> nieuwsbrief > 1e trimester 2008

Bijdragen over: Tip

Mededelingen

 

Gedenksteen Zannekin, Lampernisse Gedenksteen Zannekin aan de kerk van Lampernisse

Hernieuwen ledenbijdrage 2007

Eens te meer nadert de jaarwisseling met rassé schreden. Voor de penningmeester brengt dit mee om ervoor te zorgen dat de hernieuwing van de bijdragen andermaal vlot verloopt.

In ruil voor een ongewijzigde basisbijdrage van 25 € verzekert u zich ook in 2007 van een abonnement op onze Zannekin Nieuwsbrief en van het – reeds 30e – Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’. Dit nieuwe jaarboek wordt overigens extra omvangrijk, omdat het tevens ook het Register over de jaarboeken 21-30 zal bevatten. Als steeds hopen we er andermaal op dat eenzelfde aantal leden spontaan deze basisbijdrage afronden tot het ronde bedrag van 30 €. Zij immers maken het ons mogelijk om extra-initiatieven te ontwikkelen, als b.v. de publicatie van brochures naast de Nieuwsbrief en het Jaarboek. Bijliggend betaalformulier heeft slechts de bedoeling het u makkelijk te maken. De penningmeester dankt bij voorbaat voor een vlotte afhandeling.

ZANNEKIN-activiteiten 2008

Terugblik op onze Ontmoetingsdag te Emden

Zaterdag 13 oktober 2007 organiseerde de vereniging/stichting Zannekin haar ontmoetingsdag te Emden. Niet eerder was de belangstelling zo groot: 70 tot 80 mensen. Na de koffie met taart verwees voorzitter Leo Camerlynck in zijn welkomstwoord naar het artikel Emden en Groningen samen op weg naar de Reformatie van Marten Heida in De Nederlanden ‘Extra Muros’/Zannekin Jaarboek 27 van 2005.

Marten Heida sprak in zijn lezing rond de “Emder Synode” over de religieuze en bestuurlijke perikelen in Oost-Friesland van de 16e tot en met de 19e eeuw. Zesduizend mensen vluchtten uit de Zuidelijke Nederlanden naar Emden voor godsdienstige en economische redenen. Het betrof zowel Nederlandstaligen als Franstaligen (tot 1897 een aparte gemeente). Verder sprak de heer Heida over het rijksgraafschap Oost-Friesland en de diverse graven. Ook haalde hij de Poolse edelman Joannes a Lasco (Pools: Jan Laski: Jan van Lask) aan die een grote rol speelde in de reformatie in Emden. De kerkelijke gemeente voelde zich zelfstandig van het stadsbestuur van Emden en van het bestuur van Oost-Friesland.

Hedwig Voogd-Schulz, docente Nederlands, hield een lezing over de wederzijdse bezoeken van Groningse en Oost-Friese scholen. Nederlands is een facultatief vak in Oost-Friesland. Op elk van 27 scholen volgen ongeveer 30 scholieren het vak, dus in totaal zo’n 1000 leerlingen. Sinds een congres in de jaren negentig van de twintigste eeuw wordt het vak structureel gegeven nadat leraren zijn opgeleid. Waarom kiezen Oost-Friese leerlingen voor Nederlands? Op zaterdagen zijn er circa 30% Nederlanders in Leer en 30% Oost-Friezen in de stad Groningen. In Leer wordt zelfs Koninginnedag gevierd. Op school krijgen de leerlingen les en worden zij goed voorbereid op het bezoek. Tijdens het bezoek krijgen de leerlingen praktische opdrachten die zij met medewerking van de plaatselijke bevolking moeten uitvoeren. De bezoeken halen regelmatig de regionale kranten. Na het verzorgde middagmaal in de Faldernpoort bezocht het gezelschap de Joannes a Lascobibliotheek (de voormalige Grote Kerk 1510-1943). De openbare wetenschappelijke bibliotheek bevat een grote collectie boeken vooral over religieuze zaken. De Poolse edelman Joannes a Lasco zou bisschop worden maar hij trouwde in 1540 met de Vlaamse Barbara. Hij vlucht midden 1540 naar Oost-Friesland. Midden 1542 tot september 1549 verblijft hij op uitnodiging van de regentes Anna van Oldenburg, weduwe van graaf Enno II, in Emden totdat zijn houding hem noodzaakt te vertrekken. Later is hij weer korte tijd in Emden. In de Joannes a Lascobibliotheek bevindt zich het praalgraf van graaf Enno II.
Na dit bezoek leidden Jan van Tongeren en Leo Camerlynck een tweetal groepen door de stad. Het voerde langs de plaats waar de voormalige burcht van de familie Cirksena stond en langs de Schreierstoren (staat schrijlings op muur; bewijs dat de Schreierstoren in Amsterdam niets te maken heeft met wenende schippersvrouwen). Verder kregen wij een rolgevel te zien (Lilienstraße 17). De Emdense architect Martin Faber bouwde de Havenpoort (1635) in Hollandse renaissancestijl en de Nieuwe Kerk (1648). De Nieuwe Kerk werd gebouwd naar het voorbeeld van de Noorderkerk (1623) in Amsterdam. Op de Nieuwe Kerk is een tweetal Nederlandse teksten te zien.

De dag werd besloten met koffie met gebak en een gezellige nazit. Voorzitter Leo Camerlynck wenste een ieder een wel thuis en hoopte een ieder terug te zien op zaterdag 17 mei 2008 in Echternach en Vianden in het groothertogdom Luxemburg.

Op zondag 14 oktober 2007 bezocht ik aansluitend het Ostfriesisches Landesmuseum in Emden. Dit museum dat zich direct achter het stadhuis bevindt geeft een uitgebreid overzicht van de geschiedenis van Oost-Friesland en Emden. Het gaat onder andere over de dijkbouw, invoering van het christendom, de Friese Vrijheid, Emden als havenstad, de Reformatie, de handel, de schilderkunst en de wapenkamer.

