> nieuwsbrief > 26e jg. - 4e trimester 2009

Bijdragen over:

Tip

Mededelingen

Ontmoetingsdag Zannekin te Kornelimünster


De Zannekin-ontmoetingsdag zal doorgaan op zaterdag 17 oktober te Kornelimünster nabij Aken. [De eerder aangekondigde bestemmingen Echternach en Vianden zullen opgenomen worden in het programma van een voorjaarse studie-uitstap].

 

 Abdij Kornelimünster

Practische gegevens

Plaats van de samenkomst: Gaststätte Zur Krone – Benediktusplatz 7 – D-52076 Aachen/Kornelimünster – telefoon 00 49 2408 3466.

Dagindeling: Tussen 10.30 en 11.00 uur, verwelkoming met koffie of thee in Zur Krone. Einde tussen 16.30 en 17.00 uur met koffie en pruimenvlaai.

’s Middags, middagmaal met plaatselijke Eifeler specialiteit (soep en hoofdgerecht).

Lezing en rondleiding doorheen Kornelimünster met bezoek aan de proosdijkerk.

Gastsprekers: Dr. José CAJOT, honorair consul van Duitsland, geeft een lezing over de “Taaltoestanden in de landen van Overmaas en het Akener gebied” en De hr. Hermann WILMS, gidst ons doorheen de historische kern van Kornelimünster en in de proosdijkerk

Hoeveel kost deze ontmoetingsdag? 25,00 €uro voor Zannekin-leden / 30,00 €uro voor niet-leden. Hierin zijn begrepen: morgenkoffie, middagmaal met drank, namiddagkoffie, gids en lezing. Aanmelden d.m.v. bijlage.

Beperkt aantal plaatsen: Opgelet! Wegens het beperkt aantal plaatsen kunnen slechts de eerste dertig ingeschrevenen aan het volledige dagprogramma deelnemen. Wees er dus vlug bij!

Hoe te bereiken? Met de auto: autoweg tot Aken en vervolgens richting Monschau volgen. Kornelimünster ligt op een tiental kilometer ten zuidoosten van Aken.

Met het openbaar vervoer: busmaatschappij ASEAG:

Informatie: ASEAG Kunden-Center, Bushof, Peterstraße 17, 52062 Aachen

Telefoon  0241 1688-3040  Telefax  0241 1688-3041

Maandag-Vrijdag 7.30 - 18.00 uur  Zaterdag 8.30 -14.00 uur


Kornelimünster



(Nederlands vroeger: Sint-Cornelis Munster) was een tot de Nederrijns-Westfaalse Kreits behorend abdijvorstendom binnen het Heilige Roomse Rijk. Het is sinds 1972 het zuid-oostelijke stadsdeel van Aken onder de naam Kornelimünster/Walheim.

De Benedictijnerabdij werd kort na de dood van Karel de Grote door zijn zoon Lodewijk de Vrome gesticht op de plaats waar eerder een Romeinse tempel stond. Deze plaats in de buurt van Aken heette oorspronkelijk Inda, naar het riviertje de Inde dat er langs liep. Het klooster werd in 817 ingewijd met als eerste abt de raadgever van de keizer: Benedictus van Aniane. Het klooster Inda werd in 881 door de Noormannen verwoest.

Na de wederopbouw groeide het klooster uit tot een Rijksabdij. Er ontstond dan ook een territorium. Al bij de stichting was het land 'binnen de omtrek van een uur gaans' aan de abdij toegewezen, het zogenaamde Münsterlandje. Daarna komen ook de naburige heerlijkheden Gressenich en Eilendorf in het bezit van de abdij. Het abdijvorstdendom had het recht bij de koningkroning in Aken de nieuwe koning de kroningskerk binnen te leiden. Alleen edelen konden monnik worden en de hertog van Gulik was voogd. In geestelijke zaken stonden de monniken direct onder de paus.

De door Karel de Kale geschonken relikwieën van de heilige paus Cornelius trekken veel pelgrims en daardoor wordt het klooster bekend onder de naam het "klooster van Sint Cornelius". Deze nieuwe aanduiding verdrijft de oorspronkelijke naam Inda.

Het begin van de zestiende eeuw is nog een tijd van bloei, waarin nieuwe gebouwen tot stand komen, maar in de volgende tijd begint het verval. Met de Franse bezetting in 1797 komt er een eind aan de politieke zelf-standigheid van de abdij, maar de abdij zelf wordt pas in 1802 opgeheven. De kloostergebouwen gaan in particulier bezit over met uitzondering van de kloosterkerk die aan de parochie komt. Na de nederlagen van Napoleon wordt het gebied in 1815 door het Congres van Wenen aan het koninkrijk Pruisen toegekend.  Bron: Wikipedia, de vrije encyclopedie

 

Roubaix, ’t was maar een vraag…


G. Callebaut, Tienen

De beweringen die ik in het artikeltje Robeke moét hebben bestaan (Nieuwsbrief 2009/1) heb ingebracht tegen een Roubaix-artikel van de heer G. Vandevyvere, hebben een antwoord van hem uitgelokt in onze daaropvolgende Nieuwsbrief. Volstrekt niet ter zake. Ik zou hem op sofistische en sentimentele redenaties met de trucs van religieronselaars hebben “neergesabeld”. En zonder enige precisering zit me dat te ver. Zulke handelswijze kan geen “sluit ik hierbij de discussie” motiveren. Net dàt zijn redenatietrucs.

Op enige stijlaanvoeling voor mijn uitdagende hyperbool-titel heb ik niet moeten rekenen. Met de botte bijl hakt mijn opponent erop in, om reeds in mijn aanvangswoorden het oeroude sofisme juichend op het hele betoog te kunnen overdragen. Waar hij me verwijt dat ik “hier en daar een zin” heb genomen en “die twee dan bijeenbrengen” ging, vernam ik niet om welke zinnen dat ging en al helemaal niet waarom ze niet mochten samengebracht. Voorts zie ik niet in waarom bij plaatsnaamattestaties de scriptoria geen aandacht zouden mogen en moeten krijgen. Dat zoiets “naar (zijn) bescheiden mening” weinig ter zake doet, betekent nog niet dat zijn mening zonder bewijzen als gewettigd zou moeten worden aangezien om iets te weerleggen.

Ik zou mijn opponent verwijten dat hij over “Robeke een vraag zou hebben gesteld. Kom nou, hij heeft helemaal géén “vraag” gesteld, hij boodt een duidelijke eindbeslissing, tot en met de Franse uitspraak die in acht zou moeten worden genomen, om zelfs in geen Westvlaamse “-baai” te stranden! Ten onrechte vermeldt mijn opponent dat hij geen “terechte” vraag mocht stellen. Hij stelde zelfs geen onterechte.

