

In de mediatheek te Kamerijk kreeg de tentoonstelling van grote historisch liederenboeken uit de renaisance Voix des cathédrales tot titel.

In het Chartreuse-museum van het eerder vermelde Dowaai vielen er tevens geïllustreerde handschriften te bewonderen van de 16e boekverluchter Hubert Cailleau (°1547).

In het museum Benoît-De Puydt te Belle tenslotte stond het werk van 19e eeuwse Edmond de Coussemaker centraal in een tentoonstelling die De l’archeologie musicale tot titel kreeg. 

De Coussemaker (1806-1876) wordt er “de pionnier van de Franse musicologie” genoemd. Hij was dat evenzeer van het Nederlandse volkslied met zijn nog steeds onvolprezen standaardwerk Chants populaires des Flamands de France uit 1856. Naast de tentoonstellingen vonden ook nog een reeks concerten plaats te Amiens, Kamerijk, Villeneuve d’Ascq en Dowaai. 

We kregen spijtig genoeg eerst zeer laattijdig kennis van deze hoogstaande evenementen die onder het motto Cantus 21. Patrimoine musical du Nord de la France doorgingen. Veel te laat om er melding van te kunnen maken in onze vorige Nieuwsbrief. 

Vanaf de zijlijn

Frau Antje doorgelicht

Een onbekende figuur is Frau Antje voor u ongetwijfeld niet. Immers regelmatig is ze op het TV-scherm te zien geweest als ze in Duitsland de verkoop van Nederlandse zuivelproducten moet stimuleren. Voor Sophie Elpers – die volkskunde, kunstgeschiedenis en Nederlandse filologie aan zowel Duitse als Nederlandse universiteiten heeft gestudeerd – is de “wereld” achter deze figuur aanleiding geweest zich daarin te gaan verdiepen. Dit studieproject is uitgemond in een promotie: in oktober 2004 werd haar de graad van Magistra Artium aan de filosofische faculteit van de Rijnlandse Friedrich-Wilhelm-universiteit te Bonn toegekend. Haar proefschrift – dat ze duidelijk in het teken van een discussiebijdrage stelt – heeft ze toegespitst op de functie en betekenis van symbolen in een samenleving die als gevolg van globaliserend handelsverkeer en toerisme een toeneming van interculturele contacten en conflictervaringen met zich mee brengt. Bij wijze van voorbeeld heeft ze de gang van Frau Antje nagegaan om die vervolgens te belichten en te interpreteren in het raam van verschillende cultuurhistorische perspectieven. Het zwaartepunt is in dit verband de ontmoeting van twee Europese landen: Nederland en Duitsland.

Het tweede hoofdstuk staat in het teken van de reclame en de daarmee verbonden symbolen. Ze stelt daarin onder meer dat reclame fungeert als spiegel van de tijd en daardoor een bron van volkskundig onderzoek wordt; met name heeft dat betrekking op het folkloreaspect. In dat geheel doet de figuur van Frau Antje dienst als symbool dat naar Nederland verwijst maar dat in vergelijking met andere aanmerkelijk minder emotioneel geladen is. In dit verband brengt ze het bestaan van stereotypen ter sprake.

In het derde hoofdstuk staat Frau Antje centraal als de door het Nederlandse Zuivelbureau “ontwikkelde” reclamefiguur. In kort bestek wordt een overzicht gegeven van de historische achtergrond. Vanaf het begin werden jonge vrouwen in klederdracht – Volendamse bij feestdagen – ingezet. In Duitsland werd deze wijze van promoten als kenmerkend voor Nederland ervaren. Straalde in het begin deze dame iets huisvrouwelijks uit, later – vanaf 1961 – kreeg ze meer een koket optreden. Ze kreeg dan ook de naam – “die zowel in Duitsland als in Nederland goed klonk” – van Frau Antje en regelmatig ging optreden in reclamespots waarbij niet geaarzeld werd in te haken op Duitse producten als bier en wijn. In de jaren tachtig wordt haar optreden ter discussie gesteld; in industriële kringen is men van mening dat de “tkm”-benadering (tulpen, klompen, molens) niet klopt met de werkelijkheid. Maar zonder kleerscheuren weet Frau Antje zich te handhaven met dien verstande dat haar uitstraling wordt aangepast aan de veranderde opvattingen op reclamegebied; ze krijgt meer het beeld van een toverfee. Tegelijkertijd laat men haar ook optreden als schrijfster van reportages over Nederland in de rubriek Antje stellt ihr Land vor. En natuurlijk heeft ze ook op het internet haar intrede gedaan. Zelfs heeft haar naam dienst gedaan als letterwoord in het kader van een project van de Duits-Nederlandse Kamer van koophandel (Arbeiten in den Niederlanden. Trainings und Jobs in Europa). In de zuivelwereld was men niet blij met de toegenomen symboolwaarde van Frau Antje voor Nederland.

