> nieuwsbrief > 28e jaargang, nr. 3/2006

Bijdragen over: Tip

Mededelingen


Bijdrage 2006

Wie totnogtoe naliet zijn ledenbijdrage te vereffenen – de basisbijdrage bedraagt 25 EUR – kan dit alsnog doen tegen ledenprijs (waarin begrepen het nieuwe jaarboek en het abonnement op de driemaandelijkse Nieuwsbrief). Vanaf einde juli geldt voor iedereen de boekhandelprijs, hetzij 30 € (desgevallend te verhogen met 3 € verzendkosten).

Ontmoetingsdag

De Belgische gemeenteraadsverkiezingen wierpen roet in het ZANNEKIN-eten. De voor dat weekeinde voorziene tweedaagse te Emden in Oost-Friesland diende daardoor verschoven te worden naar 2006. Dit jaar – en wel op 21 oktober – houden we het intra muros met een bezoek aan Amsterdam onder de deskundige begeleiding van Jan van Tongeren. Op die dag zin in de Brakke Grond tevens ook een tweetal lezingen voorzien. Alle praktische gegevens leest u tijdig in onze Nieuwsbrief 4/2006.

 


Jaarboek De Nederlanden “extra muros” deel 28


Ook de 208 pagina’s van dit 28e jaarboek brengen aldus andermaal een zeer verscheiden greep uit de geschiedenis van onze Nederlanden extra muros.

 

Jean-Marie Gantois (pentekening Jean-Claude Botin)

 

Jean-Marie Gantois


Waten 21 juli 1904 - Holke 28 mei 1968

 

Ongetwijfeld is Jean-Marie Gantois de sterkste persoonlijkheid geweest die de Vlaamse Beweging in Noord-Frankrijk sinds prof. dr. Camille Looten (1855-1941) heeft opgeleverd. Hij werd te Waten (Frans: Watten) in het arrondissement Duinkerke op 21 juli 1904 geboren als oudste van de vijf kinderen van Albert-Félix Gantois (1877-1931), een geneesheer die van Belle (Bailleul) afkomstig was, en van Marthe Courtois (1875-1968) uit Blaring(h)em. Twee kinderen stierven jong. De tweede zoon Michel volgde zijn vader als geneesheer te Waten op en Géneviève, de jongste dochter in het gezin, trad in het klooster in van Paray-le-Monial.

Er bestond te Waten een Ecole du Sacré Coeur van de Broeders Maristen, waar Jean-Marie Gantois zijn lager onderwijs genoten heeft. Natuurlijk in het Frans, aangezien het Nederlands, nochtans de moedertaal van de autochtone bevolking in de Franse Nederlanden (zoals het meer en meer de gewoonte wordt dit deel van Frankrijk te noemen) door een decreet van de Conseil Académique du Nord op 27 januari 1853 verboden werd. Toen Frankrijk in 1880 de schoolplicht invoerde en in 1882 minister Jules Ferry het programma van het lager onderwijs voorschreef, bevestigde dit stilzwijgend het dertig jaar vroeger getroffen besluit. Het voorzag geen lesuren voor het Nederlands en verbood terzelfder tijd dat iets zou onderwezen worden dat niet uitdrukkelijk op het programma vermeld stond.

Vooral de kinderen uit de lagere volksklasse, die thuis alleen Nederlands in zijn dialectische streekvorm gehoord en gesproken hadden, waren de slachtoffers van die taaldwang, te meer daar het de onderwijzers in het lager en de leraars in het middelbaar onderwijs evenmin toegelaten was van het Nederlands te vertrekken om hun leerlingen een degelijke kennis van het Frans bij te brengen. Zelfs werd het spreken van de moedertaal gedurende de speeltijden bestraft met kleine geldboeten of het schrijven van strafregels.

Voor Jean-Marie Gantois sloot dat systeem geen nadeel in, omdat hij van huis uit Frans sprekend was. In een burgerlijk milieu werd het voor onbehoorlijk gehouden de taal van de kleine lieden te gebruiken, tenzij in gesprekken met het dienstpersoneel. Zo had Gantois toch enige Nederlandse woorden en uitdrukkingen opgevangen van de meisjes die zijn moeder in de huishouding hielpen of op de wekelijkse markt in Waten, waar de landbouwbevolking uit de streek naartoe kwam. Maar op dat ogenblik deelde hij nog, onbewust van enige verkeerdheid in zijn houding, de gevoelens die in zijn omgeving ten overstaan van de volkstaal gemeengoed waren.