Onder andere Nederlandse vluchtelingen zorgen ervoor dat de stad van 5000 inwoners in 1550 uitgroeit tot 20.000 inwoners in 1570. De Nederlandse kooplieden en zeelieden zorgen voor een stimulans van de haven van Emden. Na de terugkeer van veel Nederlandse vluchtelingen in de 16e eeuw daalt de handel in de haven van Emden. Het niveau wordt later niet meer bereikt. De tolerantie van de reformatietijd werd in Emden rond 1570 verdrongen door het calvinisme. De stad kreeg de bijnaam “Genève van het noorden”. In maart 1595 brak de Emdense revolutie uit. De calvinistische stad bereikte politieke autonomie ten koste van de lutherse graven.

Het stadhuis in Emden is gebouwd door de Nederlandse bouwmeester Laurenz van Steenwinkel en de Antwerpse architect Cornelis Floris de Vriendt naar voorbeeld van het stadhuis van Antwerpen (1564). Het werd in 1576 in gebruik genomen.

De schilderkunst werd door de Nederlandse vluchtelingen beïnvloed. De invloed bleef ook na de terugkeer van de vluchtelingen bestaan.
De boekdrukkunst werd ontstond in Emden door de komst van drie boekdrukkers uit de Nederlanden.

Rudi Koot
Zannekin-auteur aan de eer

De Dr. Ferdinand Snellaertprijs, ingesteld door de Vereniging van Vlaams-nationale auteurs, valt in 2007 te beurt aan onze jaarboekmedewerker de Z.E.H. Cyriel Moeyaert voor zijn magistrale Woordenboek van het Frans-Vlaams. Hij deelt de prijs met Frans Debrabandere, de auteur van het West-Vlaams Etymologisch Woordenboek en van het Oost-Vlaams- en Zeeuws-Vlaams Etymologisch Woordenboek.

Kalender Davidsfonds Frans-Vlaanderen

De wandkalender 2008 van het Davidsfonds Frans-Vlaanderen is al van de pers en verrast andermaal met een aantal unieke diabeelden van ons Frans-Vlaamse culturele erfgoed. Op het vlak van monumenten maken we, onder het thema ‘Een jaar in de Franse Nederlanden’, kennis met de vestingmuren van Sint-Winoksbergen, de kerk van Rubroek, de Sint-Mulderskapel, de Sint-Godelievekapel, de puinen van de Sint-Bertijnsabdijkerk te Sint-Omaars, en een kleinood uit de kerk van Bollezele. Als extraatje vindt de lezer achterop de maandbladen een calendarium over een aantal Zuid-Vlaamse heiligen die in de respectievelijke maanden aan bod komen.

Graag vermelden wij hieronder de coördinaten voor het bestellen deze nieuwe kalender: het rekeningnummer waarop de 7,50 € dienen betaald te worden luidt: 000-1529169-61. Het telefoonnummer van Jan van Ormelingen is 0473-974 851. Zijn adres is: Oude Baan 98, 3370 Roosbeek.

Zijn e-postadres luidt: janvanormelingen@yahoo.com

 

“THE OLDE ALLIANCE”

Het oude bondgenootschap (1338 – 1638)

De Prins van Wales en zijn Vlaamse strijdkreten,

“Hou moed!” – “Ick dien!” (1338 – tot vandaag)


Willy Alenus, Oostende

Ons artikel De Franse Nederlanden voltooien het Franse Hexagon, dat in mei 2007 verscheen in het 29e jaarboek De Nederlanden Extra Muros en het vervolg op die bijdrage dat verscheen op 16 september 2007, in het driemaandelijkse tijdschrift ZANNEKIN, zorgden voor interessante reacties. Uitleg werd gevraagd met betrekking tot het Oude Bond-genootschap tussen Engeland en het graafschap Vlaanderen, terwijl in het collectief geheugen aan de kust de herinnering aan de oude Vlaamse visserijrechten in Engelse wateren hier en daar nog voortleeft.

Laat ons onmiddellijk stellen dat dit belangrijke hoofdstuk geschiedenis begint in 1338 en dat wij het op willekeurige wijze laten eindigen in 1638, met de datum van de geboorte van een van onze grootste, levensbedreigende vijanden, koning Lodewijk XIV van Frankrijk, “le Roi Soleil”, de Zonne-koning.

“The Auld Alliance” (Frankrijk-Schotland) – (1295 – 1560)

Meerdere historici laten het Engels-Vlaamse Oude Bondgenootschap, waarbij ‘men’ het eens is over het beginjaar 1338, voorafgaan door een periode die men zou kunnen bestempelen als het “grote in de steek laten van Vlaanderen door Engeland”, zeker van 1299 tot 1338. Deze “afwezigheid van bijstand aan een buurman in levensgevaar” is bewezen ; in 1302, in Groeninge en in 1328, in Kassel, waren de beruchte Welshe boogschutters opvallend afwezig.

Maar koning Edward I (1239–1272–1307) was geen staatshoofd dat zijn natuurlijke bondgenoten in de steek liet. Zijn geopolitieke prioriteiten waren uiteraard de verovering van Wales (die lukte) en de verovering van Schotland (die mislukte en uiteindelijk zou moeten wachten tot 1603).

Voor de weetgierige lezer volstaat het André Maurois, Barbara Tuchman en Simon Schama er nog eens op na te lezen.1. Maar het is Maurice Druon, weliswaar een romanschrijver, die vanuit de Franse gezichtshoek de veertiende eeuw een brandmerk meegeeft: “Ce siècle porte un nom, LA FLANDRE.”

Maar Schotland vocht al eeuwen tegen het naar het noorden oprukkende Engeland, - het vocht voor zijn eigenheid en zijn vrijheid en in de 13e en 14e eeuw was die strijd gericht tegen het Edwardiaanse Engeland. Een Franse geschiedschrijver had het ooit (de Guldensporenslag was een uitzondering) over “la guerre franco-anglaise par Ecossais et Flamands interposés”.

“The Auld Alliance” (“la Vieile Alliance) verwijst naar een reeks verdragen tussen Schotland en Frankrijk, die meer in het bijzonder tegen Engeland waren gericht. Het eerste van die verdragen werd afgesloten in Parijs, op 23 oktober 1295 en werd in februari van het volgende jaar bekrachtigd in Dunfermline, tijdens het bewind van de koningen John Balliol van Schotland en Filips de Schone van Frankrijk; het verdrag van Parijs werd herhaalde malen hernieuwd en het beïnvloedde de West-Europese machtsverhoudingen in niet geringe mate - in de tijd tot het verdrag van Edinburgh, in 1560. Er waren momenten dat de twee staten belangrijke voordelen uit het bondgenootschap wisten te verwerven, inzonderheid na het uitbreken van de honderdjarige oorlog.