Heel het gedaas over “terugkeer naar het stenen tijdperk”, “sentimentele gevoelsgeladen argumenten”, “voor eeuwig vaststaande” of “vastgeroeste (?) Vlaamse benen”, waartegen hij zeer “onwetenschappelijk” niet schoppen mocht”, dat kan ik moeilijk als tegenargumenten beschouwen.

Aangezien mijn opponent het niet over Rijsel heeft gehad, zou ik het er volgens hem niet mogen bij betrekken. Ik heb overigens wel stipt aangegeven in welk verband ik dat deed. En dat het voor hem “een héél ander geval” is, doet daar, zonder nadere precisering, niets aan af. Met grote “vraagtekens” overigens bij wat hij in petto houdt!

Er is één concrete verwijzing in zijn tekst. Naar internetlijsten. Zonder vermelding van het aantal toetsingen heet het daar: “niemand in de Westhoek zegt Robeke, … maar wel GEWOON ‘Roebei’” en mijn opponent meent dat niet “zonder commentaar” te kunnen citeren. “Wetenschappelijk” klaarblijkelijk. Wat mij betreft, ook “zonder commen-taar”. Alleen dit: dat bewijst alleen de graad van de eeuwenlange Franse cultuurdwang, maar niets anders.

Als een niet genummerd “tweede verwijt”, met een aanhef “En nu komt het”, wraakt mijn opponent het feit dat ik een citaat van hem “de stad met zijn Franse vorm…” heb versierd met een (sic) tussen “zijn“ en ”Franse”. Hij acht dat een aanslag op het Algemeen Nederlands en hij wordt daardoor “in een keurslijf gestopt”… In het Algemeen Nederlands is de regeling voor het woordgeslacht afgedaan. Alleszins kan het niet zo zijn, dat wie de genusaanvoeling merendeels nog heeft, ze zou moeten prijsgeven om zogenaamd het Algemeen Nederlands te dienen. We zakken trouwens, zeker voor lands- en stadsnamen, nog steeds verder af in de geslachtsverwarring. Tot “Amsterdam haar expansie” toe, naast “Vlaanderen haar regering” zelfs van een minister-president… Na het “hij-en” de “be-haar-ing”. We glijden te ver af om er met enige modieusheidszin  aan mee te doen. Zo denk ik. En als ik citeer, plaats ik “sics” in zulke gevallen, opdat men mij er niet van zou kunnen verdenken een aandeel te hebben in dat gedoe. Aanstellerigheid in dat opzicht heeft voor de doordringing van onze cultuurtaal in het Zuiden zelfs een contraproductieve uitwerking. Waarom het voor mij zo ergerlijk overkomt. Mijn opponent moet dat verzonnen “verwijt” niet aandragen als onderdeel van mijn betoog dat hij op groeneboekjesgrond zou weerlegd hebben en waarmee hij een discussie over een totaal ander onderwerp voor gesloten zou kunnen verklaren. Dat is in se onmogelijk. Dus ook voor hem.


De Lelie en het Everzwijn 1

Willy Alenus, Oostende

Schrijven over De “Nederlanden Extra Muros”, dat is de bestaansreden en de doelstelling van de Stichting/Vereniging Zannekin. In de praktijk gaat onze voorkeur uit, zeker als studieobject, naar Zuid-Vlaanderen, Zuid- Henegouwen en Artesië, d.z. de door Frankrijk in de tweede helft van de zeventiende eeuw veroverde voormalige Nederlandse gewesten.2

Maar onze belangstelling gaat ook vaak uit naar hun tegenhangers, de historisch niet- Nederlanden, Loon en Luik, wier geschiedenis zo intiem met die van de Zeventien Provinciën is verweven, dat men soms geneigd is ze als de achttiende en negentiende gouwen te bestempelen.

Over de wederwaardigheden, in de vijftiende eeuw,van dat graafschap Loon en dat prinsbisdom Luik, die sedert 1366 3 een “doppel-Fürstentum” waren geworden van het heiliges römisches Reich deutscher Nation, handelt het lijvige boek van onze markies-historicus en net zoals wij is hij zelf ook principautaire van origine.4 

Met de bijnaam “le Lis” (de lelie, d.i. tot de Franse revolutie, het embleem van Frankrijk, wordt bedoeld koning Lodewijk XI (1423–1461-1483) en met “le Sanglier” (het everzwijn), Willem I van der Marck-van Arenberg.

WILLEM, heer van Lummen, († Maastricht, 18 juni 1485), kleinzoon van Engelbert II en van Mathilde van Arenberg en jongste zoon van Everhard II van Arenbeerg en Maria van Loon, vrouwe van Lummen, belegerde in 1467 de Luikse prins-bisschop Lodewijk van Bourbon (1438–1482) te Hoei. Daarna onderwierp hij zich aan Karel de Stoute, doch stond tegelijkertijd met diens vijand, Lodewijk XI van Frankrijk, bijgenaamd l’arraignée, in verbinding. Na de dood van Karel de Stoute (Nancy, 1477), zocht Lodewijk van Bourbon toenadering tot Willem van der Mark, gaf hem zijn goederen terug en erkende hem als heer van Seraing-le-Château (bij Hoei). Willems aanspraken gingen echter nog veel verder. De bisschop verbande hem in 1480. In 1482 trok Van der Mark met steun van Lodewijk XI, tegen Lodewijk van Bourbon te velde. De prins-bisschop werd verslagen en gedood. Van der Mark plunderde Luik, liet zich tot ‘mambour’ (momber,voogd) van het bisdom benoemen en dwong een deel van het kapittel dat in Luik was gebleven, zijn zoon Jan I tot prins-bisschop te kiezen. In 1483 wist Maximiliaan van Oostenrijk hem te verslaan, maar hij sloot vrede met hem. Nadat het niet mogelijk was gebleken Van der Mark door concessies te doen ophouden met oorlogen en intrigeren, liet Maximiliaan hem even buiten Sint-Truiden in een hinderlaag lokken, naar Maastricht (in feodaal recht 1/2 Brabants, 1/2 Luiks) overbrengen, ter dood veroordelen en onthoofden, officieel  wegens moord op prins-bisschop Lodewijk. Dat is tenminste de geijkte versie.

(Wat hierboven cursief wordt afgedrukt weerspiegelt, in grote lijnen, de verkorte biografie van Willem I van der Marck, zoals die is terug te vinden in de meest geraadpleegde naslagwerken. Enkele misvattingen, werden weggewerkt.)