Dat hij een knappe leerling zal geweest zijn, blijkt al uit het feit dat hij twaalf jaar oud in 1916 voldoende voorbereid was om zijn Grieks-Latijnse humaniora aan te vatten in de vijfde klasse (dus een jaar hoger dan normaal) aan het Institution Sainte-Marie in Ariën-aan-de-Leie (Aire sur la Lys), het college waar Georges Bernanos enkele jaren vroeger zijn secundaire studies voltooid had. Reeds het volgende jaar maakten de oorlogsomstandigheden dat de school ter beschikking van het Franse leger gesteld, door de leerlingen en leraars moest ontruimd worden.

Nadat hij enige tijd thuis zijn studies op zijn eentje voortgezet had, kreeg Gantois de gelegenheid om aan het Institution Saint-Jacques in Hazebroek (Haesebrouck) verder te studeren. In april 1918, toen de stad door het Duitse lenteoffensief bij de Kemmelberg bedreigd werd, week het college uit naar Lagrune-sur-Mer, een kleine Normandische stad in het departement Calvados, tot het in mei 1919 naar Hazebroek terug kon keren. Tijdens deze oorlogsjaren werd Gantois zich langzamerhand van zijn Vlaamszijn bewust. Twee elementen speelden daarbij een beslissende rol: de onrechtvaardige, zelfs hatelijke vervolging waarvan zijn Nederlands sprekende makkers het slachtoffer waren en de invloed van een beminde leraar,E.H. Jules Andouche (1887-1948), die Vlaamsgezind was, voor zijn overtuiging uitkwam en zijn rijke bibliotheek voor zijn leerlingen open stelde.

Nadat hij in 1921 zijn baccalaureaat behaald had, studeerde Gantois een jaar wijsbegeerte aan de Ecole Jeanne d'Arc in Rijsel (Lille), waarna hij in 1922 binnen trad in het klein seminarie van Annappes, om zich op het priesterschap voor te bereiden. Datzelfde jaar publiceerde hij als achttienjarige een eerste bijdrage in Le Beffroi de Flandre (1919-1928), een cultureel tweemaandelijks tijdschrift dat in Duinkerken door de journalist Gaspard Vandenbussche werd uitgegeven. Gantois ondertekende het met een van de vele schuilnamen -- ten minste een tiental! -- die hij voortaan gebruiken zal, om zich zelf niet voortdurend op de voorgrond te dringen en ook om onaangename moeilijkheden met het gerecht of zijn geestelijke overheid te voorkomen. Datzelfde jaar werd hij lid van de Cercle flamand, een Vlaamse studiekring, die in het klein seminarie opgericht werd door de priester-leraar en oudstrijder uit de eerste wereldoorlog Antoine Lescroart (1897). De leden van de kring trachtten met behulp van de vaak verouderde boeken die zij in Frans-Vlaanderen verzameld hadden weer hun moedertaal machtig te worden en meteen de geschiedenis en problemen van hun volk te leren kennen. Door moeizame inspanning en volhardende wilskracht zou Gantois er na jaren in slagen perfect tweetalig te worden, zodat hij zich even vlot in het Frans en Nederlands kon uitdrukken.

In 1923 verliet hij het klein seminarie te Annappes om naar het Séminaire Académique in Rijsel over te gaan. Zeven jaar lang zal hij er zich op de studie van de theologie, geschiedenis, klassieke en Germaanse talen toeleggen. Hij sloot er vriendschap met een van zijn hoogleraren, Camille Looten, die aan de Sorbonne met een studie over Vondel promoveerde, voorzitter was van het Comité flamand de France en eerlang ook erevoorzitter van het Vlaamsch Verbond van Frankrijk (VVF) zou worden. Nauwelijks te Rijsel aangekomen stichtte Gantois er een nieuwe Cercle flamand, die hij de Michiel De Swaenkring heette.

Om zijn vrienden bij hun studie van het Nederlands enige voorlichting te verschaffen schreef hij een Spraekkunst der Fransch-Vlamingen, die hij later met een ironische glimlach afwees. Onder invloed van Guido Gezelle en de West-Vlaamse particularisten uit het einde van de negentiende eeuw, leefde hij toen nog in de mening dat er een West-Vlaamse taalvorm bestond die zich naast de algemene Nederlandse cultuurtaal moest handhaven. In deze periode werkte Gantois onder verscheidene schuilnamen geregeld mede aan de tijdschriften van de Vlaamsgezinden in Frankrijk, het reeds vermelde Le Beffroi de Flandre, Le Mercure de Flandre (1922-31) en De Vlaemsche Stemme in Vrankryk (1923-26), een initiatief van Lescroart, dat praktisch alle publicisten verenigde die zich nog van de streektaal konden bedienen.

