> nieuwsbrief > 1e trimester 2011

Bijdragen over: Tip

Mededelingen

Pruisisch Holland

Hernieuwen bijdragen 2011

Eens te meer nadert de jaarwisseling met rassé schreden. Voor de penningmeester brengt dit mee om ervoor te zorgen dat de hernieuwing van de bijdragen andermaal vlot verloopt. In ruil voor een ongewijzigde basisbijdrage van 25 € verzekert u zich ook in 2011 van een abonnement op onze Zannekin Nieuwsbrief en van het – reeds 33e – Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’. Als steeds hopen we er andermaal op dat eenzelfde aantal leden spontaan deze basisbijdrage afronden tot het ronde bedrag van 30 €. Zij immers maken het ons mogelijk om extra-initiatieven te ontwikkelen, als b.v. de publicatie van brochures naast de Nieuwsbrief en het Jaarboek. Ook de adressen buiten België vinden hierbij voor het eerst een internationaal overschrijvingsformulier. Alsdusdanig is dit wellicht niet bruikbaar ter betaling; wel vindt men er de korrekte IBAN- en BIC-codes op terug die een feilloze en kosteloze overboeking naar de Belgische Zannekin-rekening mogelijk maken. Betalingen met gebruikmaking van deze IBAN- en BIC-gegevens (kostenvrije Europese overschrijvingen) bereiken ons het vlotst en wel dagelijks. Voor ons Nederlands girionummer zijn voortaan ook de IBAN- en BIC-codes van toepassing (cf. onderaan p. 1). Gezien de evolutie inzake internationaal betaalverkeer werd onze Duitse Postcheckkonto opgezegd. We raden dringend aan om bij voorkeur van onze Belgische rekening (waarvan gegevens op bijlage) gebruik te maken. Ze biedt ons dagelijks de actuele stand van zaken.

29e jaargang!

De jaargang 2010 van onze Nieuwsbrief Zannekin droeg het jaar-gangnummer 27. dit eerste nummer van de jaatgang 2011 draagt het jaar-gangnummer 29. Slaan we dan zomaar een jaargang over? Hellemaal niet: we zetten alleen maar een al jarenlange foutieve nummering recht! We hebben het met name gepresteerd om twee jaargangen met het nummer 22 uit te geven en wel in 2004 en 2005. Sindsdien loopt het mis en dit willen we met ingang van 2011 rechtzetten. Die foute nummering geldt overigens slechts voor de gedrukte versie van de Nieuwsbrief. De electronische versie is steeds aan dit euvel ontsnapt!

Davidsfondskalender Frans-Vlaanderen 2011

Een jaar in de Franse Nederlanden – Un an dans les Pays-Bas Français. Onder dit motto verscheen recent de tweetalige nieuwe Frans-Vlaamse kalender. Op één na zijn alles foto’s andermaal van de hand van Cyriel Moeyaert. Hij wisselde stads- en natuurzichten af met foto’s van kunst-werken. Deze worden telkens uitgebreid toegelicht en becommentarieerd op de achterzijde.

Mits overboeking van 8 € (verzendkosten inbegrepen) op rekening 000-1529169-61 t.n.v. DF-Frans-Vlaanderen, krijgt u de kalender thuisbezorgd. Méér info: Jan van Ormelingen, Holsbeeksestw. 33, 3200 Gelrode, tel. 0473 97 48 51, e-adres: janvanormelingen@yahoo.com

Durbuy, de kleinste stad ter wereld

Van 11 september tot en met 3 oktober 2010 werden onder de titel “Exposition BD (Bandes Desinnées) et Dédicasses” acht grote (1 m breed, 3 m hoog) pagina’s uit het stripboek Durbuy de kleinste stad ter wereld tentoongesteld in de middeleeuwse binnenstad, gelegen in de Belgische provincie Luxemburg. Het stripboek is te verkrijgen in het Frans, Nederlands en Engels voor 10 € (exclusief verzendkosten). Via www.coccinellebd.be  In het zeer fraai uitgevoerde stripboek met harde kaft wordt in 40 pp. de geschiedenis van de stad doorgenomen. Educatief en plezierig. Best de moeite waard. (Rufi Koot)

Terugblik op Bentheim

Onze Ontmoetingsdag van 23 oktober jl. kon niet bogen op een zeer talrijke opkomst; wel op een boeiende invulling van het programma. Dit werd dan ook door de aanwezigen gesmaakt en naar waarde geschat.

Gezien de te overbruggen verre afstand (vanuit Vlaanderen gezien dan toch) hadden we er wellicht beter aan gedaan om er van meet af aan een twee-daagse van te maken (waarvoor nogal wat deelnemers trouwens op eigen initiatief geopteerd hadden). Bad Bentheim is overigens niet opéén dag “te doen”, wanneer daarbij ook nog lezingen de ganse voormiddag in beslag nemen. In de namiddag bleef ruimschoots de tijd voor een bezoek aan de burcht; het Steenmuseum viel door tijdsgebrek spijtig genoeg tussen de plooien. Wie al op vrijdagavond present was kreeg er nog een extraatje bovenop: een nachtelijke rondgang met de “nachtwacht” die ons op een ludieke wijze kennis liet maken met het verleden (en de mythes) van Bentheim doorheen de eeuwen. Niet voorzien in het programma, maar des te meer gesmaakt!

