> nieuwsbrief > 24e jg. - 2e trimester 2007

Bijdragen over: Tip


Mededelingen

Ledenbijdrage jaar 2007

Wie totnogtoe naliet zijn bijdrage voor 2007 te vereffenen vindt hierbij andermaal een betaalformulier. Het *-teken op de verzendomslag betekent dat u reeds betaalde voor 2007.Dit geldt ook voor Nederland, Frankrijk en Duitsland. Voor onze Nederlandse belangstellenden moeten we nood-gedwongen afzien van het gebruik van het acceptgiroformulier. Waar tot einde 2006 uw betaling vergezeld ging van een kopie van de acceptgiro (aan de hand waarvan we de betaling vlot op naam konden boeken) vertikt de postgirodienst het deze ‘service’ nog langer te verstrekken. We krijgen enkel nog het rekeningnummer van de betaler en het betaalde bedrag meegedeeld, zonder verdere identificatie, tenzij de betaler een eigen overschrijvings-formulier gebruikte en dus geen gebruik maakte van het acceptgiro-formulier. Mits geduldig speurwerk in de rekeninguittreksels van vorige jaren slaagden we erin de meeste betalingen alsnog te koppelen aan de naam van de rekeninghouder. Voor 2 betalingen konden we dit evenwel niet. Wie betaalde via de rekeningnummer 978566 verzoeken we ons een seintje te willen geven, zodat we die betaling op de juiste naam kunnen boeken (en aldus te voorkomen dat de toezending van hun jaarboek achterwege blijft). Moraal van het verhaal: in geen geval nog gebruik maken van een acceptgiro!

Bestuurswissel

Opmerkzame lezers van de gedrukte versie van deze Nieuwsbrief zal het wellicht niet ontgaan zijn dat op p. 2 de naam van Vik Eggermont verdwenen is en deze van Ruud Bruijns er aan toegevoegd werd. Eggermont zag zich met veel spijt genoodzaakt omwille van familiale redenen te verzaken aan zijn bestuursmandaat. Ruud Bruijns, een jonge historcus, werd door hem als vervanger voorgedragen en met enthousiasme verwelkomd binnen ons Algemeen Bestuur.

Vooruitblik op 2007

Onze Studie-uitstap zal doorgaan op zaterdag 19 mei 2007. Vanuit Eindhoven trekken we naar Kevelaer, Straelen en Gelre. Méér info daarover verder in deze Nieuwsbrief.

Een week later – 31 mei tot 2 juni -  komt er de meerdaagse uitstap Route des Flandres. Verderop in deze Nieuwsbrief leest u daar méér over.

De Ontmoetingsdag wordt een weekeinde-gebeuren te Emden in Oost-Friesland rond het thema van de Tachtigjarige Oorlog in die contreien. Noteer daarvoor 12-14 oktober 2007.

Peene – Noord en Zuid

Aan de voet van de Kasselberg liggen Noord- en Zuidpeene, van waaruit beurtelings gestart wordt voor de Peenewandelingen, ter herdenking van de veldslag die er in 1677 gestreden werd. Mevrouw Joëlle Faverel, gemeenteraadslid in Noordpeene, bleek recent heel enthousiast over de op handen zijnde opening, op 1 april a.s., van het “Maison de la Bataille de Cassel”, oftewel “T’Huus van ’n Kasseldaele Slag”, blijkbaar hun bena-ming voor de slag aan de Peene. In het museum staat een maquette, maar er wordt ook veel verteld over het dagelijks leven van de bevolking in die tijd. Het loont ook de moeite er de webpagina’s van de gemeente op na te slaan. Naast een summiere cursus in de Vlaamse volkstaal, kun je er ook kennis maken met wat Tisje-Tasje destijds debiteerde. we geven meteen hun elektronische coördinaten door: www.noordpeene.com. Het e-post adres is: maisondelabataille-noordpeene@wanadoo.fr.

Nieuwpoort: 33e Frans-Vlaamse dagen

Tussen 31 maart (opening) en 15 april werden weer tal van evenementen gepland en komst dit jaar Dowaai in de kijker te staan. Op 8 juli wordt daar nog een staartje aangebreid middels een bezoek aan deze stad. De Dienst Toerisme, Marktplein 7, B. 8620 Nieuwpoort verstrekt u graag het volledige programma.


Studie-uitstap 19 mei - Kevelaer – Straelen - Gelre



Op zaterdag 19 mei a.s. zijn we aan onze Studie-uitstap toe. We verkennen de destijds Nederlandstalige steden Kevelaer, Straelen en Gelre in het land tussen Maas en Rijn, onder begeleiding van Jan van Tongeren.

Vanuit Venlo trekken we vooreerst naar Straelen voor een kort bezoek aan deze stad. Daarna komt Kevelaer aan de beurt, waar me middagmalen, met achteraf een stadsverkenning. Na de koffie met gebak te Kevelaer gaat het richting Gelre, alwaar stadswandeling met aandacht voor het verleden. Vanuit Gelre vangen we de terugtocht aan naar Venlo en Amsterdam.

De bus vertrekt vanuit Amsterdam, (Amstelstation) om 7.30 uur, maar houdt halt op de Stappendijk bij “Motel Van der Valk Eindhoven” (alwaar parkeerterrein) ten behoeve van de deelnemers uit het “zuiden”. Vanuit België naar de opstapplaats ziet de reisweg er uit als volgt: autoweg Antwerpen-Turnhout-Eindhoven / bij de grens rechtdoor / volg na de grens richtingbord Maastricht-Venlo / neem afrit 33 naar Waalre-Valkenswaard / onder aan de afrit linksaf onder het viaduct door (neem de linker rechtdoorstrook) / direct na de verkeerslichten links voorsorteren / inrit naar motel inslaan. De bus verschijnt daar om 10.0 uur. Terugkomst te Eindhoven (motel Van der Valk) omstreeks 18.30 – 19.00 uur.

