> nieuwsbrief > 26e jg. - 3e trimester 2009

Bijdragen over: Tip

Mededelingen

Hernieuwen ledenbijdrage 2009

In ruil voor een ongewijzigde basisbijdrage van 25 € verzekert u zich ook in 2009 van een abonnement op onze Zannekin Nieuwsbrief en van het – reeds 31e – Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’. Deze basis-ledenbijdrage geldt nog tot einde juli. Nadien geldt de boekhandelprijs van 30 €.

Zannekin-activiteiten 2009

De Zannekin-ontmoetingsdag zal doorgaan op zaterdag 17 oktober te Echternach. Willibrordus zal daarbij centraal staan.

Nieuwe uitgave over de Westhoek

Bij het Davidsfonds is het boek De Westhoek XL. Verrassend veelzijdig Frans- en West-Vlaanderen van Jan Yperman verschenen. Wandelen langs de hoppevelden in Poperinge, genieten van vergezichten in Kassel, fietsen door de ongerepte polders in ‘Bachten de Kupe’, de moerassen rond Sint-Omaars verkennen of het oorlogsverleden van Ieper ontdekken. De Vlaamse en Franse Westhoek vormen samen een ongemeen boeiende streek met een prachtig landschap! Trek met dit boek op verkenning uit!

Het huidige Frans- en West-Vlaanderen hebben een gemeenschappelijk verleden. Ooit sprak men hier dezelfde taal en tot voor drie eeuwen liep de geschiedenis parallel. In deze grensstreek werden vele oorlogen uitgevochten, die telkens nieuwe grenzen maakten. De Westhoek ademt geschiedenis.

De Westhoek XL is de eerste cultuurhistorische gids over de Westhoek aan beide zijden van ‘de schreve’. Dompel je onder in de cultuur en het erfgoed van deze uitgesproken plattelandsstreek. Ontdek pittoreske stadjes en stille dorpen, waar wandelen en fietsen nog echt belevenissen zijn. Bezoek de leukste musea en culinaire adresjes van Ieper tot Veurne en van Sint-Winoksbergen tot Ariën-aan-de-Leie. De hele gids is bovendien doorspekt met opmerkelijke weetjes over oude tradities en markante figuren, schitterende foto’s en overzichtelijke kaartjes.

De auteur is historicus en werkt al jaren in de culturele sector. Bij Davidsfonds / Leuven publiceerde hij eerder al de reisgids Rijsel.

De Westhoek XL. Verrassend veelzijdig Frans- en West-Vlaanderen, Jan Yperman, Davidfonds/Leuven, ISBN 978 90 5826 446 6, 272 blz. – 14,5 x 22 cm, € 22.50. Ook te bestellen via www.davidsfonds.be.

Ondernemen in de Franse Nederlanden

Onder de titel Een stap in het bekende bericht Thomas Verbeke in het weekblad Knack van 3 juni 2009 in een artikel van twee bladzijden over de successen van Belgische ondernemers in de regio Nord-Pas-de-Calais in Frankrijk.

De Belgen zijn in de regio de op twee na belangrijkste buitenlandse investeerders, na de Duitsers en de Amerikanen, en zorgden er de afgelopen vijftien jaar voor 8126 nieuwe jobs. 244 Belgische groepen zijn er intussen gevestigd, met onder meer kleppers als AB InBEv en Tessenderlo Group.

Het logistieke bedrijf ConHexa heeft sinds begin jaren negentig met Dunfresh en Dunfrost twee filialen in de haven van Duinkerke, vanwaar het fruit en groenten transporteert. Voordeel van Duinkerke is dat de zeeschepen niet verder hoeven te varen en dat er voldoende plaats is voor bedrijven. Duinkerke heeft zich ontwikkeld tot de derde haven van Frankrijk, na Marseille en Le Havre.

Vanuit Valencijn (Valenciennes) verovert het nieuwe Belgische bedrijf Cellumat de Franse markt met hoogisolerend cellenbeton.

Belgische ondernemers zien de administratieve rompslomp in Noord-Frankrijk niet zwaarder dan elders. Wel moet de hele Franse administratie nog aandachtiger en opener worden om buitenlandse investeerders efficiënt te ontvangen.

Op vakbondsgebied is het harder in Frankrijk dan in België. Maar in het noorden ligt de arbeidscultuur het dichtst bij de Belgische. Aldus de ervaringen van Belgische ondernemers. Dus ook op economisch gebied nemen de banden toe tussen de regio’s aan weerszijden van de staatsgrens.

 

“Robeke MOET hebben bestaan!”


Guido Vandevyvere, Menen

Dat is het boude antwoord van de heer G. Callebaut op mijn vraag (Zannekin-Nieuwsbrief 2009/1), of Roubaix ooit Robeke is geweest. Het “MOET” hebben bestaan. Als bewezen beschouwen wat nog bewezen moet worden is een valse redenering, een sofisme. De inhoud van mijn antwoord op die vraag wordt dan neergesabeld zoals Jehova’s getuigen dat doen: hier en daar een zin nemen en die twee dan bijeenbrengen. En met enkele stadhuiswoorden  wordt wat ik beweer  meewarig weggelachen. Vooral de scriptoria moeten het doen! En bij dat argument wil ik niet stilstaan, wan de scriptoria hebben meer valse en vervalste documenten “gepleegd” dan mij lief is. Die vrome mannen deden ook wat in hun kraam paste. Quod demonstrandum est? Zannekin-Nieuwsbrieven zijn niet de plaats daarvoor. Bovendien doet dat argument volgens mijn bescheiden mening weinig terzake.