 

Zannekin-Studieuitstap zaterdag 30 april 2011

Daguitstap naar Frans-Vlaanderen vanuit Nieuwpoort


Thema: Over en rond de heilige Vlaamse berg, veldslagen en bosgeuzen.

Programma:

08.00 uur: samenkomst op het Marktplein te Nieuwpoort

08.15 uur: vertrek busrit via De Moeren en Houtem naar Hondschoote.

08.45 uur: Hondschoote: koffie met gebakjes in Ons Kot te Hondschoote en bezoek aan het stadje, met Sint-Vedastuskerk, het stadhuis, windmolens, de saainijveheid (scotta), kloosterveld met kapel, hagenpreken met Sebastiaan Matte en Jocob de Buzere, bosgeuzen o.l.v. Jan Camerlynck, veldslag.

10.45 uur: busrit via Herzeele en Wormhout naar Cassel.

11.15 uur: Cassel, ontvangst door het stadsbestuur op de Mairie, korte lezing over Cassel door de eeuwen heen, het Reuzelied en over de Casselse predikant Petrus Dathenus.

12.15 uur: Vlaams middagmaal verdeeld over het Kerelshof en 't Kasteelhof, de hoogst gelegen taverne-spijshuis van Frans-Vlaanderen.

14.15 uur: Groep A: Musée de Flandre in ’t Landhuys - Groep B: Monument op de Casselberg, windmolen, prachtige vergezichten, OLV-kerk, radio Uylenspieghel.

15.15 uur: Groep A: Monument op de Casselberg, windmolen, prachtige vergezichten, OLV-kerk, radio Uylenspieghel - Groep B: Musée de Flandre in ’t Landhuys.

16.15 uur: busrit van Cassel via de historische slagvelden naar Noordpeene.

17.00 uur: Noordpeene, bezoek aan het museum van de Slag aan de Peene (1677), uitleg over Niklaas Zannekin en zijn boerenleger, het graf van Tisje-Tasje, hulde aan kanunnik Camille Looten; vijfuurtje met zoet en/of zout en een drankje in de Herberge van de Peene - Plaetse – Noordpeene

19.30 - Terugrit naar Nieuwpoort; aankomst aldaar om 20.30 uur.

De deelnameprijs zal 65,00 €uro (alles is inclusief) bedragen.

Aanmelden: bij de volgende Zannekin-Nieuwsbrief (verschijnt aanvang april) vindt u een aanmeldingsformulier. Er dient eerst dan (bij middel van die aanmelding) ingetekend te worden.

Aldus kaderen wij onze Zannekin Studie-uitstap binnen het gebeuren van de Nieuwpoortse Frans-Vlaamse veertiendaagse.

____________

Zannekin Ontmoetingsdag 2011: deze zal op 19 november doorgaan te Burtscheid nabij Aken en in het teken staan van de Sint-Nicolaas van Myravieringen. Meer terzake in de volgende Nieuwsbrief.

 

Meerdaagse reis - 16-23 april 2011

Op zoek naar Vlaams-Nederlandse sporen in Noord-Polen


Zie ook de info terzake in onze vorige Nieuwsbrief. Voor deze meerdaagse reis staan al een tiental gegadigden op de wachtlijst. Inschrijven is dus niet meer mogelijk. We plannen een begeleidende brochure bij deze reis. Hieronder alvast de inleiding daarvan:

1. Inleiding

Al voordat de ridders van de Duitse Orde in 1226 zich in Pruisen vestigden, nu het gebied in het noordoosten van Polen en de Russische enclave met Koningsbergen, was er al sprake van een kolonisatie vanuit het Noord-Duitse laagland naar het oosten.

De oorspronkelijke bevolking bestond grotendeels uit Pruzzies, een vermoedelijk in de 17e-18e eeuw uitgestorven Baltische etnische groep, verwant met de Letten en Litouwers, en in mindere mate uit Sla-vische groepen, onder wie de Mazuriërs en de Kasjoeben.

 

 

Marienburg, Teutoonse Riddersburcht (LC)

Voor velen betekende de tocht naar het oosten een kans op eigen landbouwgrond of zelfs het burgerschap in de vele steden die niet zelden naar het recht der Vlaamse steden werden gesticht. Zo is bekend dat diverse plaatsen rond de Duitse hoofdstad Berlijn zijn gesticht door Vlamingen, vandaar de naam ‘Fläming’ voor de driehoek gevormd door Berlijn, Maagdenburg en Dessau.

Aangezien de toenmalige streken ten oosten van de Elbe tot aan de Oostzee werden bewoond door veelal heidense stammen ging de kolonisatie niet zelden gepaard met geweld en verdrijving van de oorspronkelijke bevolking. Bovendien was het land niet zo sterk ontwikkeld als het westelijke deel van Europa, waardoor de vergelijking met de kolonisatie van Noord-Amerika vanaf de 17e eeuw niet misplaatst is. Het Baltische gebied vormde in zekere zin het ‘wilde oosten’ van het middeleeuwse Europa.

Bij deze reis willen we ons specifiek richten op de verste uitwaaiering van kolonisten uit de Lage Landen, die zich richting het oosten vestigden, namelijk in de Weichsel- of Wijsel-delta ten zuiden en ten oosten van de stad Dantzig. Hier hebben zich eeuwenlang kolonisten uit zowel de Noordelijke als de Zuidelijke Nederlanden gevestigd en hun sporen nagelaten in het landschap en in de cultuur.