In het vierde hoofdstuk gaat Sophie Elpers in op de collectieve voorstellingen als daar zijn: Volendam, weiland, kanalen en windmolens. Allereerst ontleedt ze het begrippenpaar Volendam-Holland. In het buitenland wordt de Volendammer klederdracht voor typisch Nederlands aangezien. Dit blijkt alles te maken te hebben met de invloed van de romantiek en het opkomende nationalisme in de 19e eeuw. In het midden van de vorige eeuw kreeg het folkloreaspect gaandeweg de overhand. En de stroom van toeristen heeft op zijn beurt invloed gehad op de omgeving: als vanzelf kwamen het weidelandschap met zijn sloten en molens in beeld om zo de nodige structuur aan te brengen ter ondersteuning van de geloofwaardigheid van de voorstellingen.

Als gevolg van deze gang van zaken is Frau Antje symbool geworden voor Nederland. Schrijfster stelt vast dat er een viertal categorieën in het geding zijn: 1. slagzinnen en artikels en boeken over Nederland; 2. karikaturen over Nederland; 3. acties van het Zuivelbureau; 4. reclame en carnaval. Deze opsomming brengt haar tot de conclusie dat Frau Antje op een gunstig ogenblik “opgevoerd” is als representatrice van Nederland. Voor een groot deel heeft ze dat te danken aan haar eigenschappen die – afhankelijk van de kar die ze moet trekken – positief of negatief geduid worden. Blijft over de vraag of Frau Antje bijdraagt aan de uitbeelding van de nationale identiteit. In Nederland wordt ze met scepsis bekeken; dit zou te maken kunnen hebben met het feit dat in Nederland nationale identiteit nauwelijks een gespreksonderwerp is. Maar in Duitsland speelt ze nog altijd een rol van betekenis; indirect draagt ze daar bij aan de discussie over het identiteitsbegrip.

In het zesde hoofdstuk maakt Sophie Elpers de balans op. In dit verband stelt ze de vraag: hoe heeft de figuur van Frau Antje zich gewijzigd en wat heeft die wijziging te zeggen over de maatschappelijke veranderingen in de tweede helft van de 20e eeuw? In de beantwoording stelt ze zes te onderscheiden fases in de ontwikkeling vast met betrekking tot Frau Antje als reclamefiguur. Dat gaat van voorbeeldige huisvrouw (begin jaren ’60) tot kaasexpert (in de jaren ’90). In deze gang van zaken weerspiegelen zich drie themacomplexen te weten de wijziging van het beeld van de vrouw in de tweede helft van de 20e eeuw, het zich veranderend omgaan met folklore en voorstellingen van stereotypen en symbolen en als derde de discussie daarover. Op grond daarvan komt ze afsluitend tot de conclusie dat Frau Antje als symbool betrekkelijk zonder profiel is en daarom haar niet de functie van nationaal symbool toe te schrijven is; ze is hoogstens iemand die naar Nederland verwijst.

Sophie Elpers heeft er goed aan gedaan in deze studie de vinger te leggen bij het spanningsveld dat kan ontstaan als vraagtekens gezet worden bij het functioneren van een figuur als Frau Antje. Als ambassadrice wordt van haar immers verwacht dat ze tegelijkertijd de reclame- en de symboolfunctie vervult. Maar de grootste waarde gaat schuil in de spiegelfunctie.