Wat de heer Callebaut me echt verwijt? Ten eerste, dat ik de vraag heb durven te stellen; ten tweede,dat ik tegen oerdegelijke en voor eeuwig vaststaande – vastgeroeste? - Vlaamse benen heb geschopt, dat ik een  onaantastbaar heilig Vlaams huisje heb willen afbreken, wat niet waar is. Als we geen vragen meer mogen stellen, niet meer mogen twijfelen, keren we terug naar het Stenen Tijdperk... en blijven we versteend in ons eigen gelijk. En met sentimentele,gevoelsgeladen argumenten voor de dag komen – en die dan als oppermachtig beschouwen – is een onwetenschappelijke benadering van een – in mijn ogen althans – terechte vraag. Onderzoek en twijfel kennen geen sentiment, en ik aanvaard geen enkel (zogezegd) oppergezag dat daarop steunt.

En ik heb het helemaal niet over Lille/Rijsel (of omgekeerd) gehad! Maar binnenkort doe ik het wel, want dat is een héél ander geval dan Roubaix/Robeke(?).

En nu komt het.Ik heb geschreven: “...de stad met zijn Franse vorm Roubaix”. Dat “zijn” is een andere doodzonde van me. Mag ik even? Heb ik het woordgeslacht verkracht? Helemaal niet! In het Noorden is het genusverschil tussen mannelijk en vrouwelijk verloren gegaan. Daar zijn alle (dus ook de vrouwelijke) de-woorden ook hij-woorden geworden (er zijn een paar uitzonderingen). In het Zuiden is dat (nog) niet het geval. Maar moet (!!!) ik ook hier het Zuid-Nederlandse /Vlaamse voorbeeld volgen, en is het Noord-Nederlandse niet toegelaten? Bestaat er niet iets als A.N., ALGEMEEN Nederlands? Niemand stopt mij in om het even welk keurslijf! Daar ik geen nutteloze polemiek wil aangaan, sluit ik hierbij de discussie. Geen vlucht, want eerst als iemand me echt kan overtuigen dat Robeke ooit heeft bestaan, zal ik deemoedig op m’n borst kloppen. Dat zal dan gebeuren zonder minachting of verwijten.

P.S.- Kijk eens op internet:”Lyste van Fransche gemêentn en under Vlamsche noame” (pagina 5 van 10). Daar wordt het voorzichtig vermeld: Roubaix = Robaais, Robeke, en Robaais of Robeke. Maar dan komt het “NIEMAND in de Westhoek zegt ‘Robeke’, maar wel GEWOON ‘Roebei’. Zonder commentaar.

 


ALLIANCE REGIONALE FLANDRE-ARTOIS-HAINAUT

LETTRE OUVERTE A MONSIEUR LE MAIRE DE DUNKERQUE

Monsieur le Maire,

Mesdames et Messieurs les Adjoints et Conseillers Municipaux

Il y a quelques années, les Flamands de France s'étaient félicité qu'un collège de Petite Synthe prenne le nom de Michel DE SWAEN, l'une des plus hautes figures dunkerquoises après Jean BART.

Nous venons d'apprendre avec stupéfaction que le Proviseur de cet établissement, pour des raisons qui nous échappent, souhaitait changer le nom de son établissement, et que la "communauté scolaire" avait fait deux propositions: Rosa PARKS, combattante noire américaine pour l'égalité des droits et Lucie AUBRAC, grande figure de la Résistance. Le Conseil d'administration ayant opté pour cette dernière, sa décision doit être soumise au conseil municipal ce lundi 19 pour adoption.

L'émotion suscitée par cette décision est grande dans les milieux flamands qui ne comprennent pas qu'on éradique ainsi la figure de l'un des plus grands écrivains en langue flamande, que tous les écoliers de Flandre belge et des Pays-Bas connaissent. Michel DE SWAEN est le CORNEILLE des Lettres flamandes, objet de nombreux travaux et thèses dans les universités flamandes, néerlandaises et sud-africaines. Chez nous, chez lui, Michel DE SWAEN est quasiment ignoré et même aujourd’hui rejeté!

Ce grand poète, né à Cambrai, de langue picarde, contemporain de Jean Bart, a appris le flamand/néerlandais qui était la langue de Dunkerque au 17ème siècle. Sous cet angle, il était un parfait exemple d'intégration qu'il faut souligner! Michel DE SWAEN fait partie de notre histoire locale et régionale, il est un fleuron de notre patrimoine. A ce titre, il constitue une magnifique occasion d'apprendre à nos enfants la richesse de notre région et ainsi, de leur apprendre à l'aimer.

Michel DE SWAEN n'était pas seulement homme de lettres, il faisait également partie du Magistrat de la ville de Dunkerque.

Enfin, à l'heure européenne, il serait mal vu d'envoyer aux orties un auteur ayant écrit son oeuvre dans une langue parlée par plus de 20 millions d'Européens, nos voisins et cousins belges et néerlandais. Nous venons  d'ailleurs d'alerter les médias de ces pays, car c'est aussi leur patrimoine.