Sinds de verschuiving van de grenzen in dit gebied vanaf 1945 zijn de namen van de meeste plaatsen en rivieren ‘geslaviseerd’. Bepaalde locaties hadden echter al eeuwen lang een Slavische of Baltische naam. Om verwarring te voorkomen en voeling te houden met ons reisdoel worden de Nederlandstalige namen aangehouden met daarachter een verwijzing naar de Duitse en Poolse naam. Wellicht ten overvloede willen wij benadrukken dat deze reis bedoeld is om kennis over de betekenis van de Nederlandse geschiedenis in dit gebied op te doen en niet om enige staatkundige aanspraken van wie dan ook te ondersteunen of te ontkrachten. Dit boekje is opgesteld met het doel om de reisplanning uit te leggen en achtergrondinformatie te bieden bij de plaatsen die we gaan bezoeken.

 

Links: Thorn - Geboortehuis Copernicus – Rechts: Dantzig - Holland Huis (foto’s Leo Camerlynck)

 

Von Sinaai nach Jerichow

In het voetspoor van de Vlamingen tussen Harz en Fläming


In 2009 werd in de Landkreis Anhalt-Bitterfield – in samenwerking met de Vereniging Fläming-Flandern en met partners in Vlaanderen/België – herdacht dat 850 jaar geleden Vlaamse uitwijkelingen naar deze regio ertoe bijgedragen hebben de gebieden van de Fläming zijn naam te geven.

In zijn huidige geografische omschrijving hebben we het dan over de Landkreise Teltow-Fläming, Potsdam-Mittelmark, Jerichower Land, Anhalt-Bitterfeld en Wittenberg. Samen vormen ze de topografische eenheden van de “Hoher und Niedere Fläming”.

Ook wanneer het zwaartepunt van de 12e-eeuwe kolonisatie in de Altmark, rondom Maagdenburg en Halle lagen, getuigen Hollandse molens en uit veldstenen opge-trokken kerken van de drukke vestiging van Vlaamse, Hollandse en Nederfran-kische inwijkelingen in het oosten en zuidoosten van Sachsen-Anhalt.

In de loop van november 2009 werd in de Lutherstad Wittenberg een symposium gewijd waarbij systematisch gespeurd werd naar oorzaak en gevolgen van deze laatmid-deleeuwse kolonisatiebeweging. Initiatiefne-mer van dit gebeuren was het Bildungsverein Studium Hallense e.V,

Van dit symposium, dat onder de titel “Auf den Spuren der Flamen zwischen Harz unde Fläming” van start ging, verschenen zopas de “Protokollband”, zijnde de bundeling van de op het symposium aan bod gekomen onderwerpen. De bundel kreeg de titel Von Sinaai nach Jerichow, zijnde van Sinaai in het Waasland naar de vlek Jerichow in de Fläming (een traject dat tijdens de voorbije maanden met kar en paard overgedaan werd langs dezelfde wegen waarlangs destijds onze cultuur, gewoonten en tradities bredere horizonten zochten: “Naar Oostland willen wij varen…”)

De bundel beslaat 304 pagina’s, waaronder een bijdrage van Zannekin-voorzitter Leo Camerlynck onder de titel Der Fläming. Geschichts-betrachtung der Kolonisationsbewegung aus niederländischer Sicht.

_______________________

N.a.v. Von Sinaai nach Jerichow. Auf den Spuren der Flamen zwischen Harz und Fläming. Protokollband. ISBN 978-3-00-032950-0. Uitgave Studium Hallense e.V., Postfach 11 01 07, D. 06015 Halle (Saale). Prijs (inclusief verzendkosten): 32,90 €. Rekening IBAN: DE29 8009 3784 0001 5067 73 - BIC GENODEFIHAL.

 

Graaf Hendrik van den Bergh,

tot 2005 onbekend als pandheer van Stevoort


Willy Alenus, Oostende

Hendrik van den Bergh (Bremen,1573 – 22 mei 1638), graaf van Bergen-op-Zoom, die in alle encyclopedieën ook nog  wordt vermeld als heer van Stevensweert (vandaag een deelgemeente van Maasbracht, Ned. Limburg), was een Nederlands edelman-militair in Spaanse dienst ten tijde van de “Opstand” (1568–1648). Hij was ook stadhouder, “lieu-tenant”, van Spaans Opper- Gelre (Venlo en Stevensweert).

Maar in 2005 maakte Rombout Nijssen bekend - hij is vandaag rijksarchivaris R.A. Hasselt - dat graaf Hendrik ook nog pandheer was geweest van de heerlijkheid Stevoort, toentertijd in het graafschap Loon, prinsbisdom Luik, - en wel tot 1638, dus tot tien jaar vóór het einde van de Dertigjarige Oorlog (1618-1648).1 Vandaag is Stevoort een deelgemeente van Hasselt.

Hendrik was de zevende zoon van graaf Willem IV van den Bergh en Maria van Nassau, de oudste zuster van prins Willem van Oranje. Net als al zijn broers maakte hij carrière in het Spaanse leger. Maar na het Twaalfjarig Bestand (1609–1621), ontevreden zijnde met de Spaanse overheersing in en van Zuid-Nederland, zeker na de val van Oostende (1604), begon hij te “onderhandelen” met de Orangisten2 en kwam hij, in 1632, door omkoping, aan de zijde te staan van de Opstand, in de persoon van zijn oom, de stadhouder prins Frederik Hendrik van Nassau. In 1633 werd hij openlijk Commandeur in het Staatse leger, zonder dat hij bij zijn land- en streekgenoten veel navolging vond. Hij stierf in 1638.

