> nieuwsbrief > 25e jg. - 1e trimester 2007

Bijdragen over: Tip

Mededelingen

Hernieuwen ledenbijdrage 2007

Eens te meer nadert de jaarwisseling met rassé schreden. Voor de penningmeester brengt dit mee om ervoor te zorgen dat de hernieuwing van de bijdragen andermaal vlot verloopt.

In ruil voor een ongewijzigde basisbijdrage van 25 € verzekert u zich ook in 2007 van een abonnement op onze Zannekin Nieuwsbrief en van het – reeds 29eJaarboek De Nederlanden ‘extra muros’. Als steeds hopen we er andermaal op dat eenzelfde aantal leden spontaan deze basisbijdrage afronden tot het ronde bedrag van 30 €. Zij immers maken het ons mogelijk om extra-initiatieven te ontwikkelen, als b.v. de publicatie van brochures naast de Nieuwsbrief en het Jaarboek. Voor het vereffenen van de ledenbijdrage verwijzen we naar onze rekeningnummers in respectievelijk België, Nederland en Duitsland, die u elders op deze webpagina’s vindt.

Folder

De generatie van hen die nog doordesemd waren van het nut van de geschiedenis in het perspectief van een beter begrijpen van de eigen tijd is, zo lijkt het wel, stilaan aan het wegdeemsteren in de nevel van de tijd. Wij menen nochtans dat het weten ‘waarvandaan’ nodig blijft teneinde de koers naar het ‘waarheen’ te bestemmen. Daarom ontwikkelden we een folder die we u op eenvoudig verzoek graag toezenden. Spreek er een jongere mee aan met aandacht voor onze geschiedenis en bekommernis over de toekomst – en overtuig hem of haar er van om lid te worden van Zannekin. Alleen zo zullen wij ook op langere termijn in staat blijken om onze opdracht te blijven vervullen. Ook kan gedacht worden aan een geschenkabonnement op onze publicaties. Vermeld dan wel uitdrukkelijk naam en volledig adres van de gegadigde. Zowel hij/zij als uzelf ontvangt dan van ons bij wijze van dank – voor zover de voorraad strekt – een exemplaar van onze extra-uitgave Laus Flandriae, van de hand van de Frans-Vlaamse voorman Jean-Marie Gantois.

Meerdaagse reis Oostland

Verderop in deze Nieuwsbrief  - in de rubriek 'Hert laatste woord' - leest u meer over onze geplande meerdaagse reis, op zoek naar sporen van de Nederlanden in het Oostland waarheen onze voorouders trokken. De data ontbreken nog en dit is te wijten aan de nog niet gekende datum van de Belgische federale verkiezingen. Van zodra deze laatste datum bekend is, kan u op het opgegeven tele-foonnummer onze reisdata opvragen.

Vooruitblik op 2007

Onze Studie-uitstap zal doorgaan op 19 mei 207. Te Kevelaer loopt dan een boeiende tentoonstelling over de Habsburgers. Ook Gelre en Straelen komen bij die gelegenheid in ons blikveld.

De Ontmoetingsdag wordt een weekeinde-gebeuren te Emden in Oost-Friesland rond het thema van de Tachtigjarige Oorlog in die contreien. Noteer daarvoor 12-14 oktober 2007.

In 2007 staat ook andermaal een meerdaagse reis op ons programma, waarbij we opzoek gaan naar de sporen van onze Nederlandse cultuur in de huidige Oost-Duitse en Poolse gebieden. Over dit alles uiteraard meer concrete gegevens in onze volgende Nieuwsbrief. Zie ook vorig rubriekje.

Flemish government involved in Eurodistrict Lille-Flanders

Flanders and the Flemish government will contribute their mite to establish a European district Lille-Flanders, a new administrative body, enabling both French and Flemish authorities to make joint decisions relating to the development of the French-Flemish town of Lille into a cross-border metropolis. In this respect, Flemish PM Yves Leterme and Foreign secretary Geert Bourgeois have paid a visit to the North French region of Nord-Pas de Calais, where numerous cases came to be discussed.

The region of Nord-Pas de Calais really matters to Flanders, all the more since over 5.000 French people cross the national border every day to go working in the province of West Flanders, where several industrial branches are short of skilled workers. This extensive cross-border labour has caused the Dutch language education to get increasingly successful at the schools of the Département du Nord, even though a recent Paris-made decision is threatening to saddle these with a shortage of Dutch teachers.

[Bron: Flandersonline newsletter]

Kalender Davidsfonds Frans-Vlaanderen

De wandkalender 2007 van het Davidsfonds Frans-Vlaanderen is reeds van de pers en verrast andermaal met een aantal unieke diabeelden van ons Frans-Vlaamse culturele erfgoed. Op het vlak van monumenten maken we kennis met het belfort van Bonen, de Biernse Poort te St.-Winksbergen, de abdijtoren op de Watenberg, de ‘Watergangs’ nabij St.-Omaars, en de kerktoren van Broekkerke. Daarnaast de weergave van een tweetal kunstwerken, nl. de Graflegging (17e eeuws houtsnijwerk) te Wijlder, en de ‘Boodschap van de engel aan Maria’, een glasraam in de kerk van Kassel.

Als extraatje vindt de lezer ook een afbeelding, met ruime toelichting, van de ‘Vlaamse Leeuw met banderol’, waarop te lezen staat: “Malgré moi, Français je suis, Flamand je reste, malgre tout”.

