> nieuwsbrief > 27e jg. - 1e trimester 2009

Bijdragen over: Tip

Mededelingen

Hernieuwen ledenbijdrage 2009

Eens te meer nadert de jaarwisseling met rassé schreden. Voor de penningmeester brengt dit mee om ervoor te zorgen dat de hernieuwing van de bijdragen andermaal vlot verloopt.

In ruil voor een ongewijzigde basisbijdrage van 25 € verzekert u zich ook in 2009 van een abonnement op onze Zannekin Nieuwsbrief en van het – reeds 31e – Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’. Als steeds hopen we er andermaal op dat eenzelfde aantal leden spontaan deze basisbijdrage afronden tot het ronde bedrag van 30 €. Zij immers maken het ons mogelijk om extra-initiatieven te ontwikkelen, als b.v. de publicatie van brochures naast de Nieuwsbrief en het Jaarboek. Onze rekeningen: België 464-8220251-39 - Nederland postgiro 3876953 - Duitsland Postcheckkonto Köln 275 33-505 BLZ 37010050 of internationaal IBAN BE13 4648 2202 5139 BIC KREDBEBB telkens op naam van Stichting Zannekin, B. 8900 Ieper.  De penningmeester dankt bij voorbaat voor een vlotte afhandeling.

Nieuw publiek

Tal van lezers krijgen met dit nummer voor het eerst onze Nieuwsbrief Zannekin en onze kennismakingsfolder onder ogen. Bedoeling is uiteraard hen voor ons initiatief te winnen middels lidmaatschap. Omdat ook voor ons “koken geld kost” moeten we hen helaas meedelen dat dit, zonder “respons” van hun kant, meteen ook het laatste nummer is dat we hen kunnen toesturen. Uiteraard valt de Nieuwsbrief ook te lezen op het internet – wat evenwel niet geldt voor het Jaarboek De Nederlansen ‘extra muros’.

Zannekin-activiteiten 2009

Davidsfonds-Kalender Frans-Vlaanderen 2009

Via de foto’s doorreizen we de Franse Nederlanden via de aloude stad Kassel met z’n smalle bergstraatje, naar het tweeduizendjarige Bonen (Bouloge) met z’n hoge ronde vestingmuur uit de dertiende eeuw. We keren terug via het geheimsvolle Doornem (Tournhem) aan de Hem dat nog een burchtpoort bezit uit de elfde eeuw. Van Ariën aan de Leie (Aires) met z’n trotse Sint-Pietersstiftskerktoren die hemelwaarts streeft met z’n vele verticale strepen metselwerk komen we in onze Westhoek in een wei in het landelijke Eke met z’n torenloze hallenkerk. Daar vandaan naar Vleterén is het maar een wip: daar staat de zware veertiende-eeuwse meestentoren. En vandaar naar Ekelsbeke: de klok van zijn verdwenen maar eenvoudiger hergoten beiaard uit 1581 getuigde toen onbevangen van de nu bedreigde moedertaal.

Elke maand openbaart op de keerzijde van het blad historische feiten in de Zuidelijkste Nederlanden alsook opmerkelijke figuren die er geleefd hebben en die ook vaak in de hele Nederlanden invloedrijk geweest zijn. Niet alleen bekende zoals Godfried van Bonen, Robrecht de Fries, Edmond de Coussemaker, Pieter Daeten, Sint-Godelieve, Willem van Rubroek, Jules Lemire of Lodewijk van Male, maar ook de minder bekende zoals Suger van Sint-Ornaars, Hukbald die de kloosterschool van de Sint-Bertijsabdij in Sint-Omaars leidt, bisschop Milo die een eerste gotische kathedraal bouwt in Terenburg (Terwaan), Nicolaas Ruyssen die de Trappistenabdij van de Katsberg sticht, de niet genoeg bekende Duinkerkse dichter Michiel de Swaen, Hendrik Blanckaert van Zegerskappel de radicale Vlaming uit de negentiende eeuw, Camille Looten, de Vondelkenner, Ogier Gisleen van Busbeke die het Oost-Gotisch bekendmaakte.

Ook weinig bekende feiten vindt u er uit de strijd voor het behoud van de moedertaal in Frans-Vlaanderen samen met de taaie inspanningen hiervoor van Vlaamse priesters als Witsoet, Lobbedey, Schodduyn, Carnel, Flahaut, Deblonde, Delanghe, Lemire, Despicht, Marcel Janssen. Verder o.a. de doorslaggevende historische overwinningen of nederlagen.

Deze kalender kost 6 € en 7, 50 € als hij verstuurd moet worden. Te verkrijgen bij de leden van het bestuur van DF-Frans-Vlaanderen. Door storting van 7, 50 € op giro 000-1529169-6l van Davidsfonds Frans-Vlaanderen. In Frans-Vlaanderen zelf is de kalender verkrijgbaar bij de Drie Meulen, Grote Markt, Kassel, In de Zwane in Houtkerke en ook in de Boekhandel Schoonaert te Roesbrugge.

Webpagina gemaakt over het Houtland in Zuid-Vlaanderen.

Gilbert Allemeersch maakte ons attent op de door hem aangemaakte zeer informatieve webpagina: http://users.telenet.be/allemeesch/houtland/ Ze is beslist een bezoekje waard.

Manifest voor de Lage Landen

Als bijlage bij onze vorige Nieuwsbrief vond u de folder met het Manifest voor de Lage Landen, een initiatief uitgaande van de voormalige Heel-Nederlandse jeugdbeweging. Aan de basis van dit initiatief ligt de bekommernis omtrent het tandend besef omtrent het “onontbeerlijk eenheidsbesef der Nederlanden" (Hendrik Fayat). We zijn verheugd te kunnen melden dat nogal wat ZANNEKIN-mensen spontaan hun naam onder het Manifest hebben geplaatst. In een later stadium zullen we de volledige lijst van ondertekenaars publiceren.

