> nieuwsbrief > 29e jg. - 4e trimester 2011

Bijdragen over: Tip

Mededelingen

 

Zannekin-Ontmoetingsdag te Burtscheid op zaterdag 19 november 2011


Onze Ontmoetingsdag 2011 gaat door in Burtscheid (let wel: NIET Burscheid-zonder-t) dat eveneens nabij Aken gelegen is. Burtscheid maakt in feite deel uit van de Akense agglomeratie (zie detailplan op volgende pagina, waarop de Abteistrasse en de Kapellenstrasse terug te vinden zijn. De Abteistrasse – ons oord van samenkomst – ligt overigens op loopafstand van het Akense Hauptbahnhof.

Dagorde

10.30 – 11.00 uur: ontvangstbuffet in de Pfarrheimsaal van de abdij in de Abteistrasse, Aachen/Burtscheid (alwaar gratis parkeermogelijkheid).

11.00 uur: opening door Leo Camerlynck, voorzitter Stichting Zannekin.

11.15 uur: lezing door dr. Ludger Kremer over "Rand-, Grens- en Exilnederlands: het Nederlands als voormalige minderheidstaal in Duitsland".

12.30 uur: lunch in restaurant Burtscheider Quelle, Kapellenstrasse (op loopafstand).

14.00 uur: terug naar abdij. Lezing door Jan van Tongeren over Burtscheid en haar betekenis voor de Sint Nicolaasverering in de Nederlanden en over de geschiedenis van de abdij en haar bezittingen in de Nederlanden (zo onder meer was de abdij in het bezit van Rutten bij Tongeren, vandaar ook dat ze een Evermarus-reliek in haar schatkamer heeft).

14.45 uur: bezoek aan de abdijkerk en de schatkamer o.l.v. de hr. R. Begaß.

15.15 uur: wandeling door het stadje o.l.v. de hr. M. Prömpeler.

16.15 uur: Kaffee mit Kuchen.

17.00 uur: afsluit.

Deelname

De deelnameprijs beloopt alles inbegrepen (ontvangstbuffet, middagmaal exclusief dranken, museumbezoek, afsluitbuffet) 35 € per persoon. Aanmeldentot uiterlijk 12 november - graag per e-post (maurits.cailliau@skynet.be) of telefonisch 0032 57 204 194 (secretariaat) met opgave van het aantal deelnemers en gelijktijdige betaling van de deelnamebijdrage. Niet-leden betalen 40 € per persoon. Onze rekening-nummers vindt u onderaan pagina 1 van deze Nieuwsbrief.

De Abdij van Burtscheid


 

De abdij werd in 997 in opdracht van keizer Otto III door abt Gregor opgericht als een Benedictijnenklooster. Kaiser Heinrich II vaardigde in 1018 een oorkonde uit, waarbij de Abdij een tiendendomein verwierf die precies de grenzen van de latere stad Burtscheid omsloot. De "villa Porceto" was zo uit het gebied van de "villa Aquisgrana", het Karolingische Paltsdistrict gelicht. Een document van keizer Hendrik III. van de zesde juni 1040 lichtte het domein uit het tiende district van de Paltskerk van St.-Maria, de Moeder Kerk, Main en Aken, en verleende het de monastieke status, waardoor het klooster Burtscheid belastingen en diensten verwierf. Sinds het jaar 1138 - tot aan de ontbinding door de Franse overheersing in 1802 - werd het klooster door Conrad III een Rijksonmiddelijke status verleend.

In 1220 werd de abdij omgevormd en werd ze een cisterciënzerklooster. De eerder op de Salvatorberg in Aken wonende kloosterlingen trokken er in. Onder hun regime werd het klooster met de tijd een meer aristocratische instelling, waarin vooral de dochters van de Rijnlandse adel intraden.

De abten van de eerdere abdij en later hun vrouwelijke opvolgers van de cisterciënzerorde waren verhuurders van het gebied waarvan de grenzen al in het charter van Hendrik II werden omschreven in 1018. De kloostervoogden waren aanvankelijk de heren van Merode, In 1649 werden de rechten van de verdediging overgenomen door de abdij zelf.

Met de secularisatie werd de abdij ontbonden in augustus 1802. Alle abdijgoederen werden genationaliseerd. De resterende stiftdames ontvingen een pensioen en keerden deels terug naar hun families. Slechts twee van hen bleven in Burtscheid en woonden tot hun dood in 1829, respectievelijk 1830 in de Abdijpoort. Ze maakten zalven van planten voor de gewonden en zieken, en verleenden, ondanks hun magere pensioentje, ondersteuning aan de armen Burtscheid.

De abdijgebouwen

Na de stichting van de abdij in 997 had abt Gregor naast de St.- Nicolaaskapel - op de plaats van de huidige pastorie - de bouw van het eerste klooster aangevangen. In het midden van de 14e eeuw werden deze inmiddels oude gebouwen gerenoveerd.

