> nieuwsbrief > Jg. 24 - 3e trimester 2007

Bijdragen over:

Mededelingen

Ledenbijdrage jaar 2007

Wie totnogtoe naliet zijn bijdrage voor 2007 te vereffenen kan dit alsnog. Na 30 juli geldt onherroepelijk de boekhandelprijs.

Ontmoetingsdag te Emden in Oost-Friesland

Verder in deze Nieuwsbrief vindt u een echo van onze in alle opzichten geslaagde Studie-uitstap naar Kevelaer, Straelen en Gelre. Bovendien wordt ook met enige trots teruggeblikt op de driedaagse uitstap in het teken van La Route des Flandres.

Vanaf nu echter wil het bestuur zich inspannen om ook onze Ontmoetingsdag te Emden in Oost-Friesland – omwille van de afstand een tweedaagse op 12 en 13 oktober 2007 – in goede banen te leiden. In de volgende Nieuwsbrief méér daarover. Noteer alvast de data.

Nederlandse letterkunde in volkse zin

Zo luidt de titel van het zeer lezenswaardige essay van de hand van Erik Verstraete. Het is voor de luttele prijs van 3 € (verzending inbegrepen) te verkrijgen op het adres van de auteur: J. Ratinckstraat 17, B.2600 Berchem (bankrekening 035-1910089-06).

 

“Le brassage des choses”

Autobiographie et mélange des genres dans Le Labyrinthe du Monde de Marguerite Yourcenar


Doctoraal proefschrift door Camille van Woerkum

Nederlandse samenvatting

Met de trilogie Souvenirs Pieux, Archives du Nord en Quoi?L’Eternité, die samen Le Labyrinthe du Monde vormen, heeft Marguerite Yourcenar een autobiografie geschreven waarin zij zelf nauwelijks voorkomt. In plaats daarvan heeft de literaire kritiek een mengsel aangetroffen van familiekroniek, biografieën, essay, roman en in beperkte mate autobiografie. Steeds stelt Yourcenar het moment uit waarop zij over zichzelf wil vertellen. In haar interviews wil ze niets te maken hebben met enige psychologische of psychoanalytische benadering. Psychologen verklaren deze terughoudendheid uit de pijnlijke ervaringen die de auteur in haar jeugd heeft opgedaan. Literaire critici stellen daartegenover dat Marguerite Yourcenar daar niet eenduidig last van heeft gehad en dat er evenzoveel passages aan te wijzen zijn, waarin de auteur spreekt over gelukkige ervaringen uit haar jeugd. Het is heel moeilijk om in de teksten zelf aanwijzingen te vinden voor een onderliggende emotioneel geladen persoonlijke problematiek.

Mijn stelling is dat, in weerwil van de uitspraken van Yourcenar, er wel degelijke sprake is van ingrijpende psychische processen, die in de tekst aan de oppervlakte komen. Hierin spelen de genres een belangrijke rol. Er bestaat een relatie tussen de vermenging van de genres enerzijds, en een conflictueuze psychische materie anderzijds. In een aantal gevallen verandert Marguerite Yourcenar van literair genre als ze op een moeilijke persoonlijke materie stuit. De psychokritiek, of, beter, de psychostylistiek, die een relatie legt tussen stijl en psyche, biedt ons het kader waarbinnen wij op zoek kunnen gaan naar stilistische genreveranderingen die op onverwachte momenten opduiken, en waarvoor geen verklaring gevonden kan worden in de poëtica van Yourcenar.

In mijn studie heb ik het genetische kluwen in ’s Werelds Doolhof ontward. Hierbij ga ik enerzijds uit van de opvattingen die Yourcenar in haar poëtica huldigt ten aanzien van de genres, anderzijds van de stijl die zij hanteert in haar meer eenduidige romans en essays. Op deze manier kan ik empirisch laten zien welke genetisch eenduidige, en welke mengvormen in dit werk voorkomen. Enerzijds tref ik overwegend homogene genrevormen aan van familiekroniek, biografie en autobiografie. Wat deze homogene vormen met elkaar gemeen hebben is dat de personages als individu worden neergezet, in een afgebakend verleden, waarover retrospectief een oordeel geveld kan worden. Dat oordeel is genuanceerd.

Marguerite Yourcenar neemt verantwoordelijkheid voor haar overtuigingen over zichzelf en over haar voorouders. Anderzijds verbergt Yourcenar zich in mengvormen waarin ze autobiografie, familiekroniek en biografie vermengt met essay en roman. In de vermenging met het essay worden persoonlijke oordelen geactualiseerd en veralgemeniseerd. Parallel daaraan verandert de individualiteit van de personages in anonimiteit. De oordelen worden strenger terwijl de oordelende instantie anoniem wordt. Marguerite Yourcenar verbergt zich zo achter algemene uitspraken. Ook in de mengvormen met de roman verbergt zij zich, ditmaal achter romanpersonages die steeds meer een eigen leven gaan leiden. Zo gebruikt de auteur genres om zich te onttrekken aan eventuele kritiek van buitenaf. Ze lost op in een soort anonimiteit met name wanneer zijzelf of haar personages diskwalificerende oordelen uitspreken.