Deelnameprijs: bus, middagmaal, gidsing, toegangen, koffie met gebak bij de afsluit: 40 €/per persoon.

Aanmelden  tot uiterlijk 7 mei aan het secretariaat: Paddevijverstraat 2, 8900 Ieper – e-adres: maurits.cailliau@skynet.be en gelijktijdige vereffening op één van de Zannekin-rekeningen.

 

Kevelaer, bedevaartsplaats tussen Maas en Rijn


Herbert Cürvers

Op een afstand van 8 kilometer van de Duits-Nederlandse grens bij Venlo ligt Kevelaer. Het plaatsje telt thans ongeveer 13.000 inwoners; de gemeente met dezelfde naam telt er met de bijhorende kerkdorpen ongeveer 23.000. Kevelaar is een van de grootste bedevaartplaatsen vann Noordwest-Europa en de grootste van Duitsland. Gemiddeld bezoeken ongeveer een half miljoen bedevaartgangers per jaar het Maria-heiligdom. Daarvan komen er ongeveer tweehoderdduizend uit Vlaanderen en Nederland.

Vóór het ontstaan van de Mariaverering in het jaar 1642 was Kevelaer een onbetekenend heidedorp dat van oudsher bij het Overkwartier van het Her-togdom Gelre behoorde. De hertogen van Gelre waren Duitse rijksvorsten en daardoor leenheren van de Duitse koning. In het jaar 1538 stierf het her-togelijk huis uit en keizer Karel V maakte aanspraken op Gelre. Bij het ver-drag van Venlo in 1543 verloor Gelre zijn zelfstandigheid en werd een van de Nederlandse gewesten onder Bourgondische heerschappij. Zodoende raakte heel Gelre, en dus ook Kevelaer, betrokken bij de opstand van de Nederlandse gewesten tegen Spanje. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd Kevelaer, evenals bijna alle dorpen tussen Maas en Rijn geplunderd, de hui-zen verwoest en de mensen vernederd en gemarteld. Gedurende een periode van 12 jaar lagen de landerijen braak en verwilderden geheel, zodat er wilde zwijnen en wolven in huisden. Ook de inwoners trokken weg zoals uit de zogenaamde slyterrekening, die in het Rijksarchief van Arnhem bewaard wordt, duidelijk blijkt: “den thol to keveler heft man tyd dezer rekeninge om verscrenen oersaeken oeck niet verpachten kunnen, so die onderdaenen verloepen sijn.” Later wierpen de inwoners van het kleine dorp op de heide een schans op, waarin men bij nadering van gevaar een toevlucht kon vinden, In 1635 werd die schans echter door rondtrekkende huursoldaten ontdekt en bestormd. Ze vermoordden er honderd mensen.

Pelgrimsoord

In het oorlogsjaar 1642 werd in een klein, uit baksteen opgetrokken kapel-letje een onaanzienlijke kopergravure opgesteld, voorstellende Maria en het kindje Jezus en vermoedelijk rond 1640 in Antwerpen gedrukt. In dit kapel-letje zocht men in die tijd van oorlog, armoede epidemieën en honger, troost en kracht. Nadat het prentje was opgesteld kwamen steeds meer mensen naar Kevelaer om te bidden en troost te zoeken. Op sommige dagen waren het er zelfs rond de dertigduizend! De bedevaartgangers moesten dan in schuren en stallen worden ondergebracht of overnachtten onder de blote hemel. Kevelaer werd een oase van vrede in die tijd van oorlog en ellende.

Na de vrede van Munster (1648) bleef Kevelaer en omgeving Spaans (Zuid-Nederlands) en na de Spaanse Successieoorlog (1701-1714) kwam Kevelaer en het grootste gedeelte van het Overkwartier van Gelre bij de vrede van Utrecht aan Pruisen. Kerkelijk behoorde Kevelaer van 1559 tot 1821 tot het bisdom Roermond.

Nog voor het einde van de Tachtigjarige Oorlog stuurde de bisschop van Roermond predikheren uit Scherpenheuvel naar Kevelaer om de bedevaart te organiseren en te begeleiden. Bij de synode van Venlo werd Kevelaar officieel als bedevaartplaats erkend.

De beschermers van de bedevaart waren hooggeplaatste personen. Koning Frederik van Pruisen bezocht in 1714 en in 1738 de bedevaartplaats en vaardigde een decreet uit ter bescherming van de bedevaartgangers. In 1831 werd de stroom bedevaartgangers uit Nederland door passageproblemen tij-delijk onderbroken. De Pruisische kroonprins en latere koning Willem IV en de Nederlandse prins Frederik bezochten in 1833 de bedevaartplaats en hieven een gedeelte van de verkeersbelemmeringen op zodat de Nederlandse en Vlaamse bedevaartgangers weer ongehinderd naar Kevelaar konden reizen.

De predikheren uit Scherpenheuvel leidden van 1646 tot 1804 de bedevaart. Zij lieten in 1654 om het kleine kapelletje heen de prachtige Genadekapel bouwen en in 1647 begon men met de bouw van het klooster, het huidige Priesterhuis. In dit Priesterhuis bevinden zich thans veel kostbare schilde-rijen en andere kunstvoorwerpen uit de Nederlanden. De beroemde kaar-senkapel werd in 1643 door de bouwmeester Van Aerssen gebouwd. Het tabernakel is een werkstuk van de Antwerpse edelsmid Moermans. In de kaarsenkapel werden en worden nog steeds kaarsen opgestoken, die door de processies worden meegebracht. Het grote aantal schilden, dat onder aan de kaarsengalerij is opgehangen, herinnert aan de talrijke bedevaarten uit hon-derden dorpen en steden. Men ziet er oude schilden uit de zeventiende en achttiende eeuw afkomstig uit Amsterdam, Antwerpen, Den Haag, Maaseik, Maastricht, Venlo, Utrecht, Purmerend, ‘s Hertogenbosch enzovoort. De glas-in-lood-ramen werden voor het grootste gedeelte bekostigd door Nederlandse processies. De kerken, kapellen en de vele huizen en hotels aan het Kapelplein in Brabants-Nederlandse stijl gebouwd, tonen duidelijk de historische ontwikkeling van de plaats. De eeuwenlange verbindingen met de Nederlanden hebben een onuitwisbaar stempel gedrukt op Kevelaer. Vele families onderhouden al gedurende generaties goede contacten over de grens. Ook kwamen zich veel Nederlanders hier vestigen.