Les Flamands de France, malgré tout le respect qu'ils vouent à Lucie AUBRAC, perçoivent la décision qui s'apprête à être prise comme une volonté manifeste d'éradiquer l'identité culturelle flamande de notre région. C’est l'Histoire, la nôtre en l'occurrence, qui est mise en opposition avec la "Mémoire", dont chacun sait qu'elle est trop souvent une manipulation idéologique de l'Histoire.

Nous le disons haut et fort, notre région de Flandre a droit elle aussi à son devoir de mémoire, et les élus ont une responsabilité de premier plan pour veiller au respect de celle-ci.

Oseriez-vous débaptiser la Place Jean BART en Place Guy MOCQUET (par exemple!) ou débaptiser Dunkerque en "Eglise des dunes"?

Si cette décision de débaptiser le nom de ce collège devait être prise, vous prendriez la responsabilité de voir se cristalliser un mouvement d'opposition déterminé sur le thème "Lucie AUBRAC contre Michel DE SWAEN". Avec les dérives qu'on peut imaginer, ce que personne, et surtout pas les Flamands, ne souhaitent !

L'Alliance Régionale Flandre Artois Hainaut que je préside et le Cercle Michel DE SWAEN s'opposent fermement à la destitution de Michel DE SWAEN que vous vous apprêtez à effectuer.

Dans l'espoir, Monsieur le Maire, Mesdames et Messieurs les membres du Conseil Municipal, que vous annulerez cette décision, je vous prie de croire en l'expression de mes sentiments respectueux.

Régis de Mol

Président de l'Alliance Régionale Flandre Artois Hainaut

contact@alliance-regionale.org - www.alliance-regionale.org - www.pays-bas-francais.org

 

Vanaf de zijlijn


Marten Heida

Ik was 1 april in Kampen

Het onderstaande is geen aprilgrap (of –vis, zoals men in Vlaanderen de aan deze datum verbonden voor-de-gek-houderij pleegt te noemen); u kunt dus zonder u genomen te voelen doorlezen. Ook is er geen sprake van enigerlei vorm van Kamper Ui; mijn verhaal heeft niets van doen met het beschrijven van zaken waaruit de domheid van de bewoners van deze Hanzestad zou moeten blijken.

Na het uit de weg geruimd hebben van deze obstakels kan ik zonder enig gemoedsbezwaar uit de doeken doen waarvoor ik op deze gedenkwaardige dag in Kampen verbleef. Het was namelijk de dag ervoor honderd jaar geleden dat de Nederlandse politicus Pieter Jongeling (1909-1985) was geboren. Ter gelegenheid van dit feit werd op deze eerste dag van april een aan hem gewijd congres belegd. Had dat niet kunnen samenvallen met zijn geboortedag? Wel ons werd medegedeeld dat Jongeling meer belang hechtte aan de congresdatum dan aan die van zijn geboorte. Reden? Op 31 maart had er geen bijzondere gebeurtenis plaatsgevonden in de Vaderlandse Geschiedenis en dat was met 1 april wel het geval. (Tussen twee haakjes: voor hen die in deze geschiedenis niet zo goed (meer) thuis zijn het volgende geheugensteuntje: op die gedenkwaardige dag veroverden in 1572 de Watergeuzen de stad Brielle als gevolg waarvan Alva toen zijn bril verloor, zoals het volk voortaan placht te zingen.)

Voor mij heeft deze datum ook een aparte kleur. Het was deze keer 48 jaar geleden dat ik met mijn gezin (naar een uitspraak van mijn vader) was “geëmigreerd” naar het overzeese gebiedsdeel achter de Westerschelde om daar in Zaamslag mijn werk te beginnen als schoolhoofd. In de loop van dat jaar 1961 werd ik door een collega op de hoogte gebracht van het bestaan van een tot Frankrijk behorend deel van Vlaanderen. De tekst van deze op-de-hoogte-brenging was geschreven door ene Jozef Deleu, woonachtig in Huize Oranje in het West-Vlaamse dorp Rekkem. Het slot van zijn verhaal bevatte de mededeling dat in geval je er meer van wilde weten je je maar moest gaan abonneren op het tijdschrift Ons Erfdeel, waarvan hij hoofd-redacteur was.

Ik heb deze raard opgevolgd wat het begin is geweest van mijn betrokkenheid met dit verweesde deel van de Nederlanden. Daarvan ben ik blijk gaan geven na het slagen voor het rijbewijs waardoor mijn mobiliteit aanmerkelijk werd vergroot. Ik kon toen de cultuurdagen in Waregem en Ekelsbeke bezoeken en maakte zo kennis met de stuwende krachten van het Komitee voor Frans-Vlaanderen. Deze kennismaking had tot gevolg dat mij gevraagd werd tot dit Komitee toe te treden.

U zult zich intussen mogelijk afgevraagd hebben wat dit alles met Jongeling te maken heeft. Wel op een gegeven ogenblik kwamen deze twee verhaal-lijnen samen. Ik zal in de klas wel eens verteld hebben over het over drie staten verspreide Vlaanderen. Eén van de leerlingen heeft daar thuis over gesproken want op zekere dag in het najaar van 1967 overhandigde hij mij in opdracht van zijn vader een exemplaar van het Nederlands Dagblad waarin een hoofdartikel van Jongeling stond dat handelde over de taal-situatie in Frans-Vlaanderen.