Maar de genetische overgangen laten nog een dieper liggend mechanisme zien. Binnen alle genres, onafhankelijk van de personages, zien we nauwelijks bespeurbare overgangen van een verleden tijd naar een tegenwoordige tijd.

Daarnaast constateren we een plotselinge verdichting, een hogere frequentie, van emotioneel geladen zelfstandige naamwoorden. Deze overgangen vinden plaats in de autobiografie, maar ook in de familiekroniek en de biografie, en dat precies op momenten waarin sprake is van hevige angst, woede, of schaamte. Marguerite Yourcenar, maar ook haar personages, blijken hevige angst te voelen om verlaten te worden. Ze hebben gevoelens van schaamte ten opzichte van seksualiteit. Ze voelen hevige woede die ze niet rechtstreeks durven te uiten. De individualiteit van de personages, waaronder Yourcenar zelf, valt uiteen in een emotionele verbrokkeling op het ogenblik dat ze tegen een innerlijk conflict aanlopen. Het handelen valt stil. De emotie verstart, wordt in de actualiteit beleefd, alsof ze nog steeds gevoeld wordt.

Toch hebben deze stilistische verbrokkeling, verstarring en anonimisering niet het laatste woord. In al even onverwachte overgangen naar het genre van de roman komen dezelfde conflicten terug, maar ditmaal individueel beleefd door romanpersonages als Jeanne en Egon. Via deze, steeds meer fictief wordende personages komen de homogene effecten weer terug. Personages worden weer handelende individuen in een herkenbaar kader en een passende chronologie. Op deze manier, via fictie, geeft de auteur haar innerlijke conflicten en dilemma’s een plaats in het verleden. Marguerite Yourcenar verwerkt haar persoonlijke problematiek door een weg te bewandelen, die vertrekt vanuit een stilistische homogeniteit, zich vervolgens verbreedt naar een genetische vermenging, en tenslotte weer versmalt naar een nieuwe homogeniteit.

Mijn conclusie is dat niet in de eerste plaats de inhoud, maar vooral de stijl het bewijs levert voor het bestaan van innerlijke conflicten, die Marguerite Yourcenar verborgen wilde houden. Ondanks haar weerzin voor een psychologische benadering heeft zij in haar werk niet kunnen verhinderen dat haar innerlijke problematiek toch aan de oppervlakte komt. In de wisselingen van stijl en genre heeft Marguerite Yourcenar wezenlijke dingen van haarzelf aan de openbaarheid prijsgegeven. Maar voorwaarde om die te achterhalen is het aandachtig luisteren naar het bijna onhoorbare "geluid zelf van het vermengen van de dingen". (Wat? De Eeuwigheid, p.190)

Nederlandstalige samenvatting van het doctoraat van Camiel C.M. van Woerkum Universiteit Utrecht, 2007. De thesis verscheen recent ook in boekvorm (247 pagina’s) en kan bij de auteur besteld worden: C. van Woerkum, Snijderswei 6, NL. 5551 RK, Valkenswaard.

De volledige gedrukte versie in boekvorm, met Engelse en Nederlandse samenvatting en geïllustreerd met foto’s van Frans-Vlaanderen, kost 19,00 € exclusief verzendkosten. Voor Nederland zijn de verzendkosten 2,20 €, voor het buitenland 5,48 €. Te verkrijgen door storting, voor Nederland op rekening Rabobank 17 29 38 279; buiten Nederland: IBAN: NL20 RABO 0172 9382 79 - BIC: RABONL2U. Het geheel valt overigens ook op het internet na te lezen onder:

http://igitur-archive.library.uu.nl/dissertations/2007-0327-200438/index.htm

 

De drie veldslagen van Guinegate (2)


Renaat Vanheusden, Hasselt

Inleiding

Onder al de historische plaatsen, die zo talrijk te vinden zijn zowel in Vlaanderen als in Artesië, is er toch één die door een buitengewoon toeval op een niet alledaagse manier geboekt staat: Guinegate! Driemaal in minder dan zestig jaar werd daar gevochten om het bezit van Vlaanderen.

Op 7 augustus 1479 versloeg aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk het leger van de Franse koning Lodewijk XI. Deze slag staat bekend als de Slag van de Opgestroopte Mouwen. We hebben er aandacht aan besteed in onze vorige Nieuwsbrief. In wat volgt staan we stil bij het 2e en 3e treffen.

