> nieuwsbrief > 4e trimester 2006

Bijdragen over:
Tip

Ontmoetingsdag ZANNEKIN te Amsterdam 21 oktober 2006


Amsterdam en Leiden zijn dit jaar in rep en roer, want Rembrandt werd 400 jaar geleden, om precies te zijn op 15 juli 1606 in Leiden geboren. Onder het motto "Waar volk is is nering", vestigde Rembrandt zich later, in 1631 in Amsterdam. Amsterdam met toen een bevolking van ongeveer 100.000 inwoners, waarvan ongeveer 40 procent uit de Zuidelijke Nederlanden, was toentertijd de Handelsmetropool van de Westerse Wereld, en het is de bedoeling de groei en bloei van Amsterdam, mede dankzij die "allochtonen", onder de loep te nemen.

Programma

Zaal open 10.30 uur: koffie en gebak .

11.00 uur: welkomstwoord door de Voorzitter ZANNEKIN.

11.15 uur: lezing door Dick Wortel: Verkeerde Vrijheyt. Van fundamentele calvinisten naar radicale verlichters in de Republiek. Waarbij de om het geloof uitgeweken Zuid Nederlanders in het voetlicht zullen komen te staan.

11.45 uur: lezing door J. H. van Tongeren: Amsterdam, het "nieuwe Antwerpen" waarbij de ontwikkeling van economie en kunst zullen worden belicht.

12.15 uur: lunch.

14.00 uur: Vlaamse wandeling door de stad, waarbij Rembrandt, maar met name zijn "Vlaamse"opdrachtgevers niet zullen worden vergeten.

16.30 uur: terug, afsluit en vrije tijd ter verdere verkenning van Amsterdam.

De lezingen en de lunch plaats vinden plaats in De Haven van Texel, Sint-Olofsteeg 11, Amsterdam. (tel 0032 (0)20-4270768). De St-Olofsteeg bevindt zich schuin tegenover het Centraal Station. Wanneer u het Centraal Station richting stad uitloopt dan gaat u na de eerste stoplichten links af, de (Nieuwe)brug over en dan komt u van zelf op de Zeedijk, De Zeedijk in en dan de eerste straat rechts.

De deelnamekosten voor de koffie en lunch bedragen 25 €/persoon, te vereffenen bij inschrijving via een van de ZANNEKIN-rekeningen (zie p.1 van deze Nieuwsbrief). Inschrijven kan via het e-postadres maurits.cailliau@skynet.be

Extra: voor wie er een weekeinde van wil maken gidst ons bestuurslid Dorothee van Wallene – tel. 0031(0)346241513 – u op vrijdag en zondag graag doorheen minder bekende Amsterdamse hoekjes. Bij interesse dient daartoe vooraf rechtstreeks met haar contact opgenomen te worden.

 

Amsterdam: een woordje geschiedenis


Prof. Dr. Hugo de Schepper

Op 10 juli 1584 werd Willem de Zwijger, Prins van Oranje, te Delft vermoord. Daarmee verdween de bezieler van de eenheid der Nederlanden, tevens vaandrig van het verzet tegen Filips II, Koning van Spanje.

Een jaar later, op 17 augustus 1585, gaf Antwerpen zich over na een maandenlange belegering. Tien dagen later trok Alexander Farnese, hertog van Parma, en landvoogd van de Spaanse koning de stad binnen.

Het belangrijkste economisch centrum, de grootste en meest protestante stad van de zestiende-eeuwse Nederlanden, die bijna vijf jaar lang de hoofdstad van de Opstand was geweest, viel terug in Spaanse handen. De solidariteit van Amsterdam met het bedreigde Antwerpen mocht niet baten. Amsterdam had namelijk een speciale belasting geheven, de zogenaamde “capitale impositie ende willighe contributie” waarvan dc opbrengst o. a. bestemd was voor het lichten van troepen om de Scheldestad te ontzetten. De hulp kwam echter te laat.

Voordien hadden ook de grote Vlaamse (1584) en Brabantse (1585) steden moeten zwichten voor de Spaanse overmacht.

In de zeventiende eeuw zouden de krijgsverrichtingen een willekeurige scheidingslijn trekken dwars doorheen Vlaanderen en Brabant. Zodoende ontstonden twee Nederlandse Staten: de Verenigde Nederlanden (Belgium Confoederatum) en de Koninklijke Nederlanden (Belgium Regium).

De overgave van de Antwerpse buiten-burgemeester Marnix van Sint Aldegonde én de sluiting van de Schelde in 1585 gaven het sein voor een nieuwe grote uittocht van ondernemende lieden die het zowel om politieke en religieuze als om economische redenen niet meer zagen zitten.

Het bevolkingscijfer van Antwerpen daalde fors. Van de 82.000 inwoners die de Scheldestad in 1585 telde (ca. 100.000 in 1565!), vertrok de volgende vier jaren ongeveer de helft, hoofdzakelijk naar het Noorden en Amsterdam. Velen voelden het tevoren al aankomen, nadat de Waalse Provinciën in 1578-1579 hadden afgehaakt van de Nederlandse Opstand en vooral nadat Filips II in 1583 het sterkste leger van de toenmalige wereld inzette voor de herovering van de Nederlanden.