Tot het jaar 1821 was de officiële taal en de moedertaal het Nederlands. In dat jaar gingen de Gelderse gebieden onder Pruisisch bestuur, en dus ook Kevelaer, over naar het bisdom Munster. In de kerken, op de scholen en bij de overheid mocht nog uitsluitend de Hoogduitse taal gesproken worden. Ondanks het verbod van het Nederlands bleef het volk Nederlands spreken. Tot op de dag van vandaag spreekt men onder elkaar nog steeds een dialect dat sterk lijkt op de dialecten, die in Noord-Limburg gesproken worden.

 

Anno Adolf Tillmans, pastoor van Straelen, verdediger van de Nederlandse volkstaal


Gregor Hövelman

Omstreeks 1830 deed een pastoor in Straelen van zich spreken, met name Adam Adolf Tillmans, geboren de 19 februari 1776 in Straelen. Tillmans verzette zich tegen een voorschrift van de regering en van de bisschop en werd om die reden uit zijn ambt ontheven. Het conflict is van algemeen belang en wordt hieronder nader uiteengezet.

De geschiedenis begon met een verzoek van de Dusseldorfse regering aan de bisschop van Munster, Kasper Max baron Droste tot Vischering om haar de behulpzame hand te reiken bij de invoering van de Hoogduitse taal in de Nederrijnse districten van Gelre, Kleef en Rees. Zulks was van oudsher een aangelegenheid van de Pruisische politiek. Reeds in 1786 had de Gelderse Kanselier van Justitie en schoolhervormer Hendrik van Conincx het gebruik van het Hoogduits als voertaal op het Gelderse gymnasium verplicht gesteld en was daarbij op grote moeilijkheden gestuit. De voormalige Karmeliet Thomas Delsance had als schooladviseur zijn bemoeienissen voortgezet om het Hoogduits in de scholen te doen zegevieren, nochtans was het in deze niet mogelijk vlug resultaten te bereiken. En toen kondigde het bovengenoemde verzoek uit Dusseldorf zich aan. Omdat in het godsdienstonderricht en in de prediking evenals in het zakenleven de hier gangbare “half Hollandse spreektaal” verder gebruikt wordt, zien de scholen zich gedwongen “om tegelijkertijd met de studie van het Nederlands en het Duits rekening te houden”.

Dit heeft echter zeer nadelige gevolgen voor de geestelijke ontwikkeling van de schoolkinderen. In feite had de Gelderse uitgever Schaffrat nog in de twintiger jaren Nederlandstalige gebeden- en schoolboeken heruitgegeven.

Overeenkomstig haar recht van toezicht op het onderwijs bestonden voor de  Pruisische regering ook de mogelijkheid en de noodzaak invloed uit te oefenen op de geestelijkheid die zij in zo’n sterke mate tot het onderwijs en het schoolbeheer toegelaten en aangetrokken had. Aldus verzocht nu de regering de bisschop van Munster “geestelijken in de districten van Gelderen, Kleef en Rees het gebruik van de Duitse taal in de prediking en in het godsdienstonderwijs aan te bevelen”. Die oudere pastoors die het Duits niet machtig waren, moest hij opdracht geven het godsdienstonderricht Duitssprekende jongere hulpgeestelijken over te laten.

Zeer :opmerkelijk is het dat de bisschop op deze eis is ingegaan. Volgens het oordeel van baron von Stein was Kasper weliswaar “een hoogst middelmatig, weinig onderlegd, doch een zeer trouw en vroom man”, over wiens verkiezing tot bisschop van Munster hij in een brief aan von Spiegel, de verlichte aartsbisschop van Keulen, de veelzeggende bemerking had gemaakt: “,hij is een voortreffelijk, zachtaardig man, al ontbreekt het hem ook niet aan activiteit en kennis van zaken; immers een zuiver, vroom en oprecht gemoed is een rijke bron van waarheid; wat men onderneemt in het dagelijks leven ligt meestal in het bereik van een gewoon, gezond mensenverstand.”

Kaspar Max maakte nu dan de regeringsverordening bekend aan zijn clerus in de Nederrijn. In een begeleidend schrijven van 27 december 1827 verklaarde hij zich akkoord met het standpunt van de regering..

Alle pastoors gehoorzaamden, alleen Anno Tilmans van Straelen niet. Hij beval integendeel zijn kapelaans en leraars zich verder uitsluitend van het Nederlands te bedienen. Een eerste, persoonlijke vermaning van de bisschop volgde hij niet op. Een schrijven, waarin met scherpere maatregelen werd gedreigd, scheen hem slechts in zijn houding te stijven. Zo verliepen twee jaar. Dan eerst ging de bisschop over tot “een milde maatregel”, hij sloot Tillmans uit de Kerkeraad en dreigde hem met ontheffing uit het zielzorgambt. De pastoor reageerde op 25 april 1830 met een verklaring op de kansel dat het gebruik van de Nederlandse taal zou gehandhaafd blijven. Nu bleef de bisschop wel niets anders over als zijn dreiging hard te maken en de halsstarrige pastoor de zielzorg te verbieden. Daarop liet Tillmans in een proces-verbaal opnemen dat hij zijn pastorale functie zou voortzetten en op de eerstkomende zondag van op de kansel zulke ongehoorde dingen zou verkondigen dat een opstand onder de bevolking zou losbreken. Zoiets bracht de openbare orde in opschudding. De burgemeester, graaf Varo, beklaagde zich bij de bisschop. Laatstgenoemde ging nog een stap verder en legde beslag op de inkomsten van de pastoor behoudens het recht van wonen op de pastorie. Tevens beval hij de weerspannige priester bij hem in Munster te komen. Tillmans maakte de reis niet maar ging verder met de zielzorg. Nu kwam de bisschop op de gedachte de pastoor “ad exercitia spiritualia” d.w.z. op geestelijke retraite te sturen in het Franciskanerklooster van Dorsten. Omdat de bisschop het vermoeden opperde dat Anno Tillmans ook nu niet zou gehoorzamen en tot inkeer komen, deed hij een stap waarvan het avontuurlijke karakter de omvang van zijn verlegenheid aantoonde. Zich herinnerend waar deze rampzalige toestand zijn oorsprong had gevonden, riep hij op 24 oogst 1 830 de hulp in van de Koninklijke regering van Dusseldorf met de smeekbede hem haar sterke arm te reiken en de weerspannige geestelijke zo nodig door de gendarmerie naar Dorsten te laten overbrengen.