Op 16 augustus 1513 versloeg dezelfde Maximiliaan, nu keizer geworden, het Franse leger van koning Lodewijk XII in hetgeen later de Tweede Sporenslag genoemd werd.

En de derde veldslag van Guinegate? Die had plaats einde juli 1537, nu tussen keizer Karel V en koning Frans I en staat geboekt als de Slag van de Poederzakken. In wat volgt gaan we even dieper in op de beide laatst vernoemde gebeurtenissen.

De Sporenslag van 16 augustus 1513

Vierendertig jaar na de eerste slag van Guinegate, werd op dezelfde plaats, in dezelfde maand augustus, opnieuw slag geleverd, een tweede overwinning voor (ondertussen keizer geworden) Maximiliaan.

Aartshertog Maximiliaan van Habsburg (1459-1519) werd inderdaad enkele jaren na de eerste slag, namelijk in 1486, in Duitsland tot Rooms-Koning gekozen en aldus gekroond, nog tijdens het leven van zijn vader keizer Fredrik III van Stiermarken (1415-1493).

De zoon van Maximiliaan en vader van de toekomstige Karel V, Filips de Schone (1478-1506), die in 1493 meerderjarig verklaard was, stierf op nog jeugdige leeftijd in 1506, waarna zijn echtgenote de geschiedenis ingegaan is als Johanna de Waanzinnige. Daardoor werd Maximiliaan een tweede maal het regentschap over de Bourgondische Nederlanden opgedrongen, dat zou duren van 1506 tot 1515. Als aartshertog van Oostenrijk en nu ook Rooms Keizer, kon hij echter haast nooit zelf in de Nederlanden resideren. Daarom stelde hij zijn dochter Margaretha (1480-1530) aan tot landvoogdes. Korte tijd na de tweede slag van Guinegate zal Margaretha haar bewind moeten afstaan, op verzoek van de Nederlandse adel, die grote bezwaren had tegen deinvloed van haar Bourgondische raadgevers. En dan wordt Karel V meerderjarig verklaard (1515).

Maar in 1513 was het nog zo ver niet. Ondertussen heette de nieuwe Franse koning Lodewijk XII (1462-1515). Hij had in 1498 zijn verre achterneef Karel VIII (1470-1498), zoon van Lodewijk XI uit de eerste slag van Guinegate, opgevolgd. Lodewijk XII maakte handig gebruik van alle spitsvondigheden die zijn juristen hem op de vanouds gekende Franse methode aanboden. Zij interpreteerden immers de teksten van de vredesverdragen naar hun eigen zin. Zo kon hijzelf volop aanleidingen vinden en voorwendsels aangrijpen om tussen te komen in de binnenlandse aangelegenheden van vooral Vlaanderen.

En zoals Maximiliaan destijds ons land beschermd had tegen de gretige Lodewijk XI, zo moest hij nu de intriges van Lodewijk XII gaan beantwoorden. Hij werd daarbij goed geholpen door zijn dochter landvoogdes Margaretha, die er door onderhandelingen in slaagde de Engelse koning Hendrik VIII (1491-1547) aan haar zijde te krijgen. Hendrik VIII was op dat moment nog gehuwd met de eerste van zijn zes vrouwen, namelijk Katharina van Aragon, zuster van Johanna de Waanzinnige, de weduwe van wijlen Filips de Schone … die zelf een broer was van Margaretha. Soms is familie toch ergens goed voor!

Maximiliaan en Margaretha konden zelfs de Engelse koning zo ver krijgen dat hij met een leger de oversteek naar het continent maakte om zijn familie een handje toe te steken. En begin augustus 1513 was het weer zover. De beide vijandige legers trokken tegen elkaar op. Het leger van Lodewijk XII omvatte allen die in die dagen naam hadden in de Franse ridderschap. Aan de andere kant stonden opnieuw vooral de fameuze infanterietroepen van de Nederlanden, zoals die nog door Karel de Stoute (Maximilaans schoonvader) ingesteld waren, deze keer gesteund door het Engels expeditiekorps. De twee legers raakten slaags op 16 augustus 1513 in de omgeving van Guinegate, op de weidse vlakte nabij de heuvels die, met hun hoogte van 140 meter, over de rechteroever van de oude Leie hangen en de hele streek domineren. Een terreinplooi op de linkeroever beperkt het zicht aan die kant, zodat de beide legers elkaar niet onmiddellijk in het oog kregen. Sinds als die jaren is dit terrein haast onveranderd gebleven.