35e Frans-Vlaamse dagen te Nieuwpoort 

Voor de 35e maal reeds worden van 4 tot en met 19 april 2009 de Frans-Vlaamse dagen te Nieuwpoort gehouden. Het merendeel van de activiteiten heeft plaats tijdens de Vlaamse paasvakantie, doch er zijn ook al activiteiten voordien en nadien. In 2009 verbroedert Nieuwpoort met het Frans-Vlaamse Grevelingen.

De plechtige opening grijpt op zaterdag 4 april 2009 plaats in de Stadshalle naast het stadhuis op het Marktplein. Naast burgemeester Roland Crabbe en cultuurschepen Greet Ardies-Vyncke nemen Zannekin-voorzitter Leo Camerlynck en Grevelings burgemeester Bertrand Ringot het woord. Een Frans-Vlaams muzikaal ensemble luistert de plechtigheid op.

Er zijn verschillende activiteiten op het vlak van cultuur, sport, zoektochten en andere zaken. De jaarlijkse reis is voor 18 april 2009 gepland.

Meer informatie verneemt u in onze volgende nieuwsbrief of bij de Dienst voor Toerisme - Marktplein 7 - B - 8620 Nieuwpoort. Tel. 058 / 22 44 44 - Fax 058 / 22 44 28 - e-post: info@nieuwpoort.be


Het Huis van het Nederlands te Belle bestaat 10 jaar

De 10e verjaardag van het Huis van het Nederlands zal uitvoeriger behandeld worden in onze volgende Nieuwsbrief.

Was ROUBAIX ooit ROBEKE ?


Guido Vandevyvere, Menen

Uitgangspunt voor dit artikel is een interessante uiteenzetting van Dr. Frans Debrabandere (Brugge/Kortrijk) in De Leiegouw 1

De naam “ROUBAIX” is het resultaat van een Romaanse klankontwikkeling van een zuiver Germaanse naam. We moeten met “Roubaix” terug naar het Germaanse – en bijgevolg OUD-NEDERLANDSE – woord rausa – baki (= riet – beek ).

Germaanse “au” wordt Middelnederlandse scherplange “o”, Nederlandse lange “o” en “baki” wordt door i-umlaut2 in het Middelnederlands en het West-Vlaams “beke” Nederlands (door apocope van de doffe “e”) “BEEK”. Een Nederlandse klankevolutie van “rausa-baki” zou volgens de klankwetten ROZEBEKE hebben moeten opleveren. En ROZEBEKE is inderdaad de naam van een bijrivier van de Leie, van een dorp in de Zwalmstreek (Oost-Vlaanderen), van Oostrozebeke en Westrozebeke in West-Vlaanderen. En ROOSBEEK is een deel van de Vlaams-Brabantse gemeente Boutersem.Deze vier namen zijn ook ontwikkeld uit het Germaanse “rausa-baki”. Ook een andere onverdachte bron sluit zich hierbij aan (zie Uitsmijter).16

“Roubaix” vertoont echter Romaanse klankevolutie, waarbij “baki” tot “baix” werd (vergelijk uit pace).3

De Germaanse fonetische evolutie leidde tot “becque”, de Romaanse tot “baix”, zoals o.a. Bambecque (1123 Bebenbeca (VO 71)4, 1164 “Bambeca” (P.132)5, waar we bij het binnenrijden van het dorp vandaag (2008) zien staan, uitgesneden in de buskushaag: “Bambeke,Vlaanderen”, Bousbecque (1101 Bosbeka (VO 120),1143 “Busbeca”(P. 132) – in Menen zegt iedereen vandaag “Busbeke”, want de West-Vlaamse uitspraak van “bos” is “bus” (mus, klus), Escobecques (1096, “Escobec” (P. 132), 1217 Scaubeke(VO. 223)), Esquelbecque (962 Hicclesbeke (VO. 224) ,1100 “Hicclesbecke”(P. 132) – Frans-Vlamingen die ik ken, o.a. mijn Franse schoonbroer van Rexpoëde (in de driehoek Wormhout, Hondschoote en Sint-Winoksbergen), zeggen vandaag nog Ekelsbeke, Guarbecque (1172, “Gauerbeca” (P. 132)), Morbecque (ca. 1127 Morbeika (VO. 392), Steenbecque (1138 Steinbeka (VO. 528), 1183, “Steenbeka”(p1 32)), Robecq (bij Bethune) heeft ook het element “rausa”(P. 67).

De uitgang “bais” vinden we o.a. in Fleurbaix (1024 Florbais (P. 132+VO. 246)): de plaatsnaam hervernederlandste tot Fleurbaey naar analogie met Roubaix tot Robaeys en Van Robais6, Marbaix (1131 Merbasium (VO. 361) 1194 “Marbais” (P. 132)), Wambaix (847 Wambace (VO. 577) 1158 “Wambais” (P. 132).

Hier volgen de oudst (?) bekende vormen van “Roubaix”:7

1122: Rosbays                       1159-68 (Lat. afleiding) Rusbacensis

1136-1211 (passim): Rosbais 1168: Rosbacensis

1151: Rousbais                       1169: de Rusbaco

1156: Robais                           1187: Rosbaiz

1166: Rusbais                          1223: Roubais 

Van Overstraeten (VO. 465) vermeldt al Roubaix: 881 of 887 villa Rubaci uit Germ. Rausa = riet + baki = beek, maar verder heeft hij het altijd over “Robeke”. Volgens hem kreeg in 1469 Pieter (1415-1498), heer van “Robeke” (VO. 465), de “Keure voor de lakenwevers” van de Bourgondische hertog Karel de Stoute. Consequent?