Elke afbeelding gaat gepaard met een ruime historische toelichting in het Nederlands en het Frans. Graag vermelden wij hieronder de coördinaten voor het bestellen deze nieuwe kalender: het rekeningnummer waarop de 7 € dienen betaald te worden luidt: 000-1529169-61. Het telefoonnummer van Jan van Ormelingen is 016-720 187. Zijn adres is: Oude Baan 98, 3370 Roosbeek. Zijn e-postadres luidt janvanormelingen@yahoo.com

Dialectdag – Tag des Platt

Op 28 oktober j.l. vond – ditmaal in Winterwijk - voor de 42e maal de Dialectdag plaats. Dit gemeenschappelijk initiatief van de Stichting/ Arbeitsgemeinschaft Achterhoek-Westmûnsterland i.s.m. de Kulturkreis Schloss Raesveld, het Staring Instituut, de Dialectring Achterhoek en Liemers en het Landeskundliches Intitut Westmûnsterland had dit jaar als thema Waarom schrijf ik dialect- Warum schreibe ich Platt?


Petrus Pictor


Gijs van Ryckeghem, Waregem

Deze dichter die op het einde van de elfde en in het begin van de twaalfde eeuw geleefd moet hebben is vooral bekend door zijn gedicht "De Laude Flandriae", (Een Lof van Vlaanderen) dat Lambert van Sint-Omaars in 1120 al opnam in zijn "Liber Floridus".

Wat we over de dichter willen weten kunnen we alleen maar afleiden uit zijn werk.

Naast "De Laude Flandriae" bestaat zijn werk uit gedichten die alle in een middeleeuws Latijn geschreven zijn en vaak de misbruiken in kerk en wereld op de korrel nemen. Door deze hekeldichten zouden we hem kunnen plaatsen in de wereld van rondzwervende studenten en klerken, die "Vaganten" genoemd werden. Ook zijn "De Laude Flandriae" wijst in die richting. "Vlaanderen, als ik aan u denk, dan wil ik steeds weer naar u terugkeren." is de rode draad die door dit gedicht loopt.

Wellicht stamt Petrus Pictor niet van edele of welgestelde ouders af. In zijn "Dominus vobiscum" klaagt hij erover dat een rijke geestelijke zonder hogere vorming maar met veel geld het tot bisschop kan brengen en dat naar een arme geschoolde niet omgezien wordt.

Uit de opschriften en vermeldingen van zijn werk vernemen we dat hij bekend stond als "filius Johannis", zoon van Jan, en dat hij kanunnik was in Sint-Omaars. Zoals andere vaganten lijkt Petrus Pictor na zijn omzwervingen een gevestigd bestaan geleid te hebben.

Werd hij in de volkstaal "Pieter de Schilder" genoemd? Was hij naast schrijver misschien ook miniaturist die zijn handschriften verluchtte? En is hij dezelfde als Meester Pieter van Sint-Omaars, die een werk schreef over het bereiden van kleuren onder de titel: "Liber magistri Petri de Sancto Audomaro de coloribus faciendis" ?

In zijn "De Laude Flandriae" vraagt hij aan God dat hij naar zijn geboortegrond terug mag keren en daar eens als ingezetene mag wonen. Sint-Omaars behoorde toentertijd bij het graafschap Vlaanderen. Daarnaar zag hij uit, daar voelde hij zich thuis.

De vaderlandsliefde die in dit gedicht naar voren komt beperkt zich niet tot de stad waar hij geboren is maar omvat het hele land en volk, dat één is in vroomheid, werkzaamheid,  goedheid en dapperheid. Nooit eerder werd zo een diep gevoel van Vlaamse vaderlandsliefde verwoord als in "De Laude Flandriae" van Petrus Pictor.

 

            Rursus mando vale,                                     Gegroet trouw Vlaanderen, land

            proba Flandria, terra proborum!              waar eer en trouw steeds schijnen!

            Mando, remando vale,                                 U blijf mijn groet verpand,

            mea Flandria, terra meorum!                    mijn Vlaanderen, land der mijnen!

 

 

"Chiroux" en “Grignoux


Willy Alenus, Oostende

“Chiroux” en “Crignoux”: dit zijn spotnamen voor twee politieke ‘factions’ (partijen) in het 17de-eeuwse prins-bisdom Luik. De Chiroux (= zwaluwen), die doorgaans tot de gegoede standen behoorden, - adel, hoge geestelijkheid en burgerij, - steunden op de prins-bisschop, op de Habsburgers en op de keizer, - hij was  trouwens een Oostenrijkse Habsburger. Johannes Alenus III was een van de kopstukken van de Oostenrijks-Beierse partij.

De Grignoux (waarschijnlijk van het werkwoord 'grigner', = flodderen of slobberen), vormden een democratische groep die naar vollediger zelfbestuur van de steden streefde en bij het anti-Habsburgse Frankrijk en bij de (protestantse) Republiek der Verenigde Nederlanden steun zocht en vond. Godefridus Wendelinus kan een van zijn sympathisanten of zelfs medestanders zijn geweest.

De partijtwisten bereikten een hoogtepunt na de intrekking in 1628 van het democratische kiesstelsel van 1603. De Herkse burgemeesterssteen (Alenus- Hermans), dateert niet toevallig van 1628; Alenus was toen ook nog, al jarenlang, raadsheer van de Palts-keurvorst Maximiliaan I van Beieren, dit is ook de stichter-chef van de Katholieke Liga (1609) en de broer van de regerende prinsbisschop Ferdinand van Beieren.

Het herstel van het oude regime bracht geen rust. In 1637 werd de leider van de Grignoux, de Luikse burgemeesterde la Ruelle, vermoord. Zelfs de Vrede van Tongeren van 1640, die ook de Luikse neutraliteit ten overstaan van zijn oorlogvoerende buurlanden herstelde, verzoende beide partijen slechts ogenschijnlijk.

In 1646 kwamen, met Franse steun, de Grignoux weer aan de macht. Ondertussen waren zij reeds, in het Loons-Luikse Herk-de-Stad, erin geslaagd Johannes Alenus III,op 18 augustus 1644, als scepene ende secretaris Oppidum Herckensis, alsnog opzij te zetten, - hij stierf op 20 augustus 1644. Op 17 november 1670, bij de erflating van zijn weduwe Joffrau Margriet Bolgry, dit is 26 jaar na zijn dood, blijkt dat hij op 18 augustus 1644, nog altijd met zijn gekende titels werd aangesproken; het testament was trouwens opgesteld door pastoor Wendelinus, de oude vriend des huizes en hoogstwaarschijnlijk een aanverwant.

