> nieuwsbrief > 25e jg. - 3e trimester 2008

Bijdragen over:
Tip


Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ 30 - 2008

Van het medio mei jongstleden verschenen nieuwe Zannekin-jaarboek resten nog slechts een handvol exemplaren. Wie totnogtoe naliet zijn jaarbijdrage te vereffenen loopt dus veel kans achter het net te vissen. Wie in dit geval verkeert raden we aan vooraf even na te vragen op het secretariaat vooraleer over te schrijven. Dit gebeurt het vlotst via e-post: maurits.cailliau@skynet.be. Voor inhoudsoverzicht van het Jaarboek 30, zie onde 'link' publicaties.


Mededelingen


Nieuwsbrief
Dit nummer van onze Nieuwsbrief  (gedrukte versie) is  het laatste dat aan niet-leden wordt toegestuurd. Vooaleer een nummer de lezer bereikt dienen we zowat 2 € per lezer te spenderen en dit kan niet eindeloos doorgaan. Daarom zien we ons verplicht het adressenbestand eerstdaags drastisch uit te zuiveren.

Suriname

“Al jaren staat een reisje naar Suriname op mijn verlanglijstje. In oktober/november moet het er maar eens van komen.

Via enkele contacten kan ik aan vriendelijk geprijsde logies komen bij de bevolking an de bekende schrijfster Ctnthia Mac Leod kan eveneens voor vriendelijke prijzen excursies verzorgen.

Een Nederlander die al enkele malen op deze manier heeft gereisd wil nu ook weer mee, samen met een Surinaamse leerkracht, die in Utrecht woonachtig is. Het wachten is op een wat voordelig vliegkaartje.

Hebt u belangstelling of tips, laat het me weten en neemontact met Dorothea van Wallene-Sweers, tel. 0031-647280005.”

ZANNEKIN-activiteiten 2008

Onze traditionele Ontmoetingsdag staat gepland voor zaterdag 11 oktober. De dag zal doorgaan te Wezel in het Rijnland. Alle info hieromtrent leest u in de volgende Nieuwsbrief.


Nationalistische” figuren


De titel van deze publicatie klinkt ietwat geforceerd. De omschrijving ‘Nationale figuren’ had wellicht beter weergegeven wat in dit boek aan bod komt, namelijk een aantal korte biografieën van niet minder dan 60 persoonlijkheden die in de Vlaamse- en/of Nederlandse geschiedenis en/of beweging een rol hebben gespeeld. Ze kunnen beslist niet allemaal onder het “nationalistische” hoedje thuis gebracht worden; zelfs niet wanneer men het begrip “nationalistisch” in een zeer brede zin interpreteert.

Zeker: figuren als August Borms, Edgard Delvo, Karel Dillen, Hendrik Elias, Wim Maes, Wies Moens, Cyriel Verschaeve, Leo Wouters, en andere meer, kunnen – en worden terecht - onder de “nationalistische” noemer ondergebracht. Voor anderen doet dit evenwel echt geforceerd aan: namen als Willem Bilderdijk, G. Bolland, Edmond de Coussemaker, Michiel de Ruyter, Pieter Geyl, Groen van Prinsterer, Ferdinand Snellaert, Willem van Oranje, Pim Fortuyn (!), Emile Verviers, en andere meer, hebben vaak wel een belangrijke rol gespeeld op het nationale vlak, hoewel vermoedelijk geen van hen zichzelf bewust als “nationalist” beschouwd heeft.

Maar wellicht is dit kritiek vanuit de zijlijn, die weinig of niets afdoet van de verdienste om niet minder dan zestig persoonlijkheden kort en gevat te portretteren. Uit de opgesomde namen blijkt al dat de auteur alvast het Vlaams-nationale kikvorsperspectief overstijgt en eerder vanuit een Heel-Nederlandse gezichtshoek te werk is gegaan. Zo komt, naast de al vernoemde Coussemaker, ook nog een andere Frans-Vlaming aan bod: Jean Marie Gantois, met name (die mee aan de basis lag van het ontstaan van onze Vereniging/Stichting Zannekin). Zelfs een Nederlands bewuste Waal als Lucien Jottrand ontbreekt niet.

Evenmin – dit bleek overigens al uit de geciteerde namen – is de bundeling beperkt tot een bepaald tijdsbestek uit ons verleden. De auteur sprokkelde als het ware doorheen de eeuwen vanaf de tijd dat de Nederlanden een eerste maal verdeeld geraakten. En bovendien komen zowel vooraanstaande geleerden en politici aan bod als “gewone” mensen, veelal illustere onbekenden, wier grote verdienste het is geweest hun nationale overtuiging te beleven en uit te dragen zonder perspectief op het aureool van de “groten”.

In een tijdsbestek als het huidige, waarin het geschiedenisonderricht tot stiefkind van het onderwijs werd en waarin het besef over onze wording tot natie verregaand teloor ging, biedt deze bundel, zeker voor de jongeren, onmiskenbaar soelaas en beter inzicht.

Maurits Cailliau

__________________

N.a.v. Roeland Raes, 60 nationalistische figuren, Uitgeverij Egmont, Brussel. ISBN 9-789078-898078.

