> nieuwsbrief > 28e jg. - 1e trimester 2010

Bijdragen over: Tip

Mededelingen

Hernieuwen ledenbijdrage 2010

Eens te meer nadert de jaarwisseling met rassé schreden. Voor de penningmeester brengt dit mee om ervoor te zorgen dat de hernieuwing van de bijdragen andermaal vlot verloopt. In ruil voor een ongewijzigde basis-bijdrage van 25 € verzekert u zich ook in 2010 van een abonnement op onze Zannekin Nieuwsbrief en van het – reeds 32e – Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’. Als steeds hopen we er andermaal op dat eenzelfde aantal leden spontaan deze basisbijdrage afronden tot het ronde bedrag van 30 €. Zij immers maken het ons mogelijk om extra-initiatieven te ontwikkelen, als b.v. de publicatie van brochures naast de Nieuwsbrief en het Jaarboek. Adressen buiten België vinden hierbij voor het eerst een internationaal overschrijvingsformulier. Alsdusdanig is dit niet bruikbaar ter betaling; wel vindt men er de korrekte IBAN- en BIC-codes op terug die een feilloze en kosteloze overboeking naar de Belgische Zannekin-rekening mogelijk maken. Betalingen met gebruikmaking van deze IBAN- en BIC-gegevens (kostenvrije Europese overschrijvingen) bereiken ons het vlotst en wel dagelijks. Via ons Nederlands girionummer is dit maar wekelijks en via onze Duitse konto slechts maandelijks! Aan u uiteraard de keuze!

Nieuw publiek

Tal van lezers krijgen met dit nummer voor het eerst onze Nieuwsbrief Zannekin en onze kennismakingsfolder onder ogen. Bedoeling is uiteraard hen voor onze initiatieven te winnen middels lidmaatschap. Omdat ook voor ons “koken geld kost” moeten we hen helaas meedelen dat dit - zonder “respons” van hun kant - meteen ook het laatste nummer is dat we hen kunnen toesturen. Uiteraard valt de Nieuwsbrief ook te lezen op het internet – dat geldt evenwel niet voor het Jaarboek De Nederlansen ‘extra muros’, waarvan u via dat medium slechts een recensietekst te lezen krijgt.


ZANNEKIN-activiteiten in 2010

Zaterdag 8 mei 2010

Studie-uitstap naar de Vlaams-Hollandse sporen
in KENT (GB)

Vertrek- en aankomstplaats: Brugge of Kortrijk – Vertrek- en aankomst-tijden worden later medegedeeld – Ook de deelnemingsprijs wordt tijdig bekendgemaakt.

Via Kales (Calais) per boot naar Dover. Langs schilderachtige wegen doorheen de tuin van Engeland naar Sandwich. In dit gemoedelijke stadje zijn nog talrijke Nederlandse sporen terug te vinden. In de zestiende eeuw verbleef er een belangrijke kolonie Vlaamse inwijkelingen, die op de vlucht waren omwille van de godsdienstconflicten binnen de Nederlanden. Het was tevens de uitvalsbasis voor de Bosgeuzen onder leiding van o.a. Jan Camerlynck, uit Hondschoote. In de 17e en 18e eeuw vestigden zich vooral Vlaamse wevers en Hollandse landbouwers en vaklieden. Terug via pittoreske wegen naar Dover en per boot naar Kales.

Logies zijn mogelijk in The Swingate Inn te Dover/Whitfield voor wie een meerdaagse wil van maken.

Voor meer info: 00 32 485 63 02 27 of leo.camerlynck@skynet.be

Van woensdag 22 tot en met zondag 26 september 2010

Studiereis op zoek naar Vlaams-Nederlandse sporen in Noord-Polen

 Vertrek- en aankomstplaats: Berlijn – Vertrek- en aankomsttijden worden later medegedeeld – Ook de deelnemingsprijs wordt tijdig bekendgemaakt.

Plaatsen die bezocht worden: Kulm (Chełmno) – Thorn (Toruń) – Danzig (Gdańsk) – Stedeken Holland (Preußisch-Holland / Pasłęk) – Marienburg (Malbork) – Elbing (Elbląg) – de Wijsel-delta en nog veel meer. Het volledig uitgewerkte programma leest u in de volgende Nieuwsbrief.

Logies zijn gepland in het Holland Hotel te Neuenburg-an-der-Weichsel (Nowe).
Voor meer info: 00 32 485 63 02 27 of leo.camerlynck@skynet.be

Zaterdag 9 oktober 2010

Ontmoetingsdag te Bentheim (D)

Cultuur-historische verkenning van het stadje Bentheim, waar nog tot in het interbellum in het Nederlands werd gepredikt. Het volledige programma leest in een volgende Nieuwsbrief.
Voor meer info: 00 31 318 51 00 87

En nog dit:

Aan deze activiteiten verleent de Stichting Zannekin haar medewerking

27 februari 2010 – Nederlands Dictee voor Frans-Vlamingen te Belle (Bailleul) (Huis van het Nederlands / Maison du Néerlandais)

Van 3 tot en met 18 april 2010 – Frans-Vlaamse Dagen te Nieuwpoort (Stadsbestuur Nieuwpoort)

24 april 2010 – Dagexcursie naar de Westhoek voor cursisten Nederlands uit Frans-Vlaanderen (Huis van het Nederlands / Maison du Néerlandais)

Lente 2010 – Driedaagse in Frans-Vlaanderen (Forum Vlaamse Vrouwen)

November 2010 – Cultuur- en Natuurdagen in de Fläming  (Fläming-Flandern eV)

 

De Zuidelijk(st)e Nederlanden


de zuidelijke nederlandenDe Devolutieoorlog had desastreuze gevolgen voor het zuidelijkste deel van Vlaanderen: het viel na een decennia lange veroveringstocht in handen van het Frankrijk van een zelfverklaarde Zonnekoning. In internationale context kon niemand weerwerk bieden tegen de Franse militaire druk: Spanje, Engeland en de Noordelijke Nederlanden capituleerden voor de Franse agressor: Artesië en een groot deel van Vlaanderen ging over in Franse handen. Dat werd beklonken in het Verdrag van de Pyreneeën (1659) en de Vrede van Nijmegen (1678), waar zelfs een stuk van het huidige West-Vlaanderen werd ingepalmd.