Tussen 1578 en 1585 waren reeds een 8.000 Antwerpenaren hun stad ontvlucht. De Brabander Willem van Oranje was de meest eminente onder hen…

Antwerpen was evenwel geen alleenstaand geval. Naarmate Nederlands grondgebied in handen viel van het gevreesde Spaanse leger, namen tienduizenden de wijk naar de gewesten die de strijd voor de vrijheid voortzetten. In Brugge met 29.000 en Gent met 50.000 inwoners stonden na de inname door Parma in 1584 een derde tot de helft van de huizen leeg! Dr. J. Briels van de Rijksuniversiteit van Utrecht raamt het totale aantal “Zuidnederlandse” migranten - in hoofdzaak Vlamingen en Brabanders - die zich voornamelijk tussen 1572 en 1590 vooral in Holland en Zeeland gingen vestigen, op 150.000!

Na de economische crisis die in 1565 acuut was uitgebroken, leken in deze landsdelen de voorwaarden voor een herstel het vroegst aanwezig. Holland en Zeeland waren het eerst door de opstandelingen bevrijd en hadden het minst geleden onder de krijgsverrichtingen. Hoewel vanaf 1590 de migratiestroom sterk was afgenomen, bestond in 1622 de bevolking in de negen grootste Hollandse en Zeeuwse steden naar alle waarschijnlijkheid uit om en bij de 42% lieden uit de opnieuw Spaans geworden provinciën.

Deze inwijking heeft op een spectaculaire wijze bijgedragen tot de intellectuele en culturele bloei die de Verenigde Provinciën in de zeventiende eeuw zouden kennen: hun Gouden Eeuw is daarvan niet los te maken. Amsterdam profiteerde van de Vlaamse en Brabantse migratie nog het meest. Het economisch zwaartepunt werd mede daardoor van Antwerpen naar de Amstelstede verplaatst. Zo dankt deze bvb. haar wereldvermaarde diamantnijverheid aan de Antwerpse diamantwerkers die zich toen in de stad kwamen vestigen. Dit is slechts een enkel voorbeeld uit vele. Ook latere generaties van Zuidnederlanders vonden steeds weer de weg naar het Noorden, en niet het minst naar Amsterdam waar de Antwerpse tolerantie en koopmansgeest bleven voortleven. De sporen van Vlaamse en Brabantse aanwezigheid in het Amsterdamse straatbeeld zijn legio.

____________________

Ontleend aan de brochure Wandelen door Vlaams Amsterdam, uitgegeven door het Vlaams Cultureel Centrum De Brakke Grond te Amsterdam.

 

Mededelingen


Vooruitblik op 2007

Onze Studie-uitstap zal doorgaan op 19 mei 207. Te Kevelaer loopt dan een boeiende tentoonstelling over de Habsburgers. Ook Gelre en Straelen komen bij die gelegenheid in ons blikveld.

De Ontmoetingsdag wordt een weekeinde-gebeuren te Emden in Oost-Friesland rond het thema van de Tachtigjarige Oorlog in die contreien. Noteer daarvoor 12-14 oktober 2007.

In 2007 staat ook andermaal een meerdaagse reis op ons programma, waarbij we opzoek gaan naar de sporen van onze Nederlandse cultuur in de huidige Oost-Duitse en Poolse gebieden. Het wordt vermoedelijk een veertiendaagse tripaanvangend op 26 mei 2007.

Over dit alles uiteraard meer concrete gegevens in onze volgende Nieuwsbrief.

Red het blazoen van Dowaai

Op de laatste pagina van deze Nieuwsbrief doet onze voorzitter een warme oproep teneinde Zannekin in staat te stellen bij te dragen tot het redden van een uniek stuk van ons cultureel en historisch erfgoed  in de zuidelijkste van alle Vlaamse steden: Dowaai.

Dat bedreigde blazoen viel te bewonderen op de voorkaft van onze in 2004 gepubliceerde brochure gewijd aan de Slag van de Pevelenberg die plaats vond in 1304, twee jaar na de Gldensporenslag te Kortrijk.

Van vernoemde brochure rest nog een kleine restoplage. Wie zijn steentje wil bijdragen tot de redding van dit stukje historisch patrimonium – en daartoe minimum 20 € overboekt op een van de Zannekin-rekeningen – ontvangt bij wijze van dank en erkentelijkheid een exemplaar van de brochure toegestuurd. Vermeld daartoe op het betaalformulier uitdrukkelijk: “Red het blazoen”.

 

De Waalse geuzen


Wie aan de opstand in de Nederlanden tegen de Spaanse overheersing aan het einde van de l6e eeuw denkt, haalt figuren als een Willem van Oranje, Brederode, Egmont en Hoorne of een Marnix van Sint-Aldegonde voor de geest. En denkt aan plaatsen als Antwerpen, Den Briel of Leiden. Steeds minder is men er zich van bewust dat een belangrijke bijdrage tot de opstand geleverd werd door Walen. Natuurlijk kent iedereen die een bezoek brengt aan steden als Amsterdam de (overblijfselen van de) Waalse kerken die wijzen op een inwijking van Franssprekende protestanten.

Maar slechts weinigen zijn er zich van bewust dat veel kopstukken van de geuzenopstand Walen waren of op zijn minst van Waalse afkomst. Een goed overzicht wordt gegeven in het laatst verschenen jaarboek van de Vereniging/Stichting Zannekin die zich bezighoudt met de studie van de grensgebieden der oude Nederlanden (1). In een artikel van de hand van Rotterdammer Ruud Bruijns komen we te weten dat de studiedienst van de SGP (de Staatkundig Gereformeerde Partij) genoemd is naar een Henegouwse reformator: Guy de Bray. Hij was een adviseur van Willem van Oranje en werd aldus al snel het doelwit van zijn tegenstanders. In 1567 werd hij ter dood veroordeeld en in Valenciennes (Valencijn) terechtgesteld. De Bray is een typische figuur uit de Henegouwse reformatie die sterk beïnvloed werd door Calvijn. Calvijn was afkomstig van het nabije Picardië en dat heeft ontegensprekelijk een invloed uitgeoefend op de protestantisering van Henegouwen.