 

“Frans-Vlaanderen” - een blijvend geschenk


Op cadeauboeken heb ik het niet begrepen. Veel inhoudsloze en vooral voor de zoveelste keer afgeschreven gemeenplaatsen wisselen af met foto’s die een déjà vu oproepen. De uitzondering vormt de regel. Die uitzondering is het pas bij Uitgeverij Snoeck gepubliceerde fotoboek Frans-Vlaanderen. Net in de periode van het gehutseklus met taal en geschiedenis door de letterlijk misplaatste Ch’it-hype, legt het boek mét tekst én foto’s de Vlaamse ziel van de Nederlanden in Frankrijk bloot. Neen, geen nostalgie, wel een gedegen journalistiek werkstuk zonder superlatieven, maar met positieve realiteitszin.

De inleiding is gelijktijdig bondig en toch volledig. De auteur, professor emeritus Ludo Milis (UG), verliest zich niet in een encyclopedische taal in zijn verhaal over ,,De scheiding van land en aard''. Een vlot leesbare brok ingewikkelde geschiedenis van de 8e eeuw tot vandaag. Van het prille begin van het graafschap Vlaanderen tot de huidige, met verkavelingen en industriezones, forse ingrepen in het eeuwenoude landschap.

De Frans-Vlaamse auteur Annie Degroote (publiceerde eerder al tien romans en novellen) leidt telkens de thema's in: het streekkarakter, de molens, de prachtige gebouwen, het prachtlievende Rijsel, de belforten, de musea binnen en buiten muren, het profane en het heilige, stoeten en optochten, de geneugten des levens... Geen begeleidingsteksten voor een Frans-Vlaams Bokrijk, maar een uiting van bewustzijn van eigen identiteit. De foto's van de uit Erembodegem afkomstige Merelbeekse fotograaf Luc Buerman overstijgen het afstandelijke professionalisme. De fotograaf is duidelijk verliefd geworden op wat zijn lens en zijn oog trof. Beslist een geduldswerk en zeker geen prentkaartenkopie.

Ik blijf erbij het niet op cadeauboeken begrepen te hebben, maar Frans-Vlaanderen' zal ik zonder schaamrood op de wangen te krijgen aan vrienden als geschenk geven. Ze krijgen niet zomaar een fraai boek, maar een degelijke én aangename initiatieles “Vous êtes en Flandre”.

Johan Velghe

___________________

N.a.v. Frans-Vlaanderen, Uitgeverij Snoeck 2008, 160 pagina's. 34,00 euro. Van dit boek verscheen eveneens een Franstalige uitgave bij dezelfde uitgeverij.

 

Over DE NEDERLANDEN IN FRANKRIJK, ook genoemd FRANS- of ZUID-VLAANDEREN, biedt de Werkgroep de Nederlanden te koop aan:


bestelnummer

 1. J. Dezitter, Kapelletjes in Zuid-Vlaanderen in houtsneden: 5 €

 5. J.M. Gantois, Hoe ik mijn volk en mijn taal terugvond: 10 €

 6. J.M. Gantois, Comment j’ai retrouvé mon peuple et ma langue: 10€

 7. J.M. Gantois, Geestelijk testament (Nederlands met Franse vertaling): 5 €

 8. J.N. Ternynck, Van gister toet vandage (gedichten): 10 €

 9. Brochure bij de audiovisuele lessen over Frans-VLaanderen: 3 €

10. Zoektochten en nuttige adressen in de Nederlanden in Frankrijk: 8 €

11. P. Witsoet, Algemeen bewijsboek: 5 €

12. A. Lowyck, Kokkemare: 3 €

13. A. Lowyck, Het moordlied in de Westhoek der Nederlanden in Frankrijk: 12 €

14. B. van Grevelinghe, De val van Napoleon: 8 €

16. Michiel de Swaen, Verzameld werk (zes delen): 225 €

19. F. Desptinghe, De Belle-Brand: 5 €

20. J. Sepieter, Vlaemsche Hoekjes: 10 €

21. A. Lowyck, De oudste kapel van de Westhoek in Frans-Vlaanderen: 14 €

22. Kunstdruk De drie-Maagdenkapel - Kaaster (tekening en foto’s) 14 €

23. L. Vranckx, Vlaamse doopnamen in Frans-Vlaanderen: 8 €

25. A. Lowyck, Een vergeten rederijker en volkse schoonschrijver: Winok Bourel uit Eke : 8 €

26. A. Lowyck, Benoot van Rechem : 4 €

27. A. Lowyck, Fulgentius Hellynckx, laatste Nederlandstalig predikant in Vlaams Artesië : 4 €

28. A. Lowyck, Deken dichter Wyckaert uit Hondschote en de Vlaamse priesters van zijn tijd : 8 €

36. W. Corsmit, Michiel De Swaen, een dichter uit Duinkerke : 8 €

50. J.C. Bottin, Frans-Vlaanderen in prentbriefkaarten (tekeningen): 10 €

54. L.Vanacker, Hoog bezoek in de Westhoek : 30 €

55. J.M. Gantois, Laus Flandriae (Nederlands met Franse vertaling): 10 €

57. J.N. Ternynck, Van de Leie toet de zee Tweetalige dichtbundel met Vlaamse cassette: 12 €

58. R. Noote, Mon dictionnaire illustré des Flamands de France: 15 €

59. Frans-Vlaanderen en Gent : 5 €

60. J. van Herreweghe, Dossier Frans-Vlaanderen: 6 €

61. M. Janssen, Klaps : 4 €

Te bestellen door storting op rek. nr. 892-2301582-52 van de Werkgroep de Nederlanden,Waregem.