In zijn Histoire de Flandre noteert Jozef Kervyn de Lettenhove: “De velden van Guinegate brachten Maximiliaan steeds geluk.” En Louis Brésin, een tijd- en streekgenoot, verhaalt in zijn Chroniques de Flandre et d’Artois: “Zodra Maximiliaan zag en besefte dat zijn dappere soldaten op een ongelooflijke wijze branden van verlangen naar de strijd, marcheerde hijzelf vooraan tegen de Fransen op. En wetend dat de plaats reeds tevoren ongeluk gebracht had aan de vijand en nog genietend van zijn vorige overwinning op de Fransen, ging hij ze woest te lijf, man voor man.”

In het Franse kamp, met haast kersvers nog de herinneringen aan 1479, kwam het tot een wanhopige en overhaaste vlucht. De zwierige Franse ridders gebruikten inderdaad “meer de sporen dan het zwaard”. Die nogal harde uitdrukking – in het Frans klinkt ze eigenlijk mooier: “Les Fringants chevaliers, plus que de l’épée, jouent de l’éperon” – stamt uit de mond van Guillaume du Bellay, op dat ogenblik een jonge officier, maar later generaal in de legers van Frans I, en staat opgeschreven in zijn Mémoires. In Frankrijk is de uitdrukking steeds bewaard gebleven als men het over deze veldslag heeft: la Journée des éperons”, de Sporenslag.

Deze gebeurtenis wekte inderdaad opzien in de annalen van de ridderschap. Want alhoewel de meerderheid van de adellijke heren de Vlaamse troepen niet meer te bieden hadden dan een weinig eerbare vlucht, hebben onze voorouders toch de gelegenheid gehad enkele levende trofeeën te bemachtigen. Zo viel bijvoorbeeld de beruchte La Palisse in hun handen. Die lukte er echter in zich los te maken en – dank zij zijn sporen! – te ontsnappen. Maar een zekere Dunois, zoon van een wapenbroeder van niemand minder dan Jeanne d’Arc, sierde – om het zo te zeggen – hun triomfwagen en zelfs de allerberoemdste Franse ridder Bayard werd krijgsgevangen genomen, of liever: “gaf zichzelf gevangen om niet hoeven te vluchten”, zoals verschillende kroniekschrijvers berichtten… met een waarschijnlijk niet helemaal onvrijwillige humor.

De Slag van de Poederzakken

Guinegate bleek wel degelijk een voorbestemde plaats te zijn. Want, hoe onwaarschijnlijk het ook moge klinken, hier zou voor de derde maal in minder dan zestig jaar de Franse ridderschap in het zand bijten, en zulks opnieuw door toedoen van de Vlaamse milities.

In die dagen was keizer Karel V (1500-1558), kleinzoon van Maximiliaan en Maria van Bourgondië, heerser over de Nederlanden (en nog over geen klein beetje méér) en wellicht op het toppunt van zijn macht. In Frankrijk regeerde koning Frans I (1494-1547), die in 1515 zijn overleden oom Lodewijk XII (die geen zoon naliet) opgevolgd was. Over de vele oorlogen tussen Karel V en Frans I zijn ontelbare boeken geschreven. Maar we gaan het hier alleen hebben over hun zoveelste confrontatie, een vrijdag in juli 1537 te Guinegate.

Frans I was alweer eens – hij was bijlange niet aan zijn proefstuk – onze Lage Landen binnengevallen. Inderdaad, vanaf 1521 was Frankrijk haast ononderbroken tot en met 1544 in oorlog met keizer Karel V. Nu in 1537 profiteerde Frans I dankbaar van het feit dat Karel V op dat ogenblik oorlog voerde tegen de Turken, “ter bescherming van de christenheid”. Maar dat belette de “Roi Très Chrétien”, de zeer christelijke koning Frans I, niet om zijn plundertochten gewoon voort te zetten. Hij stak de Somme – de toenmalige grens tussen de Zuidelijke Nederlanden en Frankrijk – over en wierp zich dan op onze ongelukkige, want onverdedigde, Vlaamse steden.

Het was maar een zwak keizerlijk leger, waarvan een contingent van ongeveer 8000 Vlamingen de hoofdmoot uitmaakte, dat zich op weg begaf om te pogen de Fransen te verdrijven. Dit leger stond onder het commando van Maximiliaan van Egmond.

Maximiliaan van Egmond (+ 1548), graaf van Buren, was een kleinzoon van Frederik van Egmond (1440-1521), een jongere broer van Jan III van Egmond (1438-1516), de grootvader van Lamoraal van Egmond, onze “grote” Egmond. Zijn dochter, Anna van Egmond (1533-1558), gravin van Buren, was de eerste echtgenote (1551) van haar jaargenoot Willem de Zwijger.