Na een korte periode van godsvrede begon men langzamerhand pogingen te doen om het gebied te verfransen. Dat gebeurde veelal op een indirecte manier, met een duidelijk doel voor ogen: de Vlaamse cultuur en taal vernietigen. De Vlaamse inwoners wilden de taal van de overheerser niet gebruiken. Dat deden ze pas veel later met veel tegenzin. Omwille van dit verzet werden ingrijpende maatregelen genomen na de Franse Revolutie om het Frans algemeen ingang te laten vinden in administratie, onderwijs, kerk… Deze maatregelen gaven nieuwe zuurstof aan Vlaamse actie in de streek.

De inwoners bleven vasthouden aan hun Vlaamse eigenheid en gebruiken, met inbegrip van het Nederlands als moedertaal. Het Nederlands bleef courant in gebruik tot diep in de 20e eeuw. Tot op vandaag bloeit het Vlaamse cultuurleven en zijn er mogelijkheden om op school weer Nederlands of Vlaams te leren.

Dit boek verhaalt het lot van dit deel van Vlaanderen dat door militaire en diplomatieke toevalligheden werd afgesplitst. Een verhaal van een eeuwenlange strijd voor het behoud van taal en cultuur. Bijzondere aandacht wordt besteed aan het Nederlands als taal in de streek en de strijd die deze Vlamingen – een onofficiële taalminderheid in Frankrijk - voeren tegen de verfransingspolitiek tot op vandaag.

__________________

N.a.v. Kristof Papin, ed., De Zuidelijke Nederlanden, 304 pp., formaat 24 x 34, rijk geïllustreerd. Prijs: 60€ (+ 10€ verzendkosten) via rekening BE64 892230152852 (IBAN), VDSPBE91(BIC). Afhalen kan na telefonische afspraak op 09-2303525 bij Johan van Herreweghe, Jan van Aelbroecklaan 16, 9050 Gentbrugge.


De Guldensporenslag

"L’'Ost Boueux", d.i. Het leger in demodder (in de Franse geschiedenisboeken)


Willy Alenus

Was de Guldensporenslag een overwinning voor Vlaanderen? Of was het de aanloop tot een nederlaag die op 23 juni 1305 werd bezegeld door het Verdrag van Athis-sur-Orge en op 23 augustus 1328 door het verliezen door Zannekin en de zijnen van de slag van Kassel? In werkelijkheid was de onafhankelijkheidsoorlog van Vlaanderen tegen Frankrijk begonnen in 1297 en zou hij eindigen in 1337-1338-1340, met de start van de Honderdjarige oorlog (1337-1453), waaraan Frankrijk bijna ten onder zou gaan.

Meerdere historici laten het Engels-Vlaamse Oude Bondgenootschap, waarbij ‘men’ het eens is over het beginjaar 1338, voorafgaan door een periode die men zou kunnen bestempelen als het “grote in de steek laten van Vlaanderen door Engeland”, zeker van 1299 (verdrag van Montreuil) tot 1338 (de kroning in Gent van koning Edward III van Engeland tot koning van Frankrijk). Deze “afwezigheid van bijstand aan een buurman in levensgevaar” is bewezen; in 1302, in Groeninge en in 1328, in Kassel, waren de beruchte Welshe boogschutters opvallend afwezig.

Maar koning Edward I (1239–1272–1307), de grootvader van koning Edward III, was niet het staatshoofd dat zijn natuurlijke bondgenoten in de steek liet. Zijn geopolitieke prioriteiten waren uiteraard de verovering van Wales (die lukte) en de verovering van Schotland (die mislukte en uiteindelijk zou moeten wachten tot 1603).

Voor de weetgierige lezer volstaat het André Maurois, Barbara Tuchman en Simon Schama er nog eens op na te lezen.1 Maar het is Maurice Druon, weliswaar een romanschrijver, die vanuit de Franse gezichtshoek de veertiende eeuw een brandmerk meegeeft,- “Ce siècle porte un nom, LA FLANDRE.”

Het Edwardiaanse Engeland (1272-1377)

Een opstand in Wales onder Llewelyn, die in 1276 was begonnen, eindigde met de inlijving van Wales bij Engeland (1284). In dat jaar werd de latere  Edward II geboren, de Engelse kroonprins die, als eerste, de titel Prins van Wales kreeg toegewezen.

De toekomstige koning Edward III, werd geboren in Windsor Castle, op 13 november 1312; hij zou ter ziele gaan in Londen, op 21 juni 1377. Hij was koning van Engeland van 1327 tot 1377, een record dat tot nu toe nog maar alleen door koningin Victoria werd gebroken (1837–1901) en door koningin Elizabeth II (sinds 1952). Hij was de oudste zoon van koning Edward II en van Isabelle, de dochter van koning Filips de Schone van Frankrijk en aartsvijand van Vlaanderen. Op 1 februari 1327 werd Edward III, dus als veertienjarige, tot koning gekroond.