Door de Vrede van Münster (1648), viel de Franse steun aan de Grignoux weg en in 1649 kwam door middel van een Beierse tussenkomst de restauratie van prins-bisschop Ferdinand, - dit zijn de Beieren die Alenus zijn levenlang trouw heeft gediend. Er volgde toen, met ingang van 1649, een scherpe repressie en een nieuw kiesstelsel, waardoor de politieke invloed van de gilden werd uitgeschakeld.

In die politieke tegenstellingen moet o.i. de reden worden gezocht van de gloeiende ruzie (1628 ?) tussen Wendelinus en Alenus en alhoewel die ruzie in 1644 kennelijk al lang was bijgelegd, kan ook hier de reden worden gezocht waarom Wendelinus nooit is teruggekeerd naar zijn geboortestad (waar hij o.a. leraar, rector en pastoor van de parochie was geweest), om er te sterven en er begraven te worden.

Dat prins- bisschop Ferdinand van Beieren, in 1644, zijn "cher et aymé Jean Alenus" in de steek zou hebben gelaten, klopt dus ook niet; Ferdinand was toen (tijdelijk) niet machtig genoeg om zich tegen de vijanden van de partij van Beieren, d.i. zijn eigen partij, d.i. de partij van Johannes Alenus III, alsnog te verzetten. Vandaag blijft in Luik, als herinnering aan die tijd, alleen nog "l' Hôpital de Bavière" over.

Middelerwijl had heel de streek, tot ver buiten de grenzen van het huidige kanton Herk, te kampen met de zwarte dood, allesverwoestende branden, besmettelijke ziekten en oorlogsmisdaden vanwege niet- betaalde, muitende en niets ontziende landsknechten.

 

De eerste van de drie veldslagen van Guinegate


Renaat Vanheusden, Hasselt

Inleiding

Onder al de historische plaatsen, die zo talrijk te vinden zijn zowel in Vlaanderen als in Artesië, is er toch één die door een buitengewoon toeval op een niet alledaagse manier geboekt staat: Guinegate! Drie maal in minder dan zestig jaar werd daar gevochten om het bezit van Vlaanderen.

Het middeleeuwse Guinegate ((Gwinegate), thans Enguinegatte geheten, is heden ten dage een bescheiden dorpje van ongeveer 450 inwoners, gelegen op nauwelijks vier kilometer van Terwaan (Thérouanne), de oude bisschopstad aan de Leie. De oudst bekende schrijfwijze is Ignegat (1119), vervolgens Inkenegat en Ingwinegate.

Terwaan – voorheen bekend als Tarwenna, hoofdplaats van de Morinen – was in wezen een Franse enclave in Vlaams gebied. Bisschopstad sedert 639, werd Terwaan herhaaldelijk verwoest, o.m. door de Noormannen in 885 en door de Engelsen, tijdens de 100-jarige Oorlog, in 1380. Na hevige gevechten werd de stad in 1553 door keizer Karel V volledig met de grond gelijk gemaakt en herstelde zich eigenlijk nooit meer. Ook vandaag telt Terwaan nog altijd minder dan 1000 inwoners.

Slechts enkele honderd meter vanaf de indrukwekkende kerktoren van Guinegate met zijn typisch Vlaamse kenmerken komt men via een holle weg uit op een grote vlakte, uiterst geschikt voor grote militaire operaties en waar dan ook verschillende malen door de wapens over de toekomst van deze streek beslist werd. Hier is Fortuna wel heel grillig geweest. Door een samenloop van omstandigheden, die zich wellicht nooit meer zal herhalen, werd in Guinegate door dezelfde legeraanvoerder twee maal op dezelfde plaats dezelfde vijand verslagen. En telkens in dezelfde maand augustus!

Op 7 augustus 1479 versloeg aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk het leger van koning Lodewijk XI van Frankrijk. Deze eerste slag bij Guinegate staat bekend als de Slag van de Opgestroopte Mouwen.

Op 16 augustus 1513, versloeg dezelfde Maximiliaan, nu keizer geworden, het Franse leger van koning Lodewijk XII in hetgeen later genoemd werd de (Tweede) Sporenslag. En de derde veldslag van Guinegate? Die had plaats einde juli 1537, nu tussen keizer Karel V en koning Frans I en staat geboekt als de Slag van de Poederzakken. Aan beide laatste veldslagen besteden we aandacht in een volgend nummer.

1. De Dag van de Opgestroopte Mouwen, 7 augustus 1479

Jean Molinet (1435-1507) was de officiële geschiedschrijver van het Bourgondische huis en heeft de kronieken daarvan geschreven over de periode 1474-1506). Hij besluit zijn verhaal van deze veldslag als volgt: “In 1479 heeft Maximiliaan, onze goede graaf en heerser, naar zijn hol teruggejaagd Lodewijk, de elfde van die naam, die – nadat hij door laagheid en verraad Karel de Stoutmoedige overwonnen had – opnieuw zijn zinnen op Artesië gezet had”.

Inderdaad, onze Karel de Stoute (1433-1477) – die in het Frans steevast “le hardi” of ook wel “le témeraire” genoemd wordt – was op 5 januari 1477 gesneuveld tijdens de slag van Nancy. Hij had zich de eeuwige haat van de Franse koning op de hals gehaald, toen hij deze in 1468 te Péronne verplichtte afstand te doen van zijn leenheerlijke rechten over Vlaanderen. En alhoewel Lodewijk XI in Nancy niet persoonlijk van de partij is geweest, tevoren heeft hij al het mogelijke gedaan om de bondgenoten van de Bourgondiër van kamp te doen wisselen en hem aldus volledig te isoleren.