In de grote vakantie van 1924 vergaderden de leden van de Cercles flamands in de Trappistenabdij op de Katsberg en besloten tot de oprichting van een overkoepelende organisatie, de Union des Cercles flamands. Spoedig sloten naast de jonge geestelijken ook belangstellende leken aan, waarop de naam van de vereniging veranderd werd in Ligue des Flamands de France of Vlaamsch Verbond van Frankrijk. Tot voorzitter werd Justin Blanckaert en tot algemeen secretaris Jean-Marie Gantois verkozen. Laatstgenoemde werd de breed onderlegde theoreticus en nooit vermoeide of moedeloze drijfkracht van het verbond, tot het in september 1944 in pijnlijke omstandigheden opgeheven werd.

In 1925 werd Gantois vertegenwoordiger van het Algemeen Nederlandsch Verbond in Frans-Vlaanderen en weldra schreef hij voor de Nederlandse en Vlaamse pers talrijke stevig gedocumenteerde artikels over zijn land en volk. Tussenin vond hij nog tijd om een der trouwste belangstellenden te worden voor de cursus Nederlands, die van 1926 af aan de Facultés catholiques te Rijsel door E.H. René Despicht (1870-1960) gedoceerd werd. Twee jaar later publiceerde Gantois in boekvorm, nu onder het pseudoniem Edmond Bruggeman een studie over Les Mystiques flamands, met een inleiding van mgr.G.J.Waffelaert, bisschop van Brugge en samen met E.H.Marcel Janssen (1903-1963) een brochure Fransch-Vlaanderen (1928) bestemd voor Belgische en Nederlandse lezers.

 

Na een overzicht van de geschiedenis van zijn geboorteland en de toen heersende toestanden in Frans-Vlaanderen, stelde hij de mogelijkheid dat de etnische minderheden in Frankrijk, door een bundeling van hun krachten, er misschien toe konden komen een beperkte vorm van cultureel zelfbestuur af te dwingen. Nog enige jaren zal hij in die richting een uitweg blijven zoeken voor de Frans-Vlaamse problematiek, tot hij even voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog tot het inzicht zal komen dat alleen een hereniging van de oude Zeventien Provinciën een afdoende oplossing kon bieden.

Het Vlaamsch Verbond van Frankrijk ontplooide bijna twee decennia lang een activiteit die steeds breder volkslagen bereikte. Het gaf twee tijdschriften uit: Le Lion de Flandre (1929-1944), een studieblad voor de intellectuelen bestemd, en De Torrewachter (1929-1944), uitsluitend in het Nederlands geredigeerd, voor de gewone lezers. Ieder jaar organiseerde het een congres dat stijgende bijval genoot en een literaire prijsvraag, die ettelijke mededingers verenigde. Schriftelijke Nederlandse cursussen kenden enig succes en er ontstond ook een Frans-Vlaamse afdeling van het Belgisch-Vlaamse Davidsfonds, een cultuurorganisatie met boekenclub, die in Frans-Vlaanderen een dertigtal leden telde.

De man die achter de schermen dikwijls het meest ondankbare werk verricht had was de secretaris-generaal. Hij vervulde zijn militaire dienstplicht in 1927-1928 in Metz en werd op 19 augustus 1931 tot priester gewijd. Daarop volgde zijn benoeming tot kapelaan in een Rijselse werkliedenparochie, waar hij in een tijd van werkeloosheid en internationale politieke spanningen van dichtbij de noden van de arbeiders leerde kennen. Later nam hij hetzelfde ambt waar in Ronk (Roncq) en Robeke (Roubaix), het grote textielcentrum in Noord-Frankrijk, tot hij van begin 1942 af op eigen verzoek van parochiaal werk ontslagen werd.

Toen Frankrijk in september 1939 aan Duitsland, na zijn inval in Polen, de oorlog verklaarde, besloot het Vlaamsch Verbond van Frankrijk zijn activiteit stop te zetten. Maar begin 1941 kwam het op die beslissing terug, omdat het erop leek dat de vrede nog lang op zich zou laten wachten en ook, omdat Gantois vreesde dat een periode van volledige rust de reeds bereikte resultaten in gevaar zou brengen. De tijdschriften verschenen opnieuw en Gantois, ditmaal onder de schuilnaam H. van Byleveld schreef zijn ophefmakende studie Nederland in Frankrijk (1941). Daarin verdedigde hij de thesis dat de grenzen van de Franse Nederlanden niet op de taalgrens liggen, maar wel op de Zomme (Somme) en Zerre (Serre). Dat zijn de rivieren tot waar de Frankische en Saksische nederzettingen in de vijfde en zesde eeuw van onze tijdrekening talrijk genoeg waren, om het land waarvan zij de zuidwestelijke grens uitmaken een Germaans volksgebied te mogen heten.

