> nieuwsbrief > 24e jg. - 4e trimester 2007

Bijdragen over:

Tip

Mededelingen

 

Nederlandse Dag te Emden,  Oost Friesland


Op zaterdag 13 oktober 2007 zijn we aan onze Ontmoetingsdag toe. Het programma belooft beslist boeiend te worden:

De deelnameprijs ‘all in” (koffie, middagmaal, vieruurtje, gidsingen en toegangen) beloopt 30 € per persoon (leden) of 35 € per persoon (niet-leden) en dient voorafgaand – uiterlijk op 6 oktober - vereffend te worden (cf. Zannekin-rekeningen). Wie omwille van de afstand te Emden wil overnachten kan dit tegen gereduceerd tarief – mits verwijzing naar onze dag – in het Hotel Faldernpoort, en neemt daartoe zelf het initiatief: www.faldernpoort.deinfo@faldernpoort.de

 

Ontmoetingsdag te Emden – Oost-Friesland


Marten Heida

Emden, een vluchthaven voor vervolgden om hun geloof

Al er één plaats is in Oost-Friesland die gedurende een aantal eeuwen nauwe banden heeft gehad met de aangrenzende Nederlanden dan wel Emden. Om daaraan meer dan gewone aandacht te kunnen schenken staat deze stad in het middelpunt van het programma van de Zannekin-Ontmoetingsdag van zaterdag 13 oktober a.s.

Ongetwijfeld zal er vóór het midden van de 16e eeuw al sprake zijn geweest van contacten, maar gezien de aardrijkskundige ligging zullen die toch een sterk regionaal bepaald karakter hebben gehad. Het geheel der Nederlanden raakt met Emden betrokken – en dat in sterk toenemende mate – vanaf de jaren rond 1530.

Erg verwonderlijk is dat niet. Immers als de storm op til is, zoekt menige schipper tijdig een vluchthaven op. In overdrachtelijke zin kan dat ook gelden als op politiek en godsdienstig gebied een storm opsteekt. En dat gebeurde in de Nederlanden als gevolg van de door Karel V uitgevaardigde wetten. Ging de stroom van uitwijkelingen aanvankelijk in westelijke richting (zuid-oost Engeland) als gevolg van het daar verslechterde politieke klimaat door het aan de macht komen van Bloody Mary werd de koers verlegd naar het noord-oosten en kwam Emden binnen het gezichtveld.

De eerste immigratiegolf waar deze stad me te maken krijgt dateert ui de jaren 1544 tot 1549; met nam de de Wederdopers in een bonte verscheidenheid maakten er deel van uit. In de Brückstrasse staat een gebouw dat aan de volgelingen van Menno Simonsz – hij is erin geslaagd de belangrijkste stromingen binnen deze godsdienstige beweging op één lijn te krijgen – herinnert; het is het kantoor vn d plaatselijke Mennonieten-gemeente en fungeert als zodanig “sedert 1530”, zoals te lezen valt.

De tweede golf heeft plaats in de jaren tussen 1554 en 1576. het zijn voor een deel de jaren waarin Alva zijn sporen door de Nederlanden heeft getrokken. Het verschil met de vorige golf is dat het nu met name de volgelingen van Calvijn zijn die een veilig heenkomen zoeken in Emden. En ze zijn zeker niet alleen afkomsig uit Holland; ook gereformeerden uit Vlaanderen en Frans-Vlaanderen – en dan denk ik aansteden als Antwerpen, Gent, Rijsel en Valencijn – wijken uit naar Oost-Friesland. Volgens Hugo de Groot bedroeg hun aantal rond 1559 maar liefst 6000.

Dat men hier de gezochte veiligheid vond, heeft uiteraard te maken met de politieke situatie in het Oost-Friesland van die tijd. In de loop van het ochtendprogramma van onze Ontmoetingsdag hoop ik daar in een door mij verzorgde lezing op in te gaan. Eveneens ga ik hier voorbij aan de betekenis van Johannes a Lasco;ook daarover zult u bijgepraat worden.

Dat er in Emden – ondanks het verwoestend geallieerd bombardement van 11 december 1943 - nog veel bewaard is gebleven dat herinnert aande tijd dat Emden dienst deed als “het scheepke Christi”, daarvan kunt u zich overtuigen tijdens de wandeling die is voorzien als zinvolle invulling van het middagprogramma.

Ruilbeurs

Als steeds houden wij er aan de unieke ruil- en boekenbeurs – reeds voor de 12e maal - rond alles wat de maken heeft met de Vlaamse en Heel-Nederlandse beweging, te Nijlen op zondag 21 oktober van 9.00 uur tot 16.00 uur, in de zaal Nilania, Kesselsesteenweg 52, van harte aan te bevelen.

Studiekring Eerste Millenium (SEM)

Achtste SEM-Symposium: Transgressies

3 november 2007 te Bavel bij Breda

Thema: Kusten en rivieren in de Lage Landen gedurende het eerste Millennium en Aandachtspunten voor de eschiedschrijving

Dagprogramma:

Locatie: Zalencomplex Bruininks; gratis parkeergelegenheid bij de zaal.

Kosten: 20 euro (inclusief koffie/thee en lunch), contant te voldoen aan de zaal.

 

Fläming-Flandern viert de vestiging 850 jaar geleden van Vlamingen in Fläming (Duitsland)


Donderdag 23 augustus l.l. was de vereniging Fläming-Flandern met een toeristische stand te St.-Niklaas om de regio Fläming in het voormalige Oost-Duitsland voor te stellen aan het Wase publiek.

In 2009 plant de vereniging Fläming-Flandern een jubileumjaar waarbij herdacht wordt dat 850 jaar geleden een groep Vlamingen, waaronder heel wat Waaslanders, zich vestigden in de Duitse regio thans Fläming genoemd, op uitnodiging van de bisschop van Magdeburg.

Om dit jubileumjaar in te leiden zal een tentoonstelling rond dit thema rondreizen langs bibliotheken in het Waasland in het najaar van 2008. De vereniging Fläming-Flandern wil Wase heemkundige verenigingen, archieven, bibliotheken cultuurcentra enz. betrekken bij haar jubileum en bij wetenschappelijke studie die rond de migratie van Vlamingen naar Fläming 850 jaar gelden werd gemaakt. Meer informatie is te verkrijgen op de dienst cultuur (stadhuis) te Sint-Niklaas.