Bij bestellingen vanuit het buitenland worden achteraf de extra portkosten aangerekend, voor België zijn de portkosten inclusief.

Verdere inlichtingen: Johan van Herreweghe, Jan Van Aelbroecklaan 16, 9050 Gentbrugge, tel/fax 09 230 35 25. e-post: johan.van.herreweghe@pandora.be

 

Een vleugje Nederlandse geschiedenis in Bulgarije


Dorothea van Wallene, Kockengen

 

Tijdens mijn vakantie in Bulgarije bezocht ik de oude hoofdstad Veliko Turnove. Ik was verbaasd toen ik daar de naam Boudewijn IX van Vlaanderen aantrof. Tijdens de 4e kruistocht werd Constantinopel door de kruisvaarders veroverd en graaf Boudewijn IX van Vlaanderen tot keizer van het Byzantijnse Rijk gekroond. Hij liet de toenmalige keizer van het Bulgaarse Rijk Kalojan weten dat de hele Balkan – en dus ook Bulgarije – onder het gezag van Constantinopel viel.

 

 

 

De Boudewijntoren en de gedenkplaat die herinnert aan graaf Boudewijn IX

 

Daarop trok Kalojan op tegen de Byzantijnse provincie Tracië, versloeg bij Adrianopel de kruisvaarders verpletterend en nam Boudewijn IX gevangen. Hij werd in de later naar hem genoemde toren opgesloten. De geboden losprijs werd niet aanvaard en de ongelukkige graaf werd gedwongen van de excecutierots naar beneden te springen in de woestkolkende Janharivier.

Boudewijn zou een oogje geworpen hebben op de mooie vrouw van Kalojan. Een ander verhaal vertelt dat een Bulgaarse prinses hem het hof zou hebben gemaakt, waarvan hij evenwel niet gediend was. Door deze prinses werd hij toen beschuldigd van aanranding en verkrachting.

In 1225 gaf een kluizenaar in Vlaanderen zich uit voor de teruggekeerde Boudewijn IX. Tijdelijk kreeg hij grote aanhang in Vlaanderen en Henegouwen, waarop Johanna van Constantinopel, dochter van de echte Boudewijn IX, de kluizenaar in Rijsel liet ophangen. Een deel van de Henegouwers beschuldigde haar daarop van vadermoord.

Helaas bleef, tijdens die Bulgaarse reis mijn contact met de leerstoel Neerlandistiek in Veliko Turnove beperkt tot enkele telefoongesprekken. Het academisch jaar was nog niet begonnen en de docenten hadden het erg druk met de herexamens.

 

Herenig zeventien oude Nederlandse provincies


R. Benjamin, Zegveld

In deze bijdrage wil ik reageren op de artikelen ‘Voeg Brabant en Limburg samen met Vlaanderen’ van J.W. Koten en ‘Laat Vlaanderen zichzelf blijven’ van Jos Klink (Nederlands Dagblad resp. 16 en 21 mei). Met name het stuk van Koten is zeer anti-Nederlands. De Leo Belgicus wordt bij hem in drieën gehakt. Terwijl alle zeventien oude Nederlandse provinciën bij elkaar horen. Tegenwoordig is de tegenstelling protestant-katholiek geen grond meer om gescheiden te blijven. Dus is het ’t beste om weer samen sterk te staan voor de Nederlandse cultuur in een zich herenigend Europa, met voor Wallonië een Quebec-achtige status. Ik voel er dus helemaal niets voor Wallonië aan Frankrijk te laten. Wallonië heeft ook nooit tot Frankrijk behoort. Integendeel: Frankrijk zou zonder tegenprestatie het door hen geannexeerde deel van Vlaanderen terug moeten geven.

Als wedergoedmaking voor al het leed dat Frankrijk de eeuwen door de Lage Landen heeft aangedaan (landjepik, plundering, uitmoorden, cultuurschatroof). De Fransen zouden er des te minder moeite mee moeten hebben om ingepikte gebieden, waarvan bevolking talig en cultureel is onderdrukt, terug te geven, nu wij de heilige Franse verontwaardiging waarnemen over China’s brute bezetting van Tibet.

De grens-Nederduitsers van Kleef, Bentheim, Opper-Gelre en Oost-Friesland, wier volkstaal – een variant van het Nederlands – door het Hoogduits der Pruisen is onderdrukt, mogen zich bij ons aansluiten, niet andersom, en het Waalse deel van Luxemburg kan bij het gelijknamige Groothertogdom worden gevoegd. De vlag worde weer het oranje-blanje-bleu, met Brussel als hoofdstad en ’s-Gravenhage als residentie voor het Huis van Oranje-Nassau.