In 1328 waren ook Filips VI van Valois, zoon van Karel van Valois, een broer van Filips de Schone en Edward III, een kleinzoon van Filips de Schone, beiden kandidaat geworden voor de opvolging van Karel IV, de derde kinderloze zoon van Filips de Schone, - dit zijn de zonen die daarom en niet alleen door Maurice Druon, “les Rois maudits”, de vervloekte koningen worden genoemd.

In het graafschap Vlaanderen was er, in illo tempore, een staat van oorlog ontstaan tussen de graaf, Lodewijk van Nevers, leenman van de koning van Frankrijk (en trouw aan zijn feodale eed) en de Vlamingen wier welstand voor een groot deel afhankelijk was van de import van Engelse wol. “L’Angleterre agricole et la Flandre industrielle vivaient en symbiose”, dixit André Maurois. De zomer van 1328 was nog niet voorbij of koning Filips VI moest Lodewijk van Nevers ter hulp snellen om in Kassel, dat vandaag in Zuid-Vlaanderen (Frankrijk) ligt, de Vlaamse volksopstand van de Kerels van kust-Vlaanderen, alsnog te helpen neerslaan, met het vuur en met het zwaard (23 augustus 1328).

Maar de toentertijdse Vlamingen dachten een oplossing te hebben gevonden, tegelijkertijd voor hun commerciële problemen (trouw aan Engeland) en hun feodale problemen (trouw aan Frankrijk), - vermits Edward III de zoon was van Isabelle van Frankrijk en bijgevolg eveneens kleinzoon van Filips IV de Schone, stelden zij alles in het werk om Edward III te overhalen de Franse kroon op te eisen. Aanvankelijk weigerde Edward III, mede omwille van zijn problemen met Schotland en zijn bekommernis om zijn leengoederen in Zuid-Frankrijk. Uit vrees voor Franse confiscatie van dit gebied en wegens de Franse interventies in Vlaanderen en Schotland, – twee territoria waar Engeland politiek en economisch vrije armslag wenste te behouden – nam Edward uiteindelijk in 1337 het besluit zijn aanspraken op de Franse troon met militaire middelen alsnog hard te maken. Filips VI confisqueerde toen Guyenne. Dit werd aanleiding tot een reeks van Engelse militaire operaties op het continent. De mooiste overwinning van de Vlaamse-Engelse alliantie liet niet op zich wachten. Op 24 juni 1340 werd de gecombineerde Frans-Genuese vloot vernietigd in de toen nog niet verzande baai van Sluis (het Zwn). Met verlies van 15.000 manschappen. Het Vlaamse-Engelse bondgenootschap had 9.000 man te betreuren.

De honderdjarige oorlog die was begonnen in 1337, zou eindigen in 1453. Alleen de oude Vlaamse stad Kales/Calais zou nog in Engelse handen blijven. Maar Vlaanderen had ondertussen meer dan een eeuw zonder de noordwaarts gerichte druk van het imperialistische Frankrijk kunnen leven.

En Groot-Brittannië zou - (Napoleon zou het tot zijn schade en schande ondervinden) - “geen Franse bajonet meer dulden tussen de Westerschelde en Duinkerke”. Uiteindelijk was dus Vlaanderen de overwinnaar, maar de overwinning van 11 juli 1302, kan niet worden gezien, los van 1338, de start van het Oude Bondgenootschap Engeland-Vlaanderen (1338-1638) en de grootste nederlaag ooit van de Franse vloot in 1340.

_____________________

1 André MAUROIS, Histoire d’Angleterre (1937); Barbara TUCHMAN, A Distant Mirror – The Calamitous Fourteenth Century (1978); Simon SCHAMA, A History of Britain (2000–2002); Maurice DRUON, Les Rois Maudits, Le Roi de Fer (1950–1960).

Terugblik op de Ontmoetingsdag te Kornelimünster: het laatste woord

Leo Camerlynck

De Marktplaats van Kornelimünster

Op 17 oktober 2009 waren we te Korenelimïunster nabij Aken waar onze Ontmoetingsdag doorging. Dr. José CAJOT gaf er een lezing over de taal-toestanden in het gebied tussen Maas en Eifel. Bij wijze van nasmaakje vindt u hierbij een beschrijving van het dialect in de Platdietse streek, dat tussen de Voerstreek en Aken ligt. Het betreft meer bepaald het dialect van Gemmenich.

Over de "Diksjonäär van et Jömelejer Plat"

Hierna volgt een interessant uittreksel uit de mooi verzorgde webstek van een werkgroep uit deze Platdietse streek. U vindt hem op http://users.telenet.be/sf15116/Platt/ Dialecten zijn een belangrijk bestand-deel van ons historisch en cultureel erfgoed. Het zou een groot verlies betekenen als men ze liet verdwijnen. Zo dachten ook Pierre Straet, Jean Gerrekens en Jules Aldenhoff toen ze op initiatief van laatstgenoemde voor de eerste keer samen kwamen en beslisten een woordenboek van hun dialect, het Gemmenichs, te schrijven.