De taal was voor hem niet langer de beslissende factor voor het bepalen van de volksidentiteit, wel de afkomst, de geschiedenis en de keuze van een bewuste minderheid ten overstaan van de toekomst. Een taal kon verloren gaan, zij kon ook weer aangeleerd en van hogerhand ingevoerd worden, zoals dat trouwens met het Frans in Frans-Vlaanderen was gebeurd. Van dat ogenblik af zag hij de geschiedenis niet meer als een statisch gegeven over bestaande toestanden en voorbije werkelijkheden, maar als de schepping van een elite, die de gebeurtenissen naar een bepaald doel oriënteert. In die zin moet de brief gelezen worden welke hij in 1940 aan de Duitse overheid schreef, om te bepleiten dat Nederland in Frankrijk als een geheel en als een afzonderlijke entiteit in het Frankrijk van Pétain erkend zou worden.

Hoewel verschillende leden van het Vlaamsch Verbond van Frankrijk het niet met hem eens waren, beleefde de organisatie tijdens de oorlog een opmerkelijke bloei. De tijdschriften verhoogden hun oplage, congressen en cursussen hadden meer bijval en in 1942 voegde Gantois twee nieuwe initiatieven aan de reeds bestaande toe. Er kwam in Rijsel een Institut flamand de France, een soort volkshogeschool met bibliotheek en vergaderzalen, waar ook tentoonstellingen plaats grepen en ongeveer terzelfder tijd werd een jeugdorganisatie de Zuid-Vlaamse Jeugd opgericht. Van 1943 af beschikte zij over een eigen tweetalig orgaan Jeunes de Flandre/De Jonge Zuid-Vlaming. Tussenin had Gantois, met de nooit begevende werkkracht die hem eigen was, nog de tijd gevonden voor een merkwaardig autobiografisch geschrift Hoe ik mijn volk en mijn taal terugvond (1942), dat als geen ander de achtergronden van zijn leven en denken onthult.

Een paar weken na de bevrijding in september 1944 ontketende een deel van de Noord-Franse pers een bitsige campagne tegen het Vlaamsch Verbond van Frankrijk, dat van verraad beschuldigd werd. Een vijftigtal stafleden van de vereniging, met de secretaris-generaal aan het hoofd werden aangehouden en kwamen, na een voorarrest van meer dan twee jaar, van 9 tot 28 december 1946 voor de krijgsraad in Rijsel. Na een schitterende verdediging van Gantois, veroordeelde de rechtbank enkele beschuldigden tot lichte straffen en sprak de overigen vrij. Gantois zelf kreeg vijf jaar gevangenis, wat, rekening houdend met de sfeer waardoor de rechtsbedeling in die dagen beïnvloed werd, zeer gunstig uitviel en veeleer als een principiële afkeuring dan als een straf kon beschouwd worden. Toch werd het Vlaamsch Verbond van Frankrijk verboden en zijn bezit aangeslagen.

In oktober 1948 mocht Gantois de gevangenis verlaten, maar tegelijkertijd kreeg hij een verplichte verblijfplaats buiten de Franse Nederlanden opgelegd. Hij vestigde zich in een klooster te Brachay (Haute Marne) in Bourgondië, een der oude Franse provinciën, waar een vriend woonde waarover hij vroeger al, toen onder de deknaam Lucien Baekeman de monografie Johannès Thomasset, historien et poète de la Bourgogne (1935) geschreven had. Onverschillig op het verder verloop der gebeurtenissen toezien kon Gantois niet. Weldra begon hij opnieuw te publiceren. In de brochures Veut on vraiment faire l'Europe? (1949), ondertekend Henri Dumesnil en Les Pays de résistance au Jacobinisme, ondertekend Joris-Max Gheerlandt, kwam hij op voor een Verenigd Europa van de volkeren, niet van de bestaande staten, waaraan hij hun bekrompen nationalisme verweet. In 1953 viel hij onder de toepassing van een algemene amnestiemaatregel, waarbij kleine straffen als de zijne uitgewist werden en kon hij naar Rijsel terugkeren. Zijn bisschop benoemde hem daar tot hulppriester aan de Paroisse Saint-Michel, gelast met de bijzondere opdracht voor de geestelijke begeleiding van de studenten aan de Rijselse universiteit in te staan.

Intussen was Gantois weer in betrekking getreden met zijn vroegere vrienden en ook met het Komitee voor Frans-Vlaanderen in Waregem, dat sinds 1948 een breed opgezette actie voerde om het Nederlands bewustzijn in de Franse Nederlanden uit te breiden en zijn culturele verbondenheid met Nederland en Vlaanderen in België te versterken. Zo werd hij medewerker en weldra hoofdredacteur van het Frans-Vlaamse kwartaalblad Notre Flandre/Vlaamse Heerd (1952), dat van 1960 tot einde 1968 onder de licht gewijzigde titel Notre Flandre/Zuidvlaams Heem zou blijven verschijnen. In dezelfde periode publiceerde hij nog Ons Nederland boven de Zomme (1956) en een groot aantal artikels in verschillende bladen.