 

Pleidooi voor het Plattduits


Dr. phil. Johann-Georg Raben, Neuenhaus

Argumente, die das Selbstbewusstsein des Plattproaters stärken können

  1. Das PD war zur Zeit der Hanse europaweit verbreitet, war offizielle Umgangs- und Geschäftssprache, wurde in Vertragen, Briefen, Chroniken, Büchern verwendet. Das Plattdeutsch (PD) ist also eine bedeutende Sprache, es hat eine grosse Vergangenheit.
  1. Nur durch die politische Entwicklung wurde verhindert, dass das PD bei uns (wie in Holland) zur offiziellen Staatssprache wurde. Das politische und kulturelle Übergewicht der hochdeutsch sprechenden Länder innerhalb des Deutschen Reiches - nicht zu vergessen dabei die starke Wirkung der Lutherbibel - führten dazu, dass das PD in Norddeutschland zu einer Sprache minderen Ranges wurde.
  2. Das PD ist mit dem Holländischen verwandt, also mit einer Sprache, die von rund 15 Millionen Nieder1ändern gesprochen wird. Das Ho11ändische ist darüber hinaus eine ,,Weltsprache”. Sie wird im flandrischen Teil Belgiens und Frankreichs, in Südafrika, Namibia, Surinam und auf den westindischen Inseln gesprochen, auch von vielen holländischen Auswanderern in den USA. Das PD ist also, durch seine Verwandtschaft mit dem NiederIändischen, indirekt eine ,,Welt-sprache”.
  3. Das PD wirkt gemütlich, verbindlich, versöhnlich. Das Hochdeutsche dagegen ist oft ,,kalt”, wissenschaftlich, ,,hochgestochen”; es wird häufig dazu verwendet, einen Gegner argumentativ oder rhetorisch ,,fertigzumachen” (z.B. vor Gericht). Auch ist die hochdeutsche Sprache durch ihren Wortreichtum oft unklar, ,,vernebelnd”; es werden ,,Sprechblasen” und ,,Blah-Blah” produziert. Wer Plattdeutsch spricht, drückt sich dagegen meist klar und einfach aus. Auch ist darauf hinzuweisen, dass die hochdeutsche Sprache, vor allem in der Wissenschaft, durch viele - meist dem Lateinischen entstamniende - Fremd- und Lehnwörter entartet ist und sich vom ursprünglichen Deutsch entfernt hat. Em weiteres Problem ist die Kompliziertheit der hochdeutschen Sprache. Sogar von Sprechern in Radio und Fernsehen werden Fehler gemacht (z.B. falsche Konjunktive). Kaum em Deutscher beherrscht die deutsche Sprache noch richtig. Ferner ist die komplizierte Rechtschreibung der deutschen Sprache em ständiges Argernis. - Wenn also schon eine ,,Absetzbewegung” vom Hoch-deutschen ins Englische und in Fremdwörter hinein festzustellen ist, dann ist ja wohl auch eine ,,Absetzbewegung” vom Hochdeutschen zum Plattdeutschen hin erlaubt, nicht wahr? Jedenfalls erscheint eine übermässige Loyalität (,,Nibelungentreue”) zum Hochdeutschen nicht angebracht Das Hochdeutsche muss in seiner Bedeutung und Wichtigkeit relativiert und in Frage gestellt werden.
  4. Viele Wörter im PD lassen sich bequemer sprechen als hochdeutsche Wörter. ,,Ploog” spricht sich leichter als ,,Pflug”, ,,dat” leichter als ,,das”, ,,nu” leichter als ,,jetzt”, ,,schwatt” leichter als ,,schwarz”.
  5. Wenn Plattproater 500 bis 1000 holländische Wörter dazulernen, können sie hollândische Texte (z.B. eine ho1ländische Zeitung) lesen, und es erschliesst sich ihnen damit eine ganze, reiche Kultur - die niederländische näm1ich (die noch dazu direkt vor unserer Haustür liegt).
  6. Die hochdeutsche Sprache hat viel von ihrem Glanz dadurch verloren, dass sie sich dem Englischen sozusagen ,,an den Hals geworfen” hat. Immer mehr englische Wörter und Redewendungen dringen ins Deutsche ein, wodurch sie immer mehr ,,verdirbt”. Man spricht bereits von einer deutsch-englischen Mischsprache (,,Denglisch”). Es spricht daher - wie bereits unter Punkt 4 gesagt - einiges dafür, sich von dieser sich selbst aufgebenden, sich selbst offensichtlich nicht mehr ernst nehmenden Sprache abzuwenden und der plattdeutschen Sprache zuzuwenden.
  7. Da immer mehr Holländer und holländische Firmen nach Deutschiand kommen und andererseits viele Deutsche in Holland arbeiten oder studieren, kann die Beherrschung des PD sich auf das berufliche Fortkommen unter Umständen sehr positiv auswirken; denn das PD gibt einen guten Zugang zur holländischen Sprache. (Vergleiche Punkt 6) Plattdeutsch kann also karrierefördernd sein.

(Hinweis: Die Gedanken und Thesen in diesem Papier sind zum Teil etwas polemisch und zugespitzt formuliert.).

[adres auteur: Bahnhofstrasse 47, 49828 Neuenhaus; tel. 05941-8746]

[geplukt uit: Heimatbrief, november-december 2006 (Westmünsterland, Kreis Borken)]


De Franse Nederlanden voltooien het Franse ‘Hexagon’


Dialoog tussen Willy Alenus en Jan Neckers met betrekking tot de Frans-Vlaming Charles de Gaulle en het zeshoekige Frankrijk

Op 16 mei 2007 verscheen de gelijknamige verhandeling in het jaarboek De Nederlanden Extra Muros van de Vereniging-Stichting Zannekin. In de hoop een gunstige recensie in de wacht te slepen, werd historicus en rustend TV-journalist Jan Neckers een exemplaar van deze dissertatie toegespeeld. Een recensie kwam er (nog) niet, maar op 29 mei 2007 wel een reactie van Jan Neckers, een reactie waarop dezerzijds dan weer kon worden gereflecteerd, met het voorlopig eindresultaat dat wat reeds geschreven was over de Franse Nederlanden en over Charles de Gaulle, nog meer reliëf kreeg en het gepubliceerde document nog waardevoller maakte. Van het originele Nederlandse document bestaat trouwens ook een originele Franse tekst en het zal niemand verwonderen dat deze versie, bij onze zuiderburen die door de geschiedenis tussen Schreve en Somme de Franse kleuren hebben gekregen, meer dan de beleefde interesse heeft opgewekt. Verzoeken om “hommage d’auteur”, bleven niet uit.

Jan Neckers: Maar mijn probleem was met de inhoud van uw stuk:

Ik lees erin dat ene Vanpeteghem De Gaulle ter wereld hielp komen, maar zo’n naam zegt weinig. Rijsel is altijd een Franstalige stad geweest, ook toen het een van de vier leden van het graafschap Vlaanderen was, al was er wel een Nederlandstalige minderheid. Rijsel zou als onderdeel van La Belgique zeker niet vernederlandst zijn, maar waarschijnlijk op West- Vlaanderen een grote druk hebben uitgeoefend om verder te verfransen. Dus, De Gaulle Vlaming? Ik betwijfel het. Ik had wel graag geweten of er iets aan is van het verhaal dat zijn naam een verfransing is van Van de Walle, maar daar zegt u niets over.

