> nieuwsbrief > 29e jg. - 3e trimester 2011

Bijdragen over: Tip

Mededelingen

Laatste oproep hernieuwen ledenbijdrage 2011

In ruil voor een ongewijzigde basisbijdrage van 25 € kunt u zich nog steeds verzekeren van een abonnement op onze Nieuwsbrief Joris van Severen en van het nieuwe Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’. In ons vorig num-mer las u al méér over de rijke inhoud van het nieuwe jaarboek dat om-streeks midden mei verscheen, samen met – als extraatje - Nieuw Oud Vlaams van de hand van Cyriel Moeyaert. Als steeds hopen we dat het handvol “achterstallige” lezers – ze kregen ondertussen al een herinnerings-brief aan - alsnog hun ledenbijdrage van 25 € zullen hernieuwen. Wie totnogtoe “in gebreke” bleef vindt hierbij andermaal een betaalformulier.

Robaais zelfs geen “andermaal”?

In onze vorige Nieuwsbrief (p. 4) kwam Guido Vandevyvere andermaal aan het woord in de “Robaais-Robeke”-discussie. Zijn opponent Gustaaf Calle-baut reageerde daarop – uiteraard niet onverwacht - in volgende bewoor-dingen:

“Dat bewijskracht voor historische attestaties aan een aantal hedendaagse ‘Toerkonje-‘ en ‘Robaais’-vormen wordt toegeschreven is hoogst vermakelijk. Indien dergelijke vormen door hun massale voorkomen nog méér bewijskracht gaan opleveren, wordt het opzienbarend.

Waar de aandrager van die ‘bewijzen’ uit zichzelf weet waarom telkens ‘Robaais’ wordt gebruikt en daarmee zijn eigen vastgebeten gelijk bevestigd ziet, dan is dat nog belangwekkender.

Als in een kreupele slotzin wordt gesteld dat niemand de auteur ervan heeft kunnen overtuigen dat ‘Robeke’ niets (sic) meer is dan een maakwoord… Ja, dan is het dus voor hem wél meer! Allerletterlijkst. Dat soort zelf ‘interessant’ geheten opmerkingen kan zelfs geen ‘andermaal’ verdienen. Ze voegen niets toe aan het debat, al wenden ze dat wel voor.” Einde citaat.

N.v.d.r.: Mogen we ervan uitgaan dat we met dit woord versus wederwoord de discussie als gesloten kunnen beschouwen?

Alvast te noteren

De Zannekin-Ontmoetingsdag 2011 zal doorgaan te Burtscheid (nabij Aken) op zaterdag 19 november. Alle info in de volgende Nieuwsbrief.

 

Voorstelling van Radio Uylenspiegel in het Vlaams


Michel Gars aan het woord te Cassel op zaterdag 30 april 2011 n.a.v. de Studie-uitstap

N' eersten Nieuwjaermaend 1978, Radio Uulenspeegel het begunt mit een uutzendinge voort egeeven van Onze Lieve Vrouwe Kerke van Kassel. In ’n dien tyd, ’n publyk dienst van Radio en Televizje en gaef maer een kleëne plekke an de Vlaemsche Taele. N zin van’n oprichter van de Radio en effens dat wos:

In 1978, ’n Staet hadde ’n monopole van ’n radio. Radio Uulenspeegel en wos niet erkend van de krachten en meer of een keer verschuuwd. Achter de prezydentiele vooizingen van 1981 en ’t begun van Filliouds wet, Radio Uulenspeegel wos erkend en rechtvaerdigd van d’audiovyzuele kracht.

D’associaesje, ereegeld mit de wet van 1901, het zin van :

Radio Uulenspeegel klapt voor d’officiele erkeninge van de vlaemsche kuul-teure en taele. Z’ is om de menschen van Vlaenderen en van ’n Westhoek.

Mit neur situaesje en hystorje, z’is natuurlik alzo veele om Vlaenderen in ael neur deelneemers van d’ hystoryke Nederlanden mit’ n Artois,’n Hainaut en de Picardie. Z’ integreert neur alheele in Europa al een economyke, sociaele en kuulteurele opleevinge van Vlaenderen te voorstellen. Om nuuw, z’ uutzendt van Ryssel toet Duunkerke, van Boulogne toet Antwerpen en van Atrecht toet Oostende.

Radio Uulenspeegel is vom d’heele menscheghyd van ael elden, te lande lik in’t stei, mit een wyden gaft van uutzendingen.