Poulet (P. 133) heeft het – wat vager - over Rusbaci in de 9e eeuw…”le ruisseau des roseaux” (= rietbeek, GV).

Vandaag wordt nog vaak als Nederlandse naam van Roubaix de vorm “Robeke” aangehaald. Ook o.a. in de bekende “Lijst van …” van Cyriel Moeyaert.8 Ik ga niet in detail, maar Verschueren (1941 Modern Woordenboek) zegt “Roobeke”, en Van Overstraeten (1969) heeft het dus ook over “Roubaix – Robeke”. En mijn uitstekende oud-professor Willem Pée (RUG) sprak ook altijd over “Robeke”.9 Kijk je op www.patronymesflamands (Origines des noms flamands = Oorsprong van Vlaamse familienamen, GV), dan schrijft Bertrand Crepel ook “Robeke-Roubaix” en “Roubaix-Robeke”.

Maar “Robeke” heeft nooit bestaan, het is een in elkaar geflanste, kunstmatige vorm, die alleen op papier voorkomt, en wellicht uit een soort nostalgisch flamingantisme is ontstaan. “Robeke” werd gepropageerd door priester Jean-Marie Gantois (1904 –1968), een zeer belangrijke voorvechter van de Vlaamse Beweging in Frans-Vlaanderen, begraven in Wat(t)en. “Roubaix” had “Robeke “ kunnen worden, indien het tweede deel van de naam de Nederlandse klankontwikkeling had meegemaakt, m.a.w. was Roubaix later geromaniseerd geworden. Dat is bijv. wel zo geweest met “Robecq” (in het arrondissement Béthune, Pas-de-Calais), dat ook dezelfde etymologie heeft: 1104 apud Rosbeccam, 1152 Rosbeca, 1201 Rosbeke1202 Robecca10, 1202 Robeka, 1221 Rosbek, 1235 Robeke, 1357 Robecque.11 Verder is dat zo o.a. voor “Rebecq” in Waals-Brabant, met de zeer oude vormen: 877 Rosbacem, 897 Rosebache, 1136 Rosbecca.12 Verschueren (1996) biedt ons zelfs de Nederlandse naamvorm ervoor aan: Roosbeek Verder is er ook nog o.a. “Rebecques” in de buurt van Sint-Omaars: 1084 -1092 Resbecca, en 1120 apud Rosbeccam (= rausa + baki) (VO. 454).

De ware naamvorm waarmee bij ons in Vlaanderen naar “Roubaix” werd verwezen, is altijd “ROBAAIS ” geweest, de vernederlandste uitspraak van de oude vorm “Robais”. Willem Pée heeft het dan ook naast “Robeke” over “Robaais”. Het beste bewijs is de familienaam Van Robaeys, Van Robais, Van Robays, samengetrokken tot Verbaeys, Verba(e)ijs, Verbays(t)… Oude voorbeelden van die naam zijn: 1394 van Jakemarde van Robais (Dottenijs), 1398 Gillis van Robaeis (Zwevegem13, 1399 Roeger van Robais (Zwevegem)14, 1417 Michiel van Robais, 1418 Jhan van Robais priester = Jan van Roubais, 1425 Pietre van Robays, 1427 Michiel van Robaeis (Kortrijk).15

Guy Desaegher (zie bovenvermelde webstek over de Vlaamse familienamen) vermeldt: ”Vanrobaeys: origine de Roubaix (afkomstig van …). En de familie Van Robaeys (Fransen schrijven meestal Van Robais13, - zie de vermelde webstek - werd in 1665 door minister Colbert (Lodewijk XIV) uit de Nederlanden naar Abbeville gelokt om er de “Manufacture des Rames” te stichten, een modelweverij met ooit meer dan 100 weefgetouwen en meer dan 3.000 arbeiders. Bezoek daar maar eens hun kasteeltje “La Bagatelle” (= een juweeltje, een pareltje) van ± 1750. En constateer met mij dat Pieter, heer van “Robeke”(VO. 465) Pieter van Robaais (?)/ Pierre de Roubaix in 1469 “Roubaix” begiftigde met het recht om – cadeautje van Karel de Stoute - “licitement draper et de faire drap de toute laine”. Die seigneur heeft het zelfs in 1979 tot reus van die stad geschopt.

En het valt toch op dat in het onvolprezen werk van Dr. Debrabandere16 er zelfs met geen vergrootglas ook maar één familienaam (Van) Robeke te vinden is. Dus… Robeke is een (politiek getint?) fantasietje.

Vandaag noemen we “Robaais” alleen nog een historische vorm, en wordt de stad alleen met zijn Franse vorm ROUBAIX genoemd, en ook uitgesproken {ru’b€}. De vroegere Kortrijkse uitspraak was echter ‘rebe’.1 Maar ik beken dat ROBEKE - tenminste op papier en op internet17 - een zeer taai leven leidt … en ook de ANS (Algemene Nederlandse Spraakkunst - 1984) had het ook nog over “Robeke”. Waarom?

En in de Westhoek zegt ook niemand “Robeke”, maar gewoon “Roebei”, zoals ik altijd hoor van mijn vrouw (afkomstig van Watou) én mijn al vermelde schoonbroer in Frans-Vlaanderen.

Wil je nog een uitsmijter?