U stelt verder dat Lodewijk XIV illegaal Artois en delen van Vlaanderen heeft geannexeerd. Daar is volgens mij niets illegaals aan. Tot en met 1945 was het vanzelfsprekend dat de overwinnaar in een oorlog, een en ander annexeert en niemand vindt dit illegaal. De mentaliteit van 2007 mag men niet eisen van de mensen van 1707.

Ik ga ook niet akkoord dat Leopold II geen enkele inspanning heeft gedaan om in 1870 een en ander terug te eisen. Ten eerste was dat zijn taak niet. Dat zou tot een ferme constitutionele crisis geleid hebben want geen enkele regering zou dat geduld hebben. Ten tweede kon en wilde hij en zijn regering dat niet. Maandenlang had het leger bevend doorgebracht aan de grens en iedere Fransman of Pruis die een verkeerde weg insloeg opgepakt en ontwapend want men klampte zich bijna wanhopig vast aan de door de mogendheden opgelegde eeuwige neutraliteitsgarantie. Een stuk Frankrijk in die omstandigheden annexeren was volslagen uitgesloten want daarmee werd men bondgenoot van Pruisen en Duitsland. Het Verenigd Koninkrijk zou zoiets niet geduld hebben want België als Duitse bondgenoot was onaanvaardbaar gezien het belang van de Vlaamse havens (het Verenigd Koninkrijk verklaarde pas de oorlog aan Duitsland in 1914, nadat de eerste Duitse soldaat een voet in Wallonië had gezet). Rusland zou het evenmin genomen hebben en Frankrijk had er ongetwijfeld een casus belli in gezien.

Wat betreft de Fransen en hun collectief WO.II- geheugen:

Ik heb ook problemen met uw mening dat het verslagen Frankrijk van de Tweede Wereldoorlog uit het geheugen van Frankrijk is gewist. De beste boeken over die periode zijn van Paxton en Jackson (allebei in het Frans vertaald), maar die steunen voor een deel op ontelbare artikels van Franse historici. Ik herinner me nog de vele uitzendingen van François Mitterrand op France 3 die ongegeneerd de filmfragmenten van de collaboratie tussen Fransen en Duitsers toonde en die een uitzending wijdde aan het enthousiaste onthaal door de Parijzenaars van Pétain in mei 1944. Dus zo diep is die vergeetput niet.

U hebt wel gelijk als u de klemtoon legt op de diplomatieke krachttoer van De Gaulle om aan de overwinnaars tafel te gaan zitten. Maar hij had dan ook meer dan 100.000 Franse soldaten ter beschikking die mee in 1940 gevlucht waren (en hij kon zich beroepen op de 100.000 gesneuvelde Fransen tijdens mei 1940, terwijl de Britten nauwelijks 3.000 soldaten offerden).

Maar dat hij erin slaagde het Frans te laten erkennen was helemaal niet moeilijk. Het grootste deel van de diplomaten van 1945 was geboren rond 1880-1890 en zij hadden allemaal nog Frans als diplomatieke taal gestudeerd. Weinigen onder hen kenden Engels (zelfs de meeste gesprekken tussen Duitse en Geallieerde officieren in de twee wereldoorlogen gebeurden nog in het Frans omdat het de enige taal was die ze gemeenschappelijk kenden en die geen van beide partijen bevoordeelde).

Overigens moet u geen angst hebben voor de rol van het Frans in de VN. Toen ik er een paar jaar geleden rondliep in het gebouw aan de 2nd Avenue viel het me op dat de meeste Franse opschriften er verloederd en onvolledig bij hingen en dat niemand de moeite nog deed om ze “à jour” te brengen, in tegenstelling tot de Engelstalige aanduidingen. Zo dat was het.

Beste groeten,

Jan Neckers

Met ‘Dank voor uw vriendelijke en constructieve mededelingen’, werd door ons – Alenus - op 31 mei 2007 geantwoord, waarbij we concretiseerden wat volgt:

Bij het lezen van mijn verhandeling, heer Neckers, is het u voorzeker opgevallen dat deze, net zoals trouwens Zannekin en Régis de Mol van de “Alliance Régionale Artois, Flandre, Hainaut”, uit de hoek komt van de nostalgie naar de Zeventien Provinciën, die teloor zijn gegaan met de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648); ik behoor weliswaar (nog) niet, in tegenstelling tot bvb. Régis de Mol, tot de harde kern van diegenen die elk jaar bij de verjaardag van de verdragen van Münster en Westfalen, opnieuw de zwarte vlag willen uithangen.

Van mijnentwege is die nostalgie, die onverholen sympathie voor de verloren Nederlandse territoria des te merkwaardiger, daar mijn familie en ik, zoals alle Limburgers en Luikenaren, niet eens Nederlanders zijn of ooit zijn geweest; mijn naamgevende voorvader (1500-1561) was een geboren Londenaar die in Leuven is komen studeren en in het graafschap Loon is gaan trouwen, wonen en carrière maken; in mijn en in veel andere gevallen heeft de teloorgang van de Nederlanden een averechtse en het ontstaan van Zuid-Nederland een positieve uitwerking gehad, - ik voel mij Vlaming en Zuid-Nederlander en ik hoor u dan ook al zeggen dat Zannekin of “de Nederlanden Extra Muros” en ik voor mekaar zijn gemaakt; het is waar dat ik blij was toen ik hun ontstaan ontdekte (dankzij uw recensie in een 2006-weekblad met betrekking tot de Waalse edellieden en kopstukken van de Opstand, - het epos der Geuzen); het is misschien zuiver toeval, maar sedert meerdere jaren ben ik ook vrijetijdshistoricus en publicist van de 450 jaar oude Geuzen-saga geworden, met telkens weer een voorkeur voor “Lumey”, admiraal van de watergeuzen, de eerste grondlegger van het toekomstige koninkrijk van Oranje-Nassau, NIET toevallig een Loonse Luikenaar, zoals mijn voorouders en ikzelf.

Wat mijn Gaulistische bespiegelingen betreft (in De Nederlanden Extra Muros, ,jaarboek, mei 2007): “we agree that we disagree.”