Het Edwardiaanse Engeland (1272 – 1377)

Een opstand in Wales onder Llewelyn, die in 1276 was begonnen, eindigde met de inlijving van Wales bij Engeland (1284). In dat jaar werd de latere Edward II geboren, de Engelse kroonprins die, als eerste, de titel Prins van Wales kreeg.

De toekomstige koning Edward III werd geboren in Windsor Castle, op 13 november 1312 ; hij zou ter ziele gaan in Londen, op 21 juni 1377. Hij was koning van Engeland van 1327 tot 1377, een record dat tot nu toe nog maar alleen door koningin Victoria werd gebroken (1837–1901) en door koningin Elizabeth II (sinds 1952). Hij was de oudste zoon van koning Edward II en van Isabella, de dochter van koning Filips de Schone van Frankrijk en aartsvijand van Vlaanderen. Op 1 februari 1327 werd Edward III, dus als veertienjarige, tot koning gekroond, maar in de praktijk oefenden Edwards moeder en haar minnaar, Roger Mortimer, het gezag uit in het Angelsaksische koninkrijk. Edward, die op 24 januari 1328 met Philippa van Henegouwen in het huwelijk was getreden, liet Mortimer in 1330 gevangennemen en terechtstellen ; zijn moeder, Isabella, werd voor de rest van haar leven opgesloten in Castle Rising. Edwards bewind, zeker tot 1338, het beginjaar van de Honderdjarige Oorlog (1338–1453), werd vooral in beslag genomen door de veldtochten tegen Schotland. Ondanks militaire successen, die nooit konden worden afgerond, enerzijds door de Schotse vechtlust en het berglandschap dat geen Engelse cavaleriecharges toeliet en dat anderzijds van de Schotse guerrilla bijna een kinderspel maakte, moest Edward in 1357, bij Verdrag van Berwick, in arren moede, de Schotse zelfstandigheid erkennen.

In 1328 waren ook Filips VI van Valois, zoon van Karel van Valois, een broer van Filips de Schone en Edward III, een kleinzoon van Filips de Schone, beiden kandidaat geworden voor de opvolging van Karel IV, de derde kinderloze zoon van Filips de Schone - dit zijn de zonen die daarom en niet alleen door Maurice Druon, “les Rois maudits”, de vervloekte koningen worden genoemd.

In het graafschap Vlaanderen was er, in illo tempore, een staat van oorlog ontstaan tussen de graaf, Lodewijk van Nevers, leenman van de koning van Frankrijk (en trouw aan zijn feodale eed) en de Vlamingen wier welstand voor een groot deel afhankelijk was van de import van Engelse wol. “L’Angleterre agricole et la Flandre industrielle vivaient en symbiose”, dixit André Maurois. De zomer van 1328 was nog niet voorbij of koning Filips VI moest Lodewijk van Nevers te hulp snellen om in Kassel, dat vandaag in Zuid-Vlaanderen ligt, de Vlaamse volksopstand van de Kerels van kust- Vlaanderen, alsnog te helpen neerslaan, met het vuur en met het zwaard (23 augustus 1328).2

Maar de toentertijdse Vlamingen dachten een oplossing te hebben gevonden, tegelijkertijd voor hun commerciële problemen (trouw aan Engeland) en hun feodale problemen (trouw aan Frankrijk) - vermits Edward III de zoon was van Isabella van Frankrijk en bijgevolg de kleinzoon van Filips IV de Schone, stelden zij alles in het werk om Edward III te overhalen de Franse kroon op te eisen. Aanvankelijk weigerde Edward III, mede omwille van zijn problemen met Schotland en zijn bekommernis om zijn leengoederen in Zuid- Frankrijk.

Uit vrees voor Franse confiscatie van dit gebied en wegens de Franse interventies in Vlaanderen en Schotland – twee territoria waar Engeland politiek en economisch vrije armslag wenste te behouden – nam Edward uiteindelijk in 1337 het besluit zijn aanspraken op de Franse troon met militaire middelen alsnog hard te maken. Filips VI confisqueerde toen Guyenne. Dit werd aanleiding tot een reeks van Engelse militaire operaties op het continent.

“The Olde Alliance” (Engeland - Vlaanderen) - (1338 – 1638)

Voor Jan Modaal moet het meer dan de helft van de tijd een gruwelperiode zijn geweest, maar bekeken als docudrama, wat het voor de heersende standen en klassen maar al te vaak ook was, heeft het “grand spectacle”-allures. Tot vandaag lopen Groot-Brittannië en Royalty-media warm voor de prins van Wales en zijn Vlaamse strijdkreten (“Hou moed” – “Ick Dien”) en voor de Orde van de Kousenband (“Honni soit qui mal y pense”); en voor de dramatis personae aan wie wij die happenings te danken hebben, kan de belangstelling nog altijd niet stuk - het gaat om koning Edward III, zijn zoon Edward van Woodstock, d.i. de Zwarte Prins, tevens de derde prins van Wales en last but not least Johanna, “the fair maid of Kent”, van wie Froissart zei, in de Engelse vertaling, "the most beautiful woman in all the realm of England, and the most loving". Deze nog altijd populaire evenementen hadden plaats, van 1337 tot 1347, in West-Vlaanderen, in Gent en in Calais. Na de Slag bij Crécy (augustus 1346) veroverde Edward III Calais, na het beroemde beleg, op 4 augustus 1347.

Om over geschikte landingsplaatsen te beschikken ten noorden van de rivier Aa en de noodzakelijke bondgenootschappen, kwam Engeland allianties sluiten met Vlaanderen, Brabant en de Duitse keizer. In 1338 landde koning Edward III, samen met de Zwarte Prins en beschermd door zijn "household division", een half dozijn lijfwachten-regimenten, in de Vlaamse havens Antwerpen, Brugge en Sluis, mogelijk ook in slechts één van die natuurlijke, Vlaamse landingsplaatsen. Daar werd de Engelse koning (die voor de Vlamingen ook de wettige koning van Frankrijk was), opgewacht door het feitelijke staatshoofd van Vlaanderen, Jacob van Artevelde 3 en zijn gevolg.