Toen viel bij mij het kwartje. Als pas aangetreden lid van het Komitee voor Frans-Vlaanderen had ik mij de vraag gesteld: Wat kan ik als Nederlands lid van het Komitee voor Frans-Vlaanderen doen? Hier kreeg ik een mogelijk-heid aangereikt; bij dit dagblad bestond belangstelling voor de Franse Nederlanden. En zo heb ik in de Kersvakantie van ’67-’68 mijn eerste artikel gepleegd; het ging over de Zuid-Nederlandse Vondel: de Duinkerker dichter Michiel de Swaen. Het werd geplaatst in de krant van zaterdag 3 februari 1968. Het is het begin geweest van 25 jaar medewerkerschap.

Terug naar Jongeling. In het najaar van 1968 ontving ik van hem een brief met het verzoek hem van de nodige informatie te voorzien ter onderbouwing van vragen die hij voornemens was te stellen aan de toenmalige minister van Buitzenlandse Zaken, de heer Luns, over de bevordering van de Neder-landse cultuur in Zuid-Vlaanderen. Ik heb toen gemeend hem het best van dienst te kunnen zijn door te gaan fungeren als verbindende schakel tussen hem en de voorzitter van het Komitee voor Frans-Vlaanderen, de heer André Demedts. Deze heeft niet geaarzeld deze mogelijkheid met beide handen aan te grijpen temeer omdat het een Noord-Nederlandse politicus was die zich wilde inzetten oor de Frans-Vlaamse zaak. Hij gaf Jongeling de raad te gaan pleiten voor de oprichting van een centrum in Rijsel waar de inwoners van deze regio zich konden informeren over zowel Nederland als Vlaanderen.

Met de door Demedts aangedragen informatie kon Jongeling aan de slag. Op 22 januari 1969 stelde hij de volgende vragen: 1. Zijn de ministers (te weten die van Buitenlandse Zaken, Onderwijs en Wetenschappen en Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk) bereid de mogelijkheid te onderzoeken om, al of niet in samenwerking met de Belgische regering, in Rijsel (Frankrijk) een Nederlands cultureel centrum te stichten waar Frans-Vlamingen informatie en documentatie over het Nederlandse cultuurgebied zouden kunnen krijgen? 2. Zijn de ministers bereid, indien de resultaten van dit onderzoek positief zijn, de nodige middelen daarvoor op de begroting voor 1970 te plaatsen?

Op 12 februari antwoordde minister Luns mede namens zijn collega’s dat de Frans-Vlamingen voor de gevraagde doelen terecht konden bij Harer Majesteits Ambassade te Parijs. Gezien de beperktheid van de beschikbare middelen en gelet op het feit dat in Parijs reeds een Nederlands instituutwas gevestigd, bestond er geen voldoende aanleiding de oprichting te Rijsel van een apart cultureel centrum in overweging te nemen.

Een teleurstellend antwoord. Maar als ik daar in het kader van het aan hem gewijde congres aan herinner dan is dat te beschouwen als een eerbewijs aan de man die het in het Nederlandse parlement opnam voor Frans-Vlaanderen op een ogenblik dat de grote fracties daar in het geheel geen aandacht aan schonken.

Tot slot nog een anekdote die alles te maken heeft met bovenstaande. In de jaren dat ik secretaris was van het Algemeen Nederlands Verbond werd nogal eens geklaagd over de geringe medewerking van met name het ministerie dat zich bezig hield met buitenlands cultureel beleid. Meer dan eens heb ik toen collega-bestuurders horen verzuchten: de werkelijke minister voor deze vorm van beleid zit niet achter de regeringstafel maar in één van de groene bankjes van het toenmalige Tweede-Kamergebouw; bedoeld werd de voorzitter van de tweemansfractie van het Gereformeerd Politiek Verbond, de heer Jongeling. Het was een teken dat men wist wie opkwam voor de belangen van de Nederlande cultuur.

 

 

Nog over het ”Unse Vader” in Bocholtsch Platt


Jan Debacker

Betreft: ‘Zannekin’ 2/2009, p. 13:

In verband met Over het “Unse Vader” in Bocholts Plat” meld ik u graag dat mijn moeder (°1914) eenzelfde uitdrukking gebruikte als aangehaald. In haar – en mijn – West-Vlaams dialect zei ze: “G’ hèèt het ryk vwor u alljèène” (ge hebt het rijk voor u alleen).

En soms voegde ze eraan toe: “… en ge zyt dus boas van ip en neere”. (en ge zijt dus baas van op en neer), waarmee ze eigenlijk de uitdrukking gebruikte voor de aanduiding van het hoog recht en het laag recht. Moeder is geboren, getogen en gestorven in Ingelmunster.

Ik denk dat “ge hebt het rijk voor u alleen” een algemene uitdrukking is in West-Vlaanderen, maar daarvan ben ik helemaal niet zeker (ben geen taalkundige).

Nota van de Zannekin-redactie:

Ook in het Ieperse dialect is (was?) die uitdrukking gemeengoed; althans het eerste deel ervan. Dat luidde dan "g'hèt het [of: 't ] rik vo joen alleene" [waarbij “rik" uitgesproken wordt als de identiek geschreven mansnaam "Rik"]

 

Nederlands of Rasta-Vlaams?


Willy Alenus

Nederlands of Rasta-Vlaams? (‘Zannekin’, nr. 2, 2009, p. 18).

Al jaren bestrijd ik met bek en klauwen de "taal" die geen naam heeft, maar die vaker en vaker wordt aangeduid als soap-Vlaams en verkavelings-Vlaams. Rasta-Vlaams is een van mijn creaties.