Al heb ik wel een beetje het gevoel, heer Neckers, dat u voorbijgaat aan de klemtonen van mijn betoog, - aan het Fasjoda-syndroom, aan de zeshoek en De Gaulle als producten van de Anglo-Amerikaanse oorlogen en diplomatie; aan “the olde alliance”, die Zuid-Nederland in de veertiende eeuw voor aanhechting bij Frankrijk heeft behoed, aan “Dutch William” die de Nederlanden voor nog grotere gebiedsroof heeft kunnen vrijwaren (cf. prof. Etienne Rooms (KMS), Vlaamse Stam, nr. 6, mei-juni 2006) en ten slotte aan Charles de Gaulle, die gestorven is zonder te beseffen dat het aan alles wat voorafgaat te danken is en bovendien ook nog aan de chaos in het zeventiende eeuwse Engeland (Stuarts, Cromwell) en het niet functioneren van “the olde alliance” dat hij, in 1890, als Fransman in Frankrijk is kunnen geboren worden. Dat pleit niet voor een man en voor het ‘cartesianisme’ van een man die toch had moeten beseffen dat hij, ware hij in 1890, in Metz geboren, dat hij daar en toen als Duitser ware geboren geworden en die vanuit Londen, toen hij daar verbleef, toch heeft gezien dat Adolf Hitler, in juli 1940, dit is dus het eerste wat hij deed toen zijn Pantserdivisies de hem welbekende Franse Nederlanden onder de voet hadden gelopen, dat was die territoria losmaken van het Franse ‘hexagon’ en ze alsnog toevoegen aan “Belgien und Nord-Frankreich”.

Op wat u wel analyseert in mijn Zannekin-dissertatie, zou ik graag het volgende willen antwoorden of doen opmerken:

  1. Nergens heb ik geschreven dat De Gaulle een Vlaams- of Nederlands-sprekende Frans-Vlaming zou zijn geweest; met Frans-Vlaming wordt bedoeld (historisch en zeker in Zuid- Vlaanderen), “un Flamand de France”, een burger van wat ooit het graafschap Vlaanderen was, “un Pays-Basien français”, een burger van wat ooit één van de Zeventien Provinciën was; ik ben het 100% eens met de definities van Winkler Prins die hier, in fine, worden in herinnering gebracht.
  2. Of “De Gaulle” de verfransing is van de familienaam Van de Walle (dat zou kunnen), dat heb ik nog niet opgezocht, omdat mijn artikel geen etymologische ambities heeft ; het antwoord op die vraag is voorzeker terug te vinden o.a. bij dr. F. Debrabandere, Woordenboek van de Familienamen in België en Noord- Frankrijk (1993).
  3. “The spoils of war”. Ik blijf erbij dat de annexatie van Artesië, Zuid-Henegouwen en Zuid-Vlaanderen illegaal was en is, alleszins op grond van het Volkenrecht (jus gentium) en zeker zonder voorafgaand referendum, - dat is trouwens ook het ongenuanceerde standpunt van de “Alliance Régionale Artois, Flandre, Hainaut”; en waarschijnlijk is de annexatie van Elzas-Lotharingen eveneens illegaal, zeker op de wijze waarop de Fransen dat doen, d.w.z. gepaard gaande met een arrogante, op vermeende superioriteit gebaseerde aanslag op taal en cultuur; de steden en gemeenten van Elzas-Lotharingen zijn geen ‘Communauté germanophone’, naar Belgisch model en zij genieten ook niet van taalfaciliteiten zoals bvb. de Duitstaligen in Eupen-Malmédy; maar indien je schrijft in het Duits naar de burgemeester van Sessenheim of van Haguenau, dan zal hij je in het Duits antwoorden - dit betekent in de praktijk dat Elzasser-burgemeesters zichzelf en hun Duitstalige correspondenten de facto faciliteiten toekennen.
  4. België heeft trouwens ervaring op het stuk van veroveren en gedwongen teruggeven van “spoils of war”, aangezien het ingevolge de bepalingen van de 1919-verdragen van Versailles en Saint-Germain-en-Laye de westelijke helft van Deutsch-Ost-Afrika heeft moeten afstaan (behalve Burundi en Rwanda), die het vanaf 1916 met zijn Belgisch-Kongolese leger onder generaal Tombeur de Tabora had veroverd - dat teruggeven was noodge-dwongen, maar NIET aan de Kaiser, wél aan koning George V, de volle neef van Wilhelm II en één vierde neef van koning Albert I; vanzelf-sprekend droomde Albion toen reeds (of nog altijd) van zijn “C to C” oftewel Cape to Cairo).
  5. Op wat u schrijft over mijn Leopold I-standpunt, dit keer opnieuw t.o.v. de Franse Nederlanden, hoef ik niet te repliceren; alhoewel anders geformuleerd, toch zijn wij het hier roerend eens; alleen leg ik er telkens weer de nadruk op dat de Fransen niet weten en ook niet weten kunnen dat er een andere waarheid bestaat dan die ‘vérité’ die zij in hun geschie-denisboeken te lezen krijgen; gelukkig heb ik mijn oorspronkelijke Zannekin-bijdrage ook in het Frans geschreven, zodat u heeft kunnen lezen dat o.a. Régis de Mol het in grote trekken (en later misschien integraal) met mij eens is of zal zijn.
  6. Dat Queen Victoria, toentertijd de meesteres van de wereld, zich zou hebben verzet tegen mogelijke heroveringsplannen van Leopold II t.o.v. tweehonderd jaar eerder door Louis XIV geannexeerde Zuid-Vlaanderen, Artois en Zuid-Henegouwen, dat kan worden betwijfeld, tenzij de persoonlijke relatie tussen de “Empress of India” en haar volle neef niet was wat het had moeten zijn; dankzij “the making of Belgium” (1830-1831-1839) ten voordele van “dear uncle Leopold” (de Eerste), weten wij hoe sterk de familieband van de Saksen-Coburgs, toch uiteindelijk Duitse prinsen, in de praktijk wel was; dat het Verenigd Koninkrijk pas Duitsland de oorlog verklaarde nadat de eerste Duitse soldaat voet had gezet op Belgisch grondgebied in augustus 1914, dat zal ook wel te maken hebben gehad met de grootmoederliefde van Queen Victoria, die egaal verdeeld was tussen kleinzoon Wilhelm II en kleinzoon George V; had deze merkwaardige grootmoeder de hoogste berg van Afrika, de Kilimanjaro, niet laten losmaken, althans op papier, van het Britse Kenya en geschonken aan Deutsch-Ost-Afrika, vandaag Tanzania, zonder Burundi en Rwanda, om die lieve Duitse familie te plezieren?
  7. Of Rusland zich zou hebben verzet tegen de herovering van Zuid-Vlaanderen, Artesië en Zuid-Henegouwen door België, terwijl het zich zeker NIET heeft verzet tegen de “reconquista” van Elzas-Lotharingen door Duitsland, valt zeer te betwijfelen - zeker als men bedenkt dat onze koning Leopold de Eerste, die van 1813 tot 1815 nog generaal was geweest in het Russische leger vooraleer zich bij zijn zuster, Victoria’s moeder, te installeren, daar de Britse nationaliteit te verwerven en er te trouwen met Charlotte, de toekomstige koningin van het Verenigd Koninkrijk; dit laatste project mislukte doordat de prinses stierf in het kraambed. Ook Leopolds droom ging in rook op.
  8. Mijn volgende vraag luidt: “hoe had het verslagen Frankrijk zich kunnen verzetten tegen de teruggave van tweehonderd jaar eerder militair veroverde Nederlandse gewesten?”
    Ook u zegt het: de overwinnaars beslissen over de bestemming van de “spoils of war”; maar ook hierover bestaat geen discussie, ook niet tussen u en mij; de Belgische regering was genoeg reaalpolitiek ingesteld om geen historisch Nederlandse territoria te heroveren die dan later, als het nationalistische en imperialistische Frankrijk weer op krachten zou zijn gekomen, toch weer automatisch tot Kashmir-achtige en Taiwan-achtige toestanden zou hebben geleid.
  9. Wat WO.II betreft die ik zelf heb meegemaakt en waarvan ik zelf het slachtoffer ben, bevestig ik alles wat ik geschreven heb, daarbij reflecterend o.a. op Henri Amouroux en zijn boek Quarante Millions de Pétainistes. De verwijzingen naar de collaboratie die u aanhaalt, daar hebben de Fransen geen last van, dat zijn immers “les autres” en de anonimiteit garandeert de neutraliteit; maar wanneer er namen moeten worden genoemd, dan gaat het zo (dixit Wikipedia): “Lors du procès de Maurice Papon à Bordeaux, où Henri Amouroux témoigne plutôt à décharge du régime vichyste et en faveur de Maurice Papon, un des avocats des parties civiles, Gérard Boulanger, interrogea le propre passé du journaliste, lui rappelant qu’il était resté rédacteur à la Petite Gironde à l’époque où celle-ci était devenue un journal collaborationniste.” - « Si vous avez écrit ‘40 millions de Pétainistes’, c’est sans doute pour vous sentir moins seul, lui a lancé cet avocat. »
  10. Ook wat “the making of De Gaulle” betreft, zijn wij het gelukkig roerend eens (en de Fransen weten dat niet of willen het niet weten); zijn grote chance is geweest en die van Frankrijk als toekomstig permanent lid van de Veiligheidsraad van de V.N. en die van de Franse taal als werk-instrument van internationale instellingen, dat de overwinnaars zich geen tweede vijand in Europa konden permiteren; dat zorgde voor het boffen van Frankrijk als vierde WO.II-overwinnaar en dat zo een tweede-rangs politicus als De Gaulle, laag geschat door de geallieerden en met een journal de campagne die niet veel om het lijf had, toch aan de top van de republiek kon geraken, heeft natuurlijk ook te maken met veel geluk, toevalligheden, een samenloop van omstandigheden, enz. Nummer één in het vrije Frankrijk, Darlan werd vermoord in Algiers door een jonge Gaullist (op wiens bevel?) en nummer twee, Giraud, maakte nog meer fouten en was nog minder diplomaat en nog meer Atlantisch-bondgenootschapvreemd dan De Gaulle.
  11. Het lot van de Franse taal als diplomatiek en internationaal instrument werd desalniettemin reeds bezegeld einde 1945, om te beginnen met de twee verdragen die ik in detail heb vernoemd. Toch kan die taal bogen op een mooie palmares; officieel geboekt als taal in 843 (verdrag van Verdun), terwijl het Engels moest wachten tot 1066 (Hastings) om geboren te worden, zou zij haar eerste setback kennen met de honderdjarige oorlog (1337-1453), toen de Franssprekende Engelse koningen, edellieden en krijgsheren, mede uit chauvinisme, Engels begonnen te spreken, maar het zou voor de Britse gentry pas “inciviek” worden francofoon te zijn, omstreeks 1800 (Napoleontische oorlogen), zoals het Duits pas “inciviek” werd in 1914 (zie hoger), toen de Saksen-Coburgs in Londen zich Windsor gingen noemen en de Saksen-Coburgs in De Panne liever met “de Belgique” werden aangesproken. Momenteel draait het Frans, buiten Frankrijk en de Franse gemeenschap, waar men niet lang meer kan doen alsof er geen vuiltje aan de lucht is (telecommunicatie en internet zijn niet Frans-bevorderlijk), met twee snelheden: a) de zieltogende, diplomatieke taal, die u o.a. in de wandelgangen op United Nations Plaza in N.Y. heb kunnen observeren; b) de eveneens uitstervende omgangstaal, die men de Wit-Russische zou kunnen noemen; tot deze laatste “snelheid” extra muros (buiten Frankrijk), behoren zij die om welke reden dan ook nog in het Frans als eerste of tweede taal werden grootgebracht en/of hebben gestudeerd. En vooraleer ik het vergeet, niet alleen ben ik Franstalig van origine (Elisabethstad, 1937-1939), maar ook ik heb nog voor de Verenigde Naties gewerkt en heb dus ook in de zeventiger jaren Manhattan als hoofdkwartier van die werkgever gekend; ik sta evenwel op de Engelse taalrol en heb indertijd geweigerd naar Burundi en Congo-Brazzaville te gaan, omdat een benoeming in die non- countries, in de hedendaagse Anglofoon-gedomineerde wereld, zeker geen promoties zijn.
Uw lange en zeer geapprecieerde reactie vroeg van mij een lang en gedetailleerd antwoord. Ook was het nodig, gelet op uw prestige in de kringen waar ook ik, als vrijetijdshistoricus contacten heb en mensen ken, mijn standpunten zoals verwoord in mijn Zannekin-dissertatie nader te belichten en daar waar nodig te verdedigen. Mogelijk haalt mijn proza de persen van La Voix du Nord, wie weet van de Canard Enchâiné. U zal de eerste zijn om de reacties te vernemen. Dit is niet mijn laatste mail aan u gericht; ik ben blij en vereerd met de kennismaking.