Maximiliaan liet zijn troepen optrekken naar Terwaan, waar een deel van het Franse leger zich verschanst had. Terwaan werd belegerd. Maar er kwam al spoedig een Frans hulpkorps opdagen om de belegerde stad te ontzetten. De overmoedige bevelhebbers van die hulptroepen waren er rotsvast van overtuigd dat ze zonder veel moeite korte metten konden maken met het Vlaamse voetvolk en aldus het beleg ongedaan konden maken. Maar bij de eerste schermutselingen lieten ze zich nabij Guinegate al in de pan hakken. Enkele dagen later, op 30 juli 1537, werd in Bomy, een gehucht van Guinegate, een bestand gesloten tussen beide kampen en zo kwam er al heel spoedig een einde aan de krijgsverrichtingen.

De volkshumor, die geen medelijden kent voor abnormale tegenspoed, is niet mals geweest voor de verliezers van 1537. De poederzakken, die het hulpkorps lichtzinnig beloofd had ter “bevoorrading” van de belegerden in de stad mee te brengen, leverden door de nederlaag van de Fransen aan deze korte veldslag de benaming “Journée des Sacquelets” op. In het Picardisch werd dat op geestige wijze vertaald als “Journée des Pourettes”, waarbij “pourre” in het Picardisch staat voor “poudre” (poeder), en “pourettes” voor “poedertjes” maar ook voor “stof”. De Fransen waren inderdaad maar “stof” geweest.

Jean-Marie Gantois citeert in zijn verhaal over deze veldslag nog een leuk versje uit een pamflet, dat in die tijd in de streek circuleerde en dat door aan zekere Le Glay, archivaris, ontdekt werd:

“En l’an de grâce XV cent et XXXVII,

Ung vendredi en jullette, proprement,

Que les Franchois plain d’orgueil comme on scet

Pensant faire ravitaillement

A Terouanne, portant honnestement

Les sacquelés, en guise de malettes,

Pour bien parler de ce jour proprement,

On le nomra la journée des pourettes.”

Vrij vertaald:

“Het was in het jaar van genade 1537, en wel op een vrijdag in juli, dat de Fransen, vol van hoogmoed, zoals men goed weet, van plan waren Terwaan te geen bevoorraden. Ze droegen heel netjes – verpakt in koffertjes – poederzakken. En om deze dag eigenlijk goed te onthouden, noemt men hem voortaan dan ook de dag van de poederzakken.”

Literatuur

Gérard Landry & Patrick de Verrewaere, Histoire secrète de la Flandre et de l’Artois, Editions Albin Michel, Parijs, 1982

Jean-Marie Gantois, De Zuidelijkste Nederlanden, Oranje, Wilrijk, 1967.

Pieter Geyl, De geschiedenis van de Nederlandse Stam, deel 1 (tot 1581), Wereldbibliotheek, Amsterdam/Antwerpen, 1961.

________________

Met dank en enigszins ingekort overgenomen uit Het Verbond, 18e jg., nr. 7, september 2006. De eerste slag bij Guinegate werd uitvoerig behandeld in het voorafgaande nr. 6 van hetzelfde tijdschrift en gepubliceerd in onze Nieuwsbrief 1/2007.

 

Over “Spaanse” trapgevels


Regis de Mol

Monsieur le Président, (*)

Ce 8 mai, au cours d’une interview que vous avez accordée â Radio Clas-sique, vous avez souscrit à ce vieux mythe de l’architecture dite “espagnole” de certaines de nos villes, comme Arras, et plus généralement, de l’influence “espagnole“ en Flandre. Qu’il me soit permis d’apporter quelques rec-tifications â ces légendes inlassablement reprises et véhiculées auprès des médias et de la population, qui ont fini par y croire!

QuelIe “occupation espagnote“?

Le Flamand Charles Quint, né a Gand (1500-1558), et ses successeurs (nés en Espagne) étaient considérés par leurs sujets du nord comme leurs “princes naturels”, le rol d’Espagne étant également comte de Flandre. Les différentes provinces des Pays-Bas (dont la Flandre, l’Artois et le Hainaut), avaient  le contrôle du pouvoir civil, les gouverneurs désignés par Madrid se réservant le commandement militaire. Voici ce qu’en dit le grand historien belge Pirenne: “Le roi d Espagne règne en Belgique, mais ne la gouverne pas. (...) L’Espagne qui a régné si longtemps sur la Belgique n’y a rien laissé d’elle (...) son sang ne s’est pas mêlé â celui du peuple, elle n’a exercé aucune action sur l’art, ni sur la littérature; elle n’a même passé aucun mot de son vocabulaire aux dialectes flamands ou wallons. Les deux nations ont vécu l’une â côté de lautre sans se pénétrer, ni se comprendre...”

Il n’y a donc pas eu de “colonisation” espagnole, au sens compris habitueliement, de nos contrées, ce que tous les historiens sérieux confirment. Il convient donc de tordre le cou iniassablement â l’indélébile mythe espagnol qui afflige encore trop de nos compatriotes complexés et maintenus dans l’ignorance.