Bij de Neerlandici kreeg ik in den beginne vaak applaus. Ludo Permentier, Onze Taal, Ruud Hendrickx, Sara Brouckaert, Taalpost, Taalunie, Taaltelefoon, Karel Daerden, et al.

Mijn voornaamste taalkundige bezwaren tegen de taal die er geen is, werden voor het laatst nog eens opgesomd op 31 december 2008.

Middelerwijl heb ik het bezoek gehad van een vooraanstaand Neerlandicus, in het kader van een enquête met betrekking tot een aankomend boek over de toekomst van het Nederlands.

Neerlandici en germanisten hebben ons natuurlijk niet nodig om de linguistieke en filologische bezwaren tegen het Rasta-Vlaams op een rijtje te zetten. Daarom heb ik geprobeerd, in het lang en in het breed, de juridische, politieke, internationale en cultuur- historische voetangels en schietgeweren alsnog in de verf te zetten en dit voor het geval de "Vlaamsisten" met hun "Zuid"-Nederlands alsnog voldoening zouden krijgen. Horesco referens.

Het “Nederlands” in Vlaanderen oftewel het Zuid-Nederlands (?), zou dan de rang verwerven van zustertaal van het Afrikaans (en dochtertaal (?) van het Nederlands). De gevolgen waaraan linguiïsten en filologen zelden denken of bij stilstaan zijn niet te overzien.

Om te beginnen valt het lidmaatschap van de Taalunie, te name van Vlaanderen dan weg. Blijven nog over Nederland en Suriname. Gedaan met de "Brakke Grond".

Vervolgens, en daar wordt nog veel minder aan gedacht, zal EUROVOC het "Zuid"-Nederlands niet erkennen, een bastaardtaal, die trouwens geen uniformiteit noch eenheid vertoont, zou dan, op Europees vlak, niet zozeer een tweede Afrikaans dan wel een tweede Letzeburgers geworden zijn. De grote fout die de “Vlaamsisten” trouwens maken, zeker indien zij van Brabantsen of Antwerpsen huize zijn, dat is ervan uit te gaan dat "kuisen" in de betekenis van "schoonmaken", "overmaken" in de betekenis van "transmettre", terwijl het transférer, virer, créditer betekent, ook in Limburg e.a. Zuid-Nederlandse gewesten wordt begrepen of verstaan. Niets is minder waar, toch zeker niet 60 jaar geleden toen ik nog een tiener was en leerling van het uitmuntende Koninklijk Atheneum van Hasselt. Vandaag hebben Brabants, neo- Bargoens en Rasta-Vlaams hier en daar, ook in Limburg, het gehaald op de standaard-taal.

Ik kijk met belangstelling uit naar De toekomst van het Nederlands en de conclusies die uit deze dissertatie zullen worden gedestilleerd. Maar de toekomst ziet er m.i. niet rooskleurig uit, net zo min als die van andere hoofdstukken van wat wij, nu toch al eeuwenlang, Westerse beschaving noemen.

Afsluitend deel ik u gaarne mede dat alles wat hier staat en volgt mag worden overgenomen en afgedrukt in cultuur- historische en de beschaving verdedigende kwartaal-bladen en ons bekende tijdschriften.

 

850 jaar Vlaamse kolonisten in de Fläming


Dit is een bijdrage gepubliceerd in het tijdschrift Wij Vrouwen van FVV onder de titel “Leo: gek op Duitsland, verliefd op “Der Fläming”. Met dank om het te mogen overnemen en in onze Nieuwsbrief te publiceren.

Deze zomer organiseert het Forum van Vlaamse Vrouwen een reis naar Der Fläming, een stukje ongekend Vlaanderen in Duitsland. In 2009 is het immers welgeteld 850 jaar geleden dat duizenden Vlamingen naar het Oosten trokken en zich vestigden in de regio tussen Berlijn en Lutherstadt-Wittemberg. Deze streek kreeg naderhand de naam van deze immigranten uit de lage landen: Der Fläming.

Tijdens de voorbereidingen van de reis in augustus 2008 liepen we in Lutherstadt-Wittemberg de heer Leo Camerlynck tegen het lijf. Op een gezellig terras, tussen pot en pint zeg maar, vertelt hij hoe hij in 1972 en 1973 een achttal maanden in de streek gewoond heeft. Hij werd er niet alleen verliefd op een mooie dame, hij viel als een blok voor de streek met haar Vlaamse wortels. De dame in kwestie is al lang uit beeld, de liefde voor Der Fläming is gebleven. Meer dan redenen genoeg om Leo uit te nodigen als gids voor onze FVV-reis.

FVV: Waar situeert zich Der Fläming?

Leo: Der Fläming situeert zich ten zuidwesten van Berlijn, de regio tussen Berlijn en Maagden-burg (Magdeburg) in het noorden en Lutherstadt-Wittemberg in het zuiden zeg maar.

FVV: Hoe kwamen in de 12e eeuw zoveel Vlamingen in de vroegere DDR terecht?

Leo: In de 12e eeuw veroverde Albrecht de Beer, de markgraaf van Brandenburg de streek rond Jüterbog. Op vele plaatsen was het land moerassig en onherbergzaam, maar het grootste deel van de vlaktes waren bijzonder dor en droog. Zijn medestrijder, bisschop Wichmann van Magdeburg wou de streek vruchtbaar maken.