De situatie schijnt bijzonder grotesk, wanneer men zich voor ogen houdt dat de Pruisische regering zich 7 jaren later de verbeten vijandschap van het Duitse katholicisme op de hals haalde, omdat zij de Keulse aartsbisschop - een broer van Kasper Max Droste-Vischering! – gevankelijk naar de vesting Minden liet wegvoeren.

In de zaak Tillmans willigde de regering het verzoek van de bisschop niet in. Ze had ongetwijfeld hiervoor niet alleen juridische, maar ook politieke bezwaren. Zo juist was het zuidelijke deel van het Koninkrijk der Nederlanden in opstand gekomen, wat leidde tot de Belgische afscheiding. In deze afscheiding zag men het werk van de katholieke geestelijkheid; ze was gericht tegen een protestantse vorst en zijn regering. Van Tillemans meende men te weten dat hij vroeger deel uitmaakte van de Belgische geestelijkheid. Daarom hield de provinciegouverneur de pastoor van de grensgemeente zorgvuldig in de gaten. Daar het bovendien van de andere kant duidelijk was dat de bevolking van Straelen erg aan haar pastoor hing, had men het grootste bezwaar tegen het optreden van hogerhand. Zo liet men Tillmans verder ongemoeid, en in Straelen werd verder in het plaatselijke Nederlandse dialect gepredikt en onderwezen.

 

 

La Route des Flandres


Driedaagse excursie - 31 mei - 1 en 2 juni 2007

La Route des Flandres’ is een beroemde handelsweg, waarvan het belangrijkste deel zich uitstrekt van Parijs tot Rijsel en Brugge, maar het is tevens een oorlogsroman van Claude Simon.

Claude Simon (Tananarive, Madagascar, 1913 – Parijs 2005) behoort tot de scheppers van de Franse nouveau roman, samen met onder anderen Michel Butor, Marguerite Duras en Alain Robbe-Grillet. Zijn eerste roman, ‘Le tricheur’, verscheen in 1945. Andere belangrijke romans van Simon zijn ‘La Route des Flandres’ uit 1960 en ‘Le Palace’ (1962), bij Meulenhoff verschenen als Pocket Editie. Het oeuvre van Claude Simon is bekroond met de Nobelprijs voor literatuur 1985.

We volgen grotendeels de Vlaamse weg en treden tussendoor in het voetspoor van Claude Simon.

Dag één: Brussel - Guise (middeleeuwse burchttoren) - Laon (butte couronnée, kathedraal, hoofdkerk met graf van gravin van Vlaanderen) – Prémontré (abdij van Sint-Norbertus van Gennep) – Chamouille (hotel aan een meer/le Chemin des Dames)

Dag twee: Chamouille– Compiègne (stadhuis met Flandrin, Lansquenet et Langlois) – Senlis (middeleeuwse stadskern, kathedraal) - Orry-la-Ville (Nederlandse begraafplaats) – Chantilly (kasteel van Condé, miniaturen van de Gebroeders van Limburg ‘les très riches heures du Duc de Berry’) -Chamouille

Dag drie: Chamouille – Longueval (Zuid-Afikaanse gedenksite met replica van het kasteel van Kaapstad) - Atrecht/Arras (Vlaamse marktpleinen, Sint-Vedatusabdij) – Brussel

 

Guise

Guise is een gemeente in het Franse departement Aisne en telt 5557 inwoners (2005). In een ver verleden had het dorp een Vlaams klinkende naam; in de 12e eeuw werd Wisia (Wiese) geschreven; de huidige naam is daarvan een Franse fonetische nabootsing.  In Guise bevindt zich één van de oudst bewaarde burchttorens uit de vroege middeleeuwen. Het is in zandsteen opgetrokken. Guise is internationaal bekend geworden door de zogenaamde Phalanstère opgericht door de Franse industrieel Jean-Baptiste André Godin, die in het midden van de 19e eeuw te Guise een bedrijfje startte voor de productie van gietijzeren kachels.

Compiègne

Tijdens de middeleeuwen was de stad Compiègne praktisch voortdurend getuige van belangrijke gebeurtenissen. Koning Dagobert hield er zijn hof en Pepijn de Korte liet er in 757 een concilie doorgaan. Het eerste orgel in het westen - een orgel met stoom - was er te horen.

Lodewijk de Vrome, zoon en opvolger van Karel de Grote, werd hier door zijn zoon Lotharius van de troon gestoten en in een klooster opgesloten. Lotharius en zijn halfbroer en opvolger Karel de Kale maakten van Compiègne zelfs de hoofdstad van het rijk dat later Frankrijk zou worden.