____________

N.a.v. Sophie Elpers, Frau Antje bringt Holland. Kulturwissenschaftliche Be-trachtungen einer Werbefigur im Wandel. Waxmann Verlag, Postfach 8603, D. 48046 Münster, 124 pp., 14,90 eur, ISBN 3-8309-1568-6.

Met de fiets erop uit

Een je onbekende streek kun je per auto of te voet verkennen. Een tussenvorm is er op de fiets op uit te gaan. Op dat gebied valt er zowel in de Nederlanden als in de aangrenzende streken een ruime keus te maken. In dit kader wil ik de aandacht vestigen op twee zeer uiteenlopende gewesten te weten het Groothertogdom Luxemburg en het Westmunsterland. Hierbij moet ik de kanttekening maken dat ik met betrekking tot het eerstgenoemde gebied geen ervaringswijsheid kan doorgeven. Wat ik wel kan meedelen is dat het wordt “opengelegd” door middel van een elftal bewegwijzerde routes die op een voortreffelijke wijze schriftelijk worden begeleid. Ze zijn gebundeld in een door de Editions Guy Binsfeld (Place du Parc, 14, L. 2312 Luxembourg) uitgegeven gids die verschenen is onder de titel Velo Tour Luxembourg; de kosten zijn 17,50 euro (ISBN 2-87954-078-X).

Ik moet toegeven dat de in bovengenoemde gids voorgestelde routes gezien de gemiddelde lengte nogal veel van het uithoudingsvermogen vragen. Gelukkig is er ook een mogelijkheid het Groothertogdom kleinschaliger te verkennen. Dezelfde uitgever heeft ook een gids uitgebracht met veertig (losbladige) fietsroutes waarvan de lengte schommelt tussen 21 en 54 kilometer. De aan deze gids verbonden kosten bedragen 26 euro.

Met de acht in het Westmunsterland uitgezette fietsroutes heb ik wel ervaringswijsheid opgedaan en wel door route nr.1 af te rijden. Aan de hand van een kaart waarop de route is ingetekend is dit geen al te moeilijke opgave. Het meest in het oog springende is dat het landschapsbeeld nauwelijks verschilt van dat van de aangrenzende Achterhoek. Verder kenmerkt dit deel van het Westmunsterland zich door een “artikel” dat in onze rumoerige wereld steeds zeldzamer wordt, n.l. stilte; het genieten daarvan doet weldadig aan. Behalve dat de af te leggen tocht duidelijk op de kaart is aangegeven is dat ook “te velde” het geval. Dat ik in Borken even het spoor bijster was, zal te wijten geweest zijn aan een ogenblik van onoplettendheid; mijn genieten heeft er zeker niet onder geleden. Vandaar dat ik mezelf beloofd heb zo mogelijk gedurende de komende zomer de andere routes proefondervindelijk te testen. Belangstellenden kunnen voor het aanschaffen van het mapje kaarten (met op de keerzijde nuttige informatie) terecht bij de Kreis Borken, Burloer Str. 93, D 46325 Borken.

Marten Heida, Prins Willem Alexanderpark 53, NL – 3905 CB Veenendaal

Het laatste woord

De Benelux mag niet verdwijnen!

Zijn de dagen van de Benelux geteld? Liefst niet, als men het ons vraagt. Als heel-Nederlanders zijn wij natuurlijk voorstander van dit verbond, dat het embryo vormde van de zich verder uitbreidende Europese Unie. Er gingen jammer genoeg stemmen op om het verdrag, dat eerlang zal komen te vervallen, niet meer te verlengen. Het niet verlengen van dit uitzonderlijke verdrag zou eerder nefaste gevolgen omdat meer dan ooit een hechte verbondenheid onder de historisch Nederlandse gebieden niet alleen wenselijk doch ook noodzakelijk is.

De heer J. Graff, Ambassadeur van Luxemburg in Nederland (Den Haag), benadrukt zeer duidelijk deze noodwendigheid in een interview, die hij weggaf aan belangstellende journalisten.

De vraag luidde: In 2010 loopt het Beneluxverdrag af. Is de voortzetting van de Benelux-samenwerking zinvol en zo ja, wat zijn volgens u de belangrijkste uitdagingen voor de Benelux in de toekomst?