Wat nu volgt is geen kritiek in de negatieve zin van het woord, maar voor de Trazegnies is Willem I van der Marck een Ardennees, terwijl hij voor ons, en in de eerste plaats heer van Lummen was. Vandaag zijn de wapenschilden van de families van Arenberg en van der Marck nog altijd terug te vinden, niet alleen in het blazoen van de gemeente Lummen, maar tegelijkertijd ook nog in dat van Herk-de-Stad, omwille van de deelgemeente Schulen, die vroeger bij Lummen hoorde.

Wij nemen aan dat Everhard II, de jongste zoon van Engelbert II en Mathilde van Arenberg, de eerste heer van Lummen was en dit ingevolge zijn huwelijk met Maria van Loon, dame van Lummen en Neufchâteau. Hun jongste zoon was de beruchte Willem I "metten baerde" (getrouwd met Johanna van Schoonhoven), die vaak naar het voorbeeld van vader en oudste broer, "le sanglier des Ardennes" wordt genoemd.5 Wijlen prof. J. Stinissen heeft daar in zijn bekende werken op gewezen.

Spijtig genoeg maakt Winkler Prins in zijn Encarta digitale biografie van Willem metten baerde twee grote fouten. Willem was niet de kleinzoon van Everhard II, maar wel de kleinzoon van diens ouders Engelbert II en Mathilde van Arenberg.6

Ook Olivier markies van Trazegnies, die de misschien oudste burcht van België bewoont in Corroy-le-Château, noemt Willem I van der Marck, bijgenaamd Willem metten baerde, "het everzwijn der Ardennen", in zijn aan deze kandidaat “prins van Luik” gewijd boek dat, misschien voorlopig, uitsluitend in de Franse taal op de markt werd gebracht.

Het is een kanjer van een boek van meer dan 600 pp. met een mooie, glanzende cover, gedrukt op gewoon papier, maar met een voor visueel gehandicapten vriendelijk lettertype. Wat ons tot nu toe het meest imponeerde is Trazegnies’ taalgebruik, d.i. het Frans van de Franstalige professoren en juristen, van een halve eeuw geleden, toen die nog, traditiegetrouw, aan de Parijse Sorbonne wat vandaag een post graduate heet, alsnog gingen toevoegen aan hun curriculum vitae.

Burgeroorlog in het Prinsbisdom Luik

Reeds in oktober 2001 hebben wij een artikel gewijd aan Willem I van der Marck en de gruwelijke vijftiende eeuw, wier oorlogsmisdadigheid voor een groot deel te wijten was aan de strijd om het bezit van het kerkelijke, niet erfelijke vorstendom Luik, met inbegrip van het graafschap Loon. Net zoals de zuidelijke Nederlanden, in de praktijk bijna duizend jaar lang, zo waren toen ook Loon en Luik de inzet van de strijd om de macht in het West- Europa van na de Honderdjarige Oorlog (1337–1453), tussen Frankrijk, Bourgondië, de Rooms-Duitse keizer en mindere goden. De Engelse kandidaat-koningen, de Yorks en de Lancasters, konden zich wel zoet houden met de Rozenoorlogen (1455–1487). Maar Willem I van der Marck, in alle opzichten een condottiere, probeerde zijn eigen koers te varen. Ten bate van zijn geslacht.

Alhoewel bij ons weten geen enkele geschiedschrijver het vermeldt, is het reilen en zeilen van de familie van der Marck-van Arenberg en inzonderheid die van Willem I van der Marck (overgrootvader van Willem II, bijgenaamd "Lumey"), best te vergelijken met dat van Cesare Borgia (1475–1507), zoon van paus Alexander VI (1430–1503).

Beiden probeerden de geestelijke macht van hun vaderland, de ene Luik, de andere Rome, om te smeden tot een wereldlijke macht, die dan uiteraard te hunnen voordele ook erfelijk zou zijn. Willem I "metten baerde" ging hierbij het verst, hij zette zijn zoon, Jan I (†1519), op de prinselijke troon van Luik, die het daar ongeveer een jaar kon volhouden. Zie infra.

Sedert 1467, het jaar van de slag bij Brustem, waar de Luikse en Loonse troepen werden verslagen door het leger van Karel de Stoute, was Willem beginnen te intrigeren tegen de toenmalige prins-bisschop Lodewijk van Bourbon (1438–1482). In 1480 en 1481 hadden er reeds schermutselingen plaatsgehad tussen de aanhangers van Willem van der Marck en die van de prins-bisschop. In 1482 kwam Willem openlijk in opstand. In augustus van dat jaar trok hij met een leger van 1200 ruiters, een heus eskadron, en van 3000 man voetvolk op tegen de hoofdstad Luik. 

Op 24 augustus stond hij voor de stad en ’s anderendaags had de aanval plaats. De prins-bisschop, die zich buiten de stad had gewaagd om de situatie te over schouwen, werd onverwacht door vijandelijke soldaten omringd. Meerdere zwaardsteken kreeg hij te incasseren, zodat hij van zijn paard viel. Willem van der Marck, die misschien toevallig in de buurt was, zou op zijn verslagen vijand zijn gesprongen en hem eigenhandig de keel hebben overgesneden. Ten slotte werd zijn lijk, samen met dat van andere ridders, in een bijriviertje van de Maas gesmeten. Het prins-bisschoppelijke leger sloeg op de vlucht en Willem trok als overwinnaar de stad binnen. Hij maakte zich meester van de macht en deed zelfs enkele dagen later zijn zoon Jan8 door Kanunniken, die in Luik gebleven waren, tot prins-bisschop verkiezen.

Die verkiezing was om verschillende redenen ongeldig, vooral omdat de aartsbisschop van Keulen de inwoners van de stad Luik in de ban der kerk geslagen had. De kanunniken, die uitgeweken waren, vergaderden in oktober te Leuven, waar ze te kiezen hadden tussen Jan van Horne en  Jaak de Croÿ als prins-bisschop van Luik. De stemmen waren over de twee kandidaten verdeeld, maar op 16 oktober bekwam Jan van Horn de meerderheid. Hij verzocht de paus om de goedkeuring van zijn verkiezing. Maar ook Jaak de Croÿ en natuurlijk ook Jan I van der Marck deden hetzelfde.

De dubbele adelaar mengt zich in de strijd 9

Maximiliaan van Oostenrijk (1459–1519), door zijn huwelijk met Maria van Bourgondië hertog van Brabant geworden, die steeds goed bevriend was geweest met Lodewijk van Bourbon en die anderzijds oorlog voerde tegen de koning van Frankrijk, trof, onmiddellijk na de moord op de prins-bisschop, maatregelen om zijn hertogdom te beveiligen tegen gebeurlijke aanvallen van Willem van der Marck, die voor 1/4e van de heerlijkheid Lummen zijn leenman was. 