Met vriendelijke groeten,

Willy Alenus

Ter verduidelijking:
  1. Waals Vlaanderen, naam van het Frans sprekende gedeelte van het graafschap Vlaanderen, dat de steden en kasselrijen Rijsel, Dowaai en Orchies omvatte. Reeds in de Middeleeuwen stelde men het Waals sprekende Vlaanderen, wallingant, gallicant, tegenover het Dietstalige Vlaanderen, flamingant. De termen flamingant en wallingant, die nu een politieke betekenis hebben, hadden oorspronkelijk dus uitsluitend een taalkundige betekenis. Van bij het ontstaan van het graafschap Vlaanderen maakte Waals Vlaanderen er deel van uit. Na het Verdrag van Athis-sur-Orge (1305) ging het gebied een eerste maal naar Frankrijk. In 1369 kwam het echter opnieuw bij Vlaanderen ingevolge de voorwaarden die Lodewijk van Male had gesteld voor het huwelijk van zijn dochter Margaretha met Filips de Stoute. Sedertdien deelde het de politieke lotgevallen van de rest van het graafschap Vlaanderen, maar met eigen volksvertegenwoordiging. In 1579 ondertekenden de Staten van Waals Vlaanderen samen met die van Artesië, Henegouwen en Namen de Unie van Atrecht. Ingevolge de veroveringsoorlogen van Lodewijk XIV in de tweede helft van de 17e eeuw kwam Waals Vlaanderen, samen met Artesië en Frans-Vlaanderen, definitief bij Frankrijk.
  2. Flamingant, term afkomstig van de oude benaming voor het noordelijke Vlaamssprekend en zelfstandig gebleven deel van het oude graafschap Vlaanderen (‘Flandre flamingante’), in tegenstelling tot het zuidelijke, Frans geworden gebied (‘Flandre gallicante’) vóór de Franse Revolutie. Inmiddels van zijn eng geografische begrenzing ontdaan, werd de term omstreeks het midden van de 19e eeuw door de Franstaligen en Fransgezinden gebruikt als synoniem van Vlaamssprekend, geleidelijk aan ook van Vlaamsgezind. Door hen pejoratief gebruikt, wordt het door de Vlamingen als een eretitel aangenomen. Naar het einde van de 20e eeuw wordt de term ‘flamingant’ door vele Waalse en Brusselse politici courant gebruikt om die Vlamingen aan te duiden die er een andere mening op nahouden dan zijzelf.