Een totaal andere figuur is graaf Lamoral van Egmont, stadhouder van Vlaanderen en Artesië en zoals bekend in 1568 samen met Hoorne in Brussel op bevel van de hertog van Alva terechtgesteld. Egmont was geen geus pur song maar een trouwe dienaar van de Spaanse koning en tegelijk een verdediger van de adellijke privilegies. Hij was een pleitbezorger van verdraagzaamheid tegen de reformatie en dat kostte deze katholiek uiteindelijk zijn kop. Egmont was afkomstig uit Lahamaide, een Henegouws gehucht vlakbij Ronse.

En ook Philips van Marnix, heer van Sint-Aldegonde, was van oorsprong een Henegouwer, tenminste aan moederskant Deze Brusselaar die het als overtuigd calvinist tot burgemeester van Antwerpen schopte, is de zoon van Marie de Haimemericourt, afkomstig uit het Henegouwse Mont-Saint-Aldegonde bij La Louvière. In het dorpje Mont-Saint-Aldegonde zijn trouwens nog een paar sporen van de grondvesten van haar kasteel terug te vinden.

Manix van Sint-Aldegonde mag dan wel een bekende figuur zijn, Jean Taffin is dat veel minder. Deze Doornikzaan werd zowaar hofpredikant van Willem van Oranje. Na de val van Antwerpen trok hij naar het noorden en werd hij actief in de Waalse gemeenten in Haarlem en Amsterdam waar hij in 1602 op 72-jarige leeftijd stierf.

De Waalse protestanten maakten niet alleen furore als geestelijken. Ook militair lieten ze zich niet onbetuigd. Zo was er zelfs een Waalse Koppelstock (een zekere Antoine Olivier) die, naar analogie met Den Briel, de geuzen een handje hielp om de stad Bergen in te nemen. Olivier wist de stadpoorten te openen waardoor het een koud kunstje was voor Lodewijk van Nassau om de stad in te nemen. En er was ook Louis de Boisot die hielp om de stad Leiden te ontzetten.

We spreken dan van 1574 en ondertussen was de opstand naar het noorden opgeschoven. In het zuiden kwam de Unie van Atrecht tot stand die de Waalse gewesten verenigde. Zij stonden onder controle van de Spaanse koning en waren katholiek. In het Zannekin-jaarboek benadrukt Ruud Bruijns zeer juist dat de Unie van Atrecht echter geen zuiver Waalse aangelegenheid was. Ook Den Bosch en Leuven sloten er zich bij aan.

Steden als Valencijn en Doornik daarentegen bleven nog lange tijd protestants. In Doornik kreeg de verdedigster van de stad, Christine de Lalaing, mythische proporties.

Uiteindelijk viel het gehele zuiden toch in Spaanse handen en voor de Waalse protestanten zat er niets anders op dan naar het noorden te vluchten. Hun aantal wordt op 100.000 geraamd. Het protestantisme in het zuiden was trouwens nog niet volledig uitgeroeid. Aan het begin van de l7e eeuw waren er nog een paar duizenden Walen lid van de hervormde Kerk in Henegouwen. Ze moesten wel ondergedoken leven.

PICARD

_________________

(1) Ruud Bruijns, “Ce ne sont que des gueux”, de Waalse bijdrage in de opstand en het lot der Waalse protestanten, in Zannekin-jaarboek 2006, de Nederlanden extra muros nr. 28, te bestellen via M. CailIiau, Paddevijverstraat 2, 8900 leper.

Bron: weekblad ’t Pallieterke, 12 juli 2006.

 

Geografische afbakening van Frans-Vlaanderen


Gijs van Ryckeghem,  Waregem

Frans-Vlaanderen op een aardrijkskundige kaart omschrijven is even moeilijk als het omschrijven van Vlaanderen. De gebieden die vandaag binnen de grenzen liggen van de Belgische deelstaat "Vlaanderen" zijn niet noodzakelijk dezelfde als deze die honderd of duizend jaar geleden tot Vlaanderen behoorden. Als we op de kaart van Vlaanderen kijken die Geraard de Kremer, of Mercator in de 16e eeuw voor Keizer Karel tekende dan zien we dat alleen de Belgische provincies West- en Oost-Vlaanderen daartoe behoorden, samen met een gebied in Nederland bezuiden de Schelde en een gebied in Frankrijk dat in het westen reikte tot aan de rivier de A en in het zuiden tot aan de Skarpe.