Een belangrijke gebeurtenis leek wel in september 1958 de oprichting van De Vlaamse Vrienden in Frankrijk, met de bedoeling dat die organisatie de bedrijvigheid van het vroegere Vlaamsch Verbond van Frankrijk weer op zou nemen. Dat is er evenwel, vooral wegens de veranderde tijdsomstandigheden niet van gekomen. Maar in 1971 heeft een groep jongeren de taak van De Vlaamse Vrienden in Frankrijk overgenomen en in amper twee jaar, onder de naam Michiel de Swaenkring een organisatie uitgebouwd, die reeds bij de driehonderd leden telt en stelselmatig een veel omvattend programma uitwerkt.

Gantois heeft het als een grote eer beschouwd dat hij in 1962 tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde verkozen werd, omdat hij er een erkenning in zag van zijn verdiensten bij de verdediging van het Nederlands in een zwaar bedreigd deel van ons taalgebied. Naar aanleiding van zijn zestigste verjaardag werd hij op 13 september 1964, door een uitgelezen schaar vrienden en bewonderaars gehuldigd in het grafelijk slot van Male bij Brugge en drie jaar later werd hem het eerste exemplaar aangeboden van de lijvige verzamelbundel De zuidelijkste Nederlanden (1967). Dat laattijdige feestgeschenk bevat een keus uit zijn voornaamste studies en verhandelingen.

In de vroege morgen van 28 mei 1968, daags na de begrafenis in Waten van zijn hoog bejaarde moeder, is Jean-Marie Gantois tragisch aan zijn einde gekomen. Op een wandeling langs de A, moet hij op het grondgebied van de gemeente Holke (Holque), door een hartaanval getroffen, in de rivier gegleden zijn. Zijn ontzield lichaam werd er enkele uren later half in half uit het water gevonden. Op 31 mei werd hij op het kerkhof van zijn geboorteplaats begraven. Vriendenhanden legden op zijn graf een bloemenkrans versierd met het oranje-blanje-bleu van de Prinsenvlag, symbool van het ideaal waarvoor hij bijna een halve eeuw lang koppig en zonder eigen voordeel te zoeken geleden en gestreden had.

André Demedts

Voornaamste geschriften

Nederland in Frankrijk. De zuidergrens der Nederlanden. Antwerpen 1941 (onder het pseudoniem van H.van Byleveld).

Hoe ik mijn volk en mijn taal terugvond. Brugge 1942.

Jean Marie Gantois. De zuidelijkste Nederlanden. Verzamelde opstellen naar aanleiding van zijn zestigste verjaardag. Wilrijk, 1967.

______________________

Bron: Jaarboek van de Maatschappij de Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1972-1973, pag. 112-119.

 

Vanaf de zijlijn


Marten Heida, Veenendaal

In de vorige Nieuwsbrief hebt u de aankondiging kunnen lezen van de studie-uitstap Aan weerszijden van de Schreve. Op deze verkenningstocht door de streek die doorstroomd wordt door de Leie werd als eerste halteplaats Wervik genoemd. In de bus heb ik tussen Ieper en deze grensstad het gezelschap bijgepraat over het “waarom” van dit bezoek. Hieronder laat ik de betreffende tekst volgen.

Het Oranjebeeldje in Wervik

We zijn op weg naar Wervik, onze eerste halteplaats. Het is ons daar te doen om om het Oranjebeeldje in de Kasteelstraat. Dit gedenkteken is opgericht ter nagedachtenis van prins Frederik. Drie vragen dringen zich op: 1. Wie was deze prins? 2. Waarom voor hem te Wervik een monument? 3. Door wiens toedoen en wanneer is het opgericht?

 

 Willem George Frederik van Oranje

Wie was prins Frederik?

Op 15 februari 1774 wordt voor de derde keer in de stadhouderlijke woning te Den Haag een kind geboren. Evenals de vorige keer is het ook nu een zoon. Van zijn ouders – stadhouder Willem V en prinses Wilhelmina – krijgt hij de namen Willem George Frederik. Om niet in de war te komen met de naam van zijn twee jaar oudere broer Willem – de latere koning Willem I – wordt zijn roepnaam Frederik.