Karel de Stoute werd opgevolgd door zijn enig kind, de nauwelijks twintigjarige Maria (1457-1482). Lodewijk XI zag onmiddellijk zijn kans gekomen. Van oordeel dat het hem veel gemakkelijker zou vallen heel de Bourgondische erfenis binnen te rijven door diplomatie dan door wapengeweld, trachtte hij zijn zevenjarig zoontje, de latere koning Karel VIII (1470-1498) te koppelen aan de dertien jaar oudere Maria van Bourgondië. Door zijn drijverijen  werden in april twee van de trouwste raadgevers van haar vader en van haarzelf, de Bourgondiër Guillaume Hugonet, de kanselier, en de Picardiër Gui de Humbercourt, ridder van het Gulden Vlies, door het opstandige Gentse volk onthoofd: zij werden zogenaamd beschuldigd “het voorstel om zijn Soevereine te doen huwen met de Franse Dauphin gesteund te hebben”. Zogenaamd, want door niets bewezen, tenzij door (valse?) beschuldigingen van de Franse koning zelf.

Toch stuurde Lodewijk daarna nog een ambassadeur naar Gent, namelijk zijn raadsman Olivier, graaf van Meulan, bijgenaamd “de Domme”, om zijn zaak re bepleiten. Maar de Gentenaren, die woest (en wellicht ook jaloers?) waren over de weelde waarmee deze ambassadeur hen trachtte te beïnvloeden, joegen hem en zijn gevolg van 24 ruiters de stad uit. Alleen een overhaaste vlucht belette dat de Franse gezant een bad in de Schelde zou gekregen hebben.

Trouwens, Maria van Bourgondië wilde zelf helemaal niets weten van een huwelijk met de Franse dauphin. Blijkbaar stuitte het idee te gaan trouwen met de zoon van Lodewijk XI (nota bene haar peter!) haar tegen de borst(en). Zij was immers na de dood van haar vader de koning gaan opzoeken om hem te vragen haar belangen te verdedigen, maar deze droomde er slechts van om van haar zwakheid te profiteren en al haar bezittingen zelf te bemachtigen. Een kroniekschrijver uit die tijd noteerde daarenboven: “Zij had haar hart in Duitsland verloren”. Het was dan ook met haar volledige instemming dat de Staten van Vlaanderen onderhandelingen begonnen waren met keizer Frederik III om diens zoon, aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk (1459-1519) de hand van hun prinses aan te bieden. De toen achttienjarige prins was nog twee jaar jonger dan zijn bruid!

Bij deze onderhandelingen werd een belangrijke rol vervuld door Boudewijn II de Lannoy, heer van Torkwijn (Tourcoing). Het huwelijkscontract werd te Gent ondertekend op 18 augustus 1477. ‘s Anderendaags werd het huwelijk reeds voltrokken, eveneens te Gent. Enkele dagen later werd Maximiliaan te Brugge in de kerk van de Heilige Verlosser, plechtig opgenomen in de Orde van het Gulden Vlies. De ordeketen werd hem omhangen door diezelfde Boudewijn de Lannoy, toen de hoogste dignitaris van de Orde.

Vanzelfsprekend was Lodewijk XI niet te spreken, nu hij plots een op het oog gemakkelijke verovering aan zijn neus zag voorbijgaan en daarenboven zich danig in zijn eergevoel gekrenkt voelde. En wat een huwelijk hem niet had kunnen geven, wilde hij nu met geweld gaan veroveren. Hij viel onze Nederlanden binnen, veroverde vooreerst Vermandland (Vermandois) en Ponteland (Ponthieu) met alle steden aan de Somme: Ham, Korbie, Péronne, Abbegem (Abbeville), heel de van nature voorbestemde beschermingsgrens van Vlaanderen. Vervolgens drong hij binnen in Artesië. Eerst werd Arken (Arques) aangevallen, de stad waar in 1326 een verdrag gesloten werd tussen de Franse koning Karel IV de Schone en de Vlaamse leider Zannekin, die tegen zijn graaf Lodewijk van Nevers in opstand was geraakt. Stad en kasteel werden een prooi van de vlammen. Daarna werd ook Lens in brand gestoken. Atrecht zelf, hoofdstad van Artesië, dat geweigerd had zijn poorten voor de Franse koning te openen, werd vreselijk gestraft. Alle inwoners werden gedwongen de stad te verlaten en zelfs haar naam werd gedoemd om te verdwijnen. Atrecht zou voortaan “Franchise” moeten heten, gelukkig niet voor altijd!

Door verraad kan Lodewijk zonder slag of stoot de keizerlijke stad Kamerijk veroveren. Dan ligt de weg open naar Henegouwen. Boussu, Malbode (Maubeuge), Landerschie (Landrecies), de ene stad na de andere vallen in zijn handen. Van Avenne (Avesnes), de stad van de eeuwige vijanden van onze Dampierres, blijven slechts acht huizen, het gasthuis en het Franciscanenklooster overeind staan. De vesting Kiezenet (Le Quesnoy), die de verraderlijke koning vruchteloos getracht had door list in te palmen, wordt vervolgens stormenderhand ingenomen. Maar het beleg van Boesem (Bouchain) werd de koning haast fataal: zijn lijfwacht ving een dodelijke slag op, die eigenlijk voor hem bestemd was. Het hardnekkigste verzet bood de kasteelvrouwe van Konde (Condé) a/d Schelde: door haar woorden en daden gesterkt, gaven de belegerden zich pas over toen alle muren van het kasteel het begeven hadden.