Zo liet hij de Luikse stad Sint-Truiden door een legermacht bezetten. Alhoewel die uitsluitend tot opdracht had de Franse huurlingen, in dienst van Willem van der Marck te bestrijden - de gelegenheid maakt de dief -toch ondernam zij strooptochten in het graafschap Loon. Op 11 of 12 september werd de stad Loon bezet, op 13 september werd Hasselt veroverd. Dat kostte het Hasseltse garnizoen 600 à 700 doden, - de overige manschappen werden gevangen genomen. Gewoontegetrouw werden noch vrouwen, noch kinderen door de veroveraars gespaard. 

Waarschijnlijk werd diezelfde dag ook Herk-de-Stad ingenomen. Een kroniekschrijver voegt eraan toe dat in Herk de veroveraars hetzelfde deden als in Hasselt. Bovendien moesten beide steden de verbintenis aangaan hun vestingmuren af te breken en hun grachten te dempen. Daaraan werd nochtans geen gevolg gegeven. Intussen woedde de strijd voort tussen het Brabantse leger en de troepen van Willem van der Marck, zij het met wisselende kansen. In de twee laatste maanden van 1482 werden Hasselt en Tongeren (ook een Luikse stad), door van der Marck heroverd. Maar op 13 juni 1483 leed hij een zware nederlaag te Hollogne a/d Jeker.

Toen de Brabantse staten dat nieuws vernamen droegen ze aan de schout en schepenen van Halen op (die stad was toen nog Brabants) de stad Herk plat te branden, omdat ze de verbintenis van september niet was nagekomen.  Enkele dagen later staken Brabantse soldaten Herk in brand, alsook de kerk van Alken, waarin Luikse soldaten een toevlucht hadden gezocht.

De nederlaag van Hollogne ten spijt gaf Willem van der Marck de strijd niet op, totdat hertog Maximiliaan het beleg sloeg voor de stad Hoei, die persoonlijk verdedigd werd door Willem van der Marck en door zijn broer Everhard III. Het leidde tot een wapenstilstand op 6 april en tot een vredesverdrag op 10 april 1483. De voornaamste bepaling, waartoe de twee partijen zich verbonden, was de erkenning als prins-bisschop van de kandidaat, wiens verkiezing door de paus zou bekrachtigd worden.

Met een bulle van 17 december 1483 wees de paus de bisschoppelijke zetel van Luik toe aan Jan van Horne. Een harde klap voor Willem van der Marck. Ogenschijnlijk onderwierp hij zich aan het gezag van de nieuwe prins-bisschop. Maar hij ging verder met intrigeren. Sommige auteurs schrijven dat hij plannen had om Jan van Horne te doen afzetten of te vermoorden om zijn zoon Jan I op de bisschoppelijke zetel te installeren. Jan van Horne zou gevoeld hebben dat de openlijke vriendschap van Willem van der Marck niet meer dan schone schijn was. 

Het moet ons dan ook niet verwonderen dat hij naar een middel zocht om zich van zo een gevaarlijke concurrent te ontdoen. Op die manier speelde hij in de geopolitieke kaarten van keizer Maximiliaan, die natuurlijk al lang had begrepen dat Willem metten baerde ongeveer dezelfde plannen had als de Borgia’s in Italië, d.i. van een kerkelijke een wereldlijke, erfelijke staat te maken, die niet noodzakelijk de status van leenman en ondergeschikte van de keurvorst en aartsbisschop van Keulen zou aanvaarden zoals de prins-bisschop van Luik dat altijd had gedaan.10

Willems einde in zijn Loonse moederland

Er werd een listig plan op stapel gezet om van der Marck in een hinderlaag te lokken. Men maakte van de gelegenheid gebruik dat er op 17 juni 1485 in Sint-Truiden feestelijkheden werden georganiseerd, waarop van der Marck werd uitgenodigd.’Op die bijna langste dag van het jaar, werd Willem door Frederik van Montigny uitgenodigd voor een wedren te paard, in de richting van Halmaal.11

Die krijgslist zat goed in mekaar. Op die wijze werd Willem van zijn lijfwacht en van zijn vrienden gescheiden, “en bevond hij zich tevens op Brabants grondgebied”, dat zeggen sommige kronieken. Opnieuw durven wij dat betwijfelen. Halmaal was niet Brabants en tot 1963 (taalgrens-wetgeving), behoorde de streek van Landen tot de provincie Luik. Laat het ons dus houden bij Brustem. Daar werd Willem, voor hem onverwacht, van zijn paard op de grond geworpen en vervolgens geboeid en tijdens de daaropvolgende nacht naar Maastricht gevoerd. De beschrijving, in detail,  van deze episode, door de Trazegnies, schijnt zo te zijn weggelopen uit Le Capitaine Fracasse van Théophile Gauthier. ’s Anderendaags ‘s ochtends, bij het krieken van de dag, werd Willem metten baerde, door de Brabantse schepenrechtbank ter dood veroordeeld en onmiddellijk daarna op het Vrijthof onthoofd, terwijl hijzelf zijn baard zou hebben omhoog gehouden. “Cette tête saignera longtemps”, zouden zijn laatste woorden zijn geweest. Met deze voorspelling heeft hij zich niet vergist.12

De Herkse vrijetijdshistoricus, wijlen apotheker Raymond Enckels (1892–1968) heeft, met de grondigheid die hem eigen was, de vijftiende eeuwse registers van Herk opgezocht en daarin nagetrokken wat er terug te vinden is ter zake de bloedige gebeurtenissen met betrekking tot de burgeroorlog, zoals die hierboven worden beschreven. In de eerste index van de Gichtenregisters van de Herkse schepenbank, las hij het volgende (p. 30).13

“Na de dood van onze genadige bisschop en prins van Luik, Ludovicus van Bourbon, die door Willem van Arenberg vermoord werd, kozen (enkele kanunniken) Jan van Arenberg, de zoon van Willem, tot bisschop. Maar de meeste (kanunniken) kozen tot bisschop Jacobus van Croÿ, de zoon van de hertog van Croÿ, en Joannes Hermanus, de zoon van de graaf van Horne. Daar de twee eersten door een vonnis van de Paus uitgeschakeld werden en hun benoeming afgekeurd, heeft  Willem I van  Arenberg een zware burgerlijke oorlog ontketend tegen Jan van Horne en tegen ons land. Hij oefende een grote dwingelandij uit. Zo is ons land in grote partijschap en onenigheid vervallen, ja zo groot, dat alle steden en dorpen in twee partijen gescheurd werden. Zelfs de families werden tweedrachtig. Zo is het gebeurd dat in Herk ook twee partijen waren en dat de sterkste partij de tegenpartij heeft doen vluchten tot in de kerk. Dan heeft ze de kerk in brand gestoken en haar tegenstrevers levend verbrand. Dat is gebeurd in ’t jaar 1483. Aan de heropbouw van de kerk werd begonnen in 1501.”