De naam "Vlaanderen" duikt voor het eerst op als "Pagus Flandrensis" in de "Vita Eligii" uit de 8e eeuw. Deze "Pagus" of gouw was gelegen rondom Brugge. De graaf die deze gouw in naam van de Frankische koning bestuurde kon in de 9e eeuw, toen de koninklijke macht afnam, zijn gebied over andere "pagi" uitbreiden. Zo verenigde hij gaandeweg kleine, losse, vaak nogal wat van elkaar verschillende gebieden tot een zelfstandige staat. Die staat breidde zich onder graaf Arnulf I in de 10e eeuw in zuid-westelijke richting uit, tot hij daarbij op het Normandische  hertogdom stootte. Deze uitbreiding tot voorbij de Somme was de grootste die Vlaanderen ooit gekend heeft. Dat vorstendom dat feodaal afhankelijk was van Frankrijk, en vanaf de 11e eeuw ook van het Duitse Rijk voor wat o.a. het over de Schelde gelegen Land van Aalst betrof, voerde niettemin een eigen politiek. Deze staat berustte niet, zoals bv. Bretagne, op een etnische basis. Vlaanderen werd niet alleen bewoond door Romaans en Germaans sprekenden, maar die laatsten behoorden bovendien nog tot verschillende stammen: Franken, Saksen en Friezen. Taal- en staatsgrenzen vielen niet samen. Het graafschap Vlaanderen maakte daarbij deel uit van twee koninkrijken, van vijf bisdommen en twee kerkprovincies. Daarenboven vormde het noch geografisch noch economisch een afgelijnd gebied. Ondanks deze verschillen kwam in Vlaanderen in de 12de eeuw  al een nationaal gevoel tot uiting.

Telkens wanneer de macht van de Franse koning  groeide, probeerde die zijn invloed naar het noorden uit te breiden en Vlaanderen tot zelfs over de Schelde aan zijn macht te onderwerpen. We denken aan Filips August en de slag  bij Bouvines in 1214, aan Filips de Schone en de slag bij Kortrijk in 1302 en aan Lodewijk XIV en de slag bij Kassel in 1677, om er maar enkele te noemen. Met de vrede van Utrecht in 1713 kwam, op enkele details na, de grens tot stand die vandaag als de Frans-Belgische grens wordt beschouwd. 

Ondertussen werden heel wat streken, gewesten en steden als gevolg van veldslagen, verdragen of vorstelijke huwelijken, nu eens bij Frankrijk, dan weer bij Vlaanderen gevoegd.

Als tegenwoordig over het historische Vlaanderen gesproken wordt, dan denken we aan het gebied dat door Mercator op zijn kaart werd begrensd. Een groot deel daarvan ligt, vooral sinds 1713, in de Franse staat. We noemen het daarom sindsdien Frans-Vlaanderen, om het te onderscheiden van Belgisch-Vlaanderen, terwijl sommigen het liever hebben over Zuid-Vlaanderen, in tegenstelling tot Noord-Vlaanderen.

Bij het ontstaan van het graafschap tijdens de 9e eeuw werd in vrijwel het hele gebied dat we nu Frans-Vlaanderen noemen Frankisch, vermengd met elementen uit het Saksisch en het Fries gesproken. We zouden het ook Oud-Nederlands kunnen noemen. In de loop der eeuwen heeft het Romaans, of zeg maar het Frans, zich gaandeweg naar het noorden uitgebreid en de steden Dowaai(Douai) en Rijsel, met omgeving, tot ongeveer aan de Leie ingepalmd. Dit gebied dat in het oosten tot aan de linkeroever van de Schelde en Doornik doorloopt wordt Franssprekend Vlaanderen genoemd. De naam "Waals-Vlaanderen" die soms gebruikt wordt als vertaling van "la Flandre Wallingante", (tegenover "la Flandre flamingante") is onjuist en verwarrend.

Ook al spreken de mensen in dat zuidelijke deel van Vlaanderen Frans, toch zeggen ze onomwonden dat ze Vlamingen zijn. Rijsel noemt zich "Capitale de Flandre". In Dowaai troont bovenop het belfort met klokkenspel een leeuw, en vaak meer dan over de grens zie je er de leeuwenvlag en het leeuwenschild, tot op de mouwen van de "Franse" politie toe. In de verfranste plaatsnamen ontdek je nog veel Nederlandse vormen en het Frans van de volksmens is nog wel eens doorspekt met "Vlaamse" woorden.

Het deel van het oude graafschap Vlaanderen benoorden de Leie binnen Frankrijk noemen we de Westhoek. Dat is trouwens een historische naam. In die Westhoek is de verfransing nog maar sinds de Franse revolutie voorgoed begonnen. Hier behielden de plaatsnamen en familienamen nog grotendeels hun Nederlandse vorm; hier spreken nog heel wat mensen hun Nederlandse moedertaal. Als over "Frans-Vlaanderen" gesproken wordt, dan wordt voor-al en in de eerste plaats de Westhoek bedoeld.

Ook de gebieden die in Frankrijk buiten dat historische Vlaanderen van Mercator liggen maar die ooit tot Vlaanderen en tot de zeventien provinciën hebben behoord voelen zich nog altijd met het oude moederland verbonden. Zo noemt de stad Sint-Omaars zich nog altijd "une ville flamande de première rang". En hoog boven de beroemde marktpleinen van Atrecht (Arras)schittert op het Vlaamse belfort een gouden leeuw, bezongen door Paul Verlaine, die van zijn moeders kant uit Atrecht afkomstig was.

Staten zijn politieke structuren, met wetten en regels, die zich met grenzen tegenover andere staten opstellen.

Volkeren zijn menselijke gemeenschappen, met een geest en een hart, die grenzen doorbreken. Daarom is het ook zo moeilijk om "Frans-Vlaanderen" duidelijk af te bakenen.

___________________

Bron: La Flandre au Lion – Vlaanderen den Leeuw, nr. 66, pp. 18-19, zomer 2006.