Het woordenboek was immers al begin september 2003 bj de uitgeverij "Grenz-Echo" verschenen. Bestellingen zijn. o.a. online mogelijk - zie pagina "praktische informatie". Of via de post mits te bestellen bij Boek-handel Welter, César Franck straat 1, B - 4851 Gemmenich / Bleiberg

Deze webstek is niet enkel een voorstelling van het werk - hoe ze het aangepakt hebben, welke problemen en moeilijkheden ze tegengekomen zijn, enz. - maar moet ook een actuele informatiebron worden voor alles wat met het Platdietse dialect te maken heeft.

Dialecten en cultuurtalen

In tegenstelling tot wat veel mensen denken, zijn dialecten niet van cultuurtalen "afgeleid". Vroeger bestonden er enkel locale dialecten. Cul-tuurtalen zijn eigenlijk dialecten die door bepaalde historische gebeurtenissen of door de ligging van het gebied waar ze gesproken werden een overregionale uitstraling hebben gekend.

Zo is bijvoorbeeld de wieg van de Franse taal het "Ile de France", de streek rond Parijs, politiek en cultureel hart van het land, omdat het hof van de koning er gevestigd was. In Duitsland was het Luther die met zijn bijbelvertaling zijn dialect bij wijze van spreken tot cultuurtaal verhief.

Het dialect van Gemmenich in het Germaanse taallandschap

Het dialect van Gemmenich behoort tot het Nederfrankisch, meer bepaald tot een van de varianten die in een smalle landstreep van Eupen tot Düssel-dorf wordt gesproken. De varianten verschillen vooral door de mate waarin zijn de tweede klankverschuiving hebben ondergaan. Een blik op de kaart maakt dit meteen duidelijk.

De afscheidingslijnen tussen de varianten zijn naar plaatsen genaamd die zich erop bevinden. De meest typische en bekende zijn de lijn van Ürdingen en de lijn van Benrath. Ons gebied bevindt zich tussen deze twee lijnen, die de overgang van "ch" naar "k" aanduiden. De lijn van Ürdingen bestaat feitelijk uit meerder lijnen die zich in Ürdingen kruisen en de scheiding van ik/ich (en varianten) aanduiden.

De lijn van Benrath scheidt de klanken "k" (Nederfrankisch) en "ch" (Ripuarisch) in gevallen zoals "maken" en "machen". Gemmenich ligt praktisch op deze lijn. Zegt men bij ons immers nog maake (maken), saakens (zaken), so luidt dit enkele km verder, in Aken, mache en sache.

Duits of Nederlands?

Zoals hoger aangehaald zijn dialecten historisch volwaardige talen. Toch ontstaan er steeds weer discussies: is het een of ander dialect dan toch niet eerder Nederlands of eerder Duits? Dit is zeker het geval voor ons dialect omdat het zich juist op de grens tussen twee cultuurtaalgebieden bevindt.

Dergelijke vragen worden binnen Duitsland of Nederland doorgaans niet gesteld, hoewel men daar ook heel wat varianten tegenkomt. Men zou daarom kunnen concluderen dat dergelijke uitspraken eerder op politieke dan op taalwetenschappelijke overwegingen berusten.

Deze argumentatie vertrekt altijd en uitsluitend van de tweede klankverschuiving van de medeklinkers, terwijl er andere elementen zijn die mee bepalen tot welke taalgroep een dialect behoort. In de inleiding van ons woordenboek schrijven wij:

Wij hebben het juist geacht om gedeeltelijk de schrijfregels van de cultuurtaal over te nemen waar ons dialect het dichtst bij aanleunt, en dat is het Duits. Hieronder willen we dit statement aan de hand van objectieve argumenten verder onderbouwen.

Cultuurtaal

Taalkundig en historisch heeft Gemmenich - ongeacht de talrijke verschui-vingen die de Europese geschiedenis in het algemeen kenmerken - vaak onder Duitse invloed gestaan. Typerend hiervoor zijn de talrijke woorden die het Plat van het Duits heeft overgenomen: tsum bajspiil (bijvoorbeeld), tsiidong (krant), roüber (rover)… Na de 2e Wereldoorlog werd het Frans de administratieve taal, en zo vonden ook Franse woorden een plek in het plaat-selijke dialect: filätmakroo (makreelfilet), radjografii (Röntgenbeeld)… Nederlandse leenwoorden zijn daarentegen nauwelijks te vinden.

Taalkundige kenmerken

Zoals gezegd worden de dialectfamilies bijna uitsluitend op basis van criteria van de tweede klankverschuiving geclassificeerd. Klinkers spelen echter ook een grote rol in het onderscheiden van de diverse dialecten. Diafonie of verschuiving van de klinkers (ook gekend onder de Duitse benaming umlaut) is een dergelijk aspect dat ons dialect met het Duits deelt. Men vindt dit o.a. in meervoudvormen, diminutieven, vervoegingen… In het Nederlands komt dit zelden voor. Hier zijn enkele voorbeelden:

§         vaal, Pl. väl (dt. Fall/Fälle, nl. geval/gevallen)

§         koo, Pl. köö (dt. Kuh/Kühe, nl. koe/koeien)

§         book, Dim. bökske (dt. Buch/Büchlein, nl. boek/boekje)

§         ech val, doo vels (dt. ich falle/du fällst, nl. ik val, je valt)

De sterke meervoudsvormen zijn grotendeels behouden gebleven, in tegenstelling tot het Nederlands, waar de zwakke vormen "-(e)n" en "-s" overwegen:

§         woasch, wöasch (dt. Wurst, Würste, nl. worst, worsten)

§         kenk, kenger (dt. Kind, Kinder, nl. kind, kinderen) (In het nl. werd aan de sterke vorm kinder nog "-en" toegevoegd omdat ze niet meer als meervoud werd aangevoeld.)