Onderschat, naast de economische kracht, ook niet de dynamiek en geestdrift die dan los zullen komen, ik sluit een nieuwe Gouden Eeuw niet uit. De staatsvorm zij er één met enerzijds iets van een koepel en anderzijds grote lokale bevoegdheden, om recht te doen aan de inderdaad grote regionale variabiliteit. Daarvoor hoef je echt niet uiteen te gaan in verschillende landen. In Duitsland heeft de Hamburger ook een heel andere mentaliteit en subcultuur dan de Beier. Denk ook aan de grote Russische vaderlandsliefde in een toch zo onmetelijk land, en aan China, dat, hoewel zo groot, nu toch collectief rouwt na de aardbeving.

Taal

Ik vraag mij af hoe de heer Koten kan denken dat het Nederlands gered kan worden door aansluiting van Nederland en Vlaanderen bij Duitsland. Dat is van de Engelstalige regen in de Duitstalige drup. En hoe kan het dat Nederland en Vlaanderen volgens hem niet samen één staat kunnen vormen, maar wel allebei afzonderlijk onderdeel kunnen uitmaken van een groter Duits staatsverband?

Het weer uiteengaan na de korte hereniging in de negentiende eeuw, dat Klink noemt, was vooral het werk van de heersende Franstalige bovenlaag van ultra rooms-katholieken en liberalen, aangesticht door Franse agenten. De geminachte en ten achter gestelde Vlamingen waren helemaal niet zo separatistisch, waardeerden koning Willem I juist, maar hadden niets te vertellen.

Oorlog voorbij

Voor zover het door militaire tegenslag kwam dat Noord en Zuid niet geheel, maar alleen voor wat betreft het huidige Noord-Brabantse en Nederlands-Limburgse deel herenigd zijn, zou ik zeggen: die (oorlogs)tijd is nu voorbij. Noord-Brabant kan dan een mooie brugfunctie vervullen: enerzijds veel Hollandser dan Vlaanderen, waar Klink al zelf op wees; anderzijds veel Vlaamser dan Holland. Klink hamert op die sociale en culturele verschillen. Maar die bestaan ook tussen een Fries en een Limburger. Laten we positief zijn en zeggen: dat zal een geweldig land worden, rijk aan subculturele diversiteit, waaraan recht kan worden gedaan door middel van grote regionale autonomie, maar met één generaliteit voor overkoepelende belangen. Het is ontzettend leuk om de wedergeboorte van de herenigde Nederlanden mee te maken. Als de Walen niet mochten willen, dan moeten zij zich maar afscheiden, zijn zij de separatisten, niet de Vlamingen.

[Lezersbrief van Zannekin-lid Drs. R. Benjamin in het Nederlands Dagblad, 2 juni 2008]

 

Oud-Beijerland herdenkt Graaf Lamoraal van Egmond


Op 5 juni 1568, 440 jaar geleden, is de stichter van Oud-Beijerland (ZH) en de polder Graaf Lamoraal van Egmond onthoofd. Als edelman maakte hij deel uit van de Raad van State. Samen met Prins Willem van Oranje en de Graaf van Hoorne verzette hij zich, ondanks dat Lamoraal katholiek was en bleef, tegen de inquisitie. Op 10 september 1567 werd Lamoraal, met onder andere de Graaf van Hoorne door Alva naar Brussel gelokt en daar gearresteerd. In een laatste brief aan koning Filips II schrijft Lamoraal dat hij ‘geduldig wil dragen al wat de goede God behaagd heeft mij op te leggen’.

De herinneringsplaquette aan de Koninginneweg te Oud-Beijerland bevat een beeltenis van Graaf Lamoraal van Egmond en zijn echtgenote Sabina van Beieren (Beijeren) met de teksten “Lamoraldus Comes Egmondus” en “Sabina Bavarias”. Het gebalsemde lichaam van de Graaf van Egmont ligt, samen met zijn vrouw Sabina, begraven in de crypte van de kerk van Onze-Lieve-Vrouw Tenhemelopneming te Zottegem (OV).

 

Vanaf de zijlijn


Marten Heida, Veenendaal

Feniks uit de as?

Horst Lademachter heeft er zich toe gezet. In een breed opgezette studie beschrijft hij het politieke en culturele leven van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in het Europa van de 17e eeuw. En dat doet hij in een poging een antwoord te geven op de vraag die hij als titel aan het onder zijn handen ontstane boek meegegeven heeft: Feniks uit de as?