Het was trouwens Karel de Kale die aan de stad de relikwie schonk, die van Compiègne een belangrijk bedevaartsoord zou maken: de lijkwade, het zweetdoek waarin het lichaam van Christus na zijn dood werd gewikkeld. De lijkwade berust momenteel in een schrijn dat werd geschonken door Gravin Machteld van Vlaanderen (echtgenote van Willem de Veroveraar, tevens hertogin van Normandië en Koningin van Engeland). Merk op dat er even authentieke lijkwaden worden vereerd te Besancon, Rome, Milaan, Cahors, Clermont, Arles en Turijn.

Het stadhuis

Het stadhuis werd in één ruk, van 1502 tot 1510 gebouwd en werd betrek-kelijk weinig gewijzigd, waardoor het tamelijk homogeen van stijl kon blijven. Het belfort is 47 m hoog, bevat een klok uit 1303 en een uurwerk uit de 16e eeuw, dat om het kwartier door drie houten 'picantins' in werking wordt gesteld. Wellicht is het daardoor dat dit belfort ons zo deed terugdenken aan dat van Kortrijk met zijn Manten en Kalle... Doch Vlamingen zijn de Picantins zeker niet. Laat-19de-eeuwse beeldjes symboliseren drie vijanden van Compiègne, de Engelsman Langlois, de Duitser Lansquenet en de Vlaming Flandrin (die men ook wel eens de Bourgondiër durft noemen).

Senlis

Senlis (spreek de s achteraan uit) is, sedert de autosnelweg er het doorgaand verkeer uit verwijderde, opnieuw een klein rustig stadje. 

De vroegste benaming van Senlis komt in Romeinse documenten voor onder de naam 'Ratomagus'. Deze naam veranderde in de 4de eeuw onder invloed van het feit dat de stad het centrum was van de door de Gallische stam der Silvanecten bewoonde streek, in Silvanectis, waaruit dan later de huidige benaming werd afgeleid.

In de erop volgende eeuwen zou Senlis het (onder Koning Dagobert, circa 630) tot hoofdstad van Neustrië brengen. In 987 werd Hugo Capet, graaf van Parijs, er tot de eerste echte koning van Frankrijk gekozen. Later zou de stad aan belang verliezen, doch door zijn ligging midden in de bossen, als middelpunt van het jachtterrein der koningen (tot onder Hendrik IV waarna Compiègne de voorkeur kreeg), blijven fungeren en daardoor een betrekkelijke welvaart kennen.

In 1358 was Senlis het centrum van de Jacquerie (vergelijk met de opstand van onze plattelandsbewoners o.l.v. Nicolaas Zannekin). De adel werd er nogal bloedig verslagen en de stad zelf, nadien al even bloedig gestraft (zie: Historische inleiding).

Een vijftigtal jaar later viel Senlis in Vlaams-Bourgondische handen en werd aan de Engelsen uitgeleverd, om pas in 1429 door de overwinning van Jeanne d'Arc in de slag bij Montépilloy opnieuw Frans te worden.

De Notre-Dame kathedraal

De grote kathedraal bewijst het belang van de stad in de middeleeuwen. Men begon eraan te bouwen in 1153, d.w.z. 16 jaar na de abdijkerk van Saint-Denis (het eerste gotische bouwwerk in het Ile de France) en tien jaar vóór de Notre-Dame van Parijs.

Orry-la-Ville

Nederlandse begraafplaats Ereveld Orry-la-Ville, Frankrijk

Het ereveld telt 114 graven van Nederlanders die omkwamen in Frankrijk. Verder bevinden zich in het ereportaal nog eens vier gedenkplaten met de namen van 108 Nederlandse slachtoffers. Drie van deze platen geven de namen van militairen die omkwamen bij de torpedering van het SS Pavon bij Duinkerke (1940). Eén gedenkplaat werd geschonken door de voormalige verzetsbeweging 'Union Patriotique Néerlandaise' en bevat de namen van Nederlandse verzetsstrijders in Frankrijk en van Nederlandse verzetsstrijders die omkwamen tijdens hun doortocht door Frankrijk. Adres: Ereveld Orry-la-Ville ligt in de buurt van Senlis (29 kilometer boven Parijs), aan de route nationale, nummer 17.

Chantilly

Het kasteel

Komende vanuit het bos, ziet men het liggen, op zijn breedst gezien en weerspiegeld in het water van de door de Nonette gevoede vijvers. Het water krioelt van dikke karpers die, dicht bij de brug, vechten om de stukjes brood die bezoekers er in het water gooien, en die, wat verder en bij warm weer, lui juist onder de oppervlakte zwemmen.

Rechts bevindt zich het Château d'Enghien (1769), een honderd nieter lang paleis dat aan Versailles doet denken..

Links staat het eigenlijke kasteel van Chantilly. Tussenin, op het parterre, troont het ruiterbeeld van Anne de Montmorency, de 'Grand Conné-table'.

Het 'Petit Château' herbergt nog steeds de eigenlijke woonvertrekken van het kasteel. Men zal er zeker de bibliotheek bewonderen. Twaalfduizend zeldzame boekdelen, stuk voor stuk met prachtige banden; zevenhonderd manuscripten, waaronder het omwille van zijn miniaturen zeer bekende 'Très Riches Heures de Jean, Duc de Berry' (geschreven en geschilderd door de Gebroeders van Limburg, in opdracht van de hertog van Berry, kasteelheer van Mehun, en broer van Filips de Stoute), het 13e-eeuwse psalmenboek van koningin Ingeborg, en vijfendertigduizend gespecialiseerde historische en militaire werken, maken er iets unieks van.

De tuinen

In het park is een 'Engelse' tuin aangelegd en het museum van het 'Jeu de Paume' (kaatsspel). In het midden van de 18e eeuw is een kleine tuin aangelegd genaamd la Cabotière', het charmante huis van Sylvie (1684), le Hameau, en eind van de 18e eeuw de voorganger van het Trianon. Het ganse domein omvat 13.000 ha, en dat is héél groot.