Zoals de lezer reeds heeft opgemerkt valt er hier en daar wel een tegenstrijdigheid te bespeuren tussen hetgeen de algemene geschiedenis weergeeft en de meer dan vijfhonderd jaar oude aantekeningen die werden teruggevonden in een Gichten-register van Herk. Volgens de algemene geschiedenis hebben de Brabantse soldaten Herk in brand gestoken. Volgens de aantekeningen in het register van de schepenbank zijn het de Herkenaren zelf geweest. Hoe alles precies in zijn werk is gegaan, meer dan een half millenium geleden, valt niet meer met enige preciesheid te achterhalen. Om te trachten de twee versies, de algemene en de plaatselijke, in overeen-stemming te brengen, zou men kunnen aannemen dat de Herkenaren bij het naderen van de Brabantse soldaten de kerk in brand hebben gestoken. Met de Brabants gezinde partij in de kerk opgesloten? En dat de Brabanders daarna de huizen in vlammen hebben doen opgaan om hun gruwelijk vermoorde partijgenoten te wreken? Maar deze veronderstelde gang van zaken lijkt verdacht veel op de versie van oorlogsmisdaden die werden gepleegd tijdens de Tweede Wereldoorlog, zoals die werden opgetekend door de oorlogsmisdadigers zelf (bvb. Oradour-sur- Glane, 10 juni 1944).14

Trouwens hout snijdt deze “verklaring” zeker niet. Waarom zouden de Herkenaren hun eigen kerk in brand hebben gestoken? Ze hadden ze immers nodig, niet alleen voor de eredienst, maar vooral tactisch gezien, als uitkijkpost in een tijd zonder hoge gebouwen. En de godsdienstoorlogen zouden (gelukkig maar), nog tachtig jaar op zich laten wachten, totdat de haat van mekaars geloof voldoende zou zijn om mekaars heiligdommen te verwoesten en mekaar over de kling te jagen. En tijdens de gevechten van de Tweede Wereldoorlog werden meerdere van onze kerken ook weer in brand gestoken, uitgerekend indien de tegenstrever ze gebruikte of kon gebruiken als uitkijktoren om de troepenbewegingen van de tegenstrever vanuit de hoogte te volgen, te controleren en te dwarsbomen.

“Le Lis et le Sanglier”

Wie tot nu toe heeft gelezen wat wij hier hebben geschreven, tot en met de gruwel van de Loons-Luikse burgeroorlog, met de klemtoon op een typische Loonse stad, - Herk-de-Stad - zal eerst en vooral reeds hebben begrepen dat men in de vijftiende eeuw geen burger van Neufchâteau hoefde te zijn en ook niet van Liège of Sedan, om zich met hart en ziel betrokken te hebben gevoeld bij het bloedige gebeuren. Hij of zij zal, net zoals wij, de indruk hebben dat, hoe dichter men bij de heerlijkheid Lummen kwam, hoe groter het engagement van de burgers was. Omgekeerd volstaat het om het “Avant- propos” te lezen van Michel Foret, gouverneur van de provincie Luik15 om het bewijs te hebben dat dit bewustzijn ontbreekt, bezuiden de taalgrens van 8 november 1962.

Bij ons weten heeft in Vlaanderen maar één weekblad,dat zichzelf “Vlaamsgezind” noemt, een lezenswaardige recensie aan het boek van de Trazegnies gewijd. Maar ook in deze positieve kritiek wordt de heer van Lummen, zonder schroom ”Guillaume” genoemd. Daar waar o.a. de Luikse historicus Jules baron de Chestret de Haneffe, er de nadruk op legt dat de zoon van Maria van Loon, vrouwe van Lummen, in zijn moederland, als “Willem metten baerde” was bekend en later berucht.

Toch merkwaardig dat de drie Nederduytschtalige, maar Luikse schepen-banken, die op 17 juni 1485, allemaal in de buurt van het complot-gebeuren lagen (Sint-Truiden, Tongeren, Maastricht), niet eens werden uitgenodigd Willem te veroordelen, dus kon dat niet naar Luiks recht of vertrouwde men het niet, voor de moord op prins-bisschop Lodewijk van Bourbon. Laat ons even stilstaan. Werd er niet, in Limburg, in de kerkelijke litanie, tot in de twintigste eeuw gebeden: “van de Brabanders, verlos ons heer”? Die van Gaasbeek en Halen waren voor Loon de gesel Gods geweest.

En hier zijn we weer bij het oude zeer. Over het “Oude Land van Loon” wordt er al tweehonderd jaar lang veel geschreven, maar tot en met de Tweede Wereldoorlog, vaak door Luikse historici (kanunnik Joseph Daris, Simenon, Henri Pirenne, E. Poncelet) en door in het Frans schrijvende Vlamingen (de Borman, de Corswarem, Bamps,Van Neuss). Het resultaat van deze soms eenzijdige belichting, kan allicht gedeeltelijk worden bijgestuurd. Kennelijk zijn wij daar al mee bezig. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan het werk van “hineininterpretierende” historici, van wie collega Jacques Bainville zegt: “qu’ils prennent l’effet pour la cause”.16

Er wacht de huidige en aankomende generatie Zuid-Nederlandse beroeps- en vrijetijdshistorici een bijzondere taak. In de Franse Nederlanden (Artesië, Zuid-Vlaanderen, Zuid-Hengeouwen), zijn “groot-Nederlanders” daar, ondanks alle obstakels er al mee begonnen, weliswaar en noodgedwongen in de Franse taal.17

Maar niet alleen in Belgisch-Limburg zal heel wat van wat er ooit geschreven werd moeten herschreven worden. In de eerste plaats om er de nadruk op te leggen dat het graafschap Loon, ook nog na de naasting in 1366, toen het samen met het prinsdom Luik, een “doppel-Fürstentum” was geworden, geen vazalstaat was en dat de Loonse standen geen tweede-rangsburgers waren in het gemeenschappelijke prinsbisdom Luik. Het aantal en de eerstaanwezendheid van de Lonenaren, die door de eeuwen heen in prinsbisschoppelijke staatsdienst waren, lijkt ons indrukwekkend.

Maar ook ter zake Maastricht zal er een inspanning moeten worden geleverd, om de “schade” te herstellen die werd aangericht door de “Hol-landse” geschiedschrijving, die niet moet onderdoen voor sommige misvat-tingen die werden verspreid door de Belgische geschiedschrijving. Tot 1796, het begin van de Franse tijd, was de oude Maasstede een half Brabantse, half Luikse stad, een condominium. Een status waarvan de beide ingangen van het Maastrichtse stadhuis vandaag nog getuigen. De half Brabantse rechts-positie van Maastricht heeft “den baerde” zijn kop gekost.