De zgn. hgd. term “grammatische wechsel” (of ook consonantische intermutatie), in 1877 door de Deen Verner uit het accent verklaard, leert ons dat we die niet alleen in de sterke werkwoorden vinden – dat is voer voor linguïsten – maar ook daarbuiten, o.a. gotisch “raus” = riet  in Zuidnederlands. Roos-beek (Frans Rou-baix), voorts plaatsnamen Roosendaal, Roosevelt, Rozevenne… (Schönfeld’s Historische Grammatica van het Nederlands, vijfde Druk verzorgd door Prof. Dr. A.van Loey, met medewerking van Dr M. Schönfeld – N.V. W.J.Thieme 1 Cie – Zutphen – MCMLIV p. 19-23).

Addendum

Werd ROBAAIS voor Roubaix als plaatsnaam nu echt gebruikt?

Een onverdachte bron is wel het Rijke Vlaamsche Wielerleven, (Snoeck – Ducaju & Zoon – Gent 1943) – van de legendarische Karel van Wijnendaele (pseudoniem van Karel Steyaert, Torhout 1882 – Deinze 1961), de pionier van de Vlaamse sportjournalistiek en stichter van de Ronde van Vlaanderen. Karel – bij ons “Koarle” genoemd – verbond de wielersport met de Vlaamse ontvoogding. Hij voedde de mythe van de “flandrien”, de simpele volksjongen die door taaie wilskracht kampioen kon worden.

Onder de titel “De Vlaamsche Leeuw “ te ROBAAIS (p. 65-71) vinden we uitsluitend die naam, en bijgevoegde krantenknipsels (Het Nieuwsblad, 12 en 13 april 2008) bewijzen voldoende. U merkt dus dat hij het nooit over Paris-Roubaix heeft, maar altijd over PARIJS – ROBAAIS.

Bibliografie

1 Dr. Frans Debrabandere in De Leiegouw, jg 46, aflevering 2/2004, p. 173-174, tijdschrift van de Vereniging voor geschied- taal- en volkskundig onderzoek in het Kortrijkse.

2 Dr. Frans Debrabandere in De Leiegouw, jg 46, aflevering 2/2004, p. 173.

3 L.Vauterin, ‘De umlaut in het Nederlands, een vijf-à-zesde-eeuwse aangelegenheid’, in Taal en Tongval, 44 (1992), p. 217-219.

4 J. van Overstraeten, De Nederlanden in Frankrijk, Beknopte encyclopedie, Antwerpen ,VTB, 1969, altijd verder als VO + pagina.

5 Denise Poulet, Noms de Lieux du Nord-Pas-de-Calais, Ed. Bonneton, 1997, Noms en – becque en –baix, de ‘baki’,le ruisseau p. 67 en p. 132-133 (Bambecque – Bousbecque – Escobecques –Esquelbecq – Guarbecque – Morbecque – ROBECQ = rausa=roseau (= riet GV) – Steenbecque. Die op –baix: Fleurbaix – Marbaix – ROUBAIX Rusbaci (IXe siècle) = le ruisseau des roseaux – Wambaix – altijd verder als P + pagina.

6 Leo Camerlynck, lezing over Frans-Vlamingen aan de Kaap op 19.04.1998 tijdens Frans-Vlaamse Veertiendaagse van Nieuwpoort.

7 M. Gysseling, Toponymisch woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (voor 1226), 1960, p. 864-865 + ‘De toponomie van Frans-Vlaanderen’, in Naamkunde, 13 (1981) p.75-78 (Franse vertaling).

8 Cyriel Moeyaert, ‘Lijst Vlaamse Plaatsnamen in Frans-Vlaanderen’ (geen plaatsnamen die niet/nauwelijks verschillen met de Franse vertaling, zoals bijv. Hondschoote, Volkerinkhove, Godewaarsvelde, Wormhout, Lynde) in tijdschrift Nederlands van Nu.  17.

9 Willem Pée, ‘Germaanse en Romaanse dubbelnamen van gemeenten in België en Noord-Frankrijk’, in Ons Erfdeel ,18 (1975) nr. 2, p.210-220.

10 M. Gysseling, 1960, p.849. Dezelfde Romaanse evolutie hebben meegemaakt: Rebais (Seine-et-Marne), in de 11e eeuw Resbacis, en Rebaix (bij Aat in Henegouwen), in 1119 Rosbais, 1134 de Resbaco (p. 827).

11 K. De Flou, Woordenboek der Toponymie van Westelijk-Vlaanderen, Brugge, 1932,XIII, p.625-627.

12 J. Herbillon, Les noms de Communes en Wallonie, 1986,p. 132.

13 F. Debrabandere, 1970, p. 375.

14 F. Debrabandere, ‘Persoonsnamen in de Kortrijkse baljuwsrekeningen 1385-1400’, in Hand.Kon. Comm.Top.Dial, 72 (2000) p. 344.

15 F. Debrabandere, Kortrijkse persoonsnamen omstreeks 1400.

16 Frans Debrabandere, Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk, L.J. Veen/Het Taalfonds  Amsterdam/Antwerpen, 2003.

17 zie a): “roubaix-robeke” (internet) : 80% van de items heeft het over “Robeke”;

zie:b) www.flandrianostra.com/forum/plaatsnamen.htm: Robeke. Twee keer vindt u er ook de lijst van Cyriel Moeyaert: Plaatsnamen in de Franse Nederlanden.

Noten

1. http://bertrand.crepel.org/commflam.htm : Quelques noms de communes en langue flamande.

2. Moeten wij Van Overstraeten –  40 jaar geleden verschenen - met meer dan één korrel zout nemen, dan neem ik Poulet – amper 10 jaar  verschenen – met een kilo zout. Maar – eerlijk is eerlijk -van beiden gooi ik het kind niet met het badwater weg.