§         bank, bänk = zitbank (dt. Bank, Bänke, nl. bank, banken)

§         bank, banke = financiële instelling (dt. Bank, Banken, nl. bank, banken)

§         spääler, spääler (dt. Spieler, Spieler, nl. speler, spelers)

Vele suffixen van adjectieven en substantieven leunen dichter bij de Duitse dan bij de Nederlandse vorm aan:

§         bootschaft, reakenschaft (dt. Botschaft, Rechenschaft nl. boodschap, rekenschap)

§         reakenung, mäldung (dt. Rechnung, Meldung, nl. rekening, melding)

§         studäntin, aptiekerin (dt. Studentin, Apothekerin, nl. studente, apothe-keres)

§         politiker, eläktriker (dt. Politiker, Elektriker, nl. politicus, electricien)

§         werekleĝkeet, mööleĝkeet (dt. Wirklichkeit, Möglichkeit, nl. werkelijk-heid, mogelijkheid)

Tenslotte valt nog op dat bij de meeste valse vrienden (woorden met gelijkaardige vorm maar verschillende betekenis in 2 talen) het dialectwoord dezelfde betekenis heeft als het Duitse:

§         nät (dt. nett, nl. aardig; nl. net = dt. soeben)

§         döare (dt. dürfen, nl. mogen; nl. durven = dt. wagen)

§         schlääm (dt. schlimm, nl. erg; nl. slim = dt. schlau)

Bijzonderheden van het dialect van Gemmenich

In de meeste gevallen is het verwandschap van het dialect van Gemmenich met de aangrenzende kultuurtalen duidelijk:

Ose klenge jeet no jen schuel (onze kleine gaat naar school)

Der buur mot noch de köö mäleke (de boer moet nog de koeien melken)

Daarnaast zijn er Germaanse woorden, die in het Duits en/of in het Nederlands niet (meer) bestaan, maar wel nog in andere Germaanse talen te vinden zijn. Typisch voorbeeld is het woord schaav (kast), dat men ook in het Deens skaf terugvindt (en, maar met gewijzigde betekenis, in nl. schap).

Men vindt in het dialect van Gemmenich tenslotte ook woorden die in geen andere taal opduiken, tenminste voor zover wij dit kunnen beoordelen. Enkele voorbeelden: hüüv (knikker), schlödĵ (pantoffel, gebak, muil), mölsch (slechte koffie), enz.

Tot zover, het uittreksel uit de webstek van de werkgroep die het woordenboek schreef. Nog meer vernam u over dit boeiende drielanden- en vijfgewestengebieden op 17 oktober 2009 in Kornelimünster.


Korte geschiedenis van Kornelimünster op rijm


Josef Dautzenberg

Kornelimünster, edle Perle im schönen Münsterlande,

historisches Kleinod am Indestrande.

Dein Alter möchten wir so gerne erfahren.

Nach Grabung und Forschung wohnten die Kelten hier schon vor 2300 Jahren.

Inda wird von den Kelten die Siedlung genannt.

Ob zuerst Ort oder Fluss so hießen, ist unbekannt.

Weil es so schön ist hat`s, wohl noch vielen gefallen.

Steinerne Zeugen sagen, auch die Gallier waren hier in Tempel und Hallen.

Von ca. Jahr Null bis zum Jahr ca. Dreihundert

siedelten die Römer hier. Bei solch herrlicher Landschaft ist man da nicht verwundert.

Für ihre Soldaten hatte es, das jetzt Varnenum hieß, noch besonderen Wert,

weil zwei große Heerstraßen den Ort durchquert.

Wege, die schon damals viele Länder und Völker verbanden,

ein Vorteil vielleicht für Pilger, die im Mittelalter kamen aus allen Landen?

Sogar ein einst so prachtvolles Rom konnte zerfallen,

auch hier verödeten und zerbrachen Tempel und Hallen.

Vorbei aller Glanz und Römische Macht,

ihr Varnenum verfiel in Jahrhunderte geschichtlicher Nacht.

Es wird vermutet, dass Kaiser Karl zum Jagen und Ausruhen hierher kam.

Sein Sohn Ludwig der Fromme sich das als Erholungsort nahm.

Um etwas zu tun für Religion, Bildung und Kultur zum Wohle aller Bevölkerungsschichten,

ließ er für seinen Freund und Berater, Benedikt von Aniane, 814 ein Kloster errichten.

Ludwig der Fromme schenkte dem Kloster drei biblische Heiligtümer und einen großen Reliquienschatz.

Er machte es zum Vorbildkloster für viele Lande, nicht nur für diesen Platz.

Das halbe Grabtuch hat Kaiser Karl der Kahle mit nach Compiegne genommen.

Dafür hat hier das Kloster die Hauptreliquien von den hll. Cyprian und Cornelius bekommen.

Die Benediktiner nahmen nun den Aufbau des Ortes “ohne Namen“ in die Hand.

Das Welterlöser Kloster an der Inde und die Heiligtümer wurden bekannt.

Weil die Corneliusverehrung immer größere Ausmaße annahm,

das Kloster nach 200 Jahren einen neuen Namen bekam.

Monasterium St. Cornelii ad Indam wurde das Kloster nun genannt,

woraus auch der Ort Cornelimünster entstand.

Bald kamen die Normannen mit Äxten und anderen Waffen,

zerstörten vieles von dem was bisher war geschaffen.

Es war ein grausames Brandschatzen und Morden.