Zo eindigde het jaar 1478 met een somber schijnsel van brandende steden en een vloed van bloedbaden over Artesië en Henegouwen. En vanaf de lente van 1479 begon het weer opnieuw en zelfs nog bloediger. Nu kwam Vlaanderen aan de beurt. Op 19 maart wordt Belle (Bailleul) in brand gestoken. Alleen de kerk en het klooster van Sint Antonius bleven gespaard. Vervolgens krijgen de steden Mergem (Merville), Poperinge en Steenvoorde hetzelfde lot toebedeeld. Maar ook het platteland wordt niet gespaard, want Lodewijk XI heeft ondertussen zijn afschrikwekkende methodes nog verbeterd. Zulks deelt ons inderdaad Jean Molinet mee: “Van mening dat hij (de koning) door afschrik (par horreur) op te wekken kon bemachtigen hetgeen hij eervol (par honneur) niet kon verkrijgen, had hij tienduizend schooiers uit de streek van Soissons, onder het bevel van de graaf van Commartin, Grootmeester van Frankrijk, opgedragen het hele land te verwoesten.”  Want zo staat het letterlijk in een koninklijke brief van 25 juni 1479: “Mijnheer de Grootmeester, ik zend u deze schooiers om de beloofde verwoestingen te verrichten, waarvan gij op de hoogte zijt. Ik bid u, zet hen aan het werk en spaar liefst géén vaten wijn om hen volop te laten drinken en dronken te maken”.

Deze brief kwam van de hand van degene, die – nadat hij zonder resultaat vruchteloos het mandaat van voorzitter van het Parijse parlement aangeboden had aan Oudart de Bussy, een burger van Atrecht, teneinde hem af te brengen van zijn eed van trouw aan zijn Vlaamse gravin Maria – de man liet onthoofden, alhoewel deze beschermd was door een vrijgeleide. En deze zelfde cynische (hondse!) koning schreef vervolgens aan een van zijn vertrouwelingen: “ Er was daar een man, meester Oudart de Bussy, aan wie ik een voorname titel in het parlement aangeboden had. En opdat men daar goed zijn kop zou kunnen herkennen, heb ik hem laten versieren met een bont kapje en tentoonstellen op de markt van Heusden (Hesdin).”

Weldra zou het de beurt worden van Rijsel, Dowaai en Sint-Omaars. Maar ondertussen had Maximiliaan eindelijk zijn troepen verzameld. De gilden en ambachten van de Vlaamse steden hadden talrijke contingenten geleverd, aangevoerd door Jan van Dadizele. Het leger trok de vijand tegemoet en kreeg er contact mee nabij Guinegate.

Het was 7 augustus 1479. En er heerste grote vreugde in het Vlaamse kamp. Maximiliaan had de zijnen aldus toegesproken: “Verheugt u! Eindelijk is de dag aangebroken, waarnaar wij zo lang uitgekeken hebben. Eindelijk staat voor ons de vijand, die zo dikwijls onze velden vernield, onze goederen geroofd en onze huizen in brand gestoken heeft. Het uur waarop gij u dapper zult gedragen is gekomen. Onze strijd is goed en rechtvaardig. Smeek dan ook de hulp af van God, van wie de overwinning afhangt.”

Daarna steeg Maximiliaan af van zijn paard en knielde neer, voorbeeld dat gevolgd werd door al zijn soldaten, die aldus de daad van hun voorvaders op de morgen van de Guldensporenslag herhaalden. Er heerste nu een onbeschrijflijk enthousiasme in de gelederen, bij de heren niet minder dan bij de gemeentemilities. Jozef Kervyn de Lettenhove (1817-1891) schrijft daarover in zijn Histoire de Flandre: “Bij de ridders, die de aartshertog van Oostenrijk omringden, waren er velen, zoals bijvoorbeeld de graaf van Nassau, Engelbrecht II (1451-1504), die hun armen ontbloot hadden als reactie op een grootspraak van de Fransen die ermee gedreigd hadden hun handen af te kappen, indien ze in hun macht zouden vallen.”

Zinspelend op deze daad van dapperheid, is de slag van 1479 de geschiedenis ingegaan als de Dag van de opgestroopte mouwen (la Journée des Démanchés).

Engelbrecht II van Nassau, heer van Breda, had zelf geen kinderen, maar was de oom van zowel Hendrik III (1483-1538), de vader van Reinhard van Nassau (René van Chalon) als van Willem I de Rijke (1487-1559), de vader van Willem de Zwijger. In 1473 werd Engelbrecht opgenomen in de Orde van het Gulden Vlies. Hij bekleedde herhaaldelijk het stadhouderschap over de Nederlanden. Geregeld nam hij ook deel aan de veldslagen van Karel de Stoute. Zo ook aan de beslissende slag van Nancy (1477). Krijgsgevangen genomen door de militie van Straatsburg, een lot dat hij zeker drie maanden lang moest ondergaan, was hij gelukkig niet betrokken bij de dramatische gebeurtenissen van dat voorjaar in de Nederlanden, zoniet had hem wellicht hetzelfde lot getroffen als de twee andere raadsheren Hugonet en Humbercourt.

Het Franse leger telde 28.000 manschappen, het Vlaamse leger ten hoogste 22.000. Daarenboven waren de Vlaamse milities in alle haast bijeengebracht en beschikten ze nauwelijks over ruiterij. De eerste schermutselingen verliepen dan ook niet in het voordeel van de Vlamingen. Hun voorhoede werd ondersteboven gelopen, de gelederen werden open gebroken door de herhaalde aanvallen van de Franse ruiterij van de Crèvecoeur. En velen van de beste aanvoerders gingen verloren. Op de eerste rij sneuvelden de broers Jaak en Antoon van Halewijn. De heren van Gruuthuse, van Condé, van Elverdinge, alsmede Boudewijn Quisterbout, baljuw van de Vier Ambachten, werden gevangen genomen. Vluchtelingen verspreidden zich reeds naar alle kanten, zowel naar Ariën a/d Leie als naar Sint-Omaars. Zelfs iemand als de toen twintigjarige Filips van Kleef werd meegesleept in deze wanordelijke vlucht.