In die tijd hadden Vlamingen en Nederlanders een prima reputatie van bekwame en harde werkers – nu nog trouwens. In elk geval, Wichmann stuurde zijn ronselaars op pad en veel mensen uit de lage landen gingen in op zijn uitnodiging.

Interessant om weten is dat alle briefwisseling tussen Albrecht de Beer en Wichmann en de contactpersonen in Vlaanderen gebeurde in het Diets/Nederduits. Zij konden elkaar heel goed verstaan.

FVV: Over hoeveel mensen gaat het?

Leo: Ik denk dat je met zekerheid kan stellen dat het er een drieduizendtal waren!

FVV: Hoe weet je dat zo zeker?

Leo: Daar kan je documenten over terugvinden in de archieven, vooral van de Cisterciënzerabdijen en een beetje in Berlijn. Veel is er jammer genoeg niet bewaard gebleven.

FVV: Wat dreef deze Vlamingen om onze gewesten te verlaten? Was het hier dan zo slecht?

Leo: Neen hoor, het was hier zeker niet slecht, integendeel. Vlaanderen was op dat moment heel welvarend… In de twaalfde eeuw hadden zware stormvloeden en overstromingen de Noordzeekusten geteisterd. Veel boeren hadden hun land verloren… dat kan eventueel een rol gespeeld hebben. Wat in elk geval doorslaggevend was, is het feit dat de Duitse vorst en de inwijkelingen beloofden dat ze in het beloofde land als vrije ondernemers konden werken, iets wat in feodale tijden zeer aanlokkelijk was én dat ze hun gemeenschappen mochten besturen volgens het gangbare Vlaamse recht. Heel belangrijk!

FVV: Van waar in Vlaanderen kwamen deze mensen?

Leo: Aanvankelijk vooral uit de kuststreek: Brugge, Ieper, Lichtervelde.

Allemaal gebieden die zelf ook moesten ingepolderd worden. Met andere woorden, wie daar woonde was – bij wijze van hedendaags spreken – ervaringsdeskundige. Een goeie 20 jaar later waren het vooral mensen uit de Kempen, alsook de streek van Sint-Niklaas, Belsele die naar Duitsland trokken. Nog een 30tal jaren later waren het vooral mensen uit Nijmegen.

Je kan de oorsprong van de bewoners trouwens nog altijd zien aan de namen van sommige stadjes in Der Fläming: Euper, verwijst naar Ieper, Dahme naar Damme, Bernum onder Bornem, Belzig naar Belsele, Genthin naar Gent, Brück naar Brugge, Niemegk naar Nijmegen, Kemberg naar Kamerijk…

FVV: Weet men hoe ze er naar toe gingen?

Leo: Ja hoor, met Brabantse trekpaarden en huifkarren, met ossenwagens en onder begeleiding van soldaten. De overtocht werd betaald door de Duitse vorsten. Pittig detail: de Duitse Kaltblutpferden, de zogenaamde Titanen, zijn voor een groot deel rechtstreekse afstammelingen van de Brabantse trekpaarden!

FVV: Heeft men enig idee welke route ze volgden?

Leo: Wel, ten eerste weet men welke handelswegen er toen voorhanden waren, ten tweede maakten de vorsten gebruik van bepaalde reiswegen die ons bekend zijn: het zijn reisboeken met notities over de reisroutes, rustplaatsen en afstanden. In een rijk zonder hoofdstad reisden de middeleeuwse koningen en keizers tijdens hun regering over ‘rijkswegen’ en via hun reisboeken weten we welke reisroutes dat waren. Nu, als we alle ons bekende gegevens naast elkaar leggen en rekening houden met de internationale handelsroute ‘de Hellweg’ die het Rijnland en West-Europa verbond met Midden- en Oost-Europa dan kunnen we de meest waarschijnlijke reisroute van de Vlaamse inwijkelingen samenstellen: Maastricht, Aken, Keulen, vervolgens over de Hellweg naar de overgangen over de Weser (Hameln), en verder naar Brunswijk (Braunschweig). Vandaar naar Magdeburg. Magdeburg werd de poort naar het oosten.

FVV: Wat deden ze dan, eens ze aangekomen waren?

Leo: De inwijkelingen legden moerassen droog, boorden bronnen doorheen de droge leemlagen, vaak 100 meter diep. Vooral tussen Dahme en Niedergörsdorf ontstonden bloeiende landschappen: heel mooi.

De meegereisde Cisterciênzers legden zich vooral toe op het bakken van bakstenen.

FVV: Wie woonde er toen in Der Fläming?

Leo: Dat waren Slaven, meer bepaald Wenden… het hele gebied  was gekoloniseerd door Slaven. Potsdam, Dresden, Leipzig zijn trouwens Slavische namen.

FVV: Wat is er overgebleven van de Vlaamse aanwezigheid?

Leo: Wel, de naam Der Fläming verwijst naar die Vlamingen uiteraard, er zijn de verwijzingen naar Vlaamse steden en gemeenten. De hele streek werd gegermaniseerd… maar dat is het zowat.

FVV: Geen klederdrachten meer?

Leo: Neen, zeker niet: de Vlamingen namen de klederdrachten van de Slaven over, dat was een tikje exotischer zeker (lacht).

FVV: Zijn er nog bouwwerken over uit die pioniersperiode?