 

Vlaams-Boergondisch


Johan van Herreweghe

De restauratie van de monumentale Drie-Maagdenkapel in Kaaster (Caestre tussen Kassel en Belle, of Bailleul) wordt al meer dan tien jaar ondersteund door Vlamingen ten noorden van de Schreve. Ook de toenmalige Vlaamse regering met minister-president Luc van den Brande verleende haar steun aan het project. Tot vandaag zijn Euvo (Europa der volkeren uit Brugge), het FVV (Forum van Vlaamse Vrouwen), verschillende Davidsfonds-afdelingen en vooral de Werkgroep de Nederlanden uit Waregem en Gent rond deze kapel actief. De Drie-Maagdenkapel met haar schilderijen en opschriften getuigt in belangrijke mate van het Vlaamse en Nederlandstalige karakter van de hele streek en het is vooral dank zij de Werkgroep de Nederlanden en haar restauratieproject dat dit weer uitgebreid onder de aandacht is. De streek, dat is Vlaanderen-in-Frankrijk, of de Zuidelijke Nederlanden in Frankrijk, kortom, Zuid- of Frans-Vlaanderen. De Drie-Maagdenkapel gaat terug tot 819, de Karolingische tijd. Ze is gebouwd ter ere van de Saksische religieuzen (“maagden”) Edith, Elfrida en Sabina. De-ze religieuzen werden heilig verklaard omdat ze op hun bedevaart van Engeland naar Rome in Kaaster door huurmoordenaars om het leven werden gebracht en er door hun offerdood een mirakel hebben teweeg gebracht. De blinde heer van Strazele waste zijn ogen met hun bloed, waarna hij weer kon zien. Dit mirakelverhaal heeft de kapel laten opbloeien als volks bedevaartsoord, waarvan nu nog steeds “l’ommegang” en een jaarlijkse novene is overgebleven. Het vuurslag-metselaarsteken in de zijgevel van de kapel verwijst ook naar de Boergondische Nederlanden vόόr de 15e eeuw. In de kapel zelf hangen verschillende schilderijen die de bedevaart van deze heilige vrouwen beschrijven, bijna als een didactisch beeldverhaal. Deze schilderijen zijn voor een groot deel gerestaureerd of gereconstrueerd met de hulp van de reeds vermelde Vlaamse verenigingen en op vraag van de gemeente Kaaster, gesteund door de Vlaamse Gemeenschap. Op 1 oktober a.s. om 14.30 u wil het Kaasterse comité van de Drie-Maagdenkapel de verenigingen en de mensen die deze verfraaiingen hebben mogelijk ge-maakt, graag hulde brengen met een viering. Priester Cyriel Moeyaert uit Sint-Jan-Ter Biezen, secretaris Johan Van Herreweghe, voordrachtkun-stenaar Guido van der Meersch, voorzitter Gijs Van Ryckeghem, Marjet Verbrugge van het FVV en oud-burgemeesteres Marie-F. Gournay-Demey belichten daar de vele inspanningen voor deze kapel. Er is een rondleiding in en rond de kapel, waarna een bezoek voorzien aan de omwalde hoeve Oudenheem, het vermoedelijke verblijf van de blinde heer van Strazele en er wordt een begeleid bezoek gebracht aan Hazebroek en de bibliotheek van het Comité flamand de France en het monument ter ere van priester-volksvertegenwoordiger Jules Lemire, de Daens van Frans-Vlaanderen. De kapel biedt plaats aan ongeveer 120 bezoekers. Vrienden van Frans-Vlaanderen worden van harte naar deze viering uitgenodigd.

 