 

Een hoofdstuk uit de geschiedenis van Fläming/Flandern


We komen nog een keer terug op Helmold von Bosau. De kroniekschrijver somt niet alleen de gebieden van herkomst van de kolonisten op. maar noemt “het geweld van de zee” ook een van de oorzaken van de landverhuizing. Tussen 1100 en 1180 verwoestten talrijke springvloeden de kuststroken van de Noordzee, zoals kan worden aangetoond. De Zuiderzee ontstond in 1135 door een rampzalige dijkdoorbraak. In februari 1164 drong de “Juliana-vloed” door tot aan de muren van Utrecht, De terugkereude vloedgolven verklaren de bijzondere capaciteiten van de Vlaamse en Hollandse uitwijkelingen. Per slot van rekening hadden deze catastrofen de bouw van nieuwe dijken en de ontwikkeling van betere technieken van drooglegging tot gevolg. De Hollanders en Vlamingen die bereid waren te emigreren, beheersten derhalve de kunst om vochtige gebieden en moerassige laaglanden productief te maken voor de landbouw. Eigen-schappen dus die hen als kolonisten interessant maakten en kwalitatief duidelijk opwaardeerden.

De alsmaar terugkerende vloedgolven waren maar één oorzaak van de uit-wijking. Er waren een hele reeks andere facto-ren die de bereidheid om weg te trekken voedden, Daartoe behoorde de toenemende bevolkings-dichtheid in de bloeitijd van de Middeleeuwen. Holland en Vlaanderen vertoonden een sterke bevolkingsgroei, die tenslotte niet meer door interne kolonisatie, dus in het land zelf, opgevangen kon worden. In de jaren 1144 tot 1147 droegen daarenboven hongersnoden hij tot de beslissing een nieuw bestaan in het Oosten op te bouwen,

Het zou eenzijdig zijn in dit kader de blik alleen maar op liet gebied ten oosten van de Elbe of de Fläming te richten. Zij zijn als doelgebied van de kolonisten slechts een klein fragmentje van een migratiebeweging die reeds in de 11e eeuw inzette. Weliswaar vond de naam van de immigrerende Vlamingen ingang in de Fläming. Maar de oorzaak daarvan kan niet in het absolute getal van inwijkelingen gezien worden. Het is ook een misvatting te denken dat de Fläming soms het enige nederzettingsgebied geweest is. Verklaringen daarvoor geven we elders. Inderdaad bleven de Vlamingen niet tot deze gebieden beperkt. Ze zijn nier alleen als boeren, maar ook als soldeniers, kooplui, grondbezitters en ambachtslui aan te treffen. Niet enkel Albrecht der Bär, aartsbisschop Wichmann van Magdeburg en de aartsbisschop van Bremen wisten hun bijzondere capaciteiten naar waarde te schatten. Ook de hertogen van Mecklenburg, Pommeren en Silezië en een groot aantal andere wereldlijke en geestelijke vorsten wierven hen bijvoorbeeld wegens hun geavanceerde landbouwmethodes aan.

Tijdens de bloeitijd van de Middeleeuwen verspreidden Vlamingen zich over heel Europa en verder. Als soldeniers volgden ze Willem de Veroveraar (1066-1087). schoonzoon van de graaf van Vlaanderen, over het Kanaal en leverden zo hun bijdrage tot de Normandische verovering van Engeland. Juist in Engeland bevorderden Vlaamse ambachtslui en kooplieden de ontwikkeling van de textielindustrie in belangrijke mate. In het begin van de 12e eeuw bestond er een Vlaamse kolonie in Zuid-Wales in de buurt van Rhos in Pembrokeshire.

Enkele decennia later vestigde een groep Vlamingen zich in Schotland als landeigenaars. In Upper Clydesdale werden ze door koning Malcolm IV (1153-1165) met riddergoederen beleend. In Wenen kreeg een Vlaamse kolonie in 1208 privilegiën van de Oostenrijkse hertog Leopold IV (1098-1230).

Ook buiten Europa komt men hun sporen regen. In 1081 vinden we een zekere Raimund de Vlaming in de Byzantijnse hoofdstad Constantinopel als hoofdman van de wacht en torenwachter. In het leger van graaf Robrecht II. van Vlaanderen waren Vlaamse soldeniers in 1099 tijdens de eerste kruistocht betrokken bij de bestorming van Jeruzalem.

Naast de reeds genoemde is er nog een ander aspect dat in dit verband niet onvermeld mag blijven: de economische omstandigheden in Vlaanderen. Reeds door haar geografische ligging had Vlaanderen zich ontwikkeld tot de grootste concentratie van grote handelssteden ten noorden van de Alpen en tot een belangrijk centrum van de wereldhandel. Vooral Brugge nam als omslagplaats van internationale goederen een voorname plaats in. Twee grote handelswegen kruisten elkaar in Vlaanderen. Een daarvan liep via de Middellandse Zee en Frankrijk naar de Noordzee. de tweede leidde via Rus-land naar de Oostzee.

Als grootste exporttopper droeg Vlaams laken tot de economische opbloei bij. Archeologische vondsten hebben bewezen dat er rond 1130 in Nowgorod Vlaams laken verhandeld     werd. Het Vlaamse handwerk gaf niet alleen impulsen aan de Engelse lakenproductie, maar ontwikkelde zich tot een belangrijke koopwaar in de internationale handel.

Deze vorm van warencirculatie begon in Duitsland reeds in de 8e en 9e eeuw op te bloeien. In het gebied ten oosten van de Elbe was dit een nogal wisselende bedoening, daar door de stormloop van de Slaven van 983 de Duitse heerschappij er voor meer dan honderd jaar was teruggedrongen.