Leo: Er zijn de zogenaamde Flämingkirche: Romaanse kerkjes uit granieten veldsteen, een gesteente dat daar in die tijd rijkelijk voor handen was;

Uit latere periodes heb je nog een paar windmolens, waaronder staakmolens (uniek in dit deel van Duitsland) en dan vooral bouwwerken die op onze belforten geïnspireerd zijn: het stadhuis van Dessau bijvoorbeeld, lijkt op dat van Sint-Winoksbergen in Frans-Vlaanderen. Dan heb je een aantal Cisterciënzerabdijen die gelijken op de abdijen van bij ons, alleen gebruikten ze hier uiteraard meer natuursteen dan baksteen… In Jüterbog en Niemegk heb je trapgevelgebouwen: duidelijke verwijzingen naar Vlaanderen

FVV: Is er iets ‘typisch Flämisch’ te vinden op culinair vlak?

Leo: Wel dan denk ik spontaan aan boekweitpannenkoeken, asperges (heel belangrijk), schorseneren en bittere peeën. Maar van oude recepten heb ik geen weet.

FVV: Beroemd is het eigen rechtssysteem

Leo: Absoluut! Heel belangrijk was het feit dat de inwijkelingen hun dorpen mochten besturen volgens het Vlaamse recht. Typisch voor dat recht was dat de mensen aanspraak konden maken op eigen privé-eigendommen, wat in die landen helemaal niet evident was.

Ze moesten zich dus helemaal niet houden aan de wetten die in hun nieuw land golden. Het Flämisches of Flandrisches Recht werd tot 150 jaar geleden nog gedeeltelijk toegepast.

FVV: Positieve discriminatie dus!

Leo: Dat kan je wel zeggen (lacht). Leuk om weten voor de FVV-sters is ook dat het Vlaamse gewoonte- en familierecht voorzag dat vrouwen die weduwe geworden waren een veel betere regeling kregen dan elders: zij kregen de helft van de nagelaten goederen

FVV: De Vlamingen hadden er naar verluidt ook hun eigen burgemeesters.

Leo: Ja dat waren de zogenaamde locatoren. Locus is Latijns en betekent plaats. Een locatieverdrag regelde de toewijzingen van een vestigingplaats, het plaatsen van kolonisten in een bepaald woongebied. De locator was de persoon die daarvoor verantwoordelijk was. De locatoren speelden een bijzonder belangrijke rol bij de vestiging van de kolonisten. Zij waren de aanvoerders van de kolonisten, mannen van boerenafkomst of van kleine adel. Zij hadden bepaalde taken: De locator:

FVV: En tot slot: is er iets overgebleven van de taal?

Leo: De taal is heel lang bewaard gebleven. Toen ik in Der Fläming woonde, kon ik , als ik traag West-Vlaams sprak, nog heel goed met oudere mensen converseren. Zij spraken bijvoorbeeld duidelijk over ‘een zwin’ i.p.v. over ‘ein Schwein’ of over een appel i.p.v. over  “ein Apfel”… De woorden die bewaard gebleven zijn, hebben bijna allemaal te maken met landbouw. Nu is de taal helemaal uitgestorven, er zijn enkel een aantal oude teksten bewaard gebleven zoals dit “stabat mater”:

By et Krüz met schreijende Ougen

Stund die Mueder diep bewoagen,

Doa de osan dorchnaegelt hing.

Un in ör verzuchend Härze,

Umgedreyt van Wei und smärte,,

Een dörchborend Schlagswärt ging

FVV: Tijdens ons verblijf in Lutherstadt zullen we ook een avond bezoek krijgen van het Contactbureau Verein Fläming-Flandern

Leo: Ja, het Verein Fläming-Flandern werd opgericht in november 2002. ik ben daar van bij het begin bij betrokken geweest.

Het Verein heeft zowel historisch als actuele doelstellingen: verder onder-zoek naar de voorgeschiedenis van de immigratie van de Vlamingen in de 12e eeuw, het proberen in ere houden van de taal, o.m. door middel van het aanleren van oude volksliederen, …. Op dit ogenblik heeft het Verein enkele honderden leden.

De avond dat ze bij jullie op bezoek komen, zal er in elk geval veel gezongen worden. Leuk is ook dat de Fläming Koningin in hoogsteigen persoon zal komen verzusteren met jullie dames (lacht).

FVV: Staan er in het feestjaar toffe activiteiten op het programma?

Leo: Ja hoor, er is een reizende tentoonstelling over Der Fläming die onder meer in de bibliotheek van Sint-Niklaas te zien was. Er is een groot feest in Lutherstadt, Wittemberg, er is een feesteditie van de Fläminger Wandertag, er zijn een aantal concerten met Vlaamse koren, orkesten en folkgroepen in een aantal kerken in Der Fläming. En heel tof ook: de historische trek in de maand mei van de ‘Titanen on Tour - Europa ervaren, Geschiedenis beleven’: een tocht van acht huifkarren met elk vier paarden, d.w.z. 32 Brabantse trekpaarden van Brugge naar Brück. Deze tocht wordt grotendeels gesponsord door brouwerij Palm in Steenhuffel. De huifkarren werden speciaal voor de gelegenheid, in Polen gebouwd volgens een oud Vlaams huifkarrenbouwconcept. De tocht zal  het oorspronkelijke traject zo goed mogelijk proberen te benaderen. De paarden zullen per dag 20 kilometer afleggen. De aankomst in Brück op 27 juni zal feestelijk opgeluisterd worden met een groot volksfeest!