Edward van Woodstock (15 juni 13308 juni 1376), de Zwarte Prins

Wij openen een parenthesis met betrekking tot de derde prins van Wales. Hij is nooit koning Edward IV geworden omdat hij vroeger stierf dan zijn vader. Naast Prins van Wales was hij ook Hertog van Guyenne. In die laatste hoedanigheid was hij een leenman van de Franse koning. Zijn bijnaam heeft hij te danken aan de kleur van zijn wapenuitrusting. Voor ons is belangrijk dat Edward de twee Vlaamse wapenspreuken in zijn blazoen voerde. Meerdere historici vermelden dat de Zwarte Prins, in de loop van zijn turbulente levenswandel, vermoedelijk in Vlaanderen had verbleven. Wij zijn tot de volgende conclusie gekomen,

Volkenrechtelijk stoelt de Oude Alliantie (Engeland – Vlaanderen) op twee internationale overeenkomsten, 1. op het verdrag van Koblenz (1338), ter bezegeling van de afspraken van Herk-de-Stad, tussen koning Edward III, keizer Lodewijk IV de Beier, hertog Jan III van Brabant en de graaf van Loon, Diederik van Heinsberg; en 2. het Engels-Vlaams economische en militaire akkoord (1340), ten tijde van de kroning, in Gent, van Edward III tot koning van Frankrijk en het aanbieden van de grafelijke kroon van Vlaanderen aan de tienjarige Edward van Woodstock, prins van Wales. “Hou moed” – “Ick dien”.

Probleem daarbij is dat Woodstock toen nog maar tien jaar oud was. Maar kan men van een krijgsheer, die als zestienjarige, in 1346, bij de slag van Crécy, het Franse ridderleger een van zijn grootste nederlagen toediende, geen daden veronderstellen die niet thuis horen bij de gewone sterveling? Andere historici vermelden de Vlaamse strijdkreten ter gelegenheid van de eveneens door de thans zesentwintigjarige Woodstock behaalde overwinning van Poitiers (1356).

De meningen over de verdiensten van de prins zijn verdeeld. Bij de ridders in zijn tijd was Edward zeer geliefd. Sir John Chandos, de Heraut, sprak over de regeerperiode van de Prins in Zuid-Frankrijk als van "zeven jaren van vreugde, vrede en plezier", terwijl de prins in werkelijkheid een verkwistend bewind, ja bij wijlen zelfs een schrikbewind had gevoerd. De prins had het platteland laten afschuimen door zijn soldateska en had zware belastingen opgelegd o.m. om een enorme hofhouding en een permanent gedekte tafel voor minimum 400 gasten te onderhouden. In 1367 waren de edelen van Gascogne tegen hem en zijn belastingen in opstand gekomen. De prins was misschien een toonbeeld van ridderlijk gedrag, zeker in de ogen van de Vlamingen, maar van behoorlijk bestuur, staathuishoudkunde of van begrip voor de noden van de burgers die niet tot zijn eigen ridderstand behoorden, had hij alleszins geen kaas gegeten.

Woodstock stond evenwel te zijner tijd bekend als een zeer kundig veldheer. Zijn eerste overwinning in de Slag bij Crécy en zijn tweede overwinning in de Slag bij Poitiers werden reeds vernoemd, bij deze laatste slaagde hij erin de Franse koning, Jan II gevangen te nemen. In 1362 werd hij gekroond als Hertog van Aquitanië. Hij was niet geliefd, in de eerste plaats vanwege de zware belastingen die hij liet heffen. De stad Limoges kwam daarom in 1370 tegen hem in opstand. Na deze revolte onderdrukt te hebben, zou hij 3.000 burgers hebben laten halsrechten om een voorbeeld te stellen. Het gruwelijke gezegde, “Il faut les exterminer pour leur apprendre à vivre”, zou uit die tijd stammen.

Vooraleer hij zijn vader Edward III had kunnen opvolgen, stierf Woodstock aan dysenterie of mogelijk ook aan de gevolgen van een ontstoken wonde, die hij opliep in een veldtocht in Spanje (1376). Hij werd begraven in de kathedraal van Canterbury. Zijn zoon volgde zijn grootvader op als Richard II (1377-1399).

 

1338 – Edward III, van Gent naar Leuven en naar Herk-de- Stad

 

Hoe lang Edward III in 1338 op het vasteland verbleef, is ons niet precies bekend. De volgende data werden in de kronieken teruggevonden: op 16 juli verliet Edward III met zijn vloot de haven van Orwell; op 22 juli bereikten de schepen die de Westerschelde waren opgevaren de haven van Antwerpen; op 15 augustus was Edward III reeds in Mechelen; van 23 juli tot 15 augustus moet hij zijn bivakken hebben opgeslagen in Leuven en in Herk-de-Stad; omstreeks 16 augustus moet Edward III Brabant en Loon hebben verlaten, want op 30 augustus wordt zijn aanwezigheid  vermeld in Niederwerth-am-Rhein, ten noorden van Koblenz; op 5 september, bereikte de Engelse koning Koblenz, waar het verdrag van Koblenz werd bezegeld met het heiliges römisches Reich deutscher Nation (wij vermijden de Nederlandse vertaling, omdat ‘Rooms’ een religieuze connotatie heeft, die een verkeerd beeld geeft).

Belangrijker dan de stop-over in Leuven was het einddoel van de reis op het vasteland gewest, met name Koblenz en Herk- de- Stad, een goede stede van het graafschap Loon (dat niet vòòr 1365 zijn zelfstandigheid zou verliezen aan het prinsbisdom Luik). De graaf van Loon was een leenman van de keizer.

Maar Edward III had Herk-de-Stad, waar hij de Duitse keizer had gevraagd hem tegemoet te komen, zorgvuldig uitgekozen en ziehier waarom. Herk-de-Stad was weliswaar terre d’Empire, maar noch de graaf van Loon, noch de prins-bisschop van Luik waren keurvorsten (‘électeurs palatins’), d.z. de rijksvorsten die, bij de dood van de keizer-titularis, zijn opvolger moesten kiezen, uiteraard uit de schare gegadigde rijksvorsten die voor de vakante troon kandideerden.