In Burg, een stad ten noordoosten van Magdeburg, slaagde een groep Vlamingen erin de productie van  laken als bedrijfstak ingang te doen  vinden. Decennia lang bekleedde ze een overheersende plaats in het economisch leven. De Neustadt, waarin deze Vlaamse kolonie zich ontwik-kelde, lag in het zuidwesten van de oude stad Burg en groepeerde zich rond de rechthoekige Neumarkt. In 1176 werd in een reeds geciteerde oorkonde van aartsbisschop Wichmann de eminente positie van de lakenhandel op de voorgrond geplaatst: “de kooplieden van Burg en overige handelaren van over de Elbe, die laken of andere waren in de stad [bedoeld is Magdeburg] brengen.” De kooplieden van Burg worden in deze bron uitdrukkelijk ver-meld, terwijl andere lakenhandelaars enkel in het algemeen vernoemd worden. In dit totaalverband moet men de trek naar het Duitse Oosten zien. Dus als deel van een migratiebeweging waarbij zich niet alleen Vlamingen en Hollanders, maar ook Oost- en Westfalen, Franken, Thüringers en Friezen aansloten.

" Van “diegenen, die aan de Oceaan wonen” - Over de uitgangs-situatie in de emigratiegebieden

Doorslaggevend voor het wegtrekken van Vlaamse en Hollandse kolonisten was een hele reeks factoren. In geen geval zijn de nieuwe bewoners zomaar als vluchtelingen te zien, evenmin als dat de gunstige voorwaarden voor de vestiging de enige stimulans voor de landverhuizing zouden geweest zijn.

Helmold von Bosau noemt in zijn ‘Slavenkroniek’ “Utrecht”, “de streken aan de Rijn” en de “aan de oceaan wonende Hollanders Zeelanders en Vlamingen” als emigratiegebieden en als stammen die bij de uitwijking betrokken waren. Een opgave van herkomst is ook te lezen in de “Glosse zum Sachsenspiegel Landrecht” van Johan von Buch uit de tijd rond 1325: “dat de ghuderhande luide ammestich dar inkomen, dusse van Swauen, ienne van deme Rine.” De latere Brandenburgse hofrechter noemt dus eveneens lieden van de Rijn en ook uit Zwaben als inwijkelingen. Daar deze begeleidende publicatie zich in essentie met de Hollandse en Vlaamse immigratie bezighoudt, concentreren we ons in wat volgt op deze gebieden. Neemt men hun geografische ligging en economische en politieke constellaties in ogenschouw, dan wordt duidelijk welke factoren bijgedragen hebben tot de bereidheid om uit te wijken.

Keizer Otto I (936-973) voegde de streek aan de Nederrijn en het gebied aan de Maas-, Schelde- en Rijnmonding samen tot het hertogdom Neder-Lotharingen. Otto de Grote en zijn broer Brun (gestorven in 965), Aarts-bisschop van Keulen en hertog van Lorharingen, richtten langs de Schelde een hele reeks kleine grensmarken op, waartoe Gent, Ename en Valencijn behoorden. Onder keizer Heinrich II (1002-1024) werd deze dam, die als afscherming tegen het West-Frankische Rijk aangelegd was, verder uitgebreid in noordelijke richting van Anwerpen en Utrecht. Voor het ten westen van de Schelde gelegen opbloeiende graafschap Vlaanderen echter was deze grensbeveiliging op de duur geen au sérieux te nemen hindernis. Het Franse leengebied vernielde reeds in de 12e eeuw de grensversterkingen Ename en Valencijn. Grote gebiedsuitbreidingen vooral onder graaf Boudewijn IV (988-1035) hadden plaats. Hij lijfde niet alleen de genoemde marken in, maar ook het ten westen van de Schelde gelegen Zeeland en het Land van de Vier Ambachten, Nog meer gebiedsuitbreidingen ten oosten van de Schelde tussen Gent, Aalst. Oudenaarde en Geraardsbergen lukten zijn opvolger Boudewijn V (1035-1067). Deze laatste ondersteunde zijn stiefzoon Dirk V van Holland en droeg daarmee nog eens extra bij tot de verzwakking van Neder-Lotharingen.

De 12 eeuw stond voor het graafschap Vlaanderen vervolgens helemaal in het teken van de veiligstelling van de gebiedsuitbreidingen. Een voornemen dat eng verbonden is met de naam Filips van de Elzas (1178-1191). Hij slaagde erin de landsgrens vast te leggen en sterke bondgenootschappen met Gelderen en Brabant te smeden. Daardoor kon hij de invloed van Vlaanderen vergroten. De ambitieuze expansiedrang maakte van het graaf-schap tenslotte een buffer tussen het Duitse Rijk en Frankrijk. De dreiging die daarmee uitging naar Frankrijk, ontsnapte niet aan de aandacht van koning Philip II August (1180-1223). In de strijd om de heerschappij behaalde de sterker wordende Franse monarchie vooralsnog de zege, De vrede van Boves (1185) bracht voor Vlaanderen het gevoelige verlies van de gebieden Vermandland, Amiens, Zuid-Vlaanderen en Artesië, De vredes-onderhandelingen bleven in .de strijd tussen de beide rnogendheden evenwel zonder resultaat op lange termijn. De veelvuldige overwinningen en inlijvingen die de graafschappen Vlaanderen. Zeeland en Holland nog zouden moeten ondergaan, vallen echter buiten het bestek van de kolonisatiefase van de 12e eeuw.

 

Het onderwijs van het Nederlands in de Waalse Provinciën en Luxemburg onder Koning Willem I (1814-1830)


Jaren geleden kocht ik het boek “De taalpolitiek van Koning Willem I in de Zuidelijke Nederlanden (1814-1830). De genesis der taalbesluiten en hun toepassing” van A. de Jonghe (1967). Samen met “Afrikaans hoort by Nederlands” van Petrus van Eeden (1998) vormt dit mijn favoriete boek.