Me zyn een associatieve subventionneerde radio (geen reklaeme)

M’ ontvangen de lokaele nieuws en oek de lokaele associaesjen om een uutzendinge (ANVT, Houtland Nature, SOS Blootland, Yzer-Hoek)

Je kut nuus vinden op 91.8 FM en oek op Internet al tikken: http://www.uylenspiegel.be.cx/

 

Willem II van der Marck (1542 – 1578),
Heer van Lummen, Admiraal van de watergeuzen,
Stadhouder van Holland, enz.
(erratum)


Willy Alenus

 Op 28 maart 2011 verscheen in Zannekin, 2011/II, pp.13-16, de bijdrage met betrekking tot “Lumey”. De info in voetnoot (1) was in de eerste plaats gebaseerd op de onmisbare “Copie(s) des épitaphes et inscriptions gravées, tant sur les lames de cuivre que sur les cercueils de plomb, de ceux de la Sérénissime Maison d’Arenberg, qui sont inhumés au Couvent des Capucins de la Ville d’Enghien, avec des notes de Monsieur Quittelier, archiviste”, in Annales du Cercle Archéologique d’Enghien, t. VIII, 1915 – 1922, pp. 135 – 155.

Wat de voetnoten (2) en (3) betreft, hadden wij minder geluk. Of bezon-digden wij ons aan een iets te overhaaste aanpak en aan onverantwoord vertrouwen in minder betrouwbare bronnen. Stambomen met de van der Marcken, die zich ook van Arenberg noemen en het ook waren (in de betekenis van “leden van het geslacht van Arenberg”), is geen sinecure.

Van drie van de huidige afstammelingen, vandaag prinsen van Arenberg, vernamen wij (op 28 mei 2005), dat zij zelf ook problemen hebben met het ontwarren van “life & times” van hun eigen voorouders en bloedverwanten. Dat is trouwens een van de redenen waarom zij het “Archief en Cultureel Centrum Arenberg (ACA) in Edingen hebben opgericht dat vandaag, omwille van zijn internationale uitstraling, de “Arenberg Foundation” wordt genoemd.

Niet alleen heten alle feodale edellieden Engelbert, Everhard, Jan, Willem, Maria, Margaretha en Machteld of Mathilde, maar bovendien zijn alle gedrukte biografieën hier en daar misleidend, soms zelfs de meest gezaghebbende. Wij vernoemen ze liever niet, - ze zijn immers terug te vinden op internet.

Samen met onze excuses voor één of twee ook door ons gemaakte fouten of te haastige interpretaties en deducties, raden wij met enige aandrang alle navorsers aan, verder te zoeken, een combinatie van research en recherche, zeker nu dat de DNA-identificatie een alsmaar belangrijker rol begint te spelen. Wat het stambomen ter zake de feodale adel betreft, moet dat liefst op basis van de zogeheten Europäische Stammtafeln, die gebaseerd zijn op authentieke akten worden gewerkt. “Jumping to conclusions” moet ten allen prijze worden vermeden.

Wat nu de Arenbergs en de door een auteur geïnterpreteerde bronnen betreft, maken wij graag een uitzondering (en een aanbeveling) voor Jules de Chestret de Haneffe, Histoire de la maison de la Marck y compris les Clèves de la seconde race, Liège, D. Cormaux,1898. xxiv, 374,

Ziehier dan de tekst van de drie voetnoten, zoals zij reeds op 28 maart 2011 hadden geformuleerd moeten worden:

Noten

1 Graaf Jan de Ligne (1520–1568) ligt begraven in de crypte onder de kerk van het voormalige Kapucijnenklooster te Edingen, met het volgende grafschrift: “Ici gist hault et puissant Messire Jean de  Ligne, prince, comte Darenberg et du St  Empire, lequel mourut le 23 May 1568, en la bataille de Hercane (!), estant  Gouveneur de Frize, Overisel et Gruninck, combattant contre le comte  Lodevick de Nassau, rebel au Roy et à Dieu et Sa  Majesté. Priez Dieu pour son âme. “

2 Margaretha (1527–1599) was de aarts-achter-achter achter-kleindochter van Everhard II van der Marck, ‘le sanglier des Ardennes’ en  van Maria de Bracquemont en Sedan, via  haar vader Robrecht  III, haar grootvader Robrecht II, haar overgrootvader Robrecht I, heer van Sedan en haar bet- overgrootvader Jan II en Anna van Virneburg.
(http://genealogy.euweb.cz/cleves/cleves10.html)

3 Lumey was de aarts-achter-achter-achterkleinzoon van Everhard II van der Marck, ‘le sanglier des Ardennes’ en van Maria de Bracquemont en Sedan, via zijn vader Jan II, zijn grootvader Jan I, zijn overgrootvader Willem I “metten baerd en zijn bet-overgrootvader Jan II en Anna van Virneburg; Everhard III, Robrecht I en Willem I waren broers, uiteraard.

(http://genalogy.euweb.cz/cleves/cleves10.html)

 
Sporen uit de Lage Landen in de Weichseldelta

Een terugblik op onze meerdaagse verkenningstocht 16-23 april 2011, het reisverslag


Johan Velghe

Een copieuze maaltijd

“De derde dag is cruciaal”, hield reisleider Leo Camerlynck voor. Hij putte die wijsheid uit een Amerikaanse studie over hoe deelnemers aan meer-daagse conferenties, studiedagen, reizen… zich gedragen. Loopt het onderling fout, dan gebeurt het gehaaid op de derde dag. Maandag 18 april, de derde reisdag, rollebolde het 46-koppig gezelschap niet over de straatstenen van de Pruisische Hanzestad Thorn/Toruń en werden evenmin duels uitgevochten in Europa’s grootste bakstenen burcht, Mariënburg /Malbork.