1. L’architecture des pignons dentelés est née en Flandre vers le XIVème siècle, bien avant les naissances de Charles Quint et de Philippe II. Elle sera exportée sur tout le pourtour de la Mer du Nord et de la Baltique. On l’appellera parfois architecture “hanséatique”. Celle-ci est totalement inexistante en Espagne. Cette légende des pignons espagnols due â Victor Hugo, a causé bien des ravages sur l’image de notre région (cf. les places dites “espagnoles” d’Arras/Atrecht. les maisons dites “espagnoles” de Béthune, Cambrai, Valenciennes, etc.!). Nous Flamands, avions notre génie propre en matière d’architecture comme en peinture ou dans bien des domaines techniques et industriels!

2. Les très nombreux noms de familie se terminant en -ez sont typiques de notre région et ne doivent rien â une origine espagnole, contrairement â la conviction parfois sans appel de leurs porteurs.

Exemples de noms régionaux répandus: BOUCHEZ, DUPREZ. DURIEZ, FIEVEZ, GRIMONPREZ, MULLIEZ, P0TEZ,. THIRIEZ, THOREZ, etc. Tous ces noms sont inexistants en Espagne.

Exemples des six noms les plus répandus en Espagne: GOMEZ, LOPEZ, SANCHEZ, GONZALEZ, ALVAREZ, FERNANDEZ, etc. Ces noms sont introuvables chez nous en dehors de l’immigration récente.

Le “z” serait soit une fantaisie graphique (boucle ornementale finale interprétée en z), soit la marque d’un génitif d’origine flamande. Les spécialistes sont d’avis partagés sur cette question, mais tous rejettent l’hypothèse espagnole!

Nota: on retrouve le même phénomène en Savoie avec les noms en -oz (Mermoz, Vuillermoz, etc.) région n’ayant pas connu d’occupation espagnole!

3. Quant aux yeux noirs ou aux cheveux foncés, ils ont toujours existé et ne doivent rien aux hidalgos! Les races pures n’ont jamais existé! Les garnisons du roi d’Espagne, qui était aussi comte de Flandre, étaient d’ailleurs composées essentiellement de mercenaires suisses, lombards, allemands. wallons et ...flamands!

4. Il n’y a pas de mots espagnols dans les langues régionales, bien qu’il puisse y avoir des similitudes entre certains termes picards et espagnols, ce qui est logique, ces deux langues étant issues du latin!

“Nos origines espagnoles”? Ce cliché non innocent contribue â masquer notre véritable identité qui doit d’avantage aux rivages nordiques quaux rivages méditerranéens!...ce qui n’ôte rien aux grandes qualités du peuple espagnol!

L’Alliance Régionale Flandre-Artois-Hainaut que je préside lutte pour l’amélioration de l’image de marque de la Région. pour la restauration de son identité réelle et de ses noms historiques. Ces conditions sont, nous en sommes persuadés. un préalable à toute renaissance économique et sociale de notre Région.

Comme vous, je le pense, nous sommes attachés à cette région et nous vous proposons de vous aider â la faire connaître et reconnaître en publiant par exemple un recueil d’histoire régionale (pourquoi pas en bande dessinée?) afin de rétablir les principales périodes de notre histoire, en toute ohjectivté. Ce recueil pourrait être distribué ensuite dans les collèges ou lycées de la région.

Dans 1’attente de vous lire, veuillez agréer, Monsieur le Président. 1 expression de mes sentiments régionalistes. fédéralistes et européens.

Regis de Mol

Président de l’Alliance régionale Flandre-Artois-Hainaut

 

Vanaf de zijlijn


Marten Heida, Veenendaal

Karl Sauvagerd, dichter in het “Groafschupper Platt”

Als reactie op mijn vorige bijdrage ontving ik een schrijven van dr. J.G. Raben. Hij deed dat vergezeld gaan van een artikel dat hij in samenwerking met Heinrich Kuiper geschreven had voor het Bentheimer Jahrbuch 2007. Het is gewijd aan Karl Sauvagerd en opgesteld ter gelegenheid van het feit dat het in 2006 honderd jaar geleden was dat deze Bentheimer dichter geboren was (“hee is uut de Tied goahn in Februar 1992”). Als voertuig hebben ze gebruik gemaakt van het “Groafschupper Platt”, de taal waarin ook Sauvagerd zich in zijn dichtwerk bij voorkeur uitdrukte, maar dan in “dee Schriefwiese” van dr. Raben. Die heeft daarvoor zijn oor te luisteren gelegd bij “dee Uutsproake van ’t Platt, wu hee se van siene Aulers en van Väildhusen käint”. Daarbij “hebbt see sik bemoït hochdüütsche Wöörde noa Mööglikhäid uut de Wegg to goahn un hebbr doarbi dan ook hier en doar ‘, Woard uut ‘t Hollaûnsche nommen.”