De eerste pandheer van Stevoort was Mattheus van den Roye, schepen van het Hooggericht van Vliermaal  (van 1619 tot ?), de tweede was Hendrik van den Bergh (1573-1638), van ?  tot 1638, de derde was Johannes III Alenus, Jr. (1593–1644), schepen van de plaatselijke schepenbank (van 1638 tot 1639) en de vierde was een pandvrouwe, Maria, Elisabeth (1613 – 1671), prinses von Hohenzollern (van 1639 tot 1671).3 Deze oudste dochter en erfgename wordt vermeld als markiezin van Bergen-op-Zoom, terwijl haar vader en erflater als graaf van dezelfde stad wordt vernoemd.

Huwelijken en kinderen

In 1638 kwam dus alle eigendom en vruchtgebruik van alle hebben en houwen van graaf Hendrik in aanmerking om via erflating en alle andere rechtsmiddelen van eigenaar te veranderen.

 Hendrik van den Bergh

Bij leven en welzijn had Hendrik drie vrouwen gehad en in totaal zeven kinderen nagelaten in een tijd dat kindersterfte schering en inslag was. In 1612 was hij getrouwd met Margaretha van Wittem van Beersel (1582-1627), dochter van Jan van Wittem en Maria Margaretha van Merode. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren, - Maria Elisabeth II van den Bergh (1613-1671), markiezin van Bergen-op-Zoom, - zij zou huwen met Eitel Frederik V van Hohenzollern-Hechingen4 en Herman Oswald van den Bergh (1614-1622).5 Zijn titels werden niet opgezocht.

Op het eerste gezicht ligt het nogal voor de hand dat Maria Elisabeth II van den Bergh, door haar huwelijk gravin van Hohenzollern-Hechingen geworden, ook de pandheerlijkheid Stevoort zou erven en dat zij de derde pandvrouwe zou worden, in opvolging van haar vader, de tweede pandheer. Het eerste is waar, het tweede niet.

In 1638 gebeurde er iets eigenaardigs, toch voor de één en twintigste eeuwers die wij zijn. Het ontsnapte aan de aandacht van alle encyclopedieën, maar niet aan die van de rijksarchivaris in Hasselt. De eerste pand-heer van Stevoort was dus Mattheus van den Roye en de tweede Hendrik van den Bergh. Maar de derde was Johannes III Alenus en de vierde was dus een pandvrouwe, Maria, Elisabeth, prinses von Hohenzollern.

Met de huidige stand van het onderzoek, hebben wij en allen die zich voor dit vraagstuk hebben ingezet, de indruk dat er twee mogelijkheden zijn, - ofwel werd Johannes III in 1639 opzij geschoven onder druk en ten gunste van de machtige prinses von Hohenzollern (maar doet de prins-bisschop dat met een “courtier” die hij aanschrijft met “notre cher et aymé Jean Alenus ?”),- ofwel heeft Johannes, in 1638, hij die het dichtst bij de vacante seigneurie stond en die vele leden van de hoge, katholieke Rooms-Duitse adel had leren kennen toen hij nog raadsheer van de Palts-keurvorst was (1623–1638), de heerlijkheid “warm” gehouden voor de prinses von Hohen-zollern, die zich misschien in die roerige tijden van de dertigjarige oorlog in de onmogelijkheid bevond haar erfenis op te eisen. Het overlijden van Johannes, op 20 augustus 1644, in verdachte omstandigheden, brengt ons geen haar dichter bij de feiten. “L’histoire est un fleuve qui n’en finit pas de couler” (Jean Vanwelkenhuyzen).

Noten

1 Rombout NIJSSEN, De pandheren van Stevoort in de 17de eeuw (1619- 1671), in J. MAENEN, R. DREESSEN & B. INDEKEU (eds.), Tesi samunaga was edele unde scone, Liber Amicorum Theo Coun, Limburg-Het Oude Land van Loon, Hasselt, 2005, pp. 137 – 151.

2 Toen “Staatsen” genoemd omdat Noord-Nederland, de Zeven Provinciën, de Staten- Generaal als Staatshoofd hadden, omdat de 17 maal vorst van alle Zeventien Provinciën, Filips II, zich in de 7 noordelijke provinciën “in de onmogelijkheid van te regeren” bevond.

3 Willy ALENUS, Johannes III Alenus, Raadsheer (1623–1628) van de Palts- Keurvorst van Maximiliaan I, heer van Stevoort (1638) en gelimogeerd als scepene ende secretaris van Herk-de-Stad (1644), in: De Nederlanden ‘Extra Muros’, Zan-nekin, Ieper/ Numansdorp, deel 32, 2010, pp. 71 – 86.