Filips van Kleef, heer van Ravenstein (1459-1527), was een achterneef van de Bourgondische hertog Filips de Goede. Toen Maximiliaan het verdrag niet nakwam dat hij in 1488 te Brugge met de Vlamingen gesloten had, koos hij resoluut partij voor de Vlamingen en bestreed de aartshertog jarenlang, totdat hij in 1492 zijn laatste vesting, Sluis, moest prijsgeven. Engelbrecht van Nassau daarentegen heeft steeds de zijde van Maximiliaan gekozen.

De ontreddering was nu algemeen. Het werd een volslagen ramp: “een lang aangehouden overwinningskreet weerklonk onder de lelievaandels”. De heer van Saint-André verovert het Vlaamse legerkamp en – opdat niemand meer hem  zou storen bij het plunderen – laat hij zijn soldaten iedereen in het kamp afslachten: priesters, ouderlingen, vrouwen, kinderen. Over dat bloedbad schrijft Jean Molinet, de Bourgondische kroniekschrijver, die hier in de nabijheid, namelijk in Deveren (Desvres) geboren is: “O edel huis van Frankrijk, gij hebt voorheen de Sarazijnen bevochten en nu vermoordt gij arme weeskinderen; gij hebt steeds de Kerk beschermd en nu maakt gij haar arme dienaars van kant; gij waart gewend tirannen en andere slechte lieden te temmen en nu ontdoet gij u van arme onschuldigen.” En de Fransen bleven zich in de tenten van Maximiliaan en zijn ridders te goed doen aan hun bezittingen, overvol van Vlaamse schatten.

Maar hebzucht en tuchteloosheid kunnen de krijgskansen doen omkeren. Want op dat ogenblik kwam eindelijk de geduchte Vlaamse infanterie in actie, dezelfde die op 11 juli 1302 te Kortrijk in een slag zonder voorgaande de bloem van de Franse ridderschap vernietigde en die gedurende de Middeleeuwen steeds de koningin van de slagvelden gebleven is. Jan van Dadizele gaf zijn milities van Menen, van Geluwe, van Moorslede en van alle andere kwartieren van Ieper en van Gent het bevel om aan te vallen. Allen snelden ze vooruit met de kreet: “Vlaanderen den Leeuw”.

Hun lange speren doorboren de ridders, een voor een. De admiraal van Frankrijk, de seneschalk van Normandië, de graaf van Maine, de heren van Clermont, Vaudemont en honderd anderen vallen op het slagveld. De Franse stellingen zijn doorbroken. Zelfs de koninklijke artillerie, befaamd om haar serpentijnen (lichte, lange kanonnen) is opgeruimd. Het wordt een algemene aftocht van de Fransen,  richting Ternasland (Ternois), naar Heusden en Blagny. De herinnering aan Azincourt (1415), waar het Franse ridderleger door de Engelsen verpletterend verslagen werd, is niet ver weg … en zelfs Crecy (1346) is nog niet vergeten. Ook daar leed Frankrijk tegen de Engelsen een grote nederlaag, waarbij o.m. de Vlaamse graaf Lodewijk van Nevers  sneuvelde.

De ganse dag door had Maximiliaan zelf grote tekenen van dapperheid vertoond. Bij het hoogtepunt van de strijd zou hij zelfs afgestegen zijn van zijn paard om te voet, aan de zijde van Jan van Dadizele, voorop te gaan aan het hoofd van de milities van zijn Vlaamse “goede steden”. En, steeds volgens Jean Molinet, zou hij zich ’s avonds in het Franse legerkamp “neergevlijd hebben in het erebed, omhangen met roemrijke faam”.

Baljuw Jan van Dadizele was in die jaren de invloedrijkste man in Gent en daardoor ook in Vlaanderen, vermits Gent de grootste macht had. Hij werd op 17 oktober 1481 te Antwerpen vermoord. De daders waren, zo werd algemeen geloofd, edelen uit de omgeving van Maximiliaan. Jaloersheid?

In ieder geval, die dag werden Vlaanderen en Artesië gered en bevrijd uit de wurgende greep van Lodewijk XI. Enkele jaren later, na de plotse dood (op 27 maart 1482) van zijn echtgenote Maria van Bourgondië, werd Maximiliaan door de Staten-Generaal na langdurige debatten erkend als regent voor zijn driejarig zoontje Filips de Schone (1478-1506), maar door hen tevens gedwongen de Vrede van Atrecht (1482) te sluiten met Frankrijk. Daarbij werd o.m. bepaald:

1. Zijn tweejarig dochtertje Margaretha zal huwen met de nu 13-jarige dauphin, de latere Karel VIII, dezelfde die men tevoren getracht had aan haar moeder te koppelen.

2. Franche-Comté, Artesië en enkele kleinere Bourgondische gebieden krijgt Margaretha als bruidschat mee.

3. Het eigenlijk hertogdom Bourgondië wordt voortaan als rechtmatig Frans gebied beschouwd.

4. Frankrijk (Lodewijk XI) “belooft” om voortaan zijn steun aan de vijanden van Maximiliaan te staken.

Herkennen wij daarbij niet het eeuwige zelfde refrein? Van onze kant definitieve toegevingen, van hun kant loze beloften! Er volgt dan ook een heel verwarde periode, met heel wat strubbelingen tussen Maximiliaan en de Vlaamse steden, waarop hoger (bij het tussendoortje over Filips van Kleef) reeds gezinspeeld werd. Die periode bespreken is wellicht voor een andere keer.  Ondanks de herhaalde Vlaamse opstanden tegen Maximiliaan, vooral vanuit Gent geleid, besluit de E.H. Jean-Marie Gantois: “Zelden werd de belangen van Vlaanderen zo goed verdedigd als door deze man, die enkel Vlaming was door adoptie”.