De reis verliep onder een goed gesternte. Met een bezoek aan Jan Heweliusz (Dantzig) en Mikołaj Kopernik – naam waaronder vandaag Copernicus bekend staat in Thorn/Torun en Frauenburg/Frombork - kon het moeilijk anders. Meer nog, amper Venlo uit, bemerkten we bij het uitrijden van de snelweg-parkeerplaats, het omen De Schatberg. Weinigen van het busge-zelschap keken wellicht naar de in buxushaag geplante woorden, maar de reizende leden van Zannekin, Forum Vlaamse Vrouwen, Orde van de Prince en Ons Amsterdam zagen en ervaarden een week lang het invullen van dit gunstig voorteken.

Voortrekkers Leo Camerlynck, Jan van Tongeren en Luc Dequeker ser-veerden dagelijks een copieuze maaltijd met aanschouwelijke lessen kunstgeschiedenis als hoofdgerecht, oversaust met duiding over het protestantisme, met relazen over de tijdsgeest van de grote trek oostwaarts vanuit de Bourgondische Nederlanden als dessert. Het voorgerecht leverde Maurits Cailliau af met de 28 pagina’s tellende brochure met alle verwij-zingen naar de vele sporen van de Lage Landen in de Weichsel/Wisła-delta. Alles bovendien nog overgoten met pittige details en nimmer meer te vergeten ezelsbrugjes, zoals van borst en tepel om laatgotiek te onder-scheiden van de ronde barok. De rijke maaltijd werd gedegusteerd, samen met altijd opborrelende vragen en nimmer ontbrekende antwoorden, aan-vullingen en commentaren.

De schattenberg werd vlot beklommen. De voornoemde drievuldigheid had zich daarop terdege voorbereid en de brochure gaf de ideale voorzet om vlot de dagelijkse mobiele lezingen te volgen. De schatten lagen voor het rapen. De grot van Ali Baba opende zich van Helmstedt in Nedersaksen, alover Stettin, Mariënburg, Tiegenhof, Thorn en Dantzig in Pommeren, tot Elbing en Frauenburg in Pruisen toe.

We stelden ons niet tevreden met een of ander door de tand des tijds half-weggevreten opschrift in laatmiddeleeuws Nederlands. We kregen steeds opnieuw een vol bord voorgeschoteld. Wie het niet met eigen ogen ziet, gelooft nauwelijks dat de sporen uit de Lage Landen er zo nadrukkelijk en veelvuldig aanwezig zijn. Zelfs niet te ontwijken zijn. Dat bij de momenteel aan de gang zijnde heropbouw van een stad als Elbing, om maar één voorbeeld aan te wijzen, de bouwheren hun inspiratie putten uit Vlaamse gotiek en Hollands maniërisme, onderstreept heel krachtig de blijvende impact van zovele bouw- en kunstenaarsateliers, van zovele ambachtslui en landontginners, allen afkomstig uit de Lage Landen van de vijftiende tot de achttiende eeuw. Die grootse uitstraling van ambachtelijke vaardigheden, kennis, cultuur en wetenschap werd hap voor hap aangereikt én met smaak verorberd. Die kennisoverdracht vormde trouwens het cement van het hete-rogene reisgezelschap en voedde zovele prettige tafelgesprekken tijdens middagpauzes en avondlijke buffetten.

We zagen ons geconfronteerd met zovele gelijkenissen in architectuur, retabels, schilder- en beeldhouwkunst en landontginning met functionele wilgen- en grachtenlandschappen. Nihil novi sub sole: de Ikea in Kamen is een eeneiige tweeling met de vestiging in Gent. Vijfhonderd jaar geleden lieten bouwmeesters gravures van hun ontwerpen en plannen drukken en verspreiden. Dat laatste tegen fikse betaling, hun ereloon.

Nihil novi sub sole (bis): de grote tocht oostwaarts vanuit de door renais-sance en barok bezwangerde Nederlanden, krijgt vandaag zijn vervolg in zovele vestigingen in het noorden van Polen van ING-bank, KBC, Albert (Heyn), Auchan… Een tweede invasie.