4 Hohenzollern, Duits vorstengeslacht, afkomstig uit het land Hohenzollern, waarvan  de geschiedenis teruggaat tot de elfde eeuw. Sedert het begin van de dertiende eeuw is het geslacht gesplitst in een Frankische en een Zwabische tak. Van deze laatste tak, die het stamland Hohenzollern-Hechingen had behouden, werd  Karel de Eerste († 1576) ook nog graaf van Sigmaringen. Bij zijn dood splitste de tak zich in drie families,waarvan de laatste Hohenzollern-Sigmaringen voortleeft tot vandaag (cfr. Maria von Hohenzollern-Sigmaringen, de moeder van koning Albert de Eerste der Belgen). In 1692 werden de Zwabische Hohenzollern, die katholiek waren gebleven, in de rijksvorstenstand opgenomen. Deze voetnoot is niet onbelangrijk voor de geschiedenis van de pandheerlijkheid Stevoort en voor de lotgevallen van Johannes (Jan) Alenus.

5 Hendrik zou in 1629 hertrouwen met Hiëronyma Catharina gravin van Spaur-Flavon (1600-1683). Uit dit huwelijk zouden drie dochters worden geboren. En bij “een andere vrouw”, dat zeggen de kronieken, verwekte hij nog een dochter en nog een zoon. Al deze broers en halfbroers, zusters en halfzusters zouden huwen met leden van de hoogste adel in het toenmalige Rooms-Duitse keizerrijk.



Vanaf de zijlijn

Dialectdag 2010 in het teken van taal en identiteit

Werd vorig jaar deze aan de grensoverschrijdende streektaal gewijde dag in het Westmunsterland belegd, dit jaar was de Gelderse Achterhoek weer aan de beurt. Als plaats van samenkomst was de keus gevallen op Winterswijk. Een vijftigtal bezoekers kwam hier op zaterdag 30 oktober 2010 bijeen om daarmee te laten zien dat hun taal hen aan het hart ging.

Na een woord van welkom door de – nieuwe – voorzitter Betty Wassink, waarin ze beklemtoonde dat een gemeenschappelijke taal mensen samenbindt, gaf ze het woord aan dr. Markus Denkler, lid van de Kommission für Mundart und Namensforschung te Munster.

Hij begon met op te merken dat de werkelijkheid die schuil gaat in het thema van deze dag niet alleen geldt voor de standaardtaal maar evenzeer voor de streektaal. Er is de regio’s veel aan gelegen zich te profileren en in dat kader kan taal een belangrijke bijdrage leveren tot versterking van het regionaal bewustzijn. Echter in het geheel van de Westfaalse identiteit blijkt het Platduits geen grote rol te spelen. Dat is duidelijk aangetoond door Lutger Kremer en Veerle van Caeneghem in een door hen in 2007 ingesteld onderzoek. De paradox is evenwel dat, terwijl in het dagelijkse spraakgebruik steeds minder Platduits gesproken wordt, er op het brede terrein van de cultuur zich nieuwe mogelijkheden aandienen. Dit blijkt te maken te hebben met het feit dat de culturele loyaliteit met betrekking tot een verdwij-nende taal groter is dan een taalloyaliteit in engere zin. Dit werd duidelijk gemaakt met een verwijzing naar een onderzoek van het taalgebruik in Campen in Oost-Friesland waar het Oostfreeske Platt opvallend emblematisch gekleurd wordt. Met name in de toeristische sector neemt dit woordgebruik een steeds belangrijkere plaats in; de toerist wil kennelijk met de oorspronkelijke sfeer van de door hem/haar bezochte streek kennis maken. Aan de hand van een drietal voorbeelden wordt zichtbaar gemaakt dat dit fenomeen ook opgaat voor het Westmunsterland.

Het is tegen deze achtergrond dat de aandacht gevestigd werd op de begrippen “stigma” en “prestige”. Zo ging er in de 19e en begin 20e eeuw een stigmatiserende werking uit van het gebruik van de streektaal; die werd als onbeschaafd beschouwd. Zou dit de enige factor geweest zijn, dan zou er van de streektaal niets overgebleven zijn. Er is echter ook nog zoiets als een “verborgen prestige” dat schuil gaat in de streektaal; bij bepaalde groepen dialectsprekers heeft dit taalgebruik het karakter van solidariteit. Dat heeft er op zijn beurt toe bijgedragen dat het dialect niet meer als een mededinger van de standaardtaal wordt ervaren. Dit heeft tot gevolg gehad dat de streek-taal een vaste plaats heeft kunnen krijgen in het geheel van het culturele gebeuren wat uiteraard statusverhogend heeft gewerkt. Daarom is het voor de veiligstelling van het dialect belangrijk dat het in een schriftelijke vorm aanzien krijgt als een cultureel erfgoed; langs deze weg kan het een ken-teken worden van een regionale identiteit.

De tweede spreker was Gijs Jolink, beheerder van het evenementebureau “Feestfabriek A.G.K.” te Hengelo (Gld.). In feite onderstreepte hij het voorgaande betoog; in het raam van de activiteiten van zijn organisatie wordt zoveel als mogelijk is het Achterhoeks gebruikt. Zo wordt een wezen-lijke bijdrage geleverd aan de instandhouding van de streekgebonden cultuur.

Tijdens de afsluitende discussie werd duidelijk hoorbaar dat de staatsgrens die dwars door dit taalgebied loopt een uiteengroeien tot gevolg heeft gehad. De beide standaardtalen hebben grote invloed gehad op de woordenschat van deze gewestelijke taal. Afhankelijk van het woongebied van de vragen-stellers was hun woordgebruik Hoogduits of Nederlands gekleurd.