Een rustig verloop hebben zijn jeugdjaren bepaald niet gehad. Zijn vader werd als gevolg van het feit dat hij zijn tijd niet verstond in toenemende mate een speelbal van regenten en patriotten. Bovendien tastte men hem aan in zijn erfrechten als gevolg waarvan de stadhouderlijke familie Den Haag verliet om zich te gaan vestigen in de toenmalige Gelderse hoofdstad Nijmegen. Prinses Wilhelmina legde zich evenwel niet bij deze gang van zaken neer en nam in juni 1787 het besluit naar Den Haag terug te keren. Met dit besluit was prins Frederik het roerend eens. Waar hij het niet mee eens was, was – als het haar niet gelukt het tij te keren – dat zij een beroep deed op haar broer, de koning van Pruisen. Deze stuurde een leger van 20.000 man dat na een “militaire wandeling” het bestuur van de “ware vaderlanders” als een kaartenhuis in elkaar deed storten. En zo kon stadhouder Willem V weer in al zijn rechten hersteld worden.

Uit de verslagen van die tijd krijgen we van prins Frederik een beeld dat hem laat zien als een bijzonder begaafd mens. Zijn studies deed hij aan de Leidense universiteit. Toch heeft deze academische studie niet de liefde van zijn hart gehad; die ging uit naar de krijgskunde.

In mei 1789 leek er een ongedachte wending in zijn leven te komen. In Den Haag kwam de Brusselaar Hendrik van der Noot op bezoek. Hij wilde met raadspensionaris Van der Spiegel overleg plegen omtrent de mogelijkheid prins Frederik uit te roepen tot stadhouder van de Zuidelijke Nederlanden. Dat moest dan gebeuren nadat een Hollands leger het land gezuiverd zou hebben van de Oostenrijkers. Veel verder dan het opstellen van dit plan is het echter niet gekomen; zijn moeder – prinses Wilhelmina – wilde van dit stadhouderschap niets weten. Hoewel de onderhandelingen over zijn hoofd heen werden gevoerd,blijkt uit het feit dat Van der Noot en zijn medestanders deze hoge waardigheid wilden toekennen aan deze toen nog maar 15-jarige prins “dat hij toen al een internationale bekendheid was”.

Waarom voor hem in Wervik een monument?

Zo langzamerhand begint Wervik binnen het gezichtsveld te komen. Het is in 1793 als de Franse revolutielegers in noordelijke richting oprukken en de Zuidelijke Nederlanden binnenvallen dat de dan 19-jarige prins de kans krijgt te tonen wat hij waard is. En die waarde gaat schuil in zijn uitzonderlijke veldheerskwaliteiten die gepaard gingen met een innemend karakter. Zijn manschappen droegen hem op handen en spraken hem – ondanks zijn jeugdige leeftijd – aan als “vader”.

Als zijn moeder later te horen krijgt dat zijn dapperheid af en toe dicht in de buurt komt van roekeloosheid laat ze hem in een potige brief weten dat hij moet begrijpen dat het niet de taak van een generaal is te galopperen met de huzaren van de voorhoede. Ik heb zo’n idee dat prins Frederik niet erg onder de indruk zal zijn geweest van deze moederlijke terechtwijzing.

Het hoogtepunt van deze Eerste Coalitie-oorlog is ongetwijfeld geweest de strijd om het behoud van het door hem veroverde Wervik. Op 12 september had hij n.l. een poging ondernomen deze grensstad op de Franse troepen te heroveren. Na een hevig gevecht – waarbij de prins zich naar zijn gewoonte steeds in de voorste linies bevond – gelukte het hem deze belangrijke toegangspoort naar Frankrijk weer in handen te krijgen. Maar de Fransen is niet zo’n nederlaag toegebracht dat ze gedwongen worden zich bij de gewijzigde toestand neer te leggen. De volgende dag zetten ze alles op alles in een poging zich weer meester te maken van Wervik. Er ontbrandt een hevige strijd die vrijwel de hele dag in beslag neemt. Om het met de woorden van de prins te zeggen: “Het was een hete affaire.”

Al spoedig werd duidelijk dat het leger waarover prins Frederik het bevel voert tegenover een oppermachtige vijand staat. Toch is hij niet van plan de strijd op te geven; hij heeft n.l. bericht gekregen – dit bericht blijkt trouwens op een vergissing te berusten – dat een Oostenrijks leger onderweg is om hem uit zijn benarde positie te ontzetten.

Het is tijdens dit gevecht dat prins Frederik getroffen wordt door een kogel in zijn schouder. Zwaar gewond wordt hij bovendien kort daarop ook nog van zijn paard geworpen. Dat hij niet in handen van de vijand is gevallen heeft hij te danken gehad aan zijn adjudant graaf De Perponcher; deze slaagt erin hem buiten het strijdgewoel te brengen en toe te vertrouwen aan de zorg van een dokter.

Deze slag bij Wervik – die uiteindelijk voor de Coalitietroepen in een nederlaag eindigde – is door sommigen “maar een schermutseling” genoemd. Deze benaming doet niet recht aan de werkelijkheid. Het is prins Frederik zelf geweest die aan de vooravond de betekenis in het juiste licht heeft gesteld. Het zou in het komende gevecht niet alleen gaan om het behoud van Wervik maar “tot behoudenis van godsdienst en vaderland”. Het is met deze woorden dat deze Oranje-prins zich heeft geschaard naast mannen als Prins Willem, de Vader des Vaderlands en de Stadhouder-Koning Willem III.