Ontmoetingen

De busmonologen van het voorgangerstrio lieten ons een schare historische figuren ontvangen. Zowel de bekeringsijveraar Liudger (Helmstedt), die zowel de heidense Saksen én de ganzen het zwijgen oplegde, als Uilen-spiegel, een kind van deze regio die ooit een voorpost vormde van de kerkelijke kolonisatie. Voorpost die later opschoof naar Maagdenburg, Brandenburg, Pruisen, Polen. We reden vlotjes door het voormalig DDR-spergebied en kregen een beeld opgehangen van de 850 jaar eerder gehouden tocht vanuit Vlaanderen naar de Fläming. Luc Dequeker had het liever over de reformatie dan over het protestantisme, het reformeren van de leer van de Kerk om tot een strikt christelijk georganiseerde maatschappij te komen. Maar Maarten Luther is nog steeds niet gerehabiliteerd door de Roomse Kerk, evenmin Jan Hus, wiens ”ketterij’’ aanleiding gaf tot de stichting van de Leuvense universiteit. Hus hield op de brandstapel voor dat hij slechts een gans was, daar waar honderd jaar later een zwaan (Luther) zou opstaan…

In een etnografische historiek ontmoetten we Pruisen, Mazuriërs, Polanen, Kasjoeben en volgden de Drang nach Osten bij de germanisering door de Duitse Orde tot tegen Sint-Petersburg aan. We maakten kennis met de Hohenzollern die van Frankenland naar Brandenburg trokken om er zich te kronen. We zagen op de Grote Markt, de rynek van Posen/Poznan renais-sancegevels zoals op de Antwerpse en Brusselse Grote Markt. We fristen onze kennis over Vlaamse (hele molen draait) en Hollandse (bovenkruiers) windmolentypes op aan de hand van exemplaren die het landschap beheer-sen in de omgeving van Gnesen/Gniezno. We werden geïmponeerd door de bronzen deuren (anno 1100) in wat ooit de eerste Poolse kathedraal was, en nog meer door het met zuilen van Salomon omgeven zilveren schrijn van Adalbert, de evangelisator van Pruisen.

 Midden: Maria Adamiak, docente Nederlands, gidste ons in Thorn

Docente Nederlands Maria Adamiak verwelkomde ons in Thorn/Toruń, Hanzestad die zich richtte op Brugge en vandaag een ware getuigenis vormt van de baksteengotiek, met de Brugse Sint-Salvatorkathedraal en O.L.Vrouw-kerk als inspiratiebronnen. De Franciscanerkerk vormde het decorum voor gerichte lessen kunstgeschiedenis en liet ons de trappen van zaligheid bestijgen tot in de zevende hemel toe. We dienden hiervoor niet eens de Scale Santa te nemen. De woorden van Jan van Tongeren waren voldoende. En we weten voortaan waarom zovele gasthuizen in de Nederlanden de naam Elisabeth dragen/droegen en dat de gesausde bakstenen gevels aanleiding vormden om zovele panden namen te geven als In de rode hoed, In de rode haan. In Thorn schaarden we ons rond Copernicus’ doopvont en hoorden er de serafijnen bazuinen. Waarom een getrouwde vrouw aan de rechterzijde van de man dient te lopen, is een vraag die we beantwoord kregen. We ontmoetten er Reinout, de oudste van de Vier Heemskinderen, als bouwmeester. Luc Dequeker liet ons kennis maken met kanunnik Copernicus, medicus, kerkelijk en burgerlijk rechtsgeleerde, medicus… en niet op de brandstapel geëindigd. Leo Camerlynck schetste het wel en wee door de eeuwen heen van de Duitse Orde, de Orde van de Hospitaalridders, de Ridders van het Heilig Graf… en hoe de Duitse Orde in Mariënburg/ Malbork verzeilde en er een staat in de Poolse staat vestigde.. Friese Menno-nieten (anabaptisten) deden in de nabijheid van Dantzig/ Gdańsk aan landwinning en landbouw. De gemeenschap werd bij de Sovjetinval in 1945 verdreven. Enkel hun begraafplaats rest.

Met de tram ging de ochtendlijke tocht van het hotel aan het Oostzeestrand naar het centrum van Dantzig/Gdańsk, stad waar de in Nederland overleden Fahrenheid werd geboren; stad van astronoom Jan Heweliusz die in Nederland in de leer ging; stad waar de Hollandse kolonie bijeen kwam in de Sint-Nicolaaskerk; stad waar Cornelis Floris, Antonis van Opbergen, Laureins van Steenwinckel, Tielman van Gameren, Wilhelm van den Blocke… tot Hans Memling toe, hun stempel op drukten. Hals- en tuit-gevels, net zoals in Amsterdam, vullen hele straten. Dantzig/Gdańsk presenteert zich vandaag als het Amsterdam van Oost-Europa, hoge stoepen inbegrepen.

Arthur Schopenhauer liet z’n huis na. Het staat momenteel te koop voor 850.000 euro. Dantzig/Gdańsk was economisch belangrijker voor Amster-dam dan de hele V.O.C. Bij aanvang van de zeventiende eeuw werden er niet minder dan 68 kunstenaars uit de Nederlanden geregistreerd. De historische site van de Lenin-scheepswerf in Gdansk ontbrak niet op het reismenu, door Leo Camerlynck gekruid met een hele geschiedenishap van de vele opstanden na 1945 in de communistische landen.