 

Origines de New York

Peu de monde sait que les premiers fondateurs de la ville de New York furent des réformés wallons, exilés aux Pays-Bas au 17ème siècle. Recrutés par Jessé de Forest, ils débarquèrent en 1624 dans ce qui allait devenir la première ville commerciale et financière du monde. Puissent les générations présentes et futures de Wallons s‘en souvenir et s‘en inspirer afin de redonner à la Wallonie une cerraine prospérité.

Préambule historique

Dans la seconde moitié du l6ème siècle, la Réforme, née en 1517 avec Luther, fait des progrès spectaculaires dans le Comté de Hainaut et, de lâ, se répand dans l’ensemble des Pays-Bas, de la Belgique et du Luxembourg d’aujourd’hui, une partie de Nord de la France, notamment les villes d’Avesnes, de Maubeuge et de Valenciennes. Ces progrès sont dus en grande partie à l’action du Réformateur Guy De Brès, né à Mons en 1522 et pendu à Valanciennes en 1567.

Plilippe II, roi d’Espagne et des Pays-Bas, a pour programme de régner en souverain absolu sur nos provinces et den extirper radicalement le Protestantisme. Pour réaliser ce double objectif, il y depêche comme gouverneur le duc d’Albe, lequel ne réussit qu’à soulever contre lui toutes les classes de la population.

La révolution marque la fin de l’unité du pays. En 1579, sous la conduite de Giuillaume d’Orange, le Taciturne, les provinces de nord (les Pays-Bas actuels) se libérent du joug espagnol et, sous le nom de la République des Provinces Unies, se dotent d’un régime démocratique et connaissent bientôt un essor économique considérable.

Dans les provinces belges, toujours dépendantes de l’Espagne, la répression est impitoyable. Contraints à l’exil, des dizaines de milliers de protestants du Hainaut trouvent un refuge sûr dans les pays qui ont adhéré à la Réforme, en particulier dans les Provinces-Unies, où ils s’organisent librement en Eglises Wallonnes, toutes de langue française.

Jessé de Forrest: Avesnes – New York

La famille de Jessé de Forest est attestée à Avesnes depuis la fin du 15ème siècle. Gille de Forest est receveur de la Terre d’Avesnes (agent comptable du Seigneur d’Avesnes) en 1491. Cette famille occupe alors une place éminente dans la cité par les emplois et la fortune. L’arrière-grand-père de Jessé, Melchior III, est propriétaire d’une maison sur la Grand’Place à l’empla-cement actuel de la Pharmacie St-Louis; son fils Melchior III possède la maison, actuellement étude de Me. Boucq, notaire, et une importante propriété située à Guersignies dominant les coteaux où se trouvait le vignoble avesnois au lieu-dit “As Vignes”. Comme Jean, fils Melchior III et père de Jessé est principalement installé dans cette ferme, certains historiens en ont fait un vigneron. Cela est possible, mais il avait cependant comme activité principale le commerce des draps et toiles. Cette grande familie a pris l’habitude de prénommer ses enfants du nom des rois mages (Melchior, Gaspard et Balthazar) ou des prénoms de Gille et Philippe.

On ignore la date précise de naissance de Jessé, sans doute vers 1575 à Avesnes-sur-Helpe. Son père Jean s’est marié vers 1570. En 1587, Jean possède la ferme de la dîme de l’Abbaye de Liessies et fait baptiser à Avesnes sa file Anne. Il reste done encore conformiste sur le plan religieux a cette date et il est probable que le protestantisme de Jessé vient plus de sa conversion personelle que de l’exemple paternel. Jean continue d’habiter la région après l’exil de Jessé. En 1600, il habite encore Avesnes; en 1609, il est à La Capelle. A cette date, il céde encore une rente sur sa maison de Guersignies. C’est donc par erreur que l’on fait mourir Jean en Hollande en 1607. Efin Jean n’est dénoncé comme protestant et ne subit aucune confiscation de ses biens. En revanche, l’exil et le protestantisme de Jessé ne font pas de doute. II se marie en 1601 à Sedan avec Marie du Cloux. Or, la principauté de Sedan est à l’époque indépendante de la France et de l’Espagne et est l’un des territoires à majorité protestante, situés à la limite de la France et des Pays-Bas espagnols qui servent de refuge.

Jessé part ensuite en Hollande, à Leyde, où existe une importante colonie francophone (composée de Français ou de Wailons). Ses enfants Isaac et Israël (prénoms bibliques caratéristiques des Huguenots), mais aussi Philippe (prénom familial) y naissent. En dépit de la sécurité dont ils bénéficient, certains exilés wallons s’adapient difficilement au milieu hollandais. Jessé de Forest rassemble et organise un groupe de compatriotes exerçant divers métiers désireux de fonder une colonie aux Amériques. Pour trouver un financement, il s’adresse d’abord au gouvemement britannique. La pétition signée par Jessé et 56 pères de familie, le l9 juillet 1621, présente la forme d’un Round Robin, c’est-â-dire que les signatures forment cercle autour du texte, cette de Jessé étant au centre. Jessé veut à l’époque créer une colonie autonome s’adminstrant seule. Reconnaissant juste la souveraineté du Roi d’Angleterre. Il s’agit donc bien à l’époque de reconsti-tuer Outre-At-lantilque une sorte de ville d’Avesnes idéale parce que protestante.