Prémontré

In het prachtige bos van Saint-Gobain heeft de Rijnlandse edelman van Nederlandse afkomt, Norbert (in 1080 geboren te Gennep, Nederlands Limburg, of te Xanten, Kleefse Land; student te Xanten) zich na een spectaculaire bekering (in de aard van die van St.-Paulus) teruggetrokken. Volgens de legende zou Onze-Lieve-Vrouw hem na enkele pelgrimstochten deze rustige weiden in het bos getoond hebben - vandaar de naam Prémontré - om er een kloosterorde te stichten (1121) volgens de regel van de H. Augustinus, die zich toelegde op de prediking in de volkstaal. In 1126 werd de orde door de Paus erkend en van dan af zou ze zich heel snel uitbreiden. Bij ons kennen we nog heel wat abdijen van Norbertijnen of witheren (naar hun witte pij genoemd) o.a. te Grimbergen, Park Heverlee, Tongerlo, Averbode, enz., die allemaal uit de eerste helft van de 12e eeuw stammen.

Van de middeleeuwse gebouwen resten alleen nog maar delen van de romaanse kapel links van de toegangslaan en een orangerie met kruisgewelven.

Chamouille

Le Chemin des Dames

Van het fort “de la Malmaison” in het westen tot het pantserwagens-monument in het oosten ligt de weg bezaaid met acht militaire vestigingen uit 1914-1918, die de Chemin des Dames vormen.

Van waar komt die naam van Chemin des Dames? In de 18e eeuw namen Adélaïde en Victoire, “Dames de France” en dochters van Lodewijk XV, vanaf Parijs deze weg om op bezoek te gaan bij hun gouvernante op het kasteel “de la Bove”, bij Vauclair. Opdat de koets makkelijker, “zachter” en sneller zou kunnen rijden, werd deze weg met straatkeien geplaveid; vandaar de naam van “weg der dames”.

Daarbuiten is een plaats boordevol geschiedenis. Als bij de naam le Chemin des Dames episodes uit de Eerste Wereldoorlog opduiken, is dit maar een deel van al de bloedige taferelen, die er zich in de loop der geschiedenis afspeelden.Deze route loopt over een hoogvlakte van 200 meter en vormt een prachtige natuurlijke barrière, die vaak als strategisch uitkijkpunt werd gebruikt en misbruikt.

Caesar leverde er slag en verpletterde de volkeren van Noord-Gallië. In 486 wordt de laatste Romeinse goeverneur Syagrius verslagen door Clovis in de buurt van Soissons. In 1814 boekt Napoleon een overwinning op de Russische en Pruisische legers. En dan is er 1914-18.

Laon

Kathedraal Notre-Dame

Laon, de hoofdstad van Aisne, telt ongeveer 36000 inwoners. De stad, een voormalige residentie van de Karolingers, licht op een smalle heuvelrug, “la montagne ou la butte couronnée”. De beroemde kathedraal is daardoor van ver zichtbaar. Dit schitterende bouwwerk is een bekend voorbeeld van vroege gotische kerkarchitectuur. De kathedraal werd tussen circa 1160 en 1235 gebouwd.

De kathedraal is voorzien van enkele interessante beeldhouwwerken, zoals het timpaan van het middelste portaal en de aangrenzende archivolten. Het linker en het middenportaal zijn aan Maria gewijd, het rechterportaal aan het laatste oordeel. Opmerkelijk zijn de ossen op de hoeken van de westelijke torens. Ossen werden ingezet om de bouwstenen omhoog te trekken. Ook zijn er exotische dieren op de gevel te bespeuren. Er is onder meer een waterspuwer in de vorm van een nijlpaard.

In het centrum van de wijk Le Bourg stond eertijds de in 1124 gestichte premonstratenzerabdij van St.-Martin. De Sint-Maartens-abdijkerk werd na de Tweede Wereldoorlog gerestaureerd. De bouw werd reeds in 1150 begonnen volgens het plan van de cisterciënzerkerken; vierkant koor zonder zij­beuken en plat transept met hoekige straalkapellen staan in de oksel tussen koor en schip (romaans-Rijnlandse invloed). De voorgevel, even­als het interieur, valt zeer sober uit. Aan de ingang liggen de grafbeelden van een Sire de Coucy (in Doornikse steen uitgevoerd) en Jeanne de Flandre, echtgenote van Enguerrand IV de Coucy en gestorven als absis van het klooster van Le Sauvoir te Vaux-sous-Laon in 1335. Jeanne de Flandre was de oudste dochter van Robrecht van Béthune (en dus kleindochter van Gwijde van Dampierre en zuster van Lodewijk van Nevers). Is het verwonderlijk dat de Vlaamse stijfkop zijn dochter ten huwelijk gaf aan de Sire de Coucy ... ? De oude stad is te bereiken via een kabelbaan.(de Poma).

Longueval

Zuid-Afikaanse gedenksite met replica van het kasteel van Kaapstad

SUID-AFRIKAANSE OORLOGSGEDENKTEKEN BY DELVILLEBOS

Delvillebos, naby die dorpie Longueval, in Noord-Frankryk, beklee 'n spesiale plek in die herinnerings en gedagtes van die Suid-Afrikaanse volk as 'n simbool van dapperheid en selfopoffering. Om hierdie rede is die bos uitgesoek as die ligging van Suid-Afrika se Nasionale Oorlogsgedenkteken ter gedagtenis aan alle Suid-Afrikaanse soldate wat gedurende die oorlog van 1914-1918 op sowel Franse grondgebied as op die ander fronte gesneuwel het. Later sou die monument ook 'n ander geslag Suid-Afrikaners gedenk wat die oproep gehoorsaam het om die saak van vryheid en demokrasie teen die Spilmoondhede in die Tweede Wereldoorlog te verdedig.