Windmolen en Dathenus zoek

Niet de derde, maar de vijfde reisdag zorgde voor enige pech. De gezochte Vlaamse windmolen bleek tijdelijk gesloopt voor restauratie en hetzelfde lot is de grafsteen van de Casselnaar Petrus Dathenus beschoren. Een vergeefse zoektocht in Tiegenhof/Nowy Dwór en Elbing/Elbląg voor gevolg.

In voornoemde stad keek de Madonna-in-weke-stijl ons aan en zelfs de os en ezel van de kerststal leerden ons dat alles in het Nieuw Testament vol symboliek steekt.

Het reisgezelschap voor het restaurant ‘De vliegenden Hollander’ te Dantzig

In het nog noorderlijker geleden en goed bewaarde Frauenburg/Fromborg, nabij de Russische grens van Koningsbergen/Kalinnigrad, begroetten we het graf van Copernicus.

We bleven bij de les toen tekst en uitleg werd verschaft over de Hanze, een economisch verbond met privilegies voor steden in andere Hanzesteden. In Stettin/Szczecin wachtte Catharina de Grote, met Zeeuws- en Fläminger-bloed in de aderen ons op in haar burcht. En een overzonnig dagje Berlijn liet ons genieten van een wereldstad met klasse, van de opmerkelijke en best gezellige stadswijk Holländerviertel in Potsdam en het intieme Käthe Kollwitz-museum.

Een copieus reismenu dus.

En wat zullen we ook niet snel vergeten? De winterlucht die zovele kerken nog in haar greep hield, de herten en nestelende ooievaars, het weidse Poolse landschap, de zovele met EU-financiën in uitvoering zijnde stadsrenovaties en (snel)wegenaanleg, de streepjes hedendaagse poëzie gebracht door Jos de Decker, de veilige rijstijl van chauffeur Jef, en als Bourgondiërs uiteraard ook de copieuse ontbijt- en avondbuffetten, en niet in het minst het Pruisisch avondmaal op Karfreitag in het Spandause restaurant Kolk, met inbegrip van de ‘berenvang’ en het Dantziger Gold-wasser.

En ook te Potsdam konden we in ‘De vliegende Hollander’ terecht

 

Leo Camerlynck met onze gasten uit de Fläming aan het restaurant Kolk te Berlijn

[Foto’s: Leen van den Abeele en Roger Pylyser]

 

 

Stedeken Holland – Preussisch Holland – Paslek


Medereiziger Luc Dequeker ondtdekte aldaar de Latijnse inscriptie op het Stadhuis (metaalplaat):

 

 Urbs haec a Batavis refugis Hollandia

tanquam

Tutamen structa et nomen adepta fuit.

Si Cereale solum, prospectum et relliqua

cernas,

In regno paucas dixeris esse pares.

 Vertaling met hulp van Latinist collega Gilbert Tournoy, KULeuven:

Deze stad werd door Bataafse uitwijkelingen als beschutting gebouwd en kreeg (van hen) de naam Hollandia.

Als je het vruchtbare bouwland, het algemeen uitzicht en de rest zou overwegen,
dan zal je kunnen stellen dat er maar weinige steden in het (Duitse) Rijk aan haar gelijk zijn.

 


Cornelius Jansenius van Hulst (1510-1576)


Vorig jaar was het vijfhonderd jaar geleden dat Cornelis Jansen in Hulst het levenslicht zag. Cornelis Jansen, meer ge-kend onder zijn Latijnse naam Cornelius Jansenius, werd een vooraanstaand theo-loog, Bijbels humanist en hoogleraar en vooral een gedreven pastor en bisschop in een tijd van geloofshervorming en staat-kundige verandering. Hij was derhalve een tijdgenoot en bekende van onder andere Filips II, Margaretha van Parma, Willem van Oranje en Alva.

Zijn geboortejaar mocht niet ongemerkt passeren. Over Jansenius is in het verle-den wel gepubliceerd, maar de publicaties waren slechts encyclopedisch van aard of beperkt van omvang. Een samenhangend en uitgebreid verhaal over zijn persoon in de context van zijn tijd bestond nog niet. Daarom nam de Oudheidkundige Kring ‘De Vier Ambachten’ het initiatief tot een meer uitgebreide en dieper gravende publicatie. Dit initiatief leidde tot een spontane samenwerking van personen, voornamelijk streekgenoten, die elk vanuit hun vakgebied hun licht wilden laten schijnen op het leven en werk van deze grote Hulstenaar. Zo plaatsten Wil Brand (archivaris van het bisdom Breda), Johan Decavele (voormalig hoofd van het departement van Cultuur van de stad Gent en publicist), Jan de Kort (theoloog en godsdiensthistoricus), Jan Lockefeer (historicus), Antoine Prinsen (archivaris van Hulst) en Honoré Rottier (historisch geograaf en publicist) zich gezamenlijk voor de niet geringe opdracht om in minder dan een jaar een grondige publicatie voor te bereiden.