Le gouvernement anglais refuse la propositton, offrant simplememt de répartir les colons recrutés par Jessé dans divers établissements déjà existants. Jessé présente alors la même requête aux Etats Provinciaux de Hollande et de Frise, sous les auspices de la Compagnie Hollandaise des Indes Occidentales. L’autorisation est accordée le 27 août 1622. En septemhre 1623, il peut armer deux vaisseaux pour une reconnaissance: le ‘Pigeon’ sur lequel se trouve et le ‘Maquereau’. Les deux navires n’ont qu’une mission d’exploration, mais le ‘Pigeon’ est autorisé à emmener 10 pères de famille. Ils vont naviguer de consert en prenant la route sud par les Açores. Arrivée vers les côtes américaines, le ‘Maqereau’ remonte vers le nord et découvre la baie d’Hudson, tandi que Jessé descend vers la Guyane (qui sera partiellement colonie hollandaise: l’actuel Surinam). Il meurt sur les bords de l’Oyapok le 22 octobre 1624. L’échec de cette tentative guyanaise aboutit au retour des compagnons de Jessé en Hollande. puis au départ en mars 1624, à bord du ‘Nieuw Nederland” de 32 familles wallonnes. parmi celles “recrutées” en 1621 par Jesse de Forest, vers le site découvert par le ‘Maquereau’. à l’embouchure de l’Hudson. Ils y fondent une colonie, sur la presqu’ile de Manhattan et la cité se développe durant cinquante ans, sons le nom de Nouvelle-Avesnes. Une église réformée de langue française est fondée en 1628. Dès cette date, grâce à de nouvelles arrivées de familles wallonnes des Provinces-Unies, la bourgade peut s’organiser solidement. Elle est administrée de 1626 à 1632 par le Wallon Pierre Minuit, fils d’un fermier d’Ohain, puis par des gouverneurs hollandais. Par suite de l’émigration hollandaise, la bourgade se transforme en ville et elle porte le nom de Nouvelle Amsterdam. En 1769, on compte un tiers de Hollandais, un tiers d’Anglais et un tiers de Wallons ou réformés français. La ville passe sons obédience anglaise en 1664. Elle s’appelle dès lors New York en l’honneur du Duc d’York. frère du Roi Charles instigateur de l’expédition, et son premier maire démocratiquement élu est encore un Wallon, un certain Pierre de Lannoy. De ce Pierre de Lannoy descendra le Président Franklin Delano (= de Lannoy) Roosevelt.

Le rôle joué per Jessé de Forest n’est donc pas d’avoir fondé New York, mais bien d’avoir recruté ses premiers habitants parmi des exilés francophones venant de France ou des Pays-Bas espagnols. Il est donc permi d’affirmer que les fondateurs de New York furent des Walions et des gens du Hainaut, recrutés par Jessé de Forest, et que c’est ce dernier qui avait conçu et préparé l’émigration deux ans plus tard sous l’étendard de la Compagme des Indes.

Certains enfants de Jessé s’établirent à New York. Isaac et Henri de qui descendent les de Forest américains et Rachel qui épousa Jean Mounier de la Montagne. La familie de Forest y tenait encore récemment un rang considérable: M. Robert W. de Forest dirigeait vers 1920 l’importante maison “de Forest-Brothers” et exerçait la présidence du Musée Métropolitain de l’Art, Sa petite file a inauguré en 1924, le monument offert â la ville de New York par le Conseil Provincial de Hainaut, en présence de l’Ambassadeur de Belgique en poste à Washington, Monsieur Cartier de Marchiennes. Un autre descendent direct par les femmes de Jessé de Forest, John Rice Milner, professeur à l’Université de Baltimore a été reçu en 1922 par les autorités de la ville d’Avesnes quand il est venu rendre visite au pays de ses ancêtres.

En revanche, le frère de Jessé, Gérard et sa soeur, restèrent en Hollande, à Leyde et Amsterdam.

Quant aux de Forest demeurés à Avesnes, ils y prospérèrent jusqu’au XIXéme siécle une des branches s’éteindra avec Eugène Alexandre de Forest de Lewarde, premier président à la Cour de Douai après avoir été, avant la Révolution, avocat géneral au Parlement de Flandres; il fut aussi maire de Douai. Mais il subsiste localement une descendance de Melchior III par l’intermédiaire de Balthazar, frère de Jean et oncle de Jessé. On y relève l’ancien maire de Maubeuge, Pierre Forest et le conseiller général d’Avesnes-Sud, Pierre Naveau. [Bron: Wallonie libre, februari 1999]

 

JESSE DE FOREST

SA FAMILLE

ET

SES VAILLANTS COMPAGNONS

DU PAYS WALLON

QUI CHERCHANT UN NOUVEAU MONDE

OU ILS POURRAIENT EN PAIX

AFFIRMER LEURS CROYANCES ET

PRATIQUER LIBREMENT LA RELIGION REFORMEE

ONT CONTRIBUE PUISSAMMENT

A LA FONDATION DE

NEW YORK

LA PLUS GRANDE VILLE D’AMERIQUE

OU LES ENFANTS DE

JESSE DE FOREST, ISAAC, HENRI ET RACHEL

S’ETABLIRENT EN 1637.