Tot zover de berichtgeving over de eerste veldslag van Guinegate. Deze over de beide andere veldslagen  komt aan bod in de volgende aflevering.

Literatuur

Gérard Landry en Georges de Verrewaere  Histoire secrète de la Flandre et de l’Artois, Editions Albin Michel, Parijs, 1982.

Jean-Marie Gantois, De Zuidelijkste Nederlanden, Oranje-Uitgaven, Wilrijk, 1967.

Pieter Geyl, De Geschiedenis van de Nederlandse Stam, Deel I (tot 1581, Wereldbibliotheek, Amsterdam/Antwerpen, 1961.

__________________

Deze bijdrage werd, met dank, overgenomen uit Het Verbond, 18e jg., nr. 6.

 

Vanaf de zijlijn


Marten Heida, Veenendaal

25 augustus 1905 – Dr. Albertus van Hulzen – 18 september 2006

Een woord ter herinnering

Mijn eerste ontmoeting met Van Hulzen dateert uit de tweede helft van de jaren zestig. Het was ter gelegenheid van een in Rotterdam gehouden Frans-Vlaamse Cultuurdag. In de loop van de voorbije decennia zijn de contacten steeds intensiever geworden. We ontdekten dat we op dezelfde golflengte zaten. Gedurende een aantal jaren namen we deel aan de historische col-loquia die werden ingericht door de Werkgroep Geschiedenis van het Komitee voor Frans-Vlaanderen. Meerdere malen bezochten we samen de cultuurdagen in Waregem en Ekselsbeke. Door ons contact kwam ook de Nederlands-Vlaamse vereniging zannekin binnen zijn gezichtsveld. Zolang hij goed ter been was ontbrak hij vrijwel nooit op de door onze vereniging jaarlijks ingerichte uitstappen en studiedagen.

Van Hulzen had – gezien zijn leeftijd – mijn vader kunnen zijn. Toch was er tussen ons niet sprake van een vader-zoon-relatie; wij gingen met elkaar om alsof we van dezelfde leeftijd waren. Hij beschikte over het vermogen op een ongedwongen manier met jongeren dan hijzelf om te kunnen gaan. Als vanzelf groeide er een vriendschapsrelatie, wat het praten met elkaar sterk vergemakkelijkte. Als ik bij hem op bezoek kwam – en dat was de laatste jaren maandelijks – dan verbaasde ik me elke keer weer over zijn grote be-langstelling voor alles wat er inde wereld gebeurde; bij wijze van spreken “kuierden” we de hele wereld over.

In die gesprekken bleven Vlaanderen en Frans-Vlaanderen niet onbe-sproken. Voor die beide delen van ons taalgebied had hij grote be-langstelling. Menig keer uitte hij zijn bezorgdheid over de taalsituatie in Brussel.

Onder de levenden is met zijn overlijden zijn naam nu uitgewist. Maar in zijn boeken zal die blijven voortleven. Daarmee doel ik niet op de vele door hem verzorgde publicaties maar op zijn boekenbezit. Een half jaar geleden heeft hij namelijk besloten zijn bibliotheek te schenken aan de Universiteit Antwerpen. In deze universitaire instelling zal zijn boekerij straks bekend staan onder de naam Dr. Albertus van Hulzen-bibliotheek.

Tijdens zijn werkzame leven heeft hij een grote schare van jonge mensen gediend met zijn grote historische kennis. Nu hij niet meer onder ons is zal dat kunnen gebeuren door zijn nagelaten boekerij.

_________________

Bovenstaande tekst is uitgesproken tijdens de plechtigheid voorafgaande aan de crematie op de morgen van vrijdag 22 september 26.

Bijbelse voorstellingen op tegels in het Nederrijnland

In de 17e en 18e eeuw genoten diverse steden in de Republiek – zoals Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Delft, Harlingen en Makkum – grote bekendheid vanwege de aanmaak van tegels met daarop Bijbelse voor-stellingen. De verkoop daarvan beperkte zich niet tot het eigen gewest;de tegels waren ook buiten het eigen gewest zeer gewild, gebruikt als ze werden ter versiering van de wanden van keukens en haardsteden.

Dit was trouwens niet het enige motief; de tegels hadden ook een opvoedende betekenis en wel door dienst te doen als hulpmiddel bij het Bijbelse onderwijs. In dit verband mag niet vergeten worden dat in die tijd nog een groot deel van de bevolking analfabeet was.

Maar met dat doel zullen de 54 tegels in de kloosterkeuken van het Kempense Kramer-Museum niet gebruikt zijn. Dat ze daar terecht zijn gekomen is te danken aan de verzamelwoede van de stichter van het naar hem genoemde museum. Door zijn toedoen is dit stuk uiting van deze cultuur bewaard gebleven. Tegelijkertijd zijn deze tegels een voorbeeld van de vroegere handelsbetrekkingen tussen het Nederrijnland en de Republiek. En al waren dan de tegenstellingen op godsdienstig gebied tussen beide regio’s groot, als het ging om de aanschaf van deze vorm van godsdienstig gekleurd aanschouwelijk lesmateriaal was dat geen belemmering. (Bron: Heimatkalender des Kreises Viersen 25, pp. 222-225).

Procesvoering in het Nederlands

In Elmpt – een Nederrijns dorp ten oosten van Roermond – werd tot 1825 zowel in kerk als school in het Nederlands gepreekt en onderwezen. Ook de zittingen van de schepenrechtbank vonden in deze taal plaats. Dat blijkt uit de stukken die betrekking hebben op het proces naar aanleiding van een vechtpartij die op 6 juli 1760 had plaatsgevonden in de herberg van Jan Mooren; daarbij had de onderwijzer Johannes Lenaerts uit het naburige Brüggen zijn pruik verloren en harde klappen op zijn hoofd gekregen.