Vanaf de zijlijn


Maarten Heida, Veenendaal

Blinde vlekken in het collectieve geheugen van Nederland en Duitsland

Vanaf 31 maart tot 2 april 2004 vond in Munster een door het Zentrum für Niederlande-Studien ingericht symposium plaats over Postkolonialisme en herinneringscultuur. De deelnemers – maar liefst 120 personen hadden ingeschreven – waren afkomstig uit Duitsland, Nederland, België en Zwitserland. Ze vertegenwoordigden een breed scala aan studierichtingen zoals sociologie, geschiedenis, Afrikanistiek, Neerlandistiek en literatuur- en filmwetenschap. Na afloop zijn de referaten gebundeld en als deel 4 uitgebracht in de reeks Niederlande-Studien.
De inleidende bijdrage is verzorgd door Helma Lutz en Kathrin Gawarecki; belast met de redactie was het hun taak het thema in het juiste kader te plaatsen. Dat doen ze door te verwijzen naar de Holocaust als een “universeel erkend symbool van het wereldomvattende geheugen als maatstaf voor het morele bewustzijn van de mensheid”. Echter het gevolg is geweest dat daardoor het Duitse kolonialisme is schuil gegaan achter het nationaal-socialisme. In dit verband wordt herinnerd aan het optreden van Duitse koloniale troepen in het huidige Namibië tegen de in opstand gekomen Herero’s en Nama’s; de daarmee gepaard gaande wreedheden staan te boek als de eerste volkerenmoord van de 20e eeuw. Het is tegen deze achtergrond dat zich de begrippen “racisme” en “kolonialisme”aftekenen; in feite komt het erop neer dat ze in elkaars verlengde liggen. En samen spelen ze een niet te onderschatten rol in het collectieve herinneringspatroon dat op zijn beurt weer samenhangt met het huidige geschiedenisbewustzijn. Vandaar dat voor het houden van genoemd symposium is gekozen voor het voorjaar van 2004. Men had gehoopt dat het voor de Duitse regering aanleiding zou zijn toen haar verontschuldigingen uit te spreken aan het adres van de huidige bestuurders van Namibië. Het gebeurde alsnog op 14 augustus 2004 maar van enige vorm van Wiedergutmachung kon geen sprake zijn. Wel werd besloten een conferentie te beleggen om zich te beraden over het op gang brengen van een verzoeningsproces (dat ondertussen in november 2004 in Bremen plaatsvond).
Naar aanleiding van deze problematiek hebben Lutz en Gawarecki zich de vraag gesteld hoe daarmee wordt omgegaan in andere Europese landen. Er waren twee redenen om daarvoor bij Nederland te rade te gaan. Allereerst vanwege de samenhang tussen de duur van het koloniale verleden enerzijds en de intensiteit en kwaliteit van de maatschappelijke discussie en vervolgens om wat er  gedurende de laatste jaren gebeurd is en wat uitgemond is in de oprichting van een monument ter herinnering aan de slachtoffers van de slavernij en slavenhandel in Amsterdam. Om het symposium dan ook aan zijn doel te laten beantwoorden is een beroep gedaan op de medewerking van vertegenwoordigers van een verscheidenheid aan wetenschappelijke disciplines uit zowel Duitsland als Nederland. Hun voordrachten zijn gebundeld om ook niet-deelnemers in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van wat te berde werd gebracht.
Een van de onderwerpen waarover in Duitsland niet werd gesproken was dat van het koloniale wanbeleid uit de beginjaren van de 20e eeuw. Het getuigt zonder meer van moed de toen gepleegde volkerenmoord ter discussie te durven stellen. Reinhard Kössler schetst een indringend beeld van de daarmee gepaard gegaan zijnde wreedheden. Afsluitend deinst hij er niet voor terug een samenhang te zien tussen de koloniale onderwerpingstrategie en de op uitroeiing gerichte opzet van het Nazi-optreden.
Dat ook Nederland heeft af te rekenen met herinneringen aan een koloniaal verleden wordt zonder omhaal van woorden duidelijk gemaakt door Gert Oostindie. In toenemende mate is men zich daarvan gedurende de laatste decennia bewust geworden. Opmerkelijk is daarbij dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen datgene wat er gebeurd is in het huidige Indonesië en de voormalige koloniën in de West. Het verschil in de kolonisering is niet vreemd aan het omgaan met dit stuk verleden.
Micha Brumlik knoopt in zijn bijdrage aan bij het Schriftwoord uit Matteüs 40 waar te lezen staat: “Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het aan Mij gedaan.” Naar zijn mening zal het er in de oecumene van de geglobaliseerde wereld van de 21e eeuw om gaan dit denkbeeld – tegen de achtergrond van het panorama van de ervaringen van de moorddadige 20e eeuw – zowel in sociaal als historisch-opvoedkundig opzicht wetenschappelijk recht te doen.
In het kader van het thema rond het collectieve geheugen in het tijdperk van de globalisering heeft Hasko Zimmer gepoogd een antwoord te geven op de vraag of er sprake is van een postnationale herinneringscultuur. Als eerste aanzet daartoe geeft hij aan welke concepten en veronderstellingen ten grondslag liggen aan de discussie. Vervolgens schetst hij de opvallende ontwikkelingstrends in de internationale omgang met het verleden, Afsluitend besteedt hij aandacht aan de verklaring van de door hem vastgestelde verandering; hierbij gaat het hem in het bijzonder om de mogelijke gevolgen van het globaliseringsproces in het geval het zou kunnen leiden tot nieuwe transnationale vormen van herinnering.
Anne Kerber heeft er een aantal Duitse schoolboeken op na geslagen om te onderzoeken op welke wijze daarin aandacht wordt geschonken aan Duitslands koloniale verleden. Het heeft aan het licht gebracht dat die aandacht zeer spaarzaam is. Van de drie historische studieboeken voor middelbare scholieren – waarop ze haar analyse heeft “losgelaten” – zijn er twee die er nauwelijks over reppen. Slechts één schrijver heeft het aangedurfd opening van zaken te geven. Ze sluit dan ook af met de vaststelling dat het bestuderen van dit stuk geschiedenis blijkbaar nog altijd in de kinderschoenen staat.
Een gehaal ander aspect wordt belicht door Rudolf Leiprecht. Hij heeft zich tot taak gesteld de herinneringscultuur in Duitsland en Nederland met elkaar te vergelijken. Het eerst wat hem daarbij is opgevallen is de verscheidenheid in de betuigingen van onschuld. Hij werkt dat gegeven verder uit in het hoofdstuk Nationale identiteit en negatieve dimensies van de geschiedenis zowel met betrekking tot de Nederlandse als de Duitse situatie. Via dit tussenstation komt hij terecht bij het verband tussen aan de éne kant Holocaust en kolonialisme en aan de andere kant het racismebegrip. Afsluitend stelt hij aan de orde wat daarvan de gevolgen zijn voor de herinneringscultuur en het cultuurbegrip én de opvoedkundige lessen die daaruit te trekken zijn.
Pamela Pattynama heeft haar betoog over Postkoloniale herinnering aan Nederlands-Indië opgehangen aan twee geschriften van Hella Haasse. Deze in 1918 in deze kolonie geboren schrijfster heeft met name in haar romans Oeroeg ‘1948) en Sleuteloog (van de pers gekomen in 2002) de verandering in het collectieve geheugen met betrekking tot het koloniale verleden treffend onder woorden gebracht.
Nicole Jansen heeft haar verhaal op een soortgelijk stramien geborduurd; ook daarin speelt een roman de hoofdrol en wel Het lied en de waarheid van Helga Ruebsamen. Dit boek doet dienst als voorbeeld in het kader van haar onderzoek met betrekking tot zowel het centrale motief van de herinnering als de daarmee verbonden processen. Het opmerkelijke van deze roman is dat daarin én het voormalige Nederlands-Indië én het nationaal-socialistische Europa te sprake komen.
Een heel ander aspect wordt belicht door Matthias Heyl. In zeer persoonlijke bewoordingen geeft hij uiting aan zijn bezwaren en verwachtingen om die vervolgens te verbinden met zijn opvatting aangaande de discussie rond het nationaal-socialisme en kolonialisme. Tegelijkertijd is hij zich terdege bewust van de noodzaak van het vergelijkend onderzoek om zo zicht te krijgen op de kenmerken van het racisme dat ten grondslag lag aan beide –ismen.
In 2002 was het 400 jaar geleden dat de Verenigde Oostindische Compagnie werd opgericht. Dit feit is voor Kathrin Gawarecki aanleiding geweest de hierop betrekking hebbende berichtgeving in een deel van de Nederlandse pers te bestuderen. Wat haar bijzonder interesseerde was in welke mate de herinneringscultuur er in doorklonk. Haar bijdrage is dan ook te beschouwen als de neerslag van het door haar verrichte onderzoek.
De afsluitende bijdrage is geschreven door Frank van Vree, in het dagelijks leven hoogleraar voor journalistiek en cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schetst de ontwikkeling van het Nederlandse kolonialisme in Indonesië zoals die weergegeven wordt in het visuele beeldmateriaal voor zover dat kadert in de herinneringscultuur. Kenmerkend is de gelijktijdigheid van enerzijds een toenemend kritisch nadenken en anderzijds een af te rekenen hebben met gevoelens van nostalgie.
In het bovenstaande heb ik een zeer opmerkelijk boek voorgesteld. Die onderscheidende aantekening heeft met name betrekking op de wijze waarop gereflecteerd wordt op het begrippenpaar racisme en Holocaust. Ik heb me bij tijd en wijle niet aan de indruk kunnen onttrekken dat het gefunctioneerd heeft als een soort keurslijf wat op zijn beurt – zo heb ik het tenminste al lezend ervaren – van invloed is geweest op het gehanteerde taalgebruik. Het kostte me meer dan gewoon moeite door te dringen tot wat de hoofdzaak was van het meegedeelde. Hiermee wil ik niet te kort doen aan de betekenis die ik aan deze studie toeken. Het ontdekkende ervan is het centraal durven stellen van het daarstraks genoemde begrippenpaar. Ik beschouw deze bundel dan ook als een eerste stap op een terrein dat wacht op verdere ontginning. Het willen meewerken aan dit symposium getuigt zonder meer van moed; het is ongetwijfeld gedaan in de hoop dat door hun toedoen dit thema op de kaart kwam te staan en bespreekbaar werd gemaakt.
_________________