 

Vanaf de zijlijn


Marten Heida, Veenendaal

Opdat het niet vergeten wordt

Tijdens onze eerste in de Graafschap Bentheim belegde Ontmoetingsdag (najaar 1978) die gehouden werd in de Klosterschenke van het Kloster Frenswegen werd o.m. het woord gevoerd door Adolf Wilde uit Emlichheim. In kort bestek liet hij de aanwezigen kennis maken met De geschiedenis van Emlichheim in het Grafschap Bentheim (Zannekin-jaarboek 4, 1982, pp. 69-79). Aan het eind van zijn betoog herinnerde hij aan de Tweede Wereldoorlog. Zijn gevoelens van toen verwoorde hij als volgt: “Ook Nederland moest er op een goede dag, de 1e mei 1940, aan geloven. Zo werd de eeuwenoude band tussel Duitsland en Nederland ruw verbroken en verscheurd. Menige van onze weldenkende grensbewoners en ook mij persoonlijk is dit als een zwaard door de ziel gegaan, dat het met ons bevriende Nederland nu ook door Hitler-Duitsland in de oorlog betrokken werd. Dat was héél, héél erg.”

Aan deze met ontroerde stem uitgesproken woorden moest ik denken toen ik kennis nam van de inhoud van het in 2005 verschenen boek Emlichheim und Umgebung im 3. Reich. Een uittreksel ervan is verschenen in de Nederlandse taal. Ook in het inleidend woord bij deze uitgave klinkt het “erge” door: “Toen Duitse troepen in het jaar 1940 Nederland binnenvielen, werden onze buren, onze familieleden en onze kerkelijke verwantschap ook aangevallen.” Niet uit het oog mag worden verloren dat “voor veel bewoners van Emlichheim en omgeving Hitler en het nationaal-socialisme een even zo zware last waren als voor de bevolking in het Nederlandse grensgebied.” En: “toen de verschrikkelijke oorlog in 1945 ten einde liep en (…) Coevorden door Canadese troepen werd bevrijd, die via Emlichheim en Laar-Eschebrügge binnenmarcheerden,voelde de bevolking van Emlichheim en omgeving zich evenzo bevrijd en opgelucht.”

In het “woord vooraf” schrijft Albert Rötterink, voorzitter van de Heimatfreunde Emlichheim und Umgebung: “De nationaal-socialistische heerschappij is één van de grootste catastrofes in de Duitse geschiedenis.” Hij is er zich van bewust dat deze twaalf jaren “een deel is van de geschiedenis van het Duitse volk en dus ook van ons vaderland, onze regio.” Het is een periode die “niet uit ons historisch bewustzijn kan worden verdrongen.” Het is waar, zo merkt hij op, dat Emlichheim geen orlogsgeweld te verduren heeft gehad; “deze regio was niet het doelwit van bomaanvallen en er werd niet gevochten.” Maar dat wil niet zeggen dat het onheil – door dit bewind veroorzaakt – aan de bevolking is voorbijgegaan. “Ook hier werden mensen om hun politieke of religieuze mening of om hun afstamming vervolgd, gefolterd en vermoord. Ook hier was er sprake van schuld en verstrikt raken, maar ook van verzet.”

De in dit boek bijeengebrachte documentatie “is het resultaat van een meerjarig project (…) van de werkgroep Emlichheimer Geschichtswerkstatt van de Volkshochschule Grafschaft Bentheim.” Het doel ervan was van tweeërlei aard. Aan de ene kant wilde men “een duidelijker beeld van Emlichheim en omgeving in die periode schetsen.” Tegelijkertijd heeft men met deze uitgave willen “voorkomen dat de slachtoffers van het nationaal-socialisme en de vreselijke gebeurtenissen uit die tijd vergeten worden. Aan hen is dit boek opgedragen.”

De leiding van dit unieke project was in handen van Albert Arends. In zijn verantwoording laat hij weten dat de documentatie vooral gebaseerd is “op gesprekken met mensen die de oorlog hebben meegemaakt, Nederlandse en Duitse krantenartikelen, tijdschriften, kerkbladen, schoolkronieken en kerk-boeken.” (Met de laatste bron zullen boeken bedoeld zijn die betrekking hebben op regionale kerkelijke geschiedenis). Op brede schaal is aandacht besteed aan onderwerpen als “het politieke, kerkelijke en schoolse leven in de tijd van Hitler, het leed van de joden, het lot van soldaten en krijgsgevangenen, ontheemde Duitsers en de verhouding tot de Nederlandse grensbewoners.”

Om het overzichtelijk te houden heeft de redactie de veelheid aan verkregen gegevens ondergebracht in een 16-tal thema’s. Als één ding uit deze teksten duidelijk wordt dan wel dat het maatschappelijke en politieke leven in toenemende mate onder druk kwam te staan van de nationaal-socialistische wereldbeschouwing. Boeiend is het in dit verband te lezen op welke wijze de kerken in Emlichheim zich teweer gesteld hebben tegen deze wurgende machtsgreep van de overheid.

Grote indruk hebben op mij gemaakt de bladzijden waarop de namen vermeld worden van hen die in deze bange jaren gesneuveld, gestorven of vermist zijn. Het is een indrukwekkende lijst van maar liefst 540 namen. Dit aantal krijgt nog meer reliëf als bedacht wordt dat het allemaal ingezetenen waren van de gemeente Emlichheim. Achter dit getal gaat een niet te peilen verdriet schuil dat voor velen nog steeds een werkelijkheid is. Met het verschijnen van dit boek zullen vele wonden weer geschrijnd hebben. Toch kan ik me ook voorstellen dat ze, nu ze voor de laatste keer hun verhaal hebben kwijt gekund, deze publicatie ervaren wordt als een soort van afsluiting van een rouwproces. Uit de inhoud van dit boek wordt duidelijk dat dit droevige stuk verleden geschiedenis is geworden. Maar dan wel een geschiedenis niet niet vergeten mag worden.