Van de bij Wervik opgelopen schouderverwonding is prins Frederik nooit geheel hersteld. Een infectie daaraan wordt hem in 1799 noodlottig; op 24-jarige leeftijd sterft hij in Italiaanse Padua en wordt begraven in het Karthuizerklooster. Eerst in 1896 wordt zijn gebeente overgebracht naar zijn vaderland om te worden bijgezet in de grafkelder van de Oranjes.

Door wiens toedoen en wanneer is het gedenkteken opgericht?

Tot slot nog iets over de totstandkoming van het monument dat we met een bezoek gaan vereren. En dan kan ik niet heen om de persoon van Jan Bomans, een broer van schrijver Godfried. Als Heemkerkse archivaris greep hij naar aanleiding van het 150-jarig bestaan van het Koninkrijk der Nederlanden in 1964 naar de pen en schreef voor het Haarlems Dagblad een bijdrage onder het veelzeggende opschrift De vergeten Oranje. Het zal u uit het bovenstaande duidelijk zijn dat hij daarmee prins Frederik bedoelde; Bomans wilde recht doen aan deze veelbelovende zoon uit het huis van Oranje-Nassau.

Hij heeft het evenwel niet bij dit artikel gelaten. Bij hem rijpte het plan iets te gaan ondernemen waardoor verhinderd werd dat deze prins opnieuw een vergeten figuur zou worden. En zo kwam hij tot het initiatief tot het doen oprichten van een passend gedenkteken in Wervik. De eerste taak waarvoor Bomans zich gesteld zag was zich te verzekeren van de nodige steun. Daartoe legde hij contacten zowel in Noord als in Zuid; immers dit monument zag hij als “een symbool van de lotsverbondenheid van de twee landen”. Eén van de eerste resultaten was de vorming van een comité van aanbeveling. Verder was het zaak de nodige geldmiddelen – het geheel werd begroot op 20.000 gulden – bij elkaar te krijgen. Op dit vlak kreeg hij de volle medewerking zowel van de Vlaamse Toeristenbond als het stadsbestuur van Wervik. Tijdens de zitting van de raad van deze stad van 29 november 1968 werd éénparig besloten steun toe te zeggen aan Bomans’ initiatief en een plaats beschikbaar te stellen waar het gedenkteken kon komen te staan.

Voor de uitbeelding werd gedacht aan een bronzen beeld dat Promotheus moest voorstellen die zich verzette tegen een adelaar. De Haarlemse beeldhouwer Remco van de Gugten kreeg de opdracht het te vervaardigen.

Toch zult u straks het resultaat van zijn pogen niet te zien krijgen. Omdat Bomans er niet in slaagde voldoende geldmiddelen bijeen te krijgen moest worden volstaan met een sterk vereenvoudigde uitvoering; het gedenkteken kreeg de vorm van een hardstenen zuil waarop in brons een reliëf van prins Frederik is aangebracht.

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53

NL 3905 CB Veenendaal

Literatuur: Tussen Hondschote en Gontreuil ligt de weg naar Wervik, in Jaarboek Zannekin 16 (1994), pp. 103-108.

 

Sporen uit de Nederlanden in Noord-Duitsland


Meerdaags reis

 

Eindelijk was de kogel door de kerk geraakt. In samenwerking met de Leesclub van het Seniorencentrum Brussel maakte de Stichting Zannekin werk van de reeds vorig jaar aangekondigde vijfdaagse excursie naar Noord-Duitsland.

De vijfdaagse reis vond plaats van 16 tot en met 20 juni 2006. De heentocht liep over Heusden, Zaltbommel, Arnhem en Oldenzaal. Voor het middagmaal waren we reeds in Bentheim. Vandaar ging het naar Bremen waar we in het historische stadscentrum de aan onze Hanzesteden verwante architectuur bewonderden en er de Roland – symbool van de gemeentelijke vrijheden – bewonderden en waar we in de Deutsche Eiche onderdak vonden.

Op dag 2 waren we o.m. in het kunstenaarsdorp Worpswede, bezochten we het graf van Tijl Uilenspiegel te Mölln, namen we het middagmaal in de Till Gaststätte, om ’s avonds de Hanzestad Lübeck te bereiken en te verkennen.

Dag 3 was voorbehouden voor een bezoek aan Heide en het aan Klaus Groth – de dichter van Mijn Moederspraak – gewijde museum, dat in zijn voormalig woonhuis gevestigd is en waar een enthousiaste conservatrice ons onderhield over de Neder-Duitse literatuurbeweging. Voor het middagmaal waren we te gast in de toepasselijke Holländische Stube te Friedrichtstadt. Vandaar uit trokken we via Neumünster en Bad Odesloe weer Lübeck-waarts.