N.a.v. Helma Lutz & Kathrin Gawarecki (red.), Kolonialismus ind Erinnerungskultur. Die Kolonialvergangenheit im kollektiver Gedächtnis der deutschen und niederländischen Einwanderungsgesellschaft. Niederlande-Studien Band 40. Waxmann Verlag, Münster, 2005, 206 p., 29,90 €, ISBN 3-8309-1491-1

 

De schoonheid van het Eemsland proefondervindelijk vastgesteld

Mogelijk klinkt u dit tussenkopje iets te uitbundig in de oren. Toch ben ik niet voornemens er ook maar één woord van terug te nemen. Wie in navolging van mijn tocht door dit prachtige landschap ermee gaat kennismaken, zal dat gaan beamen. Voor het maken van deze op de fiets afgelegde tocht heb ik dankbaar gebruik gemaakt van de door de regionale Touristikverein uitgebrachte kaartenset. Met behulp daarvan heb ik kennis kunnen maken met dit unieke landschap. Dat men in deze streek verkenners een goed hart toedraagt, blijkt onder meer uit de speciaal voor hen neergezette bouwsels – waarvan de Wilster Hütte er één is – die een uitstekende mogelijkheid bieden voor het inlassen van een rustpauze.

Het geheel van de 6 op topografische kaarten (schaal 1/50000) ingetekende tochten dragen als verzamelnaam Die Giebelroute. Onderweg kom je tot de ontdekking dat deze benaming volledig overeenkomt met de werkelijkheid. Deze streek blijkt inderdaad rijk te zijn aan een grote verscheidenheid van gevels. Met behulp van de routebeschrijving is het niet mogelijk ernaast te kijken. Trouwens ook in het bijgesloten Von Balken, Butzen und Bauernhäusern wordt daarover een boekje opengedaan. Tegelijkertijd wordt u door dit geschrift geïnformeerd over de geschiedenis van dit zuidelijk deel van het Eemsland. Voor belangstellenden: het vernoemde Touristikverein Freren-Lengerich – Spelle e.V. is te vinden in de Mühlenstr. 39, D. 49382 Freren (tel. 0049-5902 940 800). Behalve de kaartenset maakt ook de brochure Urlaub und Freizeit südliches Emsland deel uit van het informatiepakket. Een bezoek brengen aan dit gebied zult u zeker ervaren als een goed vertoeven.