FVV: Als wij met FVV op reis gaan, zijn wij, naast de zoektocht naar eventuele Vlaamse wortels, steevast op zoek naar markante dames. Komen wij tijdens onze reis in augustus straffe madammen tegen?

Leo: Ja hoor, je hebt uiteraard Katharina van Rusland, de grote tsarina, geboren in Stettin (Szczecin) met de wortels in Der Fläming! Er is Katharina van Bora, de echtgenote van Luther, … zoals je weet staat achter elk groot man een sterke vrouw: welnu, dat is er een prachtvoorbeeld van! En dan heb je de vrouwen uit het huis van Nassau… kijk naar Oranienbaum… we ontmoeten ook Käthe Kollwitz op ons pad, een dame waar wij ons als Vlamingen toch ook een stuk mee verbonden voelen… Maar de verhalen over dames laat ik graag aan mijn co-gids, Huguette, over! (lacht)

FVV: Tot slot: Waarom mogen onze FVV-dames deze reis niet missen?

Leo: Eerst en vooral, het is een reis naar een stukje vrij ongekend Vlaams verleden, i.p.v. een stukje geschiedenis over immigratie naar Vlaanderen is het een stuk geschiedenis van migratie van Vlamingen naar andere oorden. Ten tweede is het een reis naar een gebied met prachtig natuurschoon. Bovendien zit er een stukje geschiedenis in over het Lutheranisme, een snuifje Tweede Wereldoorlog (Dessau), een lepeltje DDR (het DDR-museum). We bezoeken twee steden die uitgeroepen zijn tot Unesco-werelderfgoed (Lutherstadt-Wittemberg en Wörlitz). We proeven ook van Potsdam met o.a. zijn Holländer Viertel, Sans Souci, en Berlijn. Onderweg komen we Willem van Oranje tegen en Tijl Uilenspiegel. Kortom, alle ingrediënten zijn aanwezig om er een schitterende reis van te maken!

FVV: En bovendien is het een reis met een gidsenduo om u tegen te zeggen!

Martien Bode

PM. Deze FVV-reis in het teken van 850 jaar Der Fläming (1159-2009)” ging door van zaterdag 8 augustus tot zaterdag 15 augustus 2009.


Het laatste woord


Leo Camerlynck, Ukkel

Het “Groafschupper Platt”, ooit van gehoord?

Het “Groafschupper Platt” is een dialect van het Nederlands, dat gesproken wordt in Bentheim en het Bentheimerland. Dit gebied staat ook bekend als “die Grafschaft” of “de Graafschap”.Is het Nederlands of is het Nederduits? Taalkundigen uit zowel Duitsland als de Nederlanden zijn het over eens dat het eerder aanleunt bij wat het Standaardnederlands is geworden dan bij wat algemeen als Nederduits wordt beschouwd. Hoogduits is het geenszins ondanks het feit dat de Duitse spelling wordt gehanteerd. Deze gewesttaal leunt zeer sterk aan bij het Twents in de Nederlandse provincie Overijssel.

So moij is dat Groafschupper Land

Ick lagg in de Häide, dat Weer moj en sacht,

der Lewerteies süngen, den Sünne heff lacht,

de Imen se summden,

de Horpen se brummden

dor achter de Dannenkampswand –

wat moj is dat Groafschupper Land!

 

Dann stünn ick up't Venne - wat wiet kunn men sehn!

Gin Hüse, gin Böäme, gin Büsche, gin Steen,

en doch all's so prachtig,

de Wietde soa machtig,

van Wolken ne Krone gespannt

O, moj ist dat Groafschupper Land!

By Frenswegens Kloster. De Wind puusde kault

dör Müren en Pöste, Joahrhunnerte ault.

Wo völl hebbt hier lewet,

wo völle hier strewet,

nich wiet van de Vechtwaterkant!

O, ault is dat Groafschupper Land!

Ich lagg an de Vechte, de Himmel was blau,

up't Gröss an de Kanten moj glitzerd de Dau.

De Golwen so glömmden,

de Fissies se swömmden.

De Vechte al sülwernet Band

tröck sick dör dat Groafschupper Land.

 

Dör't Benthemsche Hault froh am Morgen ick günk,

de Drossel, de Fink en de Nachtigall sünk. –

Giff't buten en binnen

wall Mojres te finnen?

Nöömt uo men an Pracht allerhand –

nix tegen dat Groafschupper Land!

Carl van der Linde

 

Heergods Natuur

O maakt nich alle grund torecht

tot akkerland, tot maat en weide,

laat hier en door een hökien frij,

een strepien fen, een stückien heide,

dat hier en door een steechien blief

soa, as et uns de Heergod gif.

 

O haut nich alle hegen fut,

verbrant nich all' de brömmelbüsche,

en maakt nich alle kölke to,

woor wild noch grööjt wee'n, lois en rüschen.

Laat wassen doch den gellen braam,

den wagebus, den barkenbaam!

 

Noch is't in unse Groafschup moij:

O sorgt doch, dat dat so mag blieven!

Wij möt uut unse Moderland

nich alle moijigheid verdrieven!

En'n moijsten goorn up de duur,

dat is en blif doch Gods natuur!

 

Drüm maakt nich alle grund torecht,

tot akkerland, tot maat en weide,

laat hier en door een hökien frij,
een strepien fen, een stückien heide,

dat hier en door een steechien blief

soa't unsen Leven Heer uns gif.

 

Karl Sauvagerd