De samenwerking tussen de auteurs heeft geleid tot een boek dat op een historisch en theologisch verantwoorde wijze een beeld geeft van Jansenius en de betekenis van zijn persoon voor kerk en samenleving van zijn tijd. De auteurs denken in het gestelde doel geslaagd te zijn. De veranderende samenleving en leefomgeving van de zestiende eeuw in de Nederlanden worden beschreven door Honoré Rottier, terwijl Antoine Prinsen zich heeft gebogen over bestuurs- en geloofspraktijk in Hulst in die tijd. Wil Brand beschrijft de familierelaties van Jansenius en zijn contacten met zijn geboortestad. De tijd van de reformatie in Vlaanderen en de plaats van Jansenius daarin worden behandeld door Johan Decavele. Jan Lockefeer schetst een biografie van Jansenius, nu niet encyclopedisch, maar geplaatst in de tijdsomstandigheden en dikwijls gebaseerd op nieuw ontdekte gegevens. Jan de Kort tenslotte geeft op basis van de werken van Jansenius inzicht in het belang dat deze theoloog en pastor heeft gehad in de tijd van de contrareformatie. Hij hoopt daarmee Jansenius van Hulst uit de schaduw te doen treden van zijn naamgenoot uit een latere generatie, Jansenius van Leerdam, bisschop van Ieper, wiens Augustinus ondermeer bijdroeg aan het ontstaan van wat nu heet de Oud-Katholieke Kerk van Nederland.

Het initiatief van de Oudheidkundige Kring De Vier Ambachten om Jansenius te herdenken is ook omarmd door het kerkbestuur van de Hulster Sint-Willibrordusbasiliek. Onder gezamenlijke verantwoordelijkheid en met steun van de gemeente Hulst, vindt zaterdag 6 november in de basiliek een academische zitting plaats. Hierin zal Peter Nissen, hoogleraar aan de Radboud Universiteit in de Cultuurgeschiedenis van de religiositeit, in het bijzonder vanaf de vroegmoderne tijd, een academische oratie houden over de ontwikkeling van het bisschopsambt vanaf Jansenius tot nu. Op zondag 7 november zal de huidige bisschop van Gent, Mgr. Luc van Looy, zijn voorganger tijdens een pontificale dienst in Hulst herdenken. De verschillende kerkgenootschappen worden hierbij uitgenodigd. In beide bijeenkomsten zal het boek worden gepresenteerd en toegelicht. Parallel worden in de loop van dit jaar tentoonstellingen ingericht rond het werk en de persoon van Jansenius in de Librije en het museum.

Jan de Kort & Jan Lockefeer

 

Vanaf de zijlijn

Het is geen verloren zaak

Dat is de slotsom van de studie die Joachim Strybny uit Norden gewijd heeft aan het Platduits zoals het in Oost-Friesland gesproken wordt. Deze conclusie staat haaks op de uitspraken van de onheilsprofeten die verkondigen dat de streektaal op sterven na dood zou zijn. Op basis van het door Strybny aan het licht gebrachte feitenmateriaal  kan worden vastgesteld dat er een keer ten goede heeft plaatsgevonden. In het Oostfriese “Tweesprakenland” is de overlevingskans van het Oostfreeske Platt een reeele aangelegenheid. Ze is zelfs veel sterker verankerd als vermoed werd. Bij de voorstelling van Plattdeutsche Sprachlandschaften in Ostfriesland slaakte de landschaftspresident Helmut Collman dan ook met recht een zucht van opluchting die hij onder woorden bracht met: “Dat is een gelukkig toeval voor Oost-Friesland”.

Het opmerkelijke van deze studie is dat ze geshreven is door iemand die niet uit deze regio geboortig is. Strybny is de zoon van uit Silezië afkomstige vluchtelingen. In de omgang met zijn vrienden leerde hij de streektaal. Vanaf die tijd heeft hij zich voor deze taal geïnteresseerd. Zo vertelt hij dat iedereen die bij hem over de vloer kwam plat sprak; dat was voor hen de gewoonste zaak van de wereld. Tegelijkertijd moest hij steeds weer horen dat het Oostfriese Platt weliswaar een belangrijk cultuurgoed was, maar dat het binnen afzienbare tijd gedoemd zou zijn uit te sterven.

Deze negatieve houding irriteerde hem in hoge mate en is voor hem dé aansporing geweest tot op de bodem uit te zoeken wat daarvan waar was. Zo werd hem duidelijk dat die klaagzangen gedateerd waren; ze bleken al geklonken te hebben vanaf 1744, het jaar waarin Pruisen het in Oost-Friesland voor het zeggen had gekregen. Immers met het overnemen van de macht in dit gewest deed ook het Hoogduits zijn intrede als ambtelijke taal. Voor het Nederlands had dit tot gevolg dat het consequent werd tegengegaan als kerktaal en voor het Nederduits dat de deur in de richting van het dialect steeds wijder open kwam te staan.