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53

NL. 3905 CB Veenendaal

Het laatste woord

Leo Camerlynck, Ukkel


Zon en schaduw over Frans-Vlaanderen

Toegegeven, het valt op dat in het straatbeeld van heel wat Frans-Vlaamse steden en dorpen het Nederlands aanwezig is. Veel meer dan zo’n kwarteeuw geleden. Vooral in het Rijselse wordt heel wat in het Nederlands vermeld zoals de tweetalige (FR/NL) parkeermeters, de Nederlandstalige aanduidingen in de stations Lille-Flandres en Lille-Europe, de musea te Rijsel en Villeneuve d’Ascq, de verkeerssignalisatie langs de ringwegen, Nederlandstalige aankondigingen en richtlijnen in winkelcomplexen, en ga zo maar door.

In de Westhoek is het Vlaams-Nederlands ook duidelijk zichtbaar. De vereniging EUVO o.l.v. de E.H. Luc Vranckx heeft hier beslist baanbrekend werk geleverd, dat rechtstreeks en onrechtstreeks zijn invloed laat gelden op tal van privé-initiatieven zoals herbergen, slagers, bakkers, wijnhandelaars, landbouwbedrijven, particulieren e.a..

De steeds achteruitboerende kennis van het Vlamsch werpt dan weer een schaduw over het geheel. Daar waar men zo’n dertig jaar geleden een brood bij de bakker, een kotelet bij de beenhouwer/slager, een biertje bij de kastelein of de bazin in het Vlamsch of het Nederlands kon bestellen, kwijnt dit jammer genoeg langzaam weg.

Nog droeviger is het gesteld met het Nederlands in delen van het onderwijs, waar het CAPES of “Certificat d'Aptitude au Professorat de l'Enseignement du Second Degré” met betrekking tot het Nederlands voor twee jaar is opgeschort. Dit betekent een zware domper op de jarenlange inzet van personen en verenigingen die ijverden voor de bevordering van het Nederlands zoals het Komitee voor Frans-Vlaanderen o.l.v. Dirk Verbeke en anderen. Maar hoop doet leven, wellicht wordt het vanaf 2008 op dat vlak weer beter.

Positief is dan weer dat het “Maison du Néerlandais / Huis van het Nederlands” te Belle (Bailleul) het goed tot heel goed stelt.

En ook op universitair vlak gaat het te Rijsel opnieuw flink wat beter. Ook groeit de belangstelling voor de Nederlandse taal én cultuur te Duinkerke, Bonen (Boulogne-sur-Mer), Atrecht (Arras), Valencijn (Valenciennes), Amiens, zoals bleek uit gesprekken tijdens het jongste congres van de “Internationale Vereniging voor de Neerlandistiek”, dat in augustus 2006 te Gent plaatsvond.

Leo Camerlynck, Voorzitter Stichting Zannekin

 

Red het Blazoen van Dowaai


Onze Stichting Zannekin gaf in 2004 ter gelegenheid van de herdenking van de slag op de Pevelenberg een tweetalige publicatie Pevelenberg 1304-2004 Mons-en-Pévèle uit met op de voorkaft een kleurenfoto van een blazoen van de stad Dowaai of Douai in Frans-Vlaanderen.

Dit blazoen bestaat uit het rode wapenschild van de stad Dowaai met een hart dat door een pijl wordt doorboord en waaruit zes druppels bloed vloeien. Deze zes druppels bloed symboliseren de zeshonderd Vlamingen uit Dowaai, die tegen de Fransen streden tijdens de Guldensporenslag volgens bepaalde historische bronnen of tijdens de Slag aan de Pevelenberg volgens andere geschiedkundige overleveringen. In Dowaai is het overduidelijk dat het om de Guldenspoorslag gaat omdat de datum van 1302 en de leuze “Gloire aux Vainqueurs” op het blazoen vermeld staan. Dit blazoen, getooid met bladeren, prijkt aan de voorgevel van een pand in de hoofdstraat van deze zuidelijkste Vlaamse stad.

Begin september besliste de stadsraad om het pand een andere bestemming te bezorgen, waarbij het niet uitgesloten is dat dit kleinood zou verdwijnen. Dit blazoen symboliseert de gehechtheid van de stad Dowaai aan Vlaanderen. Het werd aangebracht in 1902 ter gelegenheid van de herdenking van de Guldensporenslag, tijdens dewelke ook een munt werd geslagen eveneens met de datum van 1302 en de leuze “Gloire aux Vainqueurs”.

De façade van het betrokken pand met het blazoen is dringend aan restauratie toe. De Stad Dowaai gaat akkoord om haar steentje tot deze werken bij te dragen op voorwaarde dat er ook in privé-sponsoring wordt voorzien. Hoeveel de restauratiewerken gaan kosten, is thans nog niet bekend.

De Stichting Zannekin heeft zich bereid verklaard een bepaald bedrag voor te schieten om deze unieke gevel te helpen vrijwaren. Onze financieel gezonde doch niet echt gefortuneerde stichting doet een oproep naar haar leden toe, alsook naar sympathiserende verenigingen en belangstellenden om ons bij dit initiatief te steunen.

De naam van de donatoren wordt vermeld voor zo ver ze uiteraard hiermee akkoord gaan. Ook wordt te Dowaai overwogen een gedenkplaat in het Nederlands en het Frans te ontwerpen.

Uw bijdrage kunt u overschrijven op het nummer 464-8220251-39 van de Stichting Zannekin – Paddevijverstraat 2 – B 8900 Ieper met de vermelding “Red het Blazoen van Dowaai”. Alvast onze hartelijke dank bij voorbaat.

Zie ook onder de rubriek ‘mededelingen’

Leo Camerlynck, voorzitter Zannekin