Karl Sauvagerd was “in de hele Groafschup bekäint” als Heimatdichter en kleermaker. “Siene Vööraulders stamden van Hugenoten of” die in het begin van de 19e eeuw in de Graafschap waren komen wonen. “Sien Vader was in Emmelkaûmp (de vroegere naam van Emlichheim–MH) geboaren.” In de zomer van 1948 kwam zijn eerste boek – Häideblomen – van de pers. Het bevatte zowel gedichten als “grieselikken Spöökvertellsels die froger bi’t losse Füür vertäilt wödden”. Ook was hij een geboren verteller; zittend op zijn werktafel “in den soagenöömden Schniedersitz” kregen bezoekers die op het punt stonden te vertrekken vaak te horen: “Wocht noch ewen. Dat mo’k di noch vertellen.”

Maar behalve dat hij bekend stond voor zijn vertelkunst is hij ook de man geweest die in een tweedelige Unser Grafschafter Platt zijn gemeenschap een grote dienst bewezen heeft. “Et bint twee alphabetisch opgebaude Lexikons met  (…) plattdüütsche Groafschupper Wöörde d’r-ijn, doarunner völle, dee gar nich mäer bekäint bint.”

Tot op de dag van vandaag hebben “völle Nijnhüser - . Neuenhaus-MH – gar nich wetten dat in äere Stadt sonnen kloken en begaawden Käerl wounde en warkde.” Hij mag dan geen genie geweest zijn gelijk Mozart, “men wal ’n Wounderkäind, Dialektpoet, Botaniker, Moaler, Natur- en Musikfröind, dat all’s was hee.”

Met de Nederlandse taal was hij goed vertrouwd. Vandaar “as in ’t Platt moal ’n Woart mekäerde dan sett’de hee gäern ’n hollaûnsch Woart ijn.” Terecht was hij van mening dat deze “Wöörde – van aren Klaûnk an äer hele Wesen – better bi’t Platt as hoochdüütsche Wöörde äerten.”

Op zijn oude dag werd hij gedwongen Neuenhaus te verlaten: in verband met de verbreding van de Hoofdstraat moest zijn woning afgebroken worden. “Hee hef sik wal wäert (…) men et hölp niks, sien Huus mus d’r dale.” Uelsen werd zijn nieuwe woonplaats; “dat Verhüsen hef hee guud owerstoahn.”

Dicht bij hem woonde Willy Friedrich, de uitgever van Der Grafschafter, die zijn schrijfsels graag opnam. Verder kreeg hij regelmatig bezoek van Lucie Rakers, die grote bekendheid genoot als dichteres. (Ons enkele jaren geleden gestorven bestuurslid Ward Corsmit heeft de aandacht op haar dichtwerk gevestigd in o.m. het Zannekin Jaarboek 9 (1987, pp. 87-92).

Na zijn dood heeft men in Neuenhaus “’ne Steege noa em nöömt, net up dee Stee woar sien Huus stoahn harr”. Onder het straatnaambord is een kleiner vastgemaakt waarop te lezen staat: “Hier wohnte und arbeitete bis 1981 der Heimatdichter Karl Sauvagerd”.

Uiteindelijk was de afbraak van zijn huis helemaal niet nodig geweest. Als gevolg van de toeneming van de verkeersdruk werd een rondweg aangelegd en kon de Hoofdstraat verkeersarm gemaakt worden. Men had hem het verdriet van de gedwongen verhuizing kunnen besparen: “sien Lieden was äinleks sounder Sinn en Nutt.”

In de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog werd hij in Tsjechië krijgsgevangene gemaakt door Amerikaanse soldaten. “Du hee noa dee ‘unwiese Tied’ (…) siene lewe Dijnkelstad wäersööch, schreef hee uut Dankbaarhäid dat Gedicht Gebett.” Als proeve van zijn dichtkunst laat ik hier bij wijze van afsluiting de eerste strofe volgen:

 

Du lewen Häer, noa disse grote Noat

daûnk wij, dat du ouns hölps uut Blood en Doat

dat du vul Gnade up ouns daal’ hes seen,

dat wi noch leewt en wäer in Huus könnt ween.

 

 

Het laatste woord


Leo Camerlynck, Ukkel

La Route des Flandres’ bekoort

Guise, Laon, le Chemin des Dames, Prémontré, Noyon, Senlis, Chantilly, Orry la Ville, Ermenonville, Compiègne, Longueval, Atrecht, zijn namen die als een klok luiden en weergalmen, de ene wat meer dan de andere. Het waren ook de bestemmingen van een driedaagse reis, die onze stichting Zannekin samen met Open Boek uit Brussel ondernam eind mei begin juni 2007.