In de herfst van 2006 sprak de Ostfriesische Landschaft zijn bezorgdheid over het behoud en de toekomst van de streektaal uit. Maar daar bleef het niet bij want tegelijkertijd werd vastgesteld dat er voldoende mogelijkheden waren voor een naast elkaar bestaan van Hoog- en Platduits. Strybny heeft daar met zijn onderzoek op ingehaakt en duidelijk gemaakt dat het Platduits nog een hoge pretentie heeft.

Het is tegen deze achtergrond dat hij zich is gaan verdiepen in de onderzoeksresultaten uit het verleden. In 1943 stelde Hans Janssen vast dat in Oost-Friesland 75 tot 100% van de bevolking Platduitstalig was; dit gold niet voor de steden waar men “tevreden” moest zijn met percentages die schommelden tussen 50 tot 74%. Dit toch redelijk positieve beeld onderging een gevoelige verandering in de naoorlogse jaren. Twee factoren brengt Strybny ter sprake. Het eerste heeft betrekking op de gevolgen van de volksverhuizing: vele vluchtelingen uit het oosten kregen onderdak in Oost-Friesland,wat de verhoogduitsing gevoelig deed toenemen. Maar de andere was van interne aard: steeds meer ouders begonnen met hun kinderen Hoogduits te praten in het vermeende belang van hun toekomstmogelijkheden.

Om de huidige stand van zaken met betrekking tot de streektaal te inventariseren heeft hij een doelgerichte en wetenschappelijk verantwoorde vragenlijst opgesteld bestemd voor de leerlingen in de klassen 5 tot en met 13 van 12 middelbare scholen. In totaal werden 13123 van deze lijsten uitgedeeld waarvan er 10028 terugkwamen (= 77%).

Eén van de uitkomsten is dat op de geestgronden meer Platduits gesproken wordt dan in het polderland. Ook moet rekening gehouden worden met een urbanisatie-effect; daarmee wordt bedoeld de stadsuitbreidingen die voornamelijk bevolkt worden door mensen die niet in Oost-Friesland geboren zijn. Met een keur aan percentages worden de uitkomsten van dit onderzoek “uitgestald”. Ze maken duidelijk dat voor het officiële verkeer het Hoogduits hoog staat aangeschreven, maar dat als het erom gaat gevoelens onder woorden te brengen men die bij voorkeur in het Plat uitdrukt.

Vastgesteld is dat – als men de huidige situatie vergelijkt met die van vroeger – er sprake is van een toenemende bemoeienis die gericht is op het behoud van de streektaal. Van grote betekenis is in dit verband de aansturing door het Plattdütskbüro van de Ostfriesische Landschaft. De uitdaging waarvoor men in deze regio staat is de kloof te overbruggen tussen de ouders/grootoudersgeneratie en de huidige jeugd. Om het met de woorden van Strybny weer te geven: “De belangrijkste opdracht van de huidige Platduits-sprekende oudergeneratie is hun kinderen deze taal bij te brengen en hen bewust te doen worden van het instandhouden van deze taal en de daarmee verbonden culturele waarde. Dat moet in Oost-Friesland de voornaamste opdracht zijn.”

__________

Bron: Ostfriesland Magazin, 2010/9.

PS: Voor belangstellenden laat ik hieronder de gegevens volgen van de aan bovenstaand onderzoek gewijde publicatie: Joachim Strybny, Plattdeutsche Sprachlandschaften in Ostfriesland, uitgave Ostfriesische Landschaft,132 pp., ISBN 978-3-9406018-7, prijs; 14,80 €.

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53

NL – 3905 CB Veenendaal

 

Nieuw Oud Vlaams


Iedereen wiens ledenbijdrage voor 2011 al vereffend werd; ontving – samen het het nieuwe jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’  - een exemplaar van Nieuw Oud Vlaams – nieuwe lemma’s ter aanvulling van het ‘Woordenboek van het Frans-Vlaams’. Voor deze extra-publicatie hoefden de leden geen afzonderlijke aanvullende bijdrage te vereffenen.

Wie zich ten behoeve van vrienden of bekenden nog een extra-exemplaar van deze belangwekkende uitgave wenst aan te schaffen, dient zich rechtstreeks te wenden tot de auteur Cyriel Moeyaert, Kapelle-straat 12 te B.8978 Watou. De prijs per exemplaar bedraagt (verzendkosten inbegrepen) 10 € te veref-fenen door middel van overboeking op rekening 738-3191370-92 ten name van Cyriel Moeyaert.

 

Het laatste woord


Sporen uit de Lage Landen in Rusland

De Russische nationale luchtvaartmaatschappij heet “Aeroflot” АЗРОФЛОТ, een Russische gsm-operator heet “Vjimpel” ВИМПЕЛ, een sinaasappel heet in het Russisch “appjelsien” АППЕЛСЙН, en een matroos “matros” МАТРОС. De “-flot” in “aeroflot” stamt af van het Nederlandse woord “vloot”. Een vlaggetje of wimpel is het logo van de gsm-firma “vjimpel”.