Het boek Emlichheim und Umgebung im 3. Reich (met uittreksels in het Nederlands) is verschenen in de Schriftenreike der Volkshochschule und der Museumkoordination Grafschaft Bentheim, als band 29 en in de reeks Das Bentheimer Land als band 169. het telt respectievelijk 231 (boek) en 46 (Nederlandstalig uittreksel) pp en kost 26,50 €.

Evert van de Veen bespeelt het Stockmann-orgel te Straelen

Op zaterdag 19 mei stond n.a.v. onze Studie-uitstap een verkenningstocht door het Nederrijnland op het programma. Als eerste werd een bezoek gebracht aan Straelen waar we in de aan Petrus en Paulus gewijde kerk werden rondgeleid. Eén van de blikvangers was het orgel ook al werd de aandacht er niet op gevestigd. Het instrument – een product van de Gebroeders Stockmann uit Werl – werd in 1991 in gebruik genomen. De klank ervan is op 13 februari 2007 door Evert van de Veen vastgelegd op een CD. Deze is uitgebracht door JQZ Muziekproducties te Kampen (NL) onder het nummere 98035. de prijs bedraagt 18,50 €.

Nog een teken van hoop

Enkele jaren geleden maakte ik op een grensoverschrijdende dag die gewijd was aan het dialect van de Achterhoek en het Westmunsterland kennis met Dirk Bunsen uir Ahaus. Tot ons beider genoegen is het daar niet bij gebleven; sindsdien hebben we regelmatig brieven gewisseld. Ook stuur ik hem telkens een kopie van mijn jongste Aan de zijlijn-rubriek. Op mijn bijdrage Een teken van hoop kreeg ik van hem een verheugende reactie die ik hier laat volgen: “Een ander teken van hoop is het feit dat in het dorp Wessum (4000 inwoners, 4 km ten noordwesten van Ahaus) op 15 juli een zomerfeest door het hele dorp werd gevierd. Ze begonnen met een mis in het Nederduits. Niet alleen de gezangen maar ook de liturgische gebeden werden in het Platduits uitgesproken. Deze mis in de streektaal had niet kunnen gebeuren als niet het grootste deel van de bevolking deze taal van elke dag zou kunnen spreken of ten minste verstaan.”

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53

NL. 3905 CB Veenendaal

 

Het laatste woord


Leo Camerlynck, Ukkel

Twee derden der Nederlanders is een hereniging van Nederland met Vlaanderen of België genegen

“Het kan verkeren” zei Bredero, en gelijk had hij want zo’n kwarteeuw geleden zouden niet eens een derde van de inwoners van Rijksnederland een mogelijk samengaan met Vlaanderen of België zien zitten. Nu blijkt uit een recente opiniepeiling dat twee derden van de Nederlanders dat wel genegen zijn. In de aansleep van de moeilijke Belgische regeringsvorming na de juni-verkiezingen, waarbij het thema van de institutionele hervormingen de onderhandelingen bemoeilijkte, werd in Noord en Zuid regelmatig naar de mening van de betrokken bevolking gepeild. Het resultaat was verbluffend. Er bestaat dan toch een BeNeLux-gevoelen, of mogen wij gewag maken van latente heel-Nederlandse gevoelens.

Wilamowice en het Wymysojer
 

Raf Seys wijdde in één van Zannekins jaarboeken een bijdrage aan een Vlaams dorp in Pools Silezië, nabij Bialsko Biały. Het betreft Wilamowice. De taal die er gesproken wordt in een West-Germaans taal, dat het midden houdt tussen het Nederlands, het Nederduits en het Fries, en beïnvloed werd door het Hoogduits en het Pools.

Er zijn nog zo’n honderd sprekers die het Wymysojer als moedertaal hebben en zich als Vlamingen of Vlaamse Polen beschouwen. Daar het doorgaans oudere mensen betreft, dreigt de taal dan ook op uit te sterven.

Op verzoek van een aantal Zannekin-leden volgt hier  een wiegeliedje in het Wymysojer met Nederlandse vertaling:

 

Śłöf duy buwła fest!

Skumma frmdy gest,

Skumma muma ana fettyn,

Z’ brennia nysła ana epułn,

Śłöf duy Jasiu fest!

 

Slaap, mijn jongen, vast!

Er komen vreemde gasten,

Er komen tantes en ooms,

Ze brengen noten en appels,

Slaap, mijn Jantje, vast!

Noteer reeds dat de Stichting Zannekin in juni 2008 naar Polen reist in het raam van de “Vlaams-Nederlandse sporen in het Oostland”. U verneemt er meer over in de volgende nieuwsbrief.

 

De Vereniging Fläming-Flandern bezoekt Vlaanderen

 

Elders in onze nieuwsbrief vindt u een bijdrage over hun aanwezigheid in Vlaanderen. Er worden een aantal initiatieven georganiseerd om “850 jaar Vlaams-Nederlandse nederzettingen in de Fläming” te herdenken in zowel de Nederlanden als in Duitsland.

Onze heel-Nederlandse stichting Zannekin werkt hieraan mee.

 

Voerenaar en Overmazer Guido Sweron ontvangt de “Jozef Simons”-prijs van de Marnixring


Op 14 oktober 2007 ontvangt Voerenaar en Overmazer Guido Sweron de “Jozef Simons”-prijs van de ‘Marnixring Voorkempen Pater Stracke’ voor zijn verdienstelijk werk in de Landen van Overmaze. Onze stichting Zannekin mocht hem als gastspreker verwelkomen op één van onze studie-uitstappen, waarvan de bestemming toen Overmaas was. Er werd mij persoonlijk gevraagd een bijdrage te leveren in zijn “Liber Amicorum”, waarvan u hier de tekst vindt:
Guido Sweron in Overmaas
In de landen van Overmaze keert de rust terug. De Voer, de Berwijn, de Veurs, de Geul, de Weser vloeien er steeds vreedzamer naar de Maas.

Van Moelingen tot voorbij Remersdaal, ja tot Baelen-Weser herneemt de patriarchale vrede de bovenhand. In Moelingen, ’s-Gravenvoeren, Sint-Martens-Voeren, Sint-Pieters-Voeren, Teuven, Remersdaal, alle zes samen Voeren, en ook in Sippenaeken, Aubel, Homburg, Hendrikkapelle, Bleiberg, Montzen, Gemmenich, Moresnet, Welkenraedt, Membach, Baelen, en ja ook in Eupen, wordt “os Limburgse plat en modersprook” gesproken.