Sommige historici (William Willcox), speculeren dat Edward III Herk-de-Stad heeft uitgekozen omdat het halfweg is gelegen tussen het Noordzeestrand en Koblenz (4 à 500 km); Koblenz was een ‘Pfalz’, een keizerlijke residentie.

De keizer, hier in casu Lodewijk IV, bijgenaamd de Beier (°München, 1 april 1283 - Fürstenfeld, 11 oktober 1347), kwam niet met lege handen, maar hij zou ook niet met lege handen terugreizen naar de Rijn, of naar zijn vaderland.

Gelukkig zijn de archieven van Herk-de-Stad voor een groot deel bewaard gebleven, zodat wij niet zo slecht zijn ingelicht aangaande deze aanloopfase tot de Honderdjarige Oorlog. Deze belangrijke episode wordt trouwens, bij ons weten, slechts door één of twee historici vermeld, waaronder professor Pieter Geyl, die uitsluitend Koblenz als ontmoetingsplaats opgeeft en Herk weglaat.

De dramatis personae zijn gekend. Gastheer was uiteraard de graaf van Loon, Diederik van Heinsberg (1300-1361), wiens troon weliswaar werd betwist.4 Edward III werd, conform zijn verlangen, door de keizer aangesteld als “vicaris” van het heiliges römisches Reich, deutscher Nation. Dat gebeurde in het “domus bladorum”, dat later in de kronieken als ‘korenhuis’ wordt aangeduid.

De toekenning van de titel van ‘vicaris’ door de keizer gaf koning Edward III het recht om, iets wat hij dan ook deed, gewapende milities mits betaling op te vorderen, milities die dan moesten worden geleverd door de ‘baanderheren’ (baronnen, graven, hertogen). De kosten van soldij en onderhoud van deze landsknechten liepen echter zo hoog op dat de koning zou zijn gedwongen geworden zijn kroon in onderpand te geven, als we Willcox mogen geloven.

 

1339 – 1340 – De Vlaams- Engelse oorlog tegen Frankrijk

 

Wij nemen aan dat Edward III, na de zomer van 1338, veilig en wel, met zijn gevolg en zijn “Household Division”, de witte klippen van Dover heeft bereikt. Begin februari 1339 vluchtte graaf Lodewijk van Nevers, die zich bij de heerschappij over Vlaanderen van Jacob van Artevelde wel moest neerleggen, naar Sint-Omaars en in december 1339 zou hij voorgoed zijn graafschap verlaten. Lodewijk van Nevers sneuvelde in Crécy, trouw aan zijn feodale eed.

De zeeslag van Sluis had plaats op 24 juni 1340 tussen de gecombineerde Vlaams-Engelse vloot en de marine van de koning van Frankrijk, die vandaag nog altijd “la Royale” wordt genoemd. De geallieerde vloot (250 schepen) stond onder het persoonlijk bevel van koning Edward III, terwijl ‘la Royae’ (190 schepen) gecommandeerd werd door de admiraals Hugues Quiéret en Nicolas Béhuchet. Het overwicht in schepen, de kennis van de kustwateren, van de stromingen en de zandbanken en de haat en nijd van de Vlamingen, die al decennia lang voor hun vaderland vochten, leidde uiteindelijk tot de grootste nederlaag die ‘la Royale’ ooit te verwerken kreeg. Daar waar de geallieerde verliezen verwaarloosbaar waren, becijferen de toentertijdse kroniekschrijvers de Franse verliezen op 20.000 doden, gekwetsten en vermisten, een totaal dat toch wel overdreven lijkt. De zeilschepen uit die tijd konden immers met moeite meer dan 100 mariniers per schip aan boord nemen, samen met hun uitrusting.

Eén van de Franse admiraals moet zijn gesneuveld in de strijd, terwijl de andere werd opgeknoopt aan de mast van zijn admiraalschip. De razernij van de (Vlaamse) overwinnaars moet de bovenhand hebben gehaald, want het was een middeleeuwse gewoonte een krijgsgevangene van standing te laten leven en hem later uit te leveren aan zijn familie, mits betaling van het losgeld.

Het begin van de Honderdjarige Oorlog werd dus gekenmerkt door het sluiten van bondgenootschappen en Engelse overwinningen bij Sluis (1340), Crécy (1346) en Poitiers (1356). Op 4 augustus 1347 werd de vesting Calais veroverd.

Na Poitiers maakte Frankrijk een diepe crisis door (de pestepidemie van 1350; plunderende legerbenden; munt- devaluaties). De algemene ontstemming van de bevolking leidde tot onrust. In het kader van de Statenvergaderingen van 1355, ten tijde van een invasie in Zuidwest-Frankrijk door Edward van Woodstock, eiste de derde stand voor het eerst tegenprestaties voor de beden (belastingen), die voortaan slechts na instemming van de Staten mochten worden geheven. “Pas d’imposition sans représentation.” Op de Staten-Generaal van 1356 eiste de burgerij, onder leiding van Étienne Marcel, prévôt des marchands van Parijs, het vervangen van de koninklijke raadsheren door een college van leden van de Staten. Dit verzet culmineerde in het opstellen van een Grande Ordonnance (controle op de koning) in 1357. Nadat in 1358 ook de boeren in opstand waren gekomen (de jacquerie), wist de dynastie haar gezag te herstellen. Dit verleende haar een sterkere positie bij de onderhandelingen die geleid hebben tot het Verdrag van Brétigny (8 mei 1360), waarbij Edward afzag van de Franse kroon en de Franse vorst Aquitanië, Ponthieu en Calais afstond. Te Calais werd in oktober van dat jaar deze vrede bevestigd. Onder Karel V (1364–1380) kon Frankrijk beginnen te denken aan revanche. Dankzij zijn Connétable du Guesclin wist Karel V het grootste deel van het door de Engelsen bezette gebied te heroveren. Bretagne, bondgenoot van Engeland, sedert 1066 (slag bij Hastings), kon hij echter niet onder controle krijgen.