Meer dan duizend Nederlandse woorden zouden in de Russische taal binnengeslopen zijn. Hoe komen die daar terecht? Waren er dan bevoor-rechte contacten tussen onze Lage Landen en Rusland?

Al in de middeleeuwen werd handel gedreven vanuit Antwerpen en andere steden uit de historische Nederlanden. Vooral met de Hanzestad Novgorod waren er heel wat uitwisselingen, hoofdzakelijk via de Noord- en Oostzee.

In de zeventiende en achttiende eeuw intensiveerde de handel met Rusland. De rondreizende handelaars uit de Kempen en de Nederrijn, “Teuten” ge-naamd, en de “Rusluien” uit het Twentse Vriezenveen gebruikten de “Vlämische Straße” via Noord-Duitsland, Polen, Koningsbergen, Memel, naar Novgorod en later Sint-Petersburg, waar o.a. Nederlandse panden wer-den opgetrokken in de Nevski Prospekt en de Gostinny Dvor. Er werd ook een Hollandse kerk gebouwd.

Mede door toedoen van tsaar Peter de Grote (1672-1725), de stichter van Sint-Petersburg, kwamen geprivilegieerde betrekkingen tussen Rusland en de Nederlanden, zowel de noordelijke als de zuidelijke, tot stand. De wijk “Novaja Gollandija” (Nieuw Holland) en het majestueuze paleis en domein met de Nederlandse naam “Peterhof” groeiden samen met de Mechelse beiaard, de “Maljinovji Zvon”, in de Petrus- en Paulusvesting stilaan uit tot pronkstukken van de plaatselijke architectuur en cultuur.

Peter de Grote sprak en schreef Nederlands.

Tsarina Catharina II Aleksejevna werd te Stettin, nu het Poolse Szczecin in 1729 geboren als Sophie Augusta Frederika, prinses van Anhalt-Zerbst-Domburg. Door haar aderen vloeide Fläminger- en Zeeuws blauw bloed. In haar keizerlijk paleis van Tsarskoje Siëlo verzamelde ze Delfts blauwe voorwerpen, doeken van Rembrandt, Rubens, Frans Hals, Jan Steen en gravures van David Teniers en Filips Wouwerman, kunstenaars uit de noordelijke en zuidelijke Nederlanden, voor wie ze heel wat belangstelling en bewondering koesterde. Ze overleed in haar keizerlijk paleis op 17 november 1796. Reeds vanaf het einde van de 16e eeuw tot het midden van 19e eeuw trokken doopsgezinde families van Mennonieten, volgelingen van de Friese predikant Menno Simonszoon, doorheen Rusland tot zelfs in het verre Siberië, waar heden nog steeds het Mennonietendorpje “Neodatsjno” bestaat in de buurt van Novosibirsk. Tot in het begin van de 20e eeuw werden preken in het met Neder- en Hoogduits doorspekt Nederlands gehouden. Ook de kleuren van de Russische vlag, zijnde horizontaal wit, blauw, rood, zouden volgens de overlevering ontwikkeld zijn door Tsaar Peter de Grote, die na zijn bezoeken aan scheepswerven in de Nederlanden ook de vlag van zijn rijk gebaseerd zou hebben op de Nederlandse Prinsenvlag. Het Russische woord “flag”Флаг is trouwens afkomstig uit het Nederlands, net als “flagsjtok” флагшток overigens. Deze vlag bleef in gebruik tot 1914 en werd in 1991 opnieuw de officiële driekleur van Rusland.


Nederlandstalige boeken voor Waalse en Frans-Vlaamse studenten

Docenten Nederlands voor anderstaligen willen hun collega’s en de studenten graag adviseren bij de keuze van leesboeken en de samenstlloing van leeslijsten. Zodoende gaan we opzoek naar recent en oorspronkelijk in het Nederlands vertaalde boeken.

Maar nu kunt u uw steenje bijdragen mits het formulier op www.princedingen.eu (klik op boekenforum) binnen te halen en te klemmen, naar uw pc te kopieren, in te vullen en door te mailen naar ingecallebaut@telenet.be.



boek-ed-inge-n: boek omdat het om oorspronkelijk Nederlandstalige boeken gaat, die gerecenseerd en aanbevolen worden. edingen omdat het een initiatief is van de Orde van den Prinse “Land van Edingen”. inge, omdat Inge Callebaut de initiatiefneemster is.
Wat beoogt men met boek-ed-inge-n?

Indien u een recent Nederlandstalig boek gelezen hebt, kunt u ons helpen mits de titel, de auteur, de uitgever, het genre en de projs te melden en tevens neen samenvatting of een recensie te maken. De boeken mogen van uiteenlopende aard zijn.

Leo Camerlynck

Edouard Michielsstraat 51, B – 1180 UKKEL / Brussel

e-post: leo.camerlynck@skynet.be - t. 00 32 485 63 02 27