Via Ostseebad Boltenhagen bereikten we op dag 4 de eveneens aan de Oostzee gelegen Hanzestad Wismar. Tussen Lübeck en Wismar troffen we nog slechts geringe sporen aan van het voormalige IJzeren Gordijn. Het middagmaal te Wismar kwam er in de Alter Schwede, waar ooit koningin Christina van Zweden vóór ons tafelde. Verpozen deden we aan de Schweriner See, vooraleer koers te zetten naar het stadje Lüneburg.

Ook de laatste dag zochten en vonden we talrijke sporen van onze Nederlandse cultuur in Osnabrück en Kleve. Het bezoek aan de Zwanenburcht besloot deze vijfdaagse verkenningstocht die onder de deskundige leiding van Zannekin-voorzitter Leo Camerlynck andermaal tot een beklijvende belevenis werd.

 

Het laatste woord


Leo Camerlynck, Ukkel

Mogen wij nog over onze cultuur praten?

Op het Koningsplein te Brussel staat een standbeeld van Godfried van Bouillon al anderhalve eeuw te pronken. Het statige standbeeld vloeit voort uit het beleid van Leopold I, eerste koning der Belgen, die in de pure 19e-eeuwse geest van de romantiek en van de natievorming geschiedkundige heldhaftige gebeurtenissen wou aangrijpen om het volk, zijn volk in casu, ervan te overtuigen dat in dit nieuwe stukje vaderland aan de Noordzee heel wat heldhaftigs werd ontplooid.

Zo mocht Hendrik Conscience zijn “Leeuw van Vlaanderen” ongecensureerd uitgeven. Andere gebeurtenissen zijn uiteraard ook bekend, maar wij beperken ons tot Godfried van Bouillon, die eerder als Godfried van Bonen moet aangesproken worden. Bonen is de aloude naam voor Boulogne-sur-Mer, in het verste Frans-Vlaanderen. Godfrieds vader was nauw verwant met de Graaf van Vlaanderen en zijn moeder, de Heilige Ida, stamde uit Bilzen. Zij was Dame van Bouillon, van daar de reden dat hij ook als Godfried van Bouillon bekend staat.

Bij gidsbeurten in Brussel wordt het fraaie Koningsplein aangedaan, en op dat plein heeft de Luikse beeldhouwer Eugène Simonis Godfried van Bouillon op zijn paard vereeuwigd. Nou ja, “vereeuwigd” is wellicht niet meer het juiste woord want er duiken uit politiek correct denkende hoek stemmen op van personen, die “vrezen” dat de aanwezigheid van deze kruisvaarder en eerste koning van Jeruzalem wel eens de moslim-gemeenschap vóór het hoofd zou kunnen stoten.

Erger nog, bij gidsbeurten langs dit fraaie monument dient volgens de koudwatervrezende intellectuelen het commentaar “cosmetisch” bijgestuurd te worden. In voor iedereen verstaanbare taal komt het er op neer dat over Godfried mag gesproken worden, doch dat de kruistochten niet zo’n heldhaftig en edelmoedig verloop kenden als onze geschiedenisboeken tot voor kort lieten doorschemeren. Of hoe men zijn commentaar multicultureel moet kleuren, en voor sommigen zelfs in een multiculturele geest, waarbij de eigen cultuur, m.a.w. onze heel-Nederlandse cultuur, liefst zo veel mogelijk naar de achtergrond wordt gedrongen.

Moet het verhaal van de Kamerijkse klokkenluiders Martin en Martine ook multicultureel “ge-updated” worden, moeten de talrijke commanderijen in onze Nederlanden, die tot de tempel-, johannieter- of Duitse orde behoorden, ook in een “ruimere” context gesitueerd worden,… Ja, ga zo maar door.

Het is wenselijk deze politiek correct denkende trendsetters niet slaafs te volgen.  Dit betekent niet dat je je eigen cultuur in een cocon moet opsluiten, maar waarom zouden wij onze eigen geschiedenis, cultuur en tradities, met hun mooie en hun minder fraaie kantjes, ja ons eigen erfgoed van deze Lage Landen bij de Noordzee moeten slachtofferen op het altaar van de multiculturaliteit.

Het is pas wanneer men eerbied voor de eigen cultuur opbrengt dat de poorten opengaan naar andere culturen in een geest van wederzijds respect, openheid en verdraagzaamheid, drie belangrijke peilers van de historische Nederlanden.

Leo Camerlynck

Voorzitter zannekin

E. Michielsstraat 51, B. 1180 Ukkel