Uit het verslag van het vooronderzoek wordt duidelijk dat Claes Tyssen beschuldigd wordt van het uitdelen van klappen. Het zal evenwel duren tot het voorjaar van 1761 aleer de schepenrechtbank zich definitief met deze zaak gaat bezig houden. Diverse getuigen worden gehoord. Zo verklaart Geurt Coenen dat hij op de dag van het Heilig Sacrament “ten huyse v. d. borgemr. Matis Moren in goede vrintschappe, rust en vreede jeweest, sonder eergen striyt ofte ruzien mit jemant gehadt of daraff gehoert te hebben”. Uit de verdere procesgang wordt duidelijke dat Tyssen – zoals op kermisdagen “meermallen geschiet” – teveel gedronken heeft als gevolg waarvan, toen hij naar het vuur ging om een pijp “toback aentestoecken, de schoolmeester Joh. Lenaerts tegen het lyff” was gelopen. Het resultaat was een scheldpartij en een handgemeen tijdens welke hij de “schoolmeester di Peruque” had afgetrokken. Ter verontschuldiging voert hij aan dat Lenaerts dronken was; er was “fri in gelach ter voorsteh. Plaatse jeweest”. Hij was dan ook van mening “dat hy onnoesel saude wesen aen de feyten”. Als “naer noen” de rechtzitting word vervolgd, wordt vonnis gewezen; voor drie dukaten moet hij de oude “Peruque” laten herstellen of de nieuwwaarde vergoeden. (Bron: Heimatbuch des Kreises Vieren 2005, pp. 92-94).

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53

NL. 3905 CB Veenendaal

 

Het laatste woord


Leo Camerlynck , Ukkel

De Standaard en de VRT kennen Rijsel niet meer

De topwedstrijd Rijsel – Anderlecht, die heel wat voetbalfans medio no-vember in de ban hield, werd druk becommentarieerd in de pers, inclusief radio en televisie. De meeste Vlaamse kranten, van De Tijd tot De Morgen, maakten correct melding van Rijsel, en ook in Nederland werd af en toe over Rijssel (met dubbel-s) geschreven. De meeste Vlaamse radiozenders en de VTM spraken over Rijsel.

Degene die Rijsel niet meer op de kaart wisten te situeren waren de VRT en De Standaard, die het voortdurend over Lille hadden. Bij De Standaard ging het zelf van kwaad naar erger want in een katern met toeristische informatie bij de voornoemde krant van 9-10 december 2006 trachtte de vermoedelijk onwetende journalist EdD uit te leggen hoe interessant Lille, Arras en andere plaatsen van de Nord–Pas-de-Calais wel zijn. Doch over Rijsel, Atrecht en Frans-Vlaanderen had hij kennelijk nooit horen spreken.

Bij de overwegend Franstalige Rijselse voetbalfans is de naam Rijsel wel bekend. De naam van hun supportersclub heet overigens Rijsel Spirit (http://www.rijselspirit.com). We komen in een volgende uitgave van onze Nieuwsbrief op dit onderwerp terug.

Sinterklaas en een advent op zijn Nederlands in Potsdam

Het was feest in de “Holländer Viertel” van het Brandenburgse Potsdam aan de poorten van Berlijn op 9 en 10 december 2006. De hele fraaie wijk baadde in een echte Nederlandse sfeer met onder meer het bezoek van Sin-terklaas (in het Nederlands geschreven en gespeld) en Zwarte Piet, alsook heel wat genodigden en aanwezigen uit de Nederlanden. Het was de elfde uitgave, doch dit was tot nu toe de drukst bezochte.

De pers kondigde deze gebeurtenis aan als volgt: “Zum nunmehr elften Mal wird der Sinterklaas in Potsdam erwartet. Nach der Begrüßung durch Ver-treter der Stadtverwaltung und der Niederländischen Botschaft und vielen großen und kleinen Gästen wird der Sinterklaas seinen Schimmel besteigen und begleitet von seinen Schwarzen Petern, lustigen Musikanten ins Hol-ländische Viertel Potsdam ziehen. 50 Niederländer zeigen in ihren Trachten Holländische Traditionen. Zinngießer, Holzschuhmacher, Spinnerinnen, Glasbläser und vieles mehr. Natürlich werden auch hollländischer Käse, Genever und auch Poffertjes und weitere holländische Süßigkeiten nicht fehlen. Der Sinterklaas wird an beiden Tagen seine Runden drehen und die Kinder mit Leckereien überraschen. Diese sollten aber auch ein Lied oder ein Gedicht mitbringen.”

De ruimere belangstelling had ook te maken met een tentoonstelling over Hollands bekende scheepsbouwer en architect Jan Bouman, die in een bijzonder boeiende tentoonstelling werd belicht naar aanleiding van de herdenking van zijn geboortedag 300 jaar geleden. Deze tentoonstelling loopt nog 31 december 2006. Info: Förderverein zur Pflege Niederländischer Kultur in Potsdam e.V.  – e-post: info@jan-bouman-haus.de

Nog in het “Oostland”

We blijven nog even in het “Oostland”, meer bepaald met betrekking tot de meerdaagse reis naar Duitsland, Polen en het Russische deel van het voor-malige Oost-Pruisen. Op het programma staan de plaatsen Posen/Poznań, Dantzig/Gdańsk, Thorn/Toruń, Elbing/Elbląg, Warschau, Nieborów, Bres-lau/Wrocław, Koningsbergen/Kaliningrad, Bautzaen/Budysin, Dresden. Vermoedelijke datum: van 22 mei tot 5 juni 2007. (Wijzigingen kunnen te maken hebben met de datum van de federale verkiezingen in België). De deelnameprijs zal medio januari 2007 bekend zijn. Voor bijkomende informatie aarzel niet te bellen naar het nummer 00 32 485 63 02 27.

Leo Camerlynck Voorzitter zannekin, E. Michielsstraat 51, B. 1180 Ukkel