Der heute selige Abt Egilhard ist damals von ihnen erschlagen worden.

Mit Otto dem III. ein Wiederaufbau von Kirche und Ort begann.

Mit Landwirtschaft und Handwerk in vielerlei Zünften fing ein Aufblühen an.

Je mehr Pilger kamen um so größer und prachtvoller wurde die Kirche gestaltet.

Vieles wertvoll und altehrwürdig aber nicht veraltet.

Die Heiligtümer und die Korneliusreliquie zogen Menschen aus aller Herren Länder hier her,

auch die Pilger mit Korneliuskrankheit kamen immer mehr.

Kornelius muss oft wohl geholfen haben, sonst hätte man der Epilepsie nicht seinen Namen gegeben.

So hoffen auch wir, dass weiterhin hilft ein kirchlicher Segen.

Aus dem Mittelalter gibt’s noch viel zu sagen und zu dichten.

Soll ich euch von den freien Händlern berichten,

die den Wallfahrtsweg von Aachen nach Kornelimünster säumten

und es oft schafften, dass die Wanderer den Pilgerbeutel nahezu ausräumten?

Oder von den Mönchen, die trotz mühevollem Walten,

es nicht schafften, Kloster und Güter zusammenzuhalten?

Dann lieber von den Äbten, die klug und vorausschauend planten

und damit den Weg für Aufschwung und Wohlergehen für das Münsterland bahnten.

Das machte die Aachener öfter mal neidisch, und sie versuchten uns zu berauben.

Die Münsterländer haben sich gut verteidigt, das könnt ihr mir glauben.

Doch trotz der Schutzherrn aus Jülich: das Kloster niederzubrennen, ist den Aachenern gelungen.

Dafür wurden sie vom Kaiser zu jahrelangen Wiederaufbauzahlungen gezwungen.

Napoleon hat ja die Auflösung der Klöster gewagt.

Doch heute wird der Ort von der neuen Benediktinerabtei überragt.

Zu Kornelimünster gehört auch sein Klauser Wald, ein Naturparadies,

das schon Napoleon für seine Stieftochter entdeckt, wie es hieß.

Er wollte für sie ein Lustschloss noch bauen, fertig waren schon herrliche Parkanlagen.

Doch wo ist alles geblieben? Ihn kann man heute dazu nicht mehr fragen.

Es ist gut, dass nicht alles so schnell vergeht.

Es ist schön, dass 200 Jahre nach Napoleon die Kapelle Maria im Schnee“ in der Klause noch steht,

wo doch schon 200 Jahre vor Napoleon dort Eremiten gelebt.

Schön erhalten ist auch des Ortes malerischer Kern,

viele Menschen kommen immer wieder hierhin, von nah und fern.

Des Städtchens Mitte ist eingerahmt von Kirche und schmucken Fassaden. Blumen- geschmückt und bestrahlt bei Sonnenschein

lädt es doch wirklich jeden gern zum Verweilen ein.

Drum sag ich mit freudigem Herzen noch mal:


Een minder bekend bouwwerk in de Franse Nederlanden

Dorothee van Wallene-Sweers, Kockengen

In het voorjaar van 2008 kwamen we in Straatsburg bij toeval tot de ontdekking dat +/- 15 km van Bethune – en wel te Fresnicourt-le-Dolmen - de mooiste waterburcht van de Franse Nederlanden staat.

Het gave schilderachtige monumentaal bouwwerk, bestaande uit 7 torens, omgeven door de Lawe, gaat terug tot de 13e eeuw; het heeft zelfs nog oudere muurfragmenten uit de Merovingische tijd.

De oudst bekende bewoner was een zekere Hughes d’Olhain. Deze kruisridder nam evenals Boudewijn IX, graaf van Vlaanderen en Henegouwen, deel aan de Slag van Constantinopel. Gingen ze samen op kruistocht? Kenden ze elkaar of hebben ze elkaar daar ontmoet?

Onderging Hugo een soortgelijk lot als Boudewijn die zich na de overwinning tot keizer van het Latijnse rijk liet uitroepen, gevangen werd genomen en terecht gesteld werd in Veliko Turnove, de oude hoofdstad van Bulgarije?

Veel weten we niet over Hughes d’Olhain, maar gedurende de 13e en 14e eeuw bewoonden meerder ridders d’Olhain het kasteel. De laatste van dat geslacht was ene Marie d’Olhain die huwde met Jean de Nielles.

Gedurende de Honderdjarige Oorlog werden delen van het kasteel verwoest. Jean de Nielles had een belangrijke taak als minister van financiën onder Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondië, en later onder de Franse koning Karel VI. Hij zou ook een belangrijk bemiddellaar geweest zijn in de conflicten tussen de Franse koning en de hertog van Bourgondië. Zijn graftombe van 1423 bevindt zich op de binnenplaats tussen twee dikke ronde torens.

 

De waterburcht te Fresnicourt-le-Dolmen nabij Bethune

De wachttoren met een wenteltrap van honderd treden voert onder andere naar de donjon, waar op een sluitsteen het teken van het Gulden Vlies gebeiteld staat.

Alix van Nielles trouwde met Jean de Recourt, die in 1415 met tal van Franse ridders sneuvelde in de Slag van Azincourt. Haar tweede echtgenoot Jean de Berghes (Sint-Winoksbergen), eveneens Gulden Vliesridder, nam deel aan de overwinning te Compiegne met Filips de Goede, waarbij Jeanne d’Arc gevangen genomen werd.