'n Mens ondervind vandag 'n gevoel van vrede en kalmte in die breë laan wat van die gedenkteken na die begraafplaas lei, waar 151 Suid-Afrikaanse soldate, wat as sodanig uit-geken kon word, saam met hul ongeïdentifiseerde landgenote en kamerade van die ander Geallieerde magte begrawe lê. Aan weerskante van die laan tussen die gedenkteken én die begraafplaas staan 'n dubbele ry akkerbome wat gekweek is van akkers wat na Frankryk van Stellenbosch, 'n geskiedkundige plattelandse dorp naby Suid-Afrika se moederstad, Kaapstad, gestuur is. Stellenbosch se akkerbome het hul ontstaan te danke aan akkers wat oorspronklik van Frankryk afkomstig is.

Achter een triomfboog staat een 'voortrekkerskruis', i.p.v. het traditio­nele cross of sacrifice. Het Afrikaans opschrift luidt: 'vol vertroue het hulle vir vryheid gesterf'. Het is een voor Vlamingen bijzonder sprekend monumentje. Rond het kruis werd in 1986 een sober museum opgetrokken in de vorm van het Kasteel de Goede Hoop in Kaapstad, de eerste versterking die ooit in Zuid-Afrika werd gebouwd. Er zijn vijf bastions, die hun namen kregen naar de titels van de Prinsen van Oranje: Buren, Katzenellenbogen, Nassau, Oranje en Leerdam.

Atrecht/Arras

Atrecht. De Grand’ Place heeft een oppervlakte van 17.000 m2, omringd door 155 gevels en 345 zandstenen zuilen. Het is een aangehouden harmo-nie in 16e-eeuwse Vlaamse stijl.

“Le plus bel ensemble d’architecture flamande”, pende Simone de Beauvoir neer. En Paul Verlaine beschreef  het belfort op de place des Héros in de stad en het land van zijn moeder als volgt:

Belle, très au dessus de toute la contrée,

Se dresse éperdument la tour démesurée

D'un gothique beffroi sur le ciel balancé

Attestant les devoirs et les droits du passé,

Et tout en haut de lui le grand lion de Flandre

Hurle en cris d'or dans l'air moderne : " Osez les prendre ! "

 

PRAKTISCH:

PRIJS: busreis, gidsing, één middagmaal, twee driegangenavondmalen, twee overnachtingen in kamer met bad/douche en wc,  tweemaal ontbijt-buffet, toegangsgelden:

Richtprijs: 270,00 euro (toeslag éénpersoonskamer 22,00 euro) . Deze prijs kan nog lichtjes gewijzigd worden.

Opgelet! Het tweede middagmaal en de koffiepauzes zijn vrij – de dranken zijn niet inbegrepen.

Inschrijven vóór16 mei 2007 bij Maurits Cailliau – Paddevijverstraat 2 – B 8900 Ieper. Overschrijven op nr. 464-8220251-39 Vereniging Zannekin, B. 8900 Ieper of internationaal: IBAN: BE13 4648 2202 5139 - BIC: KREDBEBB Vereniging/Stichting ZANNEKIN, B. 8900 Ieper

Alle info betreffende deze excursie worden u graag verstrekt door:Leo Camerlynck, E. Michielsstraat 51, B. 1180 Ukkel (tel. 00 32 485 630 227). e-post: leo.camerlynck@skynet.be

Een breder uitgewerkte versie van deze reisinformatie wordt naderhand aan de deelnemers bezorgd.

Vanaf de zijlijn


Marten Heida, Veenendaal

Een teken van hoop

Dr. Raben uit het Bentheimse Neuenhaus moet er zich al geruime tijd mee bezig gehouden hebben. Ik kan me tenminste niet voorstellen dat het resultaat daarvan in een opwelling op papier is gezet. Dat resultaat heeft betrekking op een aantal argumenten die moeten dienen ter versterking van het zelfbewustzijn van hen die zich nog regelmatig uitdrukken in de streektaal.

Om te beginnen herinnert hij zijn streekgenoten aan het feit dat het Nederduits – Raben gebruikt steeds de term “platduits” – ten tijde van het Hanze-verbond een officiële omgangs- en handelstaal was in een groot deel van Europa en gebruikt werd bij het opstellen van verdragen, het schrijven van brieven en boeken en het vastleggen van kronieken. Dat het geen officiële landstaal is geworden – zoals in de Nederlanden – vindt zijn oorzaak in de politieke ontwikkeling. Voor voorbeelden verwijst hij naar het overwicht van de Hoogduitssprekende gebieden binnen het toenmalige Duitse Rijk en – niet te vergeten – de grote invloed van de Lutherbijbel.

Toch is er volgens hem geen reden in deze toestand als een voldongen feit te berusten. Bij wijze van spreken wekt hij zijn gehoor op zich in westelijke richting te gaan opstellen. Immers – zo houdt hij hen voor – daar wordt Nederlands gesproken, een taal waarmee de streektaal van de Graafschap – maar in feite geldt dit net zo goed voor het Westmunster- en het Nederrijnland – nauw verwant is. En dat Nederlands is niet maar zo een taal; men mag er toch echt wel van onder de indruk komen dat ze via Zuid-Afrika en Suriname het etiket van een “wereldtaal” waardig is te dragen. Boven-dien zijn er in de Nederlanden ruim twintig miljoen mensen voor wie deze taal de standaardtaal is.

Aan de hand van een aantal sprekende voorbeelden onderbouwt Raben, zijn betoog. Allereerst hebben die betrekking op de karakteristiek van het Neder- en Hoogduits; de laatste staat in het teken van aanduidingen als “koud” en “hooghartig” en werkt door de grote voorraad woorden vaak verhullend. Het Nederduits mag misschien soms als “kort door de bocht” ervaren worden, zeker is dat men er zich kort en krachtig in kan uitdrukken. Zijn stellingneming komt er in feite op neer dat wat hem betreft de betekenis van het Hoogduits gerelativeerd en ter discussie mag gesteld worden.