Om zicht te krijgen op de gang van zaken in het land van zijn buren is hij begonnen en aantal reisbeschrijvingen ui de 18e eeuw erop na te slaan. Deze lectuur zal hij ongetwijfeld niet als opwekkend en bemoedigend ervaren hebben; immers de Republiek komst er bekaaid van af. Dat wordt b.v. als volgt verwoord: “De taal is noch voor het tragische noch voor het komische geschikt. Hogere kunst staat ver van de Nederlander af; hij kent alleen maar eten, drinken en dierlijke wellust.” Het is duidelijk dat een dergelijke beschrijving bepaald niet vrij is van vooroordeel. Gelukkig (voor ons) blijkt niet elke reislustige beoordelaar het met deze invalshoek eens te zijn. Maar ze blijken – getuige menige uitlating in de 19e eeuw – niet krachtig genoeg geweest te zijn om de negatieve beeldvorming om te buigen; vooral de taal moest het vaak ontgelden. En dat terwijl daarover in de 17e eeuw nog de loftrompet gestoken werd. Maar ja, wat moet je inbrengen tegen deze opvattingen als wordt vastgesteld dat de morele kracht van ons volk het enige gegeven van de geschiedenis is dat telt. Lademachter laat deze beoordelingen voor wat ze zijn maat trekt er wel de conclusie uit dat ze een duidelijk verlies van de positie in het geheel van de internationale politiek weerspiegelen. In dit verband refereert hij aan 1839, het jaar van de definitieve scheiding van Nederland en België en de angst voor een mogelijke inlijving door Pruisen. In de eerste helft van de 19e eeuw kenmerkt Nederland zich niet door een bruisend politiek leven. Thorbecke betreurde deze gezapigheid, aldus de schrijver; het ontbrak de burgers aan het bewustzijn dat ze meeregeerden. Wat de 17e eeuw betreft die kwam pas weer in beeld na de scheiding tussen Noord en Zuid. Een belangrijk aandeel werd geleverd door het onder leiding van Potgieter staand tijdschrift De Gids. Maar ook figuren als Bakhuizen van den Brink en Alberdingk Thym hebben hun bijdrage geleverd; dat blijkt uit hun publicaties. In het bijzonder vestigt hij in dit kader de aandacht op de publicist Conrad Busken Huet en diens  boek Het land van Rembrand waardoor hij invloed heeft uitgeoefend op het nationale denken in Nederland. Niet met hem te vergelijken is de invloed geweest van de Leidse cultuurhistoricus Johan Huizinga; uitvoerig staat Lademacher bij diens opvattingen stil. Hij stelt vast dat er bij Huizinga sprake is van een symbiose tussen de begrippen “cultuur” en “natie”. Duidelijk legt hij daarvan getuigenis af in zijn in 1932 te Keulen gehouden referaat over Holländische Kultur des siebzehnten Jahrhundert. Het is in de Nederlandse uitgave dat hij – onder verwijzing naar de Republiek tijdens de 17e eeuw – spreekt van een Feniks uit de as. Gelijk wordt duidelijk voor welke opgave Lademacher zich heeft gesteld door deze uitdrukking als titel voor deze studie te kiezen maar dan wel door er een vraagteken aan toe te voegen als teken van het in twijfel trekken van deze bewering. Een andere historicus die zijn licht heeft laten schijnen over de 17e-eeuwse Republiek is de Amerikaan Simon Schama; voor hem is dit tijdperk gekenmerkt door “kunst” in plaats van door “Kunst”. Schama’s studie draagt volgens Lademacher sterk het karakter van een mentaliteitsgeschiedenis. Vervolgens vergelijkt Lademacher de 17e-eeuwse bloei van de Republiek met wat diverse Europese historici geschreven hebben over dit tijdperk in hun eigen land in vergelijking met de gang van zaken in de Republiek. Aansluitend schetst hij een beeld van dit land en treedt tegen deze achtergrond in discussie met Huizinga als die het over de feniks heeft die zich uit de as verheft; voor Lademacher heeft deze stellingname iets overtrokkens; immers feitelijk is er nergens sprake van “as”. Naar zijn mening “lenen” de Nederlandse tradities zich niet de Republiek te beschouwen als een uit de as geboren Feniks. Hij onderbouwt deze conclusie door te verwijzen naar zowel het culturele als het geestelijke leven dat ingebed is in een brede Europese stroom. In dit verband verwijst hij naar de functie van de Republiek als thuishaven voor Europese geleerden en wijkplaats voor vluchtelingen die vanwege godsdienstige of politieke opvattingen hun land moesten verlaten. Mede door hun toedoen en door de hoogontwikkelde drukcapaciteit kon de Republiek een draaischijf worden op informatief gebied. Maar ook in economisch en koloniaal opzicht was er sprake van een inhaalslag; met de Republiek moest in toenemende mate gerekend worden zoals blijkt uit de oprichting van VOC en WIC en de oorlogen met Spanje en Engeland. Volgens de schrijver staat deze ontwikkeling in het teken van een zich doorzettende Europeanisering van de wereld. Op zijn beurt heeft dit ertoe bijgedragen dat de Republiek kon uitgroeien tot een Europese grootmacht, niet allen op politiek en economisch gebied maar ook op dat van de cultuur. Vooral het gewest Holland wordt toonaangevend; in dit verband passeren de namen van Hugo de Groot en Constantijn Huygens de revue.

De schrijver was er zich dan ook van bewust dat hij zich gesteld zag voor een zware opgave toen hij zich ging zetten tot het beschrijven van de culturele en politieke geschiedenis van de 17e-eeuwse Republiek. In dit verband somt hij een aantal onderwerpen op waar hij niet om heen kan zoals de uitstraling van de Leidse universiteit, de drukkunst, de boekcultuur en de plaats van de kerk in de toenmalige samenleving. Ook kon hij het feit van het zich-waar-maken van een nieuwe staat in Noordwest-Europa niet onbesproken laten. Daarmee introduceert hij het Europapolitiek motief dat mee ten grondslag ligt aan deze omvattende studie.

Het is op dit stramien van uitgangspunten dat Lademacher zijn tekst geborduurd heeft. En dat doet hij met zowel grote vaardigheid als kundigheid. Van de eerste kwalificatie getuigt de wijze waarop het verhaal te boek gesteld is, van de tweede de verbanden die hij heeft weten te leggen en waardoor het aangedragen feitenmateriaal doorzichtig is gemaakt.