In 1641 was het kasteel bezet door de Spanjaarden, toen het bij verrassing ingenomen werd door een detachement van het Franse garnizoen van Atrecht. Iedereen die gewapend was, werd een kopje kleiner gemaakt. René van Berghes werd vermoord bij Rocroi op bevel van Condé.

Omstreeks 1700 werd het kasteel bezet door de Hollanders na de overgave van Bethuine. Rond 1840 richtte een zekere hertog Alphonse van St.-Winoksbergen en zijn vrouw Gebrielle de Broglies een kapel op in de zuidelijke toren. De relieken van een zekere heilige Constance, Romeinse martelares, die in deze kapel werden bijgezet, rusten thans onder het hoofdaltaar van de kerk van Fresnicourt.

De laatste heet van Olhain was een zekere Pierre Marie de Berghes. Hij was actief in 187 tijdens de Frans-Duitse oorlog.

Het landschap rond Fresnicourt le Dolmen was in de maand mei verblindend mooi. Ik had de moed om op handen en voeten over uitgesleten stenen treden zonder leuning, de wachttoren te beklimmen, om van het uitzicht te genieten. Dat alles op een steenworp van Bethune!


Robeke – Roubaix - Roodebeeke


In de voorbije jaargang van onze ZANNEKIN-Nieuwsbrief  werd op enigs-zins polemische toon aandacht besteed aan deze plaatsnaam: In het nummer 2009/2 kwam Gustaaf Callebaut aan het woord met Robeke moet hebben bestaan. In het nummer 2009/3 kwam daarop een repliek van Guido Vandevyvere met “Robeke MOET hebben bestaan”. Gustaaf Callebaut antwoordde daarop in nummer 2009/4 met Roubaix, ’t was maar een vraag.

Ons bestuurslid Ruud Bruijns kwam tot de ontdekking dat er ook nog een variant op deze plaatsnaam bestaat, namelijk Roodebeeke. Hij noteerde daarover: “In het digitale krantenarchief van de Nederlandse Koninklijke Bibliotheek (http://kranten.kb.nl/index2.html) vond ik een merkwaardige vertaling van de naam van de Noord-Franse / Zuid-Vlaamse stad Roubaix: Roodebeeke. Dit werd in Het Vaderland en ook in de Nieuiwe Rotterdamsche Courant eind jaren ’20 en tijdens het interbellum vrij consequent in Nederlandse kranten zo gespeld. Wellicht kan hier aandacht aan worden besteed in de Nieuwsbrief van Zannekin.”

Na het intikken van het webadres als zoekwoord “Roodebeke” invullen en je krijgt de betreffende kranten onder ogen. Een enkele maal gaat het om graaf ’t Kint de Roodebeke, maar meestal om nieuwsfeiten over Robeke/Roubaix.

In Wetenschappelijke Tijdingen 2009/3 troffen we onderstaand kaartje aan, ontleend aan Het Vlaamsche Recht en Frans-Vlaanderen, in 1918 gepubliceerd door Rob van Roosbroeck. Rechtsonder: Roodebeeke!

 

Vanaf de zijlijn


Marten Heida

“Raadsel”-achtige dialectdag

Ik ben me er van bewust dat dit opschrift niet uitmunt door duidelijkheid. Erg verwonderlijk is dit niet als bedacht wordt dat de toespraken op de op 31 oktober 2009 te Heek-Nienborg belegde Dialectdag door raadsels en raadselrijmen omgeven waren. Om daarin wat klaarheid te brengen was deze dag ingericht.

Na een treffend woord van verwelkoming door de dagvoorzitter mevr. Beskers uit Winterswijk kreeg dr. Timothy Sodmann van haar de gelegen-heid met zijn voordracht van wal te steken. Hij begon met de rake opmer-king dat dagene wat men weet geen raadsel meer is. Aangezien er nog veel is wat niet geweten wordt ligt het voor de hand dat er nog veel raadsels zijn. Dat was in het verleden meer het geval dan tegenwoordig. Vroeger maakten raadsels een vast bestanddeel uit van de cultuur van veel volken. Vastgesteld kan dan ook worden dat raadsels en raadselrijmen tot de oudste vormen van literatuur behoren. Ze kunnen worden beschouwd als kiemcel van de geest. In dit verband verwees Sodmann naar de orakelspreuken van Delphi en het raadsel dat Simson aan de bruidsjonkers opgaf. Vooral in het laatste komt een bepalend element van de oude raadsels duidelijk naar voren: de strijd op leven en dood. In de vroege middeleeuwen ontstonden de latijnse raadsels. Ze geven inzicht in de ideeënwereld van de toenmalige samenleving. Wel moet daarbij bedacht worden dat er niets schriftelijk vastlag; het behouden-blijven was een zaak van mondlinge overlevering die vaak toegelicht werd met beelden.

Drs. Hans de Beukelaer uit Doetinchem was de volgende referent. Hij spitste zijn verhaal toe op wat er nog aan raadsels en raadselrijmen bewaard gebleven is in de Achterhoek en de Liemers. Hij onderstreepte de conclusie van Sodmann dat het raadsel-gebeuren tot het rijk van de vertelcultuur behoort; immers vroeger was lang niet iedereen de leeskunst machtig. Veel raadsels worden gekenmerkt door humor maar in minstens evenveel gevallen zit er een brok wijsheid in verpakt. Ook hebben ze vaak natuur-verschijnselen tot onderwerp; niet vergeten mag worden dat men vroeger veel dichter bij de natuur leefde. Vandaar dat men toen de raadsels vaak beschouwde als een lagere trap van kunstuiting. Gelukkig is men gaande-weg gaan de rijkdom gaan ontdekken die erin opgesloten ligt.