Om daaraan wat richting te geven geeft hij zijn streekgenoten het welgemeende advies een 500 – 1000 Nederlandse woorden aan te leren; volgens hem moeten ze dan in staat zijn Nederlandstalige teksten te lezen “en ontsluit zich voor hen een rijke cultuur te weten de Nederlandse (die zich bovendien voor de huisdeur uitstrekt)”. Het opvolgen van deze raad kan positieve gevolgen hebben voor zowel tewerkstelling als carrière-mogelijkheden.

Vervolgens schenkt Raben aandacht aan de wijze waarop het Nederduits vernederlandst kan worden. Daarbij past hij dezelfde methode toe als pastor Gerrit Herlyn toen hij Bijbelgedeelten in het Oostfreeske Platt vertaalde. Tijdens een interview vertelde hij dat wanneer hij geen passend Oostfries woord kon bedenken hij niet het Hoogduitse woordarsenaal aansprak maar putte uit de Nederlandse woordenschat. Een soortgelijke raad geeft Raben aan zijn streekgenoten. Vaak, zo schrijft hij, als het Nederduits geen passend woord meer oplevert en men op het punt staat het Hoogduits in te roepen, vindt men er één in het Nederlands dat precies uitdrukt wat men bedoelt te zeggen. In dit verband pleit hij voor het aandacht schenken aan het Nederduits in het onderwijs.

Het grote belang van het poneren van deze gedachten is dat een poging is ondernomen dit onderwerp bespreekbaar te maken. Ze past ook helemaal in de visie van een vereniging als de onze. Immers als dit gedachtegoed wortel mag schieten dan zal dat tot gevolg hebben dat men zich in deze regio opnieuw bewust wordt van het eigen culturele verleden dat eens zo nauw verbonden was met dat van de Nederlanden. We kunnen dr. Raben dan ook alleen maar heel erg dankbaar zijn dat hij ons streven op zijn geheel eigen wijze de spreekwoordelijke helpende hand heeft toegestoken. Daarmee heeft hij “een teken van hoop” opgericht.

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53

NL. 3905 CB Veenendaal

 

Het laatste woord


Leo Camerlynck, Ukkel

Wij gedenken Prof.Dr. Zofia Klimaszewska

Met heel veel leedwezen hebben wij kennis genomen van het overlijden op vrijdag 26 januari van de eminente Poolse vertaalster Zofia Klimaszewska. Zofia is slechts zevenenvijftig jaar geworden. Ze werkte op het Instituut van Germaanse talen in Warschau, en was mede-oprichter en hoofd van de Vakgroep Neerlandistiek aldaar. Zij verbleef veelvuldig in onze dierbare Nederlanden, in Rijksnederland, in België en ook in Frans-Vlaanderen, veelal in het kader van wetenschappelijk onderzoek, studie en vertaalwerk.

In 1992 promoveerde zij op de verbale fraseologie van het Nederlands. Daarnaast nam Zofia Klimaszewska, vaak als medeorganisator, ook deel aan talrijke conferenties en culturele uitwisselingsprojecten in Europa, Zuid-Afrika en Noord-Amerika.

Zij was een baken en een vuurtoren voor de Neerlandistiek in Polen. Haar heengaan betekent een heel groot verlies.

Ze hield van haar vaderland/moederland Polen, doch ze hield ook veel van Nederland, Suid-Afrika, Suriname en nog veel meer van Vlaanderen, en niet het minst van Frans-Vlaanderen.

Persoonlijk nam ik haar vaak mee doorheen de Zuidelijke Nederlanden, uiteraard met inbegrip van de Nederlanden over de Schreve. Ook voor de Stichting Zannekin had zij veel belangstelling. Ze zou haar steun verlenen aan een boek, dat mede dankzij onze stichting tot stand zou komen, in het raam van het project “Naer Oostland”, waarin ze meer bepaald de Vlaams-Nederlandse aanwezigheid in en om Dantzig en het Weichseldelta zou toelichten. De voor dit jaar doch naar 2008 verschoven reis naar Polen en het Balticum  in het kader van de culturele uitstraling der Nederlanden zou zij mee gestalte hebben gegeven. Wij bidden voor haar zielenrust.

Foto: Leo Camerlynck in gesprek met Zofia Klimaszewska

Rijsel

Ons trouw lid Guido Vandevyvere uit Menen voert net als onze stichting een niet aflatende strijd om de Nederlandse plaatsnamen in de Franse Nederlanden te doen eerbiedigen. Zo kroop hij in de pen en zond een lezersbrief naar Humo, waarin hij terecht opmerkte dat Lille in Frans-Vlaanderen wel degelijk Rijsel is en dat Lille in het Nederlands naar een fraai Kempisch dorp in de buurt van Herentals verwijst. Ook merkt hij op dat probleemloos over Lissabon, Boekarest, Moskou, Kopenhagen, en andere plaatsen wordt geschreven en gesproken, en niet over Lisboa, Bucureşti, Moskva, København. Acties als die van Guido Vandevyvere en van onze stichting werpen wel hun vruchten, maar het blijft waakzaam toezien.

Picardië

Door allerlei omstandigheden zoals het uitblijven van de verkiezingsdatum in België en ook het overlijden van een medewerker wordt de naar Polen en het Balticum geplande reis verschoven naar mei 2008. Dit jaar komt er een driedaagse naar Picardië op 31 mei, 1 en 2 juni 2007. U leest er meer over elders in onze nieuwsbrief.

Red het blazoen van Dowaai

Het blazoen van Dowaai zou gered zijn. Het moet nog heel even in de voorwaardelijke wijs gesteld worden omdat we de garantie willen hebben dat het opnieuw en ook opgeknapt op dezelfde plaats in de hoofdstraat van deze Frans-Vlaamse stad zou prijken.

Langs deze weg willen wij beslist alle personen danken, die ons bij deze actie gesteund hebben. Hartelijke dank ook aan degenen die een financiële bijdrage hebben geleverd.

Leo Camerlynck

Voorzitter zannekin

E. Michielsstraat 51

B. 1180 Ukkel

Tel. 00 32 485 630 227