 

Inscripiion figurant sur le monument se trouvant à la Rotonde
d’Avesnes. près de la route de Sains-du-Nord

 

Een erfenis zonder testament

Hoe en waarom ik Nederlands leerde


Wido Bourel

Hoe en waarom ik Nederlands leerde is de veelgestelde vraag die me mijn hele leven als Frans-Vlaming achtervolgt. En ook: Of wij thuis Vlaams spraken, en of hoegenaamd nog iemand Vlaams of Nederlands spreekt in Frans-Vlaan-deren?

Ik schreef mijn nieuwe boekje Een erfenis zonder testament om te trachten een antwoord te geven op deze, en nog andere vragen. Het telt 31 blz. met 13 illustraties en is gezet in de Garamont corps 11 en gedrukt op Munken Print Cream papier, gebroken wit 100 gr.

Dit hebbeding verschijnt in beperkte oplage en komt niet in de boekhandel. Het is uitsluitend bij de auteur te verkrijgen door middel van onderstaande bestelbon. Het verschijnt op 15 december. Nu reserveren is de boodschap! De opbrengst van dit boekje wordt integraal gebruikt voor het steunen van culturele initiatieven in en rond Frans-Vlaanderen.

Het boekje werd zopas bekroond met de Dr. Ferdinand Snellaertprijs 2010, uitgereikt door de Vereniging van Vlaams-nationale Auteurs

Hoe bestellen?

De kostprijs bedraagt 12 €, verzendkosten inbegrepen, te storten op rekeningnummer IBAN: 66 0011 1648 4043 – BIC: GEBABEBB t.n.v. Wido Bourel met de vermelding "erfenis".

Redactionele waardering

Deze tekst kan in zekere zin beschouwd worden als een summiere 21-eeuwse tegenhanger van Jean-Marie Gantois’ Hoe ik mijn volk en mijn taal terugvond, dat in 1942 door de toenmalige Zannekin – Arbeidsgemeenschap voor Zuid-Vlaanderen en de Vlaamse Toeristenbond uitgegeven werd.

Er zijn uiteraard ook verschillen: Gantois (1904-1968) groeide op in het zo goed als volledig verfranste Waten, Bourel zag in 1955 het levenslicht in Haezebroek en groeide op in Kaaster/Caëstre vlak over de Schreve, waar het Frans-Vlaams enigermate overleefde. Daar over en over zijn inzet in en voor de Franse Nederlanden méér op zijn webpagina’s http://www.widopedia.eu



Het laatste woord


Leo Camerlynck

Wido Bourel leerde ik kennen in de eerste helft van de 70-tiger jaren van de vorige eeuw. Het was in de taveerne Sint-Sebastiaenshof te Steenvoorde dat ik hem voor het eerst heb ontmoet. Hij was een jonge twintiger, die nog het Vlamsch en het Nederlands van “over de schreve” van huize uit meegekregen had. In die periode trof men nog jonge twintigers en zelfs jonger, die het Vlaams en vaak ook het Nederlands machtig waren omdat hun ouders het nog regelmatig spraken.

Is het fout te stellen dat dit waarschijnlijk de laatste generaties zijn of waren, die het van huize uit meegekregen hadden en het niet per se ingestudeerd hadden? Wido Bourel, Jan-Pol Sepieter, Keuntje, Frank Allacker, Francis Persyn, en anderen hadden het Vlaamsch thuis horen spreken, en waren tevens heel receptief voor talen. Dominique Neirynck, Frederik Plancke, Dominique Hardebolle, Chantal van den Wildenberg, Georges-Patrick de Verrewaere en anderen uit diezelfde generatie hadden zich degelijk toegelegd op het leren van het Nederlands. En met succes.

Wido Bourel ontvangt als Frans-Vlaming de Dr. Ferdinand Snellaertprijs 2010 van de Vereniging van Vlaams-Nationale Auteurs (VVNA). En dat is wel verdiend. Op zijn webstek Widopedia laat Wido het volgende weten: “Regelmatig wordt me gevraagd hoe ik er als Frans-Vlaming en Franse staatsburger toe kwam Nederlands te studeren, of waarom ik verkoos in Vlaanderen te wonen en niet in Frans-Vlaanderen, en hoe ik eigenlijk sta tegenover Frankrijk en Vlaanderen.” De Dr. Ferdinand Snellaertprijs 2010 van de Vereniging van Vlaams-Nationale Auteurs (VVNA) werd door de jury ad hoc unaniem toegekend aan de Frans-Vlaming Wido Bourel naar aanleiding van de publicatie van zijn eerste bundel Wintertijd in Frans-Vlaanderen en voor zijn jarenlange inzet voor de Nederlandse taal zoals verwoord in zijn zeer persoonlijk getint essay Een erfenis zonder testament Hoe en waarom ik Nederlands leerde waarin hij zijn relatie tot het Nederlands beschrijft. De vorige Dr. Ferdinand Snellaertprijs werd aan Kristof Papin en medeauteurs uitgereikt voor een heuse paginarijke publi-catie over de Franse Nederlanden met de ietwat misleidende titel De Zuide-lijke Nederlanden. Het ga je goed, Wido. Ad multos annos. Jij verdient dat men voor jou een luide Vivat flamand zingt.

Leo Camerlynck

Edouard Michielsstraat 51, B – 1180 UKKEL / Brussel

e-post: leo.camerlynck@skynet.be - t. 00 32 485 63 02 27