Daarop antwoordde hij: "Voor Luxemburg heeft de Benelux samenwerking nog steeds een onmiskenbare meerwaarde. Mijn regering heeft de duidelijke wil het Verdrag te verlengen, waarbij ze van deze gelegenheid wil gebruik maken om één of andere wijziging aan te brengen." De Stichting Zannekin treedt volmondig dit standpunt bij. U toch ook?

Een uitzonderlijke tentoonstelling te Leuven.

1831, 175 jaar wèg van Oranje

1830-1831. Eindelijk onafhankelijk of een historische vergissing? Op 2 februari 2006 losten ze in Leuven opnieuw het kanonschot voor een fijn potje Nederland-België. De Leuvenaars spelen in 2006 immers hun culturele en toeristische troeven uit voor wat beloofd een feestelijk herdenkingsjaar te worden. Alle registers worden opengetrokken: zowel de verbondenheid met Nederland als de gezonde rivaliteit tussen beide landen worden met pittige culturele en sportieve wedstrijden bespeeld.

Deze tentoonstelling toont voor het eerst zowel de Belgische als de Nederlandse kijk op de gebeurtenissen rond 1830. Beide visies worden "broederlijk" gepresenteerd: Belgisch wapengekletter tegenover Nederlands kanongedreun, Belgische oorlogspropaganda tegenover schilderijen met Nederlandse helden.

De expositie beperkt zich niet tot de Revolutie. De inmiddels vergeten rol die Leuven in 1830 en 1831 speelde komt uitgebreid aan bod. Leuvense hoofdrolspelers leiden ons doorheen het ongekende verhaal van hun stad. Deze expositie toont hoe Nederlanders en Belgen na 1830 op zoek gingen naar hun eigen identiteit en hoe ze deze vorm gaven in kunstwerken, monumenten, literatuur, liederen, feesten en rituelen.

Data: nog tot zo. 30/04/06. Plaats: stedelijk Museum Vander Kelen-Mertens. Openingstijden: di. tot za. van 10.00 tot 17.00 uur, zo. en feestdagen van 14.00 tot 17.00 uur, gesloten op maandag en op 16 en 17 april. Informatie en reserveringen: anne.liefsoens@leuven.be, tel. +32(0)16 22 69 06, fax +32(0)16 23 89 30. Tentoonstellingsboek: euro 22,50 Leuvensepublicatie: euro 19,50. Toegang: euro 5 (combiticket)/euro 4 (individueel)/euro 2,5 (reductie). Bezoekers uit Nederland krijgen op vertoon van hun paspoort (identiteitskaart) gratis toegang tot de expositie.

 

Leo Camerlynck, Voorzitter Zannekin

 

Sporen uit de Nederlanden in Noord-Duitsland

 

Meerdaags reis

 

Eindelijk is de kogel door de kerk. In samenwerking met de Leesclub van het Seniorencentrum Brussel maakt de Stichting Zannekin werk van de reeds aangekondigde vijfdaagse excursie naar Noord-Duitsland in het verlengde van twee voorgaande meerdaagse studiereizen in Duitsland.

De vijfdaagse reis is gepland van 16 tot en met 20 juni 2006. De plaatsen die bezocht worden zijn: Bentheim, Bremen, Hamburg-Altona, Lübeck, Heide, Friedrichstadt, Wismar, Rostock, Mölln, Herford, Osnabrück, Duisburg, en andere plaatsen.

Naast een aantal Hanzesteden bezoeken wij de geboorteplaats van Klaus Groth, de schrijver van Myn Moederspraak; de Vlaming Peter Benoit schreef er de muziek van. Ook het graf van Tijl Uilenspiegel wordt begroet. Voorts worden prachtige Hanzesteden aangedaan.

Voor meer details betreffende vertrektijden, logies en deelnameprijs kunt u terecht op het nummer 00 32 485 63 02 27 of schrijf naar Stichting Zannekin - c/o "De Zavelberg" - Edoaurd Michielsstraat 51 - B - 1180 Ukkel/Brussel. Wij hopen talrijke Zannekin-leden te mogen verwelkomen.