Wie nog Frans heeft geleerd volgens het oude programma, zal Olivier de Trazegnies lezen met een vleugje nostalgie. Toch zijn sommige Franse critici van oordeel dat met 300 bladzijden evenveel had kunnen worden gezegd dan met 600? Maar wie zijn die Fransen, die vaak niet weten dat Valenciennes, la Franche-Comté en de Charolais drie oud-Nederlandse provinciën zijn. Wenst de lezer alle details te kennen van de tot nu toe bijna uitsluitend Franstalige kritiek op “De Lelie en het Everzwijn” dan is het internet uiteraard het aangewezen toevluchtsoord. Vraag is, - moet de biografie van onze heer van Lummen vertaald worden in het Nederlands?

Olivier de Trazegnies heeft o.i. misschien de fout gemaakt die wij allemaal wel eens maken, maar dan wel niet met een werk van dit kaliber. Die fout bestaat erin het werk niet te hebben laten nalezen door een “don”, zoals die profs in het Engelse vakjargon worden genoemd. Maar het komt uiteraard de mediëvisten zelf toe die vraag alsnog te beantwoorden. Er wordt met belangstelling uitgekeken naar hun reactie.

P.S. Le Lis et le Sanglier, De Lelie en het Everzwijn. Het zal de lezer zijn opgevallen dat wij deze bijnamen toekennen aan andere hoogheden dan die van de auteur. Voor Olivier de Trazegnies is “Le Lis” prins-bisschop Lodewijk van Bourbon (1438-1482) en “Le Sanglier” is Willem I van der Marck (†1485), heer van Lummen en Neufchâteau. Maar Lodewijk van Bourbon was de man van de Bourgondiërs (Filips de Goede), die streefden naar het herstel van het Middenrijk (843-870). “La Croix de Lorraine” ware voor hen een beter blazoen geweest. Ons baserend op de meest gezaghebbende bronnen, reserveren wij de bijnaam “Le Sanglier” voor Everhard II, vader van Willem I van der Marck, voor Everhard III, zijn oudste broer en voor Robert II, heer van Sedan en Bouillon, zijn neefje. “Le Lis”, zijnde het antieke symbool van Frankrijk, tot 1789, is dat het blazoen van de Franse koning, hier in casu, Lodewijk XI, (1423–1483), bijgenaamd “l’universelle arraignée”. De officiële “Liste des évêques de Tongres, Maastricht et Liège” , toont ons geen blazoen ten name van Lodewijk van Bourbon.

Noten

1 Olivier (marquis) de TRAZEGNIES, Le Lis et le Sanglier, L'Histoire fascinante du Sanglier des Ardennes, Les Editions de l'Arbre, Brussel- Parijs, 2008, 600 pp.

2 Prof. Etienne ROOMS, De Spaanse Nederlanden als slagveld van Europa en de grote gebiedsafstanden aan Frankrijk (1659-1700), in Vlaamse Stam, nr. 3, mei 2006, pp. 198-224).

3 Jean BAERTEN (prof. (em.) dr.), Hoe het graafschap Loon Luiks werd, (tiende–veertiende eeuw), Handelingen LVII der Koninklijke Zuid-Nederlandse Maat-schappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, Brussel, 2004, pp. 239–250.

4 De Trazegnies, Belgisch adellijk geslacht, waarvan de naam door drie families werd gedragen, du Rœulx, de Hamal, de Trazegnies. Gillion, marquis de Trazegnies d'Ittre (Nijvel, 15 okt. 1772–Corroy-le-Château, 3 mei 1847), was o.a. kamenier van koning Willem I der Nederlanden. Door zijn huwelijk met Amélie van Nassau- Corroy kwamen de Trazegnies in het bezit van de oude burcht van Corroy-le-Château (Gembloux, prov. Namen). Daar woont historicus Olivier nog altijd.

5 In de zomer van 2001 schreef ons prof. J. STINISSEN, o.a. auteur van de Geschiedenis van Peer (1998),- “(In mijn publicaties) heb ik de bijnaam “Everzwijn der Ardennen” niet gebruikt (voor Willem van der Marck), op grond van de voetnoot die de Chestret de Haneffe, in zijn “Histoire de la maison de la Marck, y compris les Clèves de la seconde race” (Luik, 1898), geeft op p. 5 (noot 1) en die ik voor u overtik: “Ce dernier surnom (‘Sanglier des Ardennes’), déjà donné par la voix publique à son père et à son frère Everard, passa ensuite à son digne neveu Robert II, Seigneur de Sedan. Il n’appartenait donc pas en propre à Guillaume de la Marck, et bien que cette manière de le désigner soit consacrée par l’usage, il convient de remarquer qu’on ne la rencontre que chez un seul chroniqueur contemporain, Jean de Roye, dans le récit qu’il fait du meurtre de Louis de Bourbon, en 1482 (t. II, p. 118). Molinet, au contraire, l’appelle constamment ‘la barbe’; d’autres disaient Guillaume ‘à la barbe, Willem metten baerde’, etc. Voy. P. 117). Willem I van der Marck (†1485) kreeg als kindsdeel de heerlijkheden Peer en Lummen en de voogdij over Haspengouw waaraan de heerlijkheid Aigremont-Awirs verbonden was. Zijn oudste broer, Everard III volgde zijn vader op in de heerlijkheid Arenberg, e.a. Toch liet Willem zich ook van Arenberg noemen, in de betekenis van het geslacht van Arenberg. De heren van Lummen worden inderdaad de barons van Lummen genoemd (baron = baanderheer).

Volgens de Europäische Stammtafeln, Tafel 20, is “Lumey” inderdaad de achterkleinzoon van Willem I. Men geeft de volgende tekst: “Willem II, Bar. V. Lummen, Seraing-le-Château, Borset und Minderheyt, Gouverneur v. Holland, 1574 römischer katholischer Konfession, 14.10.1542 – † 1.V.1578”. Wijlen prof. (em.) J. Stinissen is o.a. de auteur van de Geschiedenis van Peer in de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd,  P.O.C.A. ’92, Peer, 1998.   