De lijnen die Lademacher in het eerste hoofdstuk trekt hebben alles te maken met de achtergronden van de traditie en wat deze betekend hebben voor de voorwaarden die bepalend zijn geweest voor de totstandkoming van de Republiek. Om zicht te krijgen op het reilen en zeilen van deze jonge staat heeft hij zijn ogen laten gaan over de verslagen die Engelsen, Duitsers en Fransen hebben opgesteld naar aanleiding van hun bezoeken.

Vervolgens schenkt de schrijver uitvoerig aandacht aan de wijze waarop men zich in de Republiek heeft geïdentificeerd met de Bataven en het oudtestamentische volk Israël. Getuigen daarvan zijn de talrijke schilderstukken, dichtwerken en geschriften van toenmalige schilders, historici en filosofen. Zij blijken in niet onbelangrijke mate te hebben bijgedragen tot een staatsbestel dat zich kenmerkte door een eigen karakter en de daarmee verbonden politieke cultuur.

In het volgende hoofdstuk beschrijft Lademacher hoe men in de Republiek geworsteld heeft met de invulling van het begrip “soevereiniteit” gezien tegen de achtergrond van de religieuze lading die eraan werd toegekend. Nauw hiermee verbonden waren ook de vraagstukken met betrekking tot oorlog en vrede. De man die op dit terrein baanbrekende inzichten kenbaar gemaakt heeft is niemand minder dan Hugo de Groot. Uitgebreid gaat Lademacher op de betekenis van zijn geschriften in.

Het spanningsveld van de 16e en 17e eeuw wordt in de optiek van de schrijver beheerst door de tegenstelling: bereidheid tot oorlogsvoering en de wens vrede te sluiten. Een bijkomend aspect is de vraagstelling rondom het karakter van de oorlog: rechtvaardig of het tegenovergestelde. Afhankelijk van de ingenomen standpunten en de op het spel staande godsdienstige, militaire en economische belangen werd ze beantwoord. Lademacher illustreert dit met gegevens die hij ontleend heeft zowel aan de Nederlanden als aan het Duitsland tijdens de Dertigjarige Oorlog in de aanloop naar de vrede van 1648.

Een apart hoofdstuk wijdt de schrijver aan de uitbreiding van de handelsbetrekkingen en dan vooral die in het raam van de VOC. In dit verband schenkt hij ruimschoots aandacht aan het leven aan boord van de schepen; vooral de gebrekkige medische voorzieningen stelt hij aan de kaak. Vervolgens beschrijft hij het vaak gewelddadig optreden van de handelaars in o.a. de Molukken; dit had alles te maken met de specerijenhandel. Om vaste grond onder de voeten te krijgen stichtte Jan Pieterszoon Coen de stapelplaats Batavia. Verder besteedt hij in dit kader aandacht aan het zendingswerk en de bestudering van de flora en fauna. Afsluitend behandelt hij de gang van zaken rond de WIC; de aandachtspunten zijn het optreden van Johan Maurits van Nassau als stedehouder van Brazilië en de slavenhandel.

In het hoofdstuk waarin “godsdienst en geweten” centraal staan heeft Lademacher onderzoek gedaan naar de grenzen van de religieuze tolerantie in de Republiek. Na het schetsen van het probleem schenkt hij aandacht aan de humanistische opvatting; in dit verband noemt hij behalve de naam Erasmus ook die van Willem van Oranje. Vervolgens stelt hij het tolerantiegedrag van de Calvinisten – en dat in het raam van de kerkelijke opvattingen – aan de orde met betrekking tot Katholieken, Remonstranten en Joden. Hun opstelling zet hij in een slotbeschouwing af tegen de algemeen heersende opvatting dat de Nederlanders er prat op gaan zo tolerant te zijn, maat dat daar in de dagelijkse praktijk nog wel het één en ander aan schort.

Een min of meer logisch gevolg op het voorgaande hoofdstuk is dat waarin de schrijver zijn licht laat schijnen over de onderwijssituatie in de Republiek. Die heeft betrekking zowel op scholen en universiteiten als op hen die onderijs geven en het ontvangen. Uit het geschetste beeld komt duidelijk naar voren welke betekenis aan het machtig worden van de leeskunst werd toegekend door vooral kerkelijke kringen.

In het hoofdstuk “Taal en literatuur” geeft hij inleidend een voortreffelijk overzicht van de ontwikkeling die zich op taalgebied in West-Europa heeft voltrokken. Die ontwikkeling heeft betrekking op de overgang van het Latijn naar de volkstaal. Als kenmerkend voorbeeld verwijst hij naar Calvijn die zijn in het Latijn geschreven Institutio in 1541 onder het opschrift Institution de la réligion chretienne in het Frans overzette. Trouwens Luther handelde evenzo door zich met grote ijver te zetten aan het vertalen van zijn Bijbel en daarmee de grondslag te leggen voor het Hoogduits. Tegen deze achtergrond geeft Lademacher een beeld waarlangs de taalontwikkeling in de Nederlanden heeft plaats gehad en wie daaraan mee gestalte hebben gegeven. In dit verband noemt hij de namen van o.m. Hooft, Cats en Vondel. Verder beklemtoont hij de contacten tussen Duitse geleerden en Nederlandse universiteiten en de bemiddelende rol die sommigen van hen vervulden tussen Duitse en Nederlandse literatuur.