In Voeren staat het Nederlands weer sterk. In Eupen floreert het Duits. En buiten het grotendeels door Franseentalige inwijkelingen bewoonde Welkenraedt durft men zich opnieuw in het “plat” te uiten en het zelfs te bevorderen in het Montzenerland, ook wel bekend als de Platdietse streek.

Het naoorlogse germanofobe Franskiljonisme, dat er op uit was om de Franse taal desnoods met de moker in te hameren in Overmaas, vertoont bij de aanvang van dit derde millennium steeds grotere barsten.

Waren de idealistische daden en gewaagde inspanningen van voortrekkers als Dr. J. Langohr, Jef Franssens, E.H. Veltmans en nog anderen dan toch geen loze pogingen om de streek voor verdere verfransing te behoeden? Nee, beslist niet.

In de galerij van deze moedige Overmazers past ongetwijfeld Guido Sweron, een vriend sinds jaren en hopelijk nog voor jaren, die net als schrijver dezes tot de “grensgevallen” in positieve zin behoort.

Moge dit een hulde betekenen gebracht aan een Vlaamsgezinde Voerenaar en vloeiend uit de pen van een Brusselse Flamingant, met zijn wortels langs grootvaderzijde in Frans-Vlaanderen, dat andere stukje te koesteren Vlaamse heimat.

Al decennia lang blijft Guido Sweron onvermoeid strijd “voeren” om het Limburgse en Nederlandstalige karakter van Voeren tegen nestbevuiling van “Retour à Liège” (RàL) te vrijwaren.

Het hoeft geen betoog dat het niet altijd van een leien dakje liep. Tegenkantingen kwamen er niet alleen van Waalse zijde, doch evenzeer van Voerenaars, die doorgaans om opportunistische redenen de “RàL”-zijde of de kant van de “Action Fouronnaise” kozen.

Maar ook van Vlaamse zijde kreeg Guido Sweron soms tegenwind omwille van zijn volgens sommige Vlaamse ambtenaren te harde standpunten.

Guido liet de moed niet zakken en bleef gewoon consequent en volgens zijn geweten handelen.

Guido’s volharding wordt overigens beloond. Het is merkbaar en voelbaar in Voeren, en het laat zich steeds meer voelen voorbij Remersdaal in de Platdietse streek.

Ja, in de Landen van Overmaze keert de rust én de taal terug.

(getekend: Leo Camerlynck)

Frans-Vlaanderen

 

Ook dit jaar verleende onze stichting Zannekin haar medewerking aan een aantal initiatieven in en om Frans-Vlaanderen en met Frans-Vlamingen.

De jaarlijkse dagexcursie met cursisten Nederlands uit Frans-Vlaanderen oogstte in 2008 heel wat bijval. Er namen maar liefst 108 enthousiaste Frans-Vlamingen hieraan deel. De bestemming was dit jaar het windmolenrijke Kinderdijk in de Hollandse Alblasserwaard. Ook een lagere school uit Berthen, waar tot vóór een dertigtal jaar op een schoolmuur nog het opschrift “Interdit de parler le Flamand” stond geschilderd en waar nu Nederlands wordt onderwezen, ging op schoolreis naar Willemstad en Kinderdijk.

Over Frans-Vlaanderen verneemt u nog meer in onze volgende nieuwsbrief.

 

Het Arelerland in de kijker

 

Het is al een tijdje geleden dat we nog aandacht besteed hebben aan de Luxemburgse Nederlanden. Volgend jaar op 17 mei 2008 plannen wij een studie-uitstap naar Echternach en Vianden.

Een trouw Zannekin-lid vroeg ons de tekst van het liedje “Zu Arel op der Knipchen”, dat in Arel (Aarlen in het Nederlands, Arlon in het Frans) en in heel het Luxemburgstalige gebied nog steeds wordt gezongen. De tekst luidt als volgt:

 

Zu arel op der Kippchen, do sinn déi Weiber frou.

Si huelen gär eng Schlippchen, eng drénkt deer aner zou.

Bereléng, léng, tirelireléng, bereléng, léng, tirelireléng,

eng drénkt deer aner zou, eng drénkt deer aner zou.

 

Et souzen dräi Gevuedeschen am Wiertshaus bis an d´Nuecht

Mat hierem Parlatinchen an dronk´n eng Mooss er uecht.

Bereléng, léng, tirelireléng, bereléng, léng, tirelireléng,

an dronk´n eng Mooss er uecht, an dronk´n eng Mooss er uecht.

 

Déi eng helt hire Mantel a schläicht verbuergen heem,

Si geet en d´Bett sech leeen, klot iwwert Aarm a Been.

Bereléng, léng, tirelireléng, bereléng, léng, tirelireléng,

klot iwwert Aarm a Been, klot iwwert Aarm a Been.

 

A wéi de Mann ereemkoum, freet hien: “Wou ass mäi Wäib?”

“Si läit am Bett douewen, huet wéi an enger Träip.“

Bereléng, léng, tirelireléng, bereléng, léng, tirelireléng,

huet wéi an enger Träip, huet wéi an enger Träip.

 

De Mann, dee rennt op d´Kummer, setzt sech bei d´Bett op d´Bänk.

„O du meng arem Frächen, wat feelt der, bass de krank?“

Bereléng, léng, tirelireléng, bereléng, léng, tirelireléng,

wat feelt der, bass de krank, wat feelt der, bass de krank.

 

„Ech hunn deréinscht ganz warem vum kale Bur gedronk,

Hätt ech eng Schlippchen, Alen, wär ech erem um Spronk!“

Bereléng, léng, tirelireléng, bereléng, léng, tirelireléng,

wär ech erem um Spronk, wär ech erem um Spronk.

Gläich ass de Mann bekemmert: „Hei Mod, schwenk du e Glas!

 

An huel déi zenne Kännchen an zap vum beschte Faass!“

Bereléng, léng, tirelireléng, bereléng, léng, tirelireléng,

an zap vum beschte Faass, an zap vum beschte Faass.

„Setz alles bei dat Feier a maach et gliddeg heess!

 

Donk Zocker dran a Geimer, da kennt se an de Schweess!“

Bereléng, léng, tirelireléng, bereléng, léng, tirelireléng,

da kennt se an de Schweess, da kennt se an de Schweess.

 

Wéi si de Wäi gedronken, dréit si sech em a laacht:

„Esou kann een déi Männer beduxen, datt et kraacht!“

Bereléng, léng, tirelireléng, bereléng, léng, tirelireléng,

beduxen, datt et kraacht, beduxen, datt et kraacht.

 

Hien hätt dat solle wessen, hien hätt geholl e Schäit,

fir d´Repper hir ze schmieren, et wor déi héichsten Zäit!

Bereléng, léng, tirelireléng, bereléng, léng, tirelireléng,

et wor déi héichsten Zäit, et wor déi héichsten Zäit.

 

Met heel-Nederlandse groet van

Leo Camerlynck

Voorzitter zannekin