6 WILLEM, heer van Lummen (†Maastricht, 18 juni 1485), Willem I moet begraven liggen in Neufchâteau, maar zijn zoon, Jan I, zijn kleinzoon, Jan II en zijn achter-kleinzoon, lagen sedert hun overlijden begraven op het priesterkoor van de parochie-kerk van Lummen (afgebroken in 1865), maar hun stoffelijke resten werden eerst op 16 oktober 1872 overgebracht naar Edingen (Enghien) en uiteindelijk, op 28 februari 1881, gedeponeerd in de crypte onder het koor van de Kapucijnenkloosterkerk aldaar. Middelerwijl is het pand ontheiligd (alleszins de bovengrond en privé-bezit geworden. Over het eigendomsrecht van de grafkelder met zijn 57 lijkkisten bestaat er nog altijd discussie, die langs juridische weg zou moeten worden beslist. 

7 Willy ALENUS,- "Burgeroorlog in het prinsbisdom Luik", in Vlaamse Stam, jg. 37, nr.10, 2001, pp. 457 - 461.

8 Jan I, diens zoon Jan II en kleinzoon Willem II, liggen dus tegenwoordig begraven in de “Sépultures de la famille d’Arenberg au Couvent des Capucins à Enghien dans le Caveau sous le Grand Autel’’, - Annales du Cercle Archéologique d’Enghien, tome VIII, 1915- 1922, pp. 135–155, “Copies des épitaphes et inscriptions, tant sur les lames de cuir que sur les cercueils de plomb, de ceux de la Sérénissime Maison d’Arenberg, qui sont inhumés au Couvent des Capucins à Enghien, avec des notes de Monsieur Quittelier, archiviste”; op de doodskist van Jan I, staat geschreven, in de Nederlandse vertaling (uit het Latijn) van rustend priester-leraar, heer Willem Hendriks, Overpelt (Limburg),- “Hier ligt begraven de doorluchtige (heer) graaf Jan van (de) Marke en Arenberg, Heer van Lummen, Seraing, etc. zoon van Willem en van Johanna van Schoonhove(n), die op 18 augustus 1519 overleed en wiens ‘assen’ (stoffelijk overschot), die weleer begraven waren in de parochiekerk van Lummen, en die een eerste keer in 1698, en een tweede keer in op 23 januari 1865 (als authentiek) erkend waren door de bemoeienissen van Zijne Hoogheid Hertog Engelbertus van Arenberg op 16 oktober 1872 van Lummen naar Edingen zijn overgebracht en door de zorg van Hare Hoogheid Hertogin Eleonora van Arenberg op 18 februari 1881 in dit nieuwe grafmonument zijn geplaatst in aanwezigheid van Zijne Hoogheid Prins Karel van Arenberg. R.I.P.” Van de oude inscriptie bleef slechts dit over op de oude grafzerk: Van Marck H(eer) van Lumay, etc. 1519, 18 augustus (einde van het citaat). 

9 De dubbel-koppige adelaar in het keizerlijke Rijkswapen verscheen eerst officieel in 1417, toen op last van keizer Sigismund een nieuw troonzegel vervaardigd werd. De oorspronkelijke eenkoppige adelaar bleef eigendom van de Duitse Koning. Het is waarschijnlijk dat de dubbele adelaar uit prestige-overwegingen is aangenomen tegenover de Byzantijnse keizers (goud op zwart). Toen de laatste Oost- Romeinse keizer, Constantijn XI, in 1453 tegen de Turken sneuvelde, wierp zijn behuwd neef Iwan III van Moskou zich op als opvolger van de Byzantijnse keizers en nam in 1472 het wapen over van deze Basileus (uitspr. Vasilevs), met gewijzigde kleuren, zwart op goud. (Cf. Winkler Prins en alle geraadpleegde naslagwerken).

10 Luik was een leen van de Duitse keizer, maar het bisdom Luik hing af van het aartsbisdom Keulen; het was dus een suffragaan bisdom (en dan was de prins-bisschop een suffragaan bisschop; dikwijls was de aartsbisschop van Keulen tegelijkertijd bisschop van Luik.” (prof. (em.) dr. J. Stinissen in een persoonlijke niet gedateerde mededeling aan de auteur). 

11 De door de Trazegnies geraadpleegde archieven vermelden Brustem (richting Maastricht) in de plaats van Halmaal (richting Landen) en net zoals hij moeten wij constateren dat: “Les sources disponibles sont contradictoires. D’autres prétendent que la course se situait dans la direction de Halmaal, localité située à l’ouest de Saint-Trond, vers le Brabant. Si l’intention des conjurés était de le conduire rapidement à Maastricht, l’est de Saint-Trond était nettement plus indiqué. Il semble que la veille (ou l’avant-veille), il ait rencontré à Halmaal Frédéric de Montigny tout juste arrivé de Gaasbeek avec ses sbires (Lennik, Pajottenland, nvda). Probablement y eut-il déjà des concours de chevaux à ce moment, ce qui aurait pu embrouiller les auteurs (einde van het citaat). Olivier de Trazegnies, op.cit. p.509.

12 Wij hebben ons tot het Rijksarchief van Maastricht gewend om, zo mogelijk, inzage te krijgen in de tekst van het vonnis van 17 of 18 juni 1485 van de Brabantse schepenbank van de oude Maasstede. De Rijksarchivaris antwoordde ons dat deze akten niet bewaard zijn gebleven. Of onvindbaar zijn.

13 De verwijzingen van Raymond Enckels, die schreef voor een groot publiek, zijn niet duidelijk genoeg om de bron terug te vinden. Ook kunnen wij niet uit zijn vroeg-twintigste eeuwse Nederlands afleiden of zijn citaat is vertaald uit het vijftiende eeuwse Frans, dan wel hertaald uit het vijftiende eeuwse Nederduytsch.

Wie verder zoeken wil zal moeten beginnen bij: Rombout Nijssen (Rijksarchivaris RAH),- “Inventarissen van de archieven van de schepenbank van Herk-de-Stad, etc.”, RAH, Inventarissen, ARA, Brussel, 1999, misschien p. 46, 194, 1471-1487? 

14 Ernst- Günther KRÄTSCHMER, Die Ritterkreuzträger der Waffen-SS, Verlag K.W. Schütz KG, Preussisch Oldendorf, 1982, - Helmut Kämpfe, pp. 604 – 606. 

15 Olivier de TRAZEGNIES, op. cit. p. 7.

16 Jacques  BAINVILLE (Vincennes, 9 febr. 1879–Parijs, 9 febr. 1936), Frans publicist en historicus. Zijn historisch werk (Histoire de France, 1924; Napoléon, 1931), in briljante stijl geschreven, is voornamelijk door zijn afkeer van de democratie eenzijdig gebleven. 

17 Régis DE MOL, Le Guide des Prénoms des Pays- Bas français (Flandre, Artois, Hainaut), suivi d’une Histoire des peuples fondateurs de notre région, une publication de l’Alliance Régionale Flandre, Artois, Hainaut, Mechelen, 2006.