 

“Honni soit qui mal y pense”

 

De verovering van Calais, op 4 augustus 1347, is een vaststaand feit. Dat  deze verovering gepaard ging met het bal van de overwinnaar stemt overeen met de adellijke en feodale gewoonten van die tijd. Dat koning Edward III de dames ten dans leidde, is eveneens conform met wat de Vlamingen de ‘geplogenheden’ noemen. Was Edward van Woodstock, toen 17 jaar oud, op het bal aanwezig? En Johanna, gravin van Kent, die toen bijna 19 jaar was - zij werd geboren op 29 september 1328, - en zonder wie alle feiten (geschiedenis) en later ontstane legenden, toch moeilijk aan mekaar kunnen worden gebreid, was zij present?

Johanna van Kent was inderdaad de beroemde "Fair Maid of Kent" en de Henegouwse, eveneens beroemde kroniekschrijver Froissart, noemt haar, in de Engelse versie, "the most beautiful woman in all the realm of England, and the most loving." Zonder haar aanwezigheid in Calais, zonder “la carole” te dansen met de koning, die trouwens haar neef was, zonder het verlies, tijdens het dansen, van haar kousenband en zonder het commentaar van haar partner: “Honni soit qui mal y pense” (“Schande over hem die hier kwaad over denkt”), waar staan wij met onze geschiedenis?

Wie al een oorlog heeft meegemaakt weet dat deze gepaard gaat met “tränenfeuchte Romantik”. Zo ook  de “Orde van de Kousenband”, die echt bestaat (“The Most Noble Order of the Garter”) en die inderdaad in 1347 werd ingesteld door koning Edward III. Het is vandaag nog altijd de ‘grote’ Britse ridderorde.

Johanna van Kent was zeker geen doetje. Op twaalfjarige leeftijd (1340), trouwde zij in het geheim met Thomas Holland of Broughton, zonder de voorafgaande koninklijke toestemming. Gedurende de volgende winter (1341), terwijl Holland uitlandig was, werd zij door haar familie gedwongen te trouwen met William Montacute, de zoon en erfgenaam van de 1e graaf van Salisbury. Johanna vreesde dat het bekendmaken van haar eerste huwelijk met Holland, de terechtstelling van haar Thomas wegens verraad als gevolg zou hebben en daarom bewaarde zij het stilzwijgen. Misschien was zij ook de mening toegedaan dat haar eerste huwelijk ongeldig was - in feite leefde zij in bigamie.

Maar aangezien in Calais, in augustus 1347, van de danspartner van koning Edward III, die tijdens het feest een kousenband verloor, alleen met zekerheid is geweten dat het de gravin van Salisbury was, is dat voor ons voldoende om te besluiten dat Johanna van Kent, lady Montacute, vrouw van de 2e graaf van Salisbury, wel degelijk aan de basis ligt van de “Orde van de kousenband”.

Jeanne d’Arc

Wat de Honderjarige oorlog (1337-1453) en zijn afloop betreft, welnu de kansen keerden uiteindelijk in het voordeel van Frankrijk vanaf 1429, mùede dank zij het optreden van Jeanne d'Arc, die zich door God geroepen voelde Frankrijk te bevrijden. Zij kreeg spoedig vat op het Hof en het leger. Op 8 mei 1429 veroverde zij Orleans en in juni geheel Champagne. In juli liet zij de Dauphin (kroonprins) te Reims tot koning kronen. De apathische Karel VII maakte evenwel geen gebruik van de hem geboden kansen om zijn gehele koninkrijk te heroveren. In 1430 viel Jeanne d'Arc in de handen van de Engelsen en op 30 mei werd zij terechtgesteld. Onenigheid tussen Engelsen en Bourgondiërs en het verlangen de Bourgondische staatsmacht te versteveigen, brachten Filips de Goede ertoe zich, ten koste van Engeland, met Karel VII te verzoenen (Vrede van Atrecht - 1435). Als prijs moest de Franse vorst de Sommesteden afstaan en de autonomie van diens rijk erkennen. De Engelse invloed op het continent verzwakte snel, ook al door de dood van de bekwame Bedford (1435). In 1449 werd de strijd echter hervat, maar vanaf dat jaar verliep deze steeds in het voordeel van de Fransen: zij heroverden Normandië na de Slag van Formigny (1450), Bordeaux en Bayonne en ten slotte geheel Guyenne, na de Slag van Castillon (1453). Hiermee nam de oorlogenreeks een einde zonder dat een formeel vredesverdrag werd gesloten. Allen Calais bleef nog in Engelse handen. Vlaanderen had meer dan een eeuw zonder de noordwaarts gerichte drukvan het imperialistische Frankrijk kunnen leven. En Groot-Brittanië zou (Napoleon zou het tot zijn schade en schande ondervinden) "geen Franse bajonet meer dulden in Antwerpen".

Noten

1 André MAUROIS, Histoire d’Angleterre (1937); Barbara TUCHMAN, A Distant Mirror – The Calamitous Fourteenth    Century (1978); Simon SCHAMA, A History of Britain (2000 – 2002); Maurice DRUON, Les Rois Maudits, Le Roi de Fer (1950 – 1960).

2 ZANNEKIN, Nicolaas (Kassel, Zuid-Vlaanderen, 23 aug. 1328), leidde de opstand van de Vlaamse kuststreek tegen graaf Lodewijk van Nevers (1323–1328). De opstandige Kerels van Vlaanderen bestreden de grafelijke baljuws en brandschatten de baronnen die trouw bleven aan de graaf. Zannekin slaagde erin een aantal steden te veroveren. Nu kwam Karel de Schone tussenbeide ten gunste van de graaf (18 febr.1326). De Vrede van Arques (19 april 1326) maakte voorlopig een einde aan de onlusten. Zannekin kreeg nu steun van Jacob Peyt en van Willem de Deken, co-burgemeester van Brugge, die zonder succes hulp ging vragen bij Edward III. Een sterk Frans leger versloeg in de Slag bij Kassel de Kerels van Vlaanderen, afkomstig uit de kasselrijen Veurne, Sint-Winoksbergen, Bourbourg, Kassel en Belle. Zannekin sneuvelde en de opstand werd met de traditionele wreedheid door adel en handlangers neergeslagen.