Zeer uitvoerig schetst Lademacher een beeld van de kunst en dan vooral de schilderkunst. Uiteraard brengt hij de grote betekenis van Rembrandt ter sprake. Zijn werken zijn voor hem mee aanleiding tot vergelijken met wat er in het buitenland gebeurde. Dan blijkt dat Italië toch nog steeds toonaangevend is. Via dit land komt hij tot bij Rubens en andere Antwerpse schilders terecht. Ook de wisselwerking tussen het toenmalige Duitsland en de Republiek blijft niet onbesproken. Een andere kunstuiting waaraan hij niet voorbij kon gaan is die van de architectuur. Tegen deze achtergrond zet hij de lijnen uit waarlangs deze ontwikkeling zich vanuit het verleden voltrokken heeft en belicht hij de verscheidenheid aan genres en de uitstraling in Europees verband.

Voor vele historici is de geschiedenis van de natuurwetenschappen een stiefkind; zelfs vooraanstaanden als Huizinga hebben er nauwelijks oog voor. Voor Lademacher is dat voldoende aanleiding om er aandacht aan te schenken en te plaatsen in een Europees kader. Duidelijk laat hij uitkomen dat wetenschappers uit de Nederlanden niet uit de toon vielen; in dit verband vallen de namen van Vesalius, Mercator, Stevin en Huygens.

Een hoofdstuk over de verbindingen van de Nederlanden met Duitse regio’s kon in deze studie niet achterwege blijven. Als eersten worden die met betrekking tot Emden en Bremen genoemd; in de laatste stad hebben zich in de 16e en 17e eeuw opmerkelijk veel kooplieden uit de Zuidelijke Nederlanden gevestigd. Nauwe banden ontstonden ook met Brandenburg mee als gevolg van de familiale betrekkingen tussen de Brandenburgse hertogen en de Oranjes. Als één ding duidelijk wordt dan wel dat de Republiek toentertijd hoog aangeschreven stond.

In het laatste hoofdstuk zoek de auteur naar een antwoord op de vraag wat de achtergronden zijn van de neergang zoals die zichtbaar werd in de laatste decennia van de 17e eeuw. Handelsbelemmeringen (o.a. als gevolg van de door Engeland uitgevaardigde Acte van Navigatie) en de vele oorlogen (zowel met Engeland als Frankrijk) zijn daar debet aan. Opmerkelijk is echter dat behalve de achteruitgang op economisch gebied datzelfde verschijnsel zich ook voordoet op de terreinen van kunst en literatuur. Wat het eerste aspect betreft blijkt de verandering in opvatting (het uit Frankrijk overwaaiende classicisme gaat zich aandienen) van grote invloed geweest te zijn. Trouwens ook de literaire wereld ondergaat de beïnvloeding van Frankrijk. In feite was het een weerspiegeling van de gewijzigde Europese machtsverhoudingen; de toonaangevende rol was overgenomen door Engeland en Frankrijk. Op één terrein bleef de Republiek meetellen te weten op dat van de wetenschap en alles wat daaraan verwant was (o.a. drukkerijen en boekproductie); het was niet zomaar dat men sprak van een “geleerdenrepubliek”. In dit verband vestigt Lademacher de aandacht op namen als Pierre Bayle, Baruch Spinoza en Balthasar Bekker; de laatste kreeg grote bekendheid door de wijze waarop hij het geloof in heksen bestreed.

In een soort epiloog overziet Lademacher afsluitend nog eens het door hem beschreven tijdperk. Daarbij kan hij (weer) niet om de figuur van Huizinga heen. Hij confronteert de neerslag van zijn studieresultaat met de opvattingen van deze grote onder de Nederlandse historici. Verder refereert hij aan de merkwaardige staatsvorm van de Republiek. In dit verband duikt opnieuw de naam van Hugo de Groot op. Belangwekkend is de vergelijking tussen de wijze waarop de Republiek een staat geworden is met de weg die Duitsland op dit gebied heeft afgelegd. Uiteraard blijft in deze “nabetrachting” de uitstraling van de Republiek op wetenschappelijk gebied niet onbesproken. Ook vergeet hij niet nogmaals aan de betekenis van de Nederlandse kunstuitingen op Europees vlak te herinneren, al kan van een Nederlandse school niet gesproken worden, zo voegt hij er betekenisvol aan toe. Afrondend trekt hij een aantal lijnen vanuit de Republiek van de 17e eeuw via de ontwikkelingen in de 18e en 19e eeuw naar de huidige situatie.

Dat met deze studie een uitzonderlijke prestatie geleverd is zal op basis van het bovenstaande duidelijk geworden zijn. Met name is ze van groot belang voor hen die wonen in het aan Nederland grenzende deel van Duitsland. Ze worden er door in staat gesteld kennis te nemen van een uniek tijdperk uit de geschiedenis van hun buurland waarmee men in het verleden nauw verbonden is geweest.