Guy Janssens en Kris Steyaert brengen een zo nog uitvoeriger en gedetailleerdere studie op de markt specifiek over het onderwijs van het Nederlands in de Waalse provincies en Luxemburg in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De kaft alleen al is veelzeggend: een kaart met de 17 provincies en het groothertogdom Luxemburg.

Koning Willem I heeft eraan gedacht om het Nederlands ook in de Waalse provincies en het groothertogdom Luxemburg als officiële taal in te voeren. Hij wilde geleidelijk zonder dwangmaatregelen te werk gaan. De aandacht concentreerde zich op het niveau van de lagere school. Slechts een handjevol Walen interesseerden zich echt voor het Nederlands, de Nederlandse literatuur en soms ook voor de koning en het Groot-Nederlandse vaderland (waaronder Lucien Jottrand). Voor het overige stuitte het Nederlands op minachting en verzet.

In 464 bladzijden bespreken Guy Janssens en Kris  Steyaert zeer gedetailleerd de uitvoering van de taalpolitiek in de zuidelijkste delen van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Als zodanig is het de studie hiermee zelf ook een historisch document geworden evenals de boeken van De Jonghe en Van Eeden.

Rudi Koot

______________

ISBN: 978 90 5487 456 0.  http://www.afrikaans.nu/index.htm

http://www.vubpress.be/vubpress_shop/book_info.php?cPath=17&books_id=379.

 

Vanaf de zijlijn


Marten Heida, Veenendaal

Dialectdag – Tag des Platt

Op zaterdag 25 oktober 2008 werd weer de jaarlijkse bijeenkomst gehouden die in het teken stond van de streektaal die gesproken wordt in de Gelderse Achterhoek en het aangrenzende Westmunsterland. Als plaats van samenkomst was deze keer de keus gevallen op het aan de Berkel gelegen Eibergen.

Deze dag stond in het teken van “vertalen”. Henk Krosenbrink uit Winterwijk belichtte “de zin van vertalen”. In dit verband merkte hij op dat de standaardtaal de taal van het verstand is en de streektaal deze van het hart. Vertalen veronderstelt dan ook dat je – als je vanuit de standaardtaal naar de streektaal wilt vertalen – beide talen grondig moet kennen. Vooral spelen hierin mee de gevoelswaarde en de vaak andere woordbetekenis vooral als de woorden ongeveer gelijk zijn. Vertalen is dan ook een voordurend gevecht om de juiste toon te treffen en ondertussen voldoende oog te hebben voor de doelgroep.

Na deze terreinverkennende woorden was het de beurt aan dr. Timothy Sodmann uit Vreden. Hij ging in zijn betoog uit van de vraagstelling “Waarom de Faust vertalen?” De achterliggende gedachte is geweest anderstaligen toegang te verschaffen tot het gedachtegoed zoals dat in deze sage is verwoord. Van belang is altijd weer geweest dat het volk grote belangstelling had voor teksten waarin de duivel een rol speelde. En in dit verband haalde hij als voorbeeld aan de ontmoeting van Jezus met de duivel. Ook verwees hij naar Theophilis die in de ban komt van de satan en van hem bevrijd wordt door veertig dagen en nachten te bidden tot Maria. De man die veel bijgedragen heeft tot de verbreiding van deze sage is Goethe. Zijn versie is in een veelheid van talen overgezet o.a. in het Nederduits.

De Lichtenvoordse predikant Hans Hinkamp handelde in zijn lezing over “Het vertalen van religieuze teksten”. Op basis van praktijkervaringen was hij tot de slotsom gekomen dat er mag worden gesproken van monnikenwerk. Het vraagt meer concentratie dan inspiratie en kost veel tijd en aandacht. Bovendien is het vertalen een steeds weer keuzes moeten maken waarbij rekening gehouden moet worden met het feit dat elke tijd zijn eigen taal heeft. Als uitgangspunten noemde hij dat een vertaling zowel brontekstgetrouw als doeltaalgericht moet zijn. Met een keur van voorbeelden lichtte hij deze aspecten toe. Afsluitend merkte hij nog op dat bij het vertalen naar het dialect toe zich het probleem stelt van het zich moeten hoeden voor platvloers taalgebruik.

“De vertaling van Faust” stond centraal in het verhaal van Hannes Demming uit Munster. Twintig jaar geleden hielden de mensen van de Niederdeutsche Bühne zich bezig met de vraag: “Wat brengen wij op het toneel?” Immers niet elke stof leent zich als speelbaar. Met betrekking tot de vertaling van Goethes Faust moesten dan ook heel wat moeilijkheden overwonnen worden als daar zijn het aantal lettergrepen en het rijm. Bij de bewerking is men te rade gegaan bij het poppentheater. Om Goethe en het Nederduits met elkaar te verbinden heeft men Mefisto de rol van conferencier toegedicht. Op welke wijze deze formule is uitgewerkt liet hij horen door een aantal teksten voor te dragen.

Het was een ongewoon thema voor een aan de streektaal gewijd programma. Maar de wijze waarop de diverse aspecten werden belicht heeft duidelijk aangetoond dat het zinvol was zich eens op deze problematiek te bezinnen. Het zal de opstelling ten opzichte van de streektaal zeker ten goed komen. En dat is toch het grote doel dat de inrichters van deze jaarlijkse dag voor ogen staat.