3 ARTEVELDE, Jacob van (°Gent, ca. 1290 – Gent, 17 juli 1345), Vlaams volksleider en staatsman. Toen Lodewijk van Nevers, graaf van Vlaanderen, in de strijd tussen de Franse koning Filips VI van Valois en de Engelse koning Edward III, partij koos voor zijn Franse leenheer, verbood Edward III, op 12 augustus 1336 de uitvoer van wol naar Vlaanderen. Deze maatregel had werkloosheid en bijgevolg armoede tot gevolg, waartegen het volk in opstand kwam. Jacob van Artevelde was de vooraanstaande figuur op de volksvergadering van 28 december 1337 te Gent en op 3 januari 1338 werd een revolutionair bewind van vijf hoofdmannen aangesteld, waarvan hij de feitelijke leiding had. In juni 1338, d.i. één maand voor het sluiten van het bondgenootschap dat toen nog niet “olde” maar uiteraard nog “new” was, werd het gezag van Jacob van Artevelde door het hele graafschap erkend.

4 Bij het kinderloos overlijden van graaf Lodewijk IV (1336) ontstonden de Loonse Successie-oorlogen. Met de hulp van Jan III van Brabant kon Diederik van Heinsberg, Lodewijks neef, zich als erfgenaam doen erkennen, maar bij diens, eveneens kinderloos, overlijden (1361) laaide de strijd met de prins-bisschop van Luik weer op. Twee neven van Diederik, Godfried van Dalembroek en Arnold van Rummen, werden door de prins-bisschop van Luik verslagen en in 1366 werd Loon definitief bij het prinsbisdom Luik ingelijfd, weliswaar als autonoom (confederaal) graafschap ; de prins-bisschop was tweemaal staatshoofd, eerst van Luik, dan van Loon.

 

Arm Wallonië

Een reis door het beloofde land


Rudi Koot

In 1903 schreef de Franstalige journalist Auguste de Winne Door Arm Vlaanderen, een klassiek verslag van een reis langs ‘gaten van verdriet’ waar armoede, hongersnood, analfabetisme en uitbuiting welig tieren. Honderd jaar later maakt Pascal Verbeken de reis in de andere richting. In Arm Wallonië. Een reis door het beloofde land gaat Verbeken on the road, dwars door het platteland van Waals-Brabant en verder langs de oude industriële as van de Borinage, La Louvière, Charleroi, Seraing en Luik.

Pascal Verbeken neemt ons mee in zijn uitvoerig gedocumenteerde reis door Wallonië. Hij voert gesprekken met tientallen Walen van verschillende afkomst. De situatie verschilt per streek, per stad en per wijk. Sommige wijken zijn in een sociaal isolement terechtgekomen. De werkloosheid is hoog en gaat over van generatie op generatie. De PS scoort nog goed daar zij de arbeider op haar wijze weet te binden. Toch is er veel kritiek te horen. Zonder programma en aansprekende leider weet het Front National toch hier en daar aardig wat stemmen te halen. De meningen verschillen of de PS goed zal blijven scoren en of het Front National met een programma en een aansprekende leider wel een aanzienlijk deel van de stemmen zal weten te halen. Inmiddels is de liberale MR de grootste partij in Wallonië. Vele Vlamingen zijn naar Wallonië vertrokken om daar te werken en velen zijn gebleven. Lang niet altijd ging dat gemakkelijk. Toch paste men zich snel aan.

Regelmatig maakt Pascal Verbeken vergelijkingen met de situatie in Vlaanderen een eeuw eerder. Hoewel de arbeidsomstandigheden in Wallonië zwaar waren, was de situatie beter dan in Vlaanderen.

Tenslotte neem ik een naar mijns inziens kenmerkend gedeelte over. Olivier van Damme uit La Louvière zegt: “… Maar de enige migratie waaromheen nog altijd een taboe hangt, is de Vlaamse – althans in Vlaanderen zelf. Elle gêne. De Italianen hebben geen moeite om toe te geven dat ze crepeerden van honger. Ik heb genoeg contacten met Vlamingen om te weten dat er in Vlaanderen geen algemene aversie tegen Wallonië bestaat. Le problème, c’est l’étage au-dessus: de Vlaamse politieke klasse. Daar gaat het om meer dan een afwijzing. De aanhoudende uithalen naar de Walen zijn vernederend en beledigend.”

Hij denkt aan de ‘ludieke’ actie van de N-VA, die met busjes nepgeld naar de scheepslift Strépy-Thieu trok, vijf kilometer hiervandaan, om de financiële solidariteitstransfers van Vlaanderen naar Wallonië te hekelen. De keuze van de plaats was op zijn minst merkwaardig, uitgerekend in een belangrijk centrum van de Vlaamse economische migratie naar Wallonië, waar duizenden gezinnen nog met hun Vlaamse geschiedenis leven. Olivier schudt het hoofd. “De mensen begrepen er niets van. Wat hebben we hun ooit misdaan? Waar komt zoveel dedain vandaan? Hoe kunnen ze zo blind zijn voor hun eigen verleden? Weet u wat de tragiek van Wallonië is? Toen we nog rijk waren, was de hele wereld onze vriend. Uit de vier windstreken kwamen ze hiernaartoe om mee te bouwen aan die moderne, welvarende samenleving. Maar sinds we in de rats zitten, moet niemand ons nog. Zo gaat het ook met mensen die in de problemen zitten: al hun vrienden zijn opeens verdwenen. De rattachisten van het Rassemblement Wallonie-France hopen op een aanhechting bij Frankrijk, maar de Fransen zitten niet op ons te wachten. Voor Parijs zijn we een economisch rampgebied. Anderen geloven in een groot francofoon gebied met Brussel erbij, maar ook de Brusselaars moeten ons niet. En de Vlamingen, met wie we het meest gemeen hebben, geven ons nog een beetje overlevingsgeld, terwijl ze ons het liefst meteen zouden laten vallen. We staan helemaal alleen. Arm Wallonië.”

______________________

N.a.v. Pascal Verbeken, Arm Wallonië. Een reis door het beloofde land, Meulenhoff/Manteau, ISBN 978 90 8542 072 9, 2007, 296 blz.

 

Vanaf de zijlijn


Marten Heida, Veenendaal

45e Dialectdag/Tag des Platt (27 oktober 2007)

Voor deze gelegenheid kwamen de geïnteresseerden in de grensoverschrijdende streektaal van het Westmunsterland en de Achterhoek bijeen in het voormalige klooster “Freiheit” te Borken-Gemen. De bijeenkomst die werd geleid door mevr. Riek Beeskers uit Winterswijk had als thema “Heemkundebladen en dialect”. Al was het aanwezige publiek overwegend grijsgekuifd, gelukkig ontbraken de vertegenwoordigers van de jongere generaties niet.