Voor velen in Duitsland moet de inhoud van deze studie een openbaring zijn; immers nog altijd zijn er daar mensen die Nederland als een aanhangsel van hun land beschouwen. Dat dit allesbehalve het geval is toont Lademacher op een niet te weerleggen wijze aan. Het is dan ook te hopen dat deze studie velen van zijn landgenoten onder ogen komt; ze zal zeker bijdragen tot beter begrip.

In de Nederlanden zelf zal deze uitgave waarschijnlijk niet op een brede lezerskring kunnen rekenen afgaand op de geringe kennis van en belangstelling voor de Duitse taal. Ik heb mij erover verbaasd hoe deze buitenstaander zich heeft weten in te leven in het door hem beschreven tijdperk. Kijk ik dan ook nog naar de ongelofelijk grote hoeveelheid literatuur, dan is de onderscheidende uitdrukking “kind aan huis” meer dan op zijn plaats.

Er is trouwens nog iets anders waarover ik me heb verwonderd. En dat is het feit dat buitenlandse geschiedkundigen belangstelling hebben voor een bepaald tijdvak van de geschiedenis van de Nederlanden. Ik heb het inderdaad over “geschiedkundigen”, want Lademacher is zeker geen witte raaf gesecondeerd als hij wordt door Jonathan Israël, Simon Schama en Johannes Koll. Op die van Koll na zijn hun publicaties inmiddels in Nederlandse vertaling beschikbaar; hopelijk gebeurt hetzelfde ook met Lademachers studie.

Tot slot nog een enkele kanttekening. De eerste heeft betrekking op de vermelding van de stad Oudenaarde; mij ontgaat de plaats in de opsomming van Woerden, Rotterdam, Schiedam en Den Briel (p. 74). De tweede gaat over de hannekemaaiers; in dit verband noemt de schrijver een hele reeks “volksstammen” “und noch andere ‘kassoepers’ (unbekannter, aber sicherlich kein freundlicher Begriff”). Ik herken echter in die “kassoepers” een volksstam uit het voormalige West-Pruisen (tegenwoordig het gebied ten westen van Gdansk) en wel de Kasjuben (p. 339).

_____________________

N.a.v. Horst Lademacher, Phönix aus der Asche? Politik und Kultur der niederländischen Repunlik im Europa des 17. Jahrhunderts. Reeks Studien zur Geschichte und Kultur Nordwesteuropas. Band 16, 797 pp., gebonden, 5 afbeeldingen, 59 €. ISBN 978-3-8309-1683-3. Waxmann Verlag GmbH, Steinfürter Strasse 555, D. 48159 Münster.

Marten Heida, Prins Willem Alexanderpark 53,NL. 3905 CB Veenendaal

 

Het laatste woord


Leo Camerlynck, voorzitter ZANNEKIN, Ukkel

De Benelux wordt meer dan ooit een Unie

Een droom wordt stilaan werkelijkheid

De Benelux staat voor België, Nederland en Luxemburg en werd in Londen door de gevluchte regeringen in september 1944 opgericht als douaneunie: een samenwerkingsverband tussen de Lage Landen om onderling vrij goederen te kunnen transporteren en een uniform tarief te hanteren voor goederen van buiten de Benelux.

Voorts vernemen uit de encyclopedie Wikipedia wat volgt. Sinds het verdrag van 1958 is de Benelux een economische unie. Het verdrag van de Benelux Economische Unie is in 1960 in werking getreden voor een periode van vijftig jaar. In 2010 loopt die periode af. Het Benelux-verdrag blijft vervolgens voor achtereenvolgende tijdvakken van tien jaar van kracht (stilzwijgende verlenging), tenzij één der partijen het verdrag beëindigt.

Gelet op de besluitvorming in 1996, de nieuwe taken van het Secretariaat-Generaal (zoals Senningen), recente verklaringen van prominente politici uit de drie landen, e.d.m.. stond het zo goed als vast dat de Benelux-samenwerking zou worden gecontinueerd.

In 2010 moet een nieuw Benelux-verdrag in werking treden. De landen werken samen op gebieden waar de EU nog niet in voorziet. Het verdrag wordt een afgeslankte versie van het oude. Zo worden onder meer 'overbodige commissies' geschrapt.

Op 17 juni 2008 werd in Den Haag het nieuwe verdrag ondertekend, waarbij de naam Benelux Economische Unie wordt vervangen door Benelux Unie. Vanaf 2010, met de ingang van het nieuwe verdrag, zal de Benelux niet meer alleen op economisch gebied optreden maar ook bij duurzame ontwikkeling, justitie en binnenlandse zaken. Derhalve zal, zoals reeds vermeld, de officiële benaming dan ook in Benelux Unie veranderen." Tot zover wat we uit Wikipedia plukte.

De Benelux wordt niet alleen een unie, maar plant samenwerkingsverdragen met de Franse Nederlanden, zijnde de regio Nord - Pas-de-Calais, alook met grensgebieden van de Duitse deelstaten Noord-Rijn - Westfalen, Neder-saksen en Rijnland-Palts.

De Benelux vormde niet alleen de kiem van de Europese Unie, maar groeit stilaan uit tot een 21e-eeuwse versie van wat ooit de Boergondische Kreits onder Keizer Karel werd en was.

Een droom wordt stilaan werkelijkheid .