De Biebel in ‘t Grunnegers

In de provincie Groningen zal men de 25e oktober 2008 niet zo gauw vergeten. Op deze zaterdag vond in de Martinikerk aan de Grote Markt in Groningen de presentatie plaats van de Biebel. Meer dan 35 jaar is aan de vertaling van de Bijbel vanuit het Hebreeuws en het Grieks naar het Gronings gewerkt. Opgelucht over het welslagen kon de Liudgerstichting die het vertaalproject heeft begeleid op haar webpagina’s meedelen: “Biebel is kloar”.

Deze vertaling markeert de opstelling van de Groningers tegenover hun streektaal. Was het merendeel van hen in het verleden behept met een minderwaardigheidsgevoel – ze schaamden zich tegenover de “Hollanders” voor hun boerentaal – in de loop van de voorbije veertig jaar is het tij gaan keren en wel door toedoen van Groninger intellectuelen en kunstenaars. Onder hen nam de behoefte toe aan echtheid in het taalgebruik wat er toe leidde dat ze aansluiting zochten bij de moedertaal. Naar de mening van prof.dr. D. Holwerda – één van de vertalerdeskundigen – is het Gronings “bij al zijn soberheid een taal van grote zeggingskracht, rijk aan rake beelden”. Het is een taal “die krachtig genoeg is gebleken om het Woord ermee over te dragen ‘van older op older’.”

N.a.v. het verschijnen van de Bijbel in Groninger vertaling. De tweede druk komt in december uit. Uitgever Jongbloed, Heerenveen, 49,50 €. Bron: Nederlands Dagblad, 25 oktober 2008.


Het laatste woord

Leo Camerlynck, Ukkel

Wij gedenken...

Wij gedenken Zannekin-bestuurslid Drs. Leendert Hielco Biënse Rienks, geboren op 6 december 1924 en overleden op 22 november 2008. Leo stond bekend als een erudiet en gedreven taalkundige. Zijn kennis van de etymologie en toponymie verbaasde menig vriend, kennis en belang-stellende, die het geluk mochten proeven met Leo te hebben mogen converseren. Onze innige deelneming gaat naar de naaste familie van de overledene.

Van deze gelegenheid willen wij ook gebruik maken om ons medeleven te betuigen met gewezen Zannekin-voorzitter Marten Heida, van wie de echtgenote in de herfst van 2008 is heengegaan. Moge de Almachtige God over hun ziel waken.

Het “Paard van Troje” in de Nederlandse hoofdsteden

Amsterdam is de hoofdstad van het Koninkrijk der Nederlanden, Brussel hoofdstad van het Koninkrijk België, Luxemburg hoofdstad van het gelijknamige Groothertogdom en Rijsel, la Capitale des Flandres, hoofdstad van de Franse Nederlanden.

In Luxemburg is het Lëtzebuergësch en het Duits steeds nadrukkelijker aanwezig in het straatbeeld. In vergelijking met twee tot drie decennia geleden vindt men in Rijsel steeds meer Nederlands aan gebouwen, in stations, op stadsmeubilair zoals parkeermeters. Twee positieve trends in de Zuidelijkste Nederlanden.

Minder fraai is het voorstel dat een Amsterdams gemeenteraadslid indiende om het Engels naast het Nederlands als ambtstaal te erkennen in Amsterdam. Gelukkig werd dit voorstel met een overgrote meerderheid weggestemd. Maar het gevaar zal pas geweken zijn wanneer het Nederlands eindelijk in de Nederlandse grondwet wordt verankerd. Traag, maar zeker blijkt het die goede richting uit te gaan.

Brussel, hart van de Nederlanden

Veel gevaarlijker zijn de standpunten, die de Lijst Dedecker en politici van Open VLD Brussel huldigen met betrekking tot de taalwetgeving in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. Beide Liberale formaties willen Engels als administratieve taal in Brussel, naast het Frans en het Nederlands.

“Open Vld-Brussel wil ook administratieve taal Engels in hoofdstad “ kopte de krant Het Laatste Nieuws (HLN) van maandag 1 december 2008. “Open Vld-Brussel heeft zaterdag (29.11.2008, nvdr) op haar ledencongres voorgesteld om het Engels als derde administratieve taal in te voeren in de hoofdstad”, meldt het dagblad.

In het "Liberaal manifest voor een open stad" dat die bewuste zaterdag aan het ledencongres werd voorgelegd, pleit Open Vld-Brussel voor het Engels als administratieve taal in gewestelijke en gemeentelijke communicatie en dienstverlening. Het Engels zou niet op dezelfde voet staan als het Frans en het Nederlands maar eerder de status van "onthaaltaal" genieten, zo verklaarde Sven Gatz (voorzitter van Open Vld-Brussel, nvdr.) “De redenen voor dit voorstel liggen volgens Gatz in de rol van Brussel als Europese hoofdstad en het aantal anderstaligen dat volgens recente studies zou oplopen tot 30 à 33 procent”, vervolgt HLN.

Dit voorstel moet als een uiterst gevaarlijk precedent worden beschouwd. Het zet de deur op een kier voor een steeds intenser insijpelend Engels in de hoofdstad van Vlaanderen, België en Europa. Op korte termijn verdringt het Engels het Nederlands en op middellange termijn het Frans. Nu al zijn er in bepaalde Brusselse tweetalige aankondigingen en opschriften in het Frans én in het … Engels!

Nederlanders en deels ook Vlamingen zijn dijkenbouwers. Een stevige dijk tegen het overmatig aanmoedigen van het Engels moet opgeworpen worden.

Droevig bij dit alles is te moeten vaststellen dat de manschappen in het Paard van Troje tot Vlaamse partijen behoren. We komen later nog terug op deze eerder verontrustende toestand.

Tot besluit, niettemin onze gelukwensen voor een voorspoedig 2009.

Voorzitter van de Stichting Zannekin