Een keur van inleiders stond klaar om het licht over het thema te laten schijnen. Na de woorden van verwelkoming door dr. Timothy Sodmann mocht dr. Lex Schaars – werkzaam aan het Staring-Instituut te Doetinchem – de spits afbijten. Hij begon met op te merken dat de naamgever van “zijn” instituut en zijn medestanders in hun tijd (midden 19e eeuw) zeer begaan waren met het eigene van de streektaal. In hun publicaties vroegen ze dan ook aandacht voor de rijkdom van de taal van het volk. De activiteiten van het instituut krijgen een neerslag in de jaarboekenreeks Achterhoek en Liemers. Werden aanvankelijk geen bijdragen in de streektaal opgenomen, vanaf de jaren 80 van de vorige eeuw werd daarvoor plaats ingeruimd.

De teneur van de inleidingen van de andere sprekers kwam in grote lijnen op hetzelfde patroon neer. Aanvankelijk werd uitsluitend gepubliceerd in de standaardtaal maar van het ogenblijk dat men ging beseffen dat men op deze wijze niet dicht bij de mensen stond werd de koers verlegd wat in de praktijk betekende dat de eigen streektaal in toenemende mate in beeld kwam.

Als afsluiting van het programma was ruimschoots plaats ingeruimd voor discussie over datgene wat te berde was gebracht. Het was met name de hoogte van de lat met betrekking tot het spellingsgebruik die een opvallend grote rol speelde. Ook werd er – terecht – op gewezen dat de kinderen ingeschakeld moeten worden. Echter dan mag toch niet uit het oog worden verloren dat ze wel de kans moeten krijgen de taal af te kunnen luisteren van de lippen van hun ouders.

De dag werd afgesloten met het nuttigen van een gezamenlijke maaltijd. Aansluitend werd men in de gelegenheid gesteld geleid de barokkerk en de Gemense burcht te bezichtigen.

Niets nieuws onder de zon

Enkele jaren geleden liet de Bredase bisschop Muskens weten dat wanneer arme mensen honger leden en zich zonder betaling van voedsel voorzagen dat hen niet als een zonde mocht worden aangerekend. Deze opmerking heeft toen heel wat kerkelijk stof doen opwaaien. Echter een primeur ging niet in deze bisschoppelijke instemming schuil; die had kunnen worden opgeëist door de man die in 1947 kardinaal-aartsbisschop van Keulen was. Men kampte in die naoorlogse jaren in Duitsland met grote brandstoftekorten. Om zich toch naar behoren te kunnen verwarmen gingen velen op speurtocht naar hout waarbij het mijn en dijn niet altijd in acht werd genomen. Maar volgens de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleder was hier spraken van “geoorloofde zonde”. De volksmond had er zelfs een woord voor bedacht; er was in zo’n geval sprake van “frinsen”; naam die grote overeenkomst vertoonde met deze van de Keulse aartsbisschop. Bij mijn weten heeft Muskens zijn naam niet nagedragen als herinnering aan de “broodroof”. (Kalender für das Klever Land auf das Jahr 2007, p. 178).

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53

NL. 3905 CB Veenendaal

Het laatste woord


Leo Camerlynck, Ukkel

2007 was voor de Stichting Zannekin een voortreffelijk jaar. De commentaren over het Jaarboek 29 gingen van heel degelijk tot uitstekend, op enkele luttele kritische bedenkingen na. De activiteiten werden druk bijgewoond. Kevelaer, la Route des Flandres en Emden waren drie schoten in de roos, mede dank zij de fijne samenwerking met "Ons Amsterdam" en "Open Boek Brussel".

In 2008 trekken wij zuidwaarts naar Luxemburg, Namen en/of Henegouwen en oostwaarts voor een meerdaagse reis naar Duitsland, Polen en een brokje Rusland, namelijk het door Rusland geannexeerd deel van Oost-Pruisen. Uiteraard verneemt u hierover meer in een volgende Nieuwsbrief.

Wat bij de Zannekin-leden en sympathisanten steeds meer opvalt, is het groeiende "thuisgevoel" in de gebieden, die de Stichting Zannekin ter harte neemt. Waar hoor ik thuis? Dat dacht eveneens de dichter uit Kevelaer Theodor Bergmann (1868-1948), waarvan wij hier in Kävels Platt een heimatgedicht afdrukken.

 

Wor hör ek t’hüss?

1                                                                     3

Wor hör ek t’hüss – kent gej min Land?       Wor gärn de Lüij en oapen Hand

Gän Baerge schnejbelaeje,                            In Not de Noaber reike,

Gän driewend Water träckt en Band             Foer Gott on Kerk on Vaderland

Voerbej an grote Staeje:                               Noch fass ston, as de Eike

Dor, wor de Nirs doer’t Flackland gätt        Wor maenn’gen Drömer, maenn’ge Sock

Wor in dem Baend et Maisüt stätt                 So gut es, as den andern ok,

On wor de Keckfoars quakt in’ Lüß,             Wor saelde Stritt en grot Gedrüß,

Dor hör ek t’hüß.                                           Dor hör ek t’hüß

 

2                                                                     4

Wor op de Heij de Loewrek sengt,                Pries gej ow Land mar allemoal

Den Haas sprengt doer de Schmeele,            In Nord, Ost, Süd en Weste,

Wor ons de ricke Sägen brengt                     Ok maenn’ge grote Noet es hoal –

De Aerbeijshand voll Schweele,                    Min Laendche es et beste!

Wor in et Koarn en Klappros droemt,           Hier stond min Wieg, hier lüjt mej ok

Van Faeld on Weije rond ömsoemt               So Gott well, eins de Dojeklock

So frindlek roest et Burenhüß,                       Dann schrieft mej op et steene Krüß:

Dor hör ek t’hüß.                                           Hier hört hän t’hüß!

 

De Stichting wenst u een voorspoedig 2008

 

Leo Camerlynck, Voorzitter

“De Zavelberg” Edouard Michielsstraat 51

B - 1180 UKKEL / Brussel