Stuk voor stuk zijn het plaatsen, die zich nu in Frankrijk bevinden, doch die een onmiskenbare band met de Nederlanden nauwelijks verborgen houden.

Minder bekend in zowel noord als zuid is Orry-la-Ville. Daar bevindt zich een Nederlandse erebegraafplaats met de graven van 114 Nederlandse burgers en militairen die in de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen in Frankrijk. Jaarlijks op 4 mei wordt een herdenkingsplechtigheid gehouden waarbij Nederlandse en Franse autoriteiten een krans leggen. Het ereveld, dat aan de drukke Route Nationale 17 naar Senlis ligt, biedt een en al rust, verpozing en bezinning.

Iets bekender, doch niet bij het ruime publiek is het Suid-Afrikaanse erepark of memoriaal te Longueval nabij Bapaume. Daar werd ons gezelschap in het Afrikaans verwelkomd door de heer Thapedi Masanabo, directeur van het prachtige domein. Een kort, maar aangenaam gesprek, deels in het Afrikaans, deels in het Nederlands, vond bij het Delvillebos plaats. Het zacht zangerige Afrikaans kleurde nog meer de reis. Hier volgt nog een beschrijving van het hele gebied zoals het o.a. grotendeels door “wikipedia” wordt weergegeven.

 

Longueval/Delvillebos. Aan de voet van de triomf-boog verwelkomt directeur Thapedi Masanbo (links) de bezoekers in het Afrikaans. In de verte ontwaart men de replica van het Kasteel van Kaapstad. Zannekin-voorzitter Leo Camerlynck (rechts) luistert aandachtig. Foto Dorothee van Wallene-Sweers.

 

 

 

Delvillebos (in Frans, Bois d'Elville) is ‘n klein bos by die dorp Longueval in die Somme vallei in Frankryk. Die Suid-Afrikaanse Oorloggedenkteken en die Delvillebos-gedenkmuseum ter herinnering aan Suid-Afrikaners, wat aan twee wêreldoorloë, die oorlog in Korea en die Berlynse Lugbrug deelgeneem het, is in 1986 geopen. Die museum is 'n verkleinde weergawe van die Kasteel die Goeie Hoop in Kaapstad. Tydens die Eerste Wêreldoorlog (1914 – 1918), het 121 offisiere en 3 032 manskappe van die Eerste Suid-Afrikaanse Infanterie Brigade op 14 Julie 1916 in 'n hewige geveg gewikkel geraak. Ses dae later, op 20 Julie is die Brigade te hulp gesnel, maar dit was reeds te laat. Slegs 29 offisiere en 751 manskappe het die Slag van Delvillebos oorleef, en van die bos het net 'n enkele booghoutboom na die slag staande gebly. Na die verwoesting van die Delvillebos is boompies vanaf Stellenbosch en Franschhoek weer aangeplant, dieselfde akkerbome of eike van die Kaap wat oorspronklik uit Frankryk kom. Die bome vorm nou die lang eikelaning by die begraafplaas van Suid-Afrikaanse gesneuweldes na die ingang van die monument uit. Op 11 November 1986 het die Staatspresident van Suid-Afrika, Pieter Willem Botha, in Delvillebos ook ‘n gedenkmuseum onthul, waar ‘n aantal uitstallings aangebring is om Suid-Afrika se deelname aan die Eerste en Tweede Wêreldoorlog en in Korea uit te beeld. Die beeldhouer Danie de Jager het ‘n brons reliëf getiteld “Die sesde dag” uitgebeeld. Die reliëf van 8,2 x 3,2 meter beeld gehawende manskappe op die voorgrond uit met die verwoeste oorblyfsels van Delvillebos in die agtergrond.

 

Kevelaer was een voltreffer, Oost-Friesland komt eraan

Kevelaer, Straelen, Gelre, drie prachtstadjes in Opper-Gelderland. De voorjaarstudiereis was een schot in de roos op zowel cultuur-historisch als religieus-humaan vlak.

Het was mede een voltreffer omdat Zannekins vice-voorzitter Jan van Tongeren, tevens voorzitter van de stichting Ons Amsterdam, heel wat enthousiaste deelnemers uit Nederlands hoofdstad en omliggende had kunnen overtuigen deel te nemen aan die fraaie gebied tussen Maas en Rijn, waar zo veel cultuur uit de Nederlanden voortleeft.

In het najaar wordt het Emden in Oost-Friesland. Noteer nu alvast al 12 en 13 oktober 2007. U verneemt er meer over in ons volgend nummer.

Leo Camerlynck

Voorzitter zannekin