 

Vanaf de zijlijn


Marten Heida

Een opmerkelijke ontmoeting

Ze had plaats op de aan Pieter Jongeling gewijde congresdag. Tijdens de pauze kon men buiten de lunch gebruiken, maar omdat lang staan mij zwaar valt heb ik dankbaar gebruik gemaakt van een zitje in de nevenruimte van de congreszaal. Ik nam daar plaats aan een tafel tegenover een mede-congresganger. Al genietend van het lunchpakket raakten we met elkaar aan de praat nadat we ons aan elkaar hadden voorgesteld. Het noemen van zijn familienaam deed mij de opmerking maken: “Een Franse achtergrond?”. Hij knikte instemmend en voegde eraan toe dat hij van geboorte een Duitser was. Daarop reageerde ik met de vraag: “Van Hugenotenafkomst?” Zijn reactie was bevestigend. In de bewogen jaren ’80 van de 17e eeuw was zijn voorgeslacht Frankrijk ontvlucht om na vele omzwervingen uiteindelijk in Pruisen terecht te komen. Op verzoek van en met medewerking van de toenmalige Pruisische koning vestigde de familie zich in Oost-Pruisen. Het was de bedoeling dat mee door hun inzet deze regio er op landbouwgebied op vooruit zou gaan. Veel later werd besloten zich te gaan vestigen in Sielezië en wel in de stad Breslau, het tegenwoordige Wroclav. Daar is mijn tafelgenoot in 1944 geboren. Op de nadering van de Russische troepen hebben zijn ouders de wijk genomen in westelijke richting; als gevolg daarvan is hij in Oldenburg opgegroeid. Uiteindelijk is hij in Nederland terechtgekomen. Horend dat hij geboortig was uit Breslau vertelde ik hem van de contacten die er bestaan tussen vele uit Silezië afkomstige inwoners van de Kreis Borken en hun geboortestreek. We namen afscheid van elkaar waarbij ik hem toezegde hem te zullen informeren, over deze contacten.

Doornik – Het Genève van het Noorden

Onder dit opschrift heb ik op verzoek van de voorzitter voorafgaand aan het middagmaal tijdens de studie-uitstap van 6 juni j.l. onderstaande voordracht gehouden. Het is eveneens op zijn verzoek dat ik de inhoud aan de hand van een enkele aantekening heb uitgewerkt voor deze rubriek.

Wanneer ik zeg: ‘Doornik – Het Genève van het Noorden’, dan kan ik me voorstellen dat u met moeite een glimlach onderdrukt. Immers daarvan is in het huidige Doornik nagenoeg niets meer zichtbaar. Voor het eerst is in 1528 sprake van een protestantse gemeente in deze stad. Naar alle waarschijnlijkheid zal ze een Lutherse uitstraling gehad hebben. Zowel via de handelscontacten als via de Augustijnerkloosters (Luther was een Augustijnermonnik) had de ‘Nije Lere’ in de Nederlanden bekendheid gekregen. De eerste martelaren waren ook Augustijnermonniken. Tussen haakjes: even een sprong naar onze tijd. Voor de huidige stand van zaken heb ik het in 1972 – voor zover mij bekend de laatste aflevering – verschenen Jaarboek van de Protestantse Kerken in België erop nageslagen: de gemeente Doornik telde toen 58 leden.

Na de Doperse golf van de jaren ’30 in de 16e eeuw volgt de Calvinistische. Vastgesteld kan worden dat het Gereformeerd protestantisme met name een Zuid-Nederlandse zaak was. In het Noorden bleef het percentage aanhangers steken bij het getal 10; in het Zuiden – en dan vooral in het zuidwesten – waren streken waar het in de buurt van 80% lag.

Als er geen inquisitie was geweest zou de kerkelijke kaart van de Nederlanden er heel anders uitgezien hebben. Het Zuiden zou dan waarschijnlijk overwegend Gereformeerd geweest zijn. Ik zou – even waar-schijnlijk – een Rooms-Katholieke opvoeding hebben gekregen. Grote delen van het Noorden zijn van overheidswege geprotestantiseerd; voor Drenthe kan zelfs datum en jaar genoemd worden: 10 mei 1598 en dat op bevel van stadhouder Willem Lodewijk.

De vraag stelt zich waarom er in het Zuiden zo’n gunstige voedingsbodem was voor de leer zoals die door Calvijn werd voorgestaan. Zeker zal de economische situatie in de jaren ’60 van de 16e eeuw van invloed geweest zijn. Erich Kuttner wil ons in zijn Het Hongerjaar doen geloven dat dit aspect situatiebepalend is geweest. Mijn mening is dat als gevolg van het verval van de kerk (de kerk was tot een machtsinstrument verworden en had geen boodschap meer en het volk had aan wat daar voor moest doorgaan geen boodschap) er sprake was van een geestelijk vacuum. Anders gezegd: er was zeker honger, maar dan vooral naar Waarheid. Het stillen daarvan werd gevonden in de verkondiging van het Evangelie van de verlossing door Jezus Christus.

De man die voor de Nederlanden van grote betekenis is geweest voor deze Gereformeerde uitbraak is Guido de Brès. Gevormd als hij was in Genève werd hij de voorganger van de Gereformeerden in Doornik. Gevormd in Genève: dat wil zeggen les gehad hebben van Calvijn. In Vlaanderen kent men het spreekwoord: “Hij weet van geen hout pijlen te maken.” Waarschijnlijk is het een vertaling uit het Frans (of Picardisch) want ook Calvijn kende het, getuige de overlevering die hem laat zeggen: “Zend mij hout en ik zal er pijlen van maken.” Een van die pijlen was Guido de Brès.

Om koning Filips II ervan te overtuigen dat de volgelingen van Calvijn geen Wederdopers waren maar gezagsgetrouwe onderdanen (wordt door de dichter van het Wilhelmus tot uitdrukking gebracht in de versregel: “de koning van Hispanje heb ik altijd geëerd”) heeft hij de Confessio Belgica opgesteld. In 36 artikelen heeft hij onder woorden gebracht wat de kern is van het Gereformeerd belijden.

Dit getuigenis is over de muur gegooid van het kasteel in Doornik om stadhouder Noircarmes in de gelegenheid te stellen ervoor te zorgen dat de koning het onder ogen kreeg. Helaas heeft dit beroep op de koning niet het verhoopte gevolg gehad.

Toch was daarmee de zaak van de Reformatie niet doodgebloed. Voor een niet onbelangrijk deel is dit te danken geweest aan de organisatiegraad: kerkenraden (toen consistories genoemd) die leiding gaven aan de gemeen-ten en op gezette tijden in synodaal verband bijeenkwmen.

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53,

NL – 3905 CB Veenendaal