Als laatste “spreker” kwam Henk Krosenbrink uit Winterwijk aan het woord. Ik heb met opzet het woord “spreker” tussen aanhalingstekens geplaatst. Hij was namelijk niet van plan het woord te voeren; hij had iets totaal anders in petto. De ruim 50 aanwezigen op deze grensoverschrijdende bijeenkomst kregen de opdracht de betekenis te achterhalen van een 15-tal raadsels die zowel in het Westmunsterlands als in het Achterhoeks “opge-diend” werden. Als één ding duidelijk werd uit deze ludieke wedsrijd dan wel dat het merendeel van het 15-tal uit het geheugen van de aanwezigen was verdwenen. Maar ja, wat wil je: we zitten ook niet meer bij een flakkerend houtvuur ingespannen te luisteren naar een grootvader die nog in het geestelijk bezit is van deze erfenis.

Pröäties ower ‘n Tun

Behalve als dichter stond Karl Naber ook bekend als “praatjesmaker”. Doorgaans heeft deze onderscheding een negatieve inhoud maar voor de verhaaltjes van Naber gaat dit niet op. Deze woordkunstenaar werd op 10 mei 1900 in Veldhausen – een dorp in de Graafschap Bentheim – geboren en overleed er op 5 maart 1970. Zijn werkterrein lag binnen het onderwijs; van 1920 tot 1963 heeft hij voor de klas gestaan met uitzondering van de zes oorlogsjaren. Buiten zijn schoolwerk had hij veel belangstelling voor de natur en de geschiedenis van zijn geboortestreek. Verder stond hij bekend als een geboren verteller in het Graafschapper Platt. Als voorbeeld daarvan heeft dr. Raben mij het navolgend verhaal aangereikt met het hoger vermelde opschrift. Ik denk dat het niet al te veel inspanning zal vragen om deze tekst te begrijpen. Afsluitend wijs ik erop dat Naber het woord “Tun” (= tuin) nog in zijn oorspronkelijke betekenis – te weten die van omheining – gebruikt.

Pröäties ower ‘n Tun

“Gert putzt siene Brummfieze. ’Wosse dat Ding ‘n nyt Gesicht gewen, Gert?’ ‘Joa, Harm, en dann kump se up de Hiele. Et wott Winter, en sonn Ding mott met de Kohne up ‘n Stal. Men du löäws nich, Harm, wat ik doar net by belewt hebbe! Doar hadde ik’n Schötteltien met Benzin by stoan. En wat meen ‘se wall? Doar kwamp doch unsen aulen Kater, denn swattbunten, du kenns em jawail. Hee heff soa de Remme in de Beene, dat hee hoaste nich miär foartkummen kann. Hee dräide alle üm my too, en hee snööw an dat Schötteltien, schütt de ’n paar Moal met ‘n Kopp, möök ‘n heel sur Gesicht en lööp futt. ‘N Settien later, ik hadde dr erst garginn acht up gewen, was dat Schötteltien löög. Joa, doar was gin Spier miar in, den Kater hadde et alle upsoppen en was dann noa buten häin lopen. Nu muss ik doch is sehn, wij em dat wall goane was. Ik löp em noa en du löäws nich, wat ik doar söög. Doar sprüink den aulen Kater net as ‘n Unwiesen up en dale in den hoogen Bihrenboam - noa bowen, en dann wiär noa unnern - ik segge ja, net as of hee mall was. Ik hehbe dr wall ‘n Ketiär met Vemaak noa kekken. Doch up’t Moal wööt et sachter. Hee kwamp noch bis in den ersten Bytoog en dann – plumps - doar lag hee dr dale.’ ’Dann was hee doch wisse wall doat, Gert?’ – ’Nee, Harm, dat nich, men hee hadde ginnen Betriehsstoff miär, den Tank was lög, hee muss wiär heele bedaat aon.’“

Marten Heida, Prins Willem Alexanderpark 53, NL – 3905 CB Veenendaal


Le wallon accède enfin au rang de langue


Pour les linguistes qui s’attachent â les décrire, toutes les langues se valent et, de ce point de vue, il n’y a pas lieu d’établir entre elles des hiérarchies qui relèvent plutôt de leur utilisation sociale ou de leur “valeur” économique. Les promoteurs du wallon, du picard et du gaumais protestent de même lorsqu’il est question de dialectes (ou pire encore de patois), plutôt que de langues, pour désigner les variétés endogènes de la Wallonie. Un dictionnaire de référence comme le Petit Robert a été plus d’une fois contesté sur ce plan, lui qui définissait le wallon comme un “Dialecte roman français parlé dans cette région Wallonie]”. Définissait, car l’édition 2009 du Petit Robert a enfin rectifié cette définition, grâce à l’intervention du professeur Michel Francard (UCL), qui a été chargé de la refonte du Petit Robert dans sa composante “belge” et qui a profité de ce travail pour remettre les pendules (linguistiques) à l’heure. Dès cette édition, le wallon est défini “Langue romane en usage dans cette région [= Wallonie]”, ce qui est plus conforme non seulement à la réalité linguistique, mais aussi aux aspirations des promoteurs du patrimoine linguistique de la Wallonie.

Prof. Michel Francard

___________________

Bron: Cocoroco – Magazine du bilinguisme wallon, nr. 10, 2e kwartaal 2009.