Tussen de jaren 1610 en 1620, werden de zuidelijke en westelijke vleugels herbouwd; in de jaren 1667 kwam de oostelijke vleugel aan de beurt, die uitgevoerd werd in de Maas Renaissancestijl. In de kruisgang van het klooster, vertoont een siersteen het wapen van de abdis Henrika Raitz Frentz van het jaar 1654. De westelijke vleugel werd gebouwd in 1617, en omvatte het kwartier van de abdis. In een hoek op de aangrenzende zuidelijke vleugel leidde een gebogen poort naar de kelder van de westelijke vleugel, die een ongeveer 7.20 x 8 meter grote ruimte besloeg, die nog in 1912 diende als een wasruimte en tijdens de Tweede Wereldoorlog als noodonderkomen bij luchtaanvallen dienst deed. De onderste verdieping van de zuidelijke vleugel bevatte ook de kloosterbakkerij. Na 1794 werd in de abdijgebouwen voor enige tijd een Frans militair hospitaal gehuisvest.

 

Abdij Burtscheid omstreeks 1790

 

Met de afschaffing van de abdij in het spoor van de secularisatie werden de abdijgebouwen ver-kocht. De kamers waren al snel verhuurd aan een groot aantal van de werkende gezinnen. De westelijke en zuidelijke delen van het abdijgebouw werden later gekocht door de gemeente Burtscheid. Het oostelijk deel huisvestte de raad van Maria Ziekenhuis en het noordelijke deel fungeerde als een doopkapel, terwijl het bovenliggende verdiep als zaal van de St.-John-parochie dienst deed. In oktober 1860 werd de voorwand van de refter vervangen door een 4 meter teruggetrokken gestructureerde sobere bakstenen muur. In april 1874, werd de zuidelijke vleugel herbouwd tot kerk annex school.

Met de zware bombardementen op Burtscheid in april 1944 werden de gebouwen zwaar beschadigd en ten dele helemaal vernield. In de kelder van de westelijke vleugel vonden talrijke politieagenten die bescherming zochten de dood. In november 1950 diende de zuidwestelijke hoektoren te worden afgebroken omdat hij dreigde in te storten en een gevaar vormde voor de voorbijgangers. Alleen het onderste deel, dat eerst in 1953 voorlopig opgekalfaterd was bleef overeind. Aan de onderkant van de voormalige dakluifels waren kleine schermen van eikenhout vastgemaakt. Een van deze consoles heeft het overleefd en is nu de zetel van de geschiedkundige vereniging die zich buigt over verleden en heden van Burtscheid. Op 3 juni 1952 leidden de onderhandelingen met het stadsbestuur Marienhospital tot de vrije overdracht van het onroerend goed aan John Hill. In 1961 werd toestemming bekomen om bij het Ziekenhuis van de abdij van Sint Mary's een kapel te bouwen en voor het creëren van persoonlijke ruimte. De oostelijke vleugel van het abdijgebouw en een deel van het klooster zijn bewaard gebleven en gedeeltelijk in de nieuwe gebouwen geïntegreerd. In maart 1988 werd in het noordelijke deel van het voormalige klooster de schade van de Tweede Wereldoorlog hersteld. Sinds maart 2003, herbergt deze vleugel de schatkamer waarin de abdijschat is tentoongesteld.

Abdijkerk

Abdijkerk van St. John

 

Bij de stichting van het klooster gebouwd in 997 door abt Gregorius bestond er al een kleine kapel die was gewijd aan St.-Nicolaas. Zo verschijnt voor het eerst in het Rijnland Sint-Nicolaas als beschermheilige, met een duidelijk verwijzing naar het gebied van de Oosterse Kerk. De kapel was ongeveer op de plaats van de huidige pastorie van St.-John. Nog bij leven van Gregory werd met de bouw van een grotere abdijkerk begonnen, de eerste die aan de heilige Apollinaris was gewijd. Ze werd ingewijd in 1016-1018 en situeerde zich ongeveer op de plaats van de huidige parochiekerk van St. Johann. De Apollinariskerk omvatte een schip van  ongeveer 20 meter lang en 8 meter breed. Ze had een transept, een halfronde apsis en een vierkante toren.

Nadat de kapel blijkbaar te klein werd en vervallen, werd ze herbouwd rond 1350. De nieuwe, grotere kerk was gewijd aan Sint Johannes de Doper. Ze werd iets verder naar het zuiden dan het bestaande gebouw opgetrokken, ongeveer op het punt waar de huidige kerk van St.-John staat. Het uitzicht van het nieuwe gebouw werd waarschijnlijk bepaald door abdis Aleidis Müllenark onder wiens beheer de bouw startte, om vervolgens onder abdis Mechtildis Bongard afgerond te worden. De kerk werd gebouwd in gotische stijl, met drie beuken en een ver-uitstekend koor, waarin de nonnen hun plaats in het koorgestoelte hadden. De breedte van het kerkschip was 15,60 meter. De kerk had zes altaren. Ten eerste het hoogaltaar, waarop een zilveren tabernakel zijn plaats had. Daarnaast waren er een Christus-, een Heilige Maagd-, een St.-Anna, een Bernardus- en een Antoniusaltaar. In 1736 werd in opdracht van de abdis Anna Margaretha Carola von Renesse met een nieuw gebouw van de abdij kerk - naar plannen van de Akense architect Johann Joseph Couven - begonnen. De stenen waaruit het nieuwe gebouw werd opgetrokken, werden gekapt op de Mühlenbend in Burtscheid. Couven begon met de bouw van de westelijke toren, die duurde tot 1741. Pas na een lange pauze kwam in 1748 de sloop van de oude kloosterkerk en de hervatting van de bouw van de nieuwe kerk. De ruwbouw werd voltooid met het sluiten van de koepel in de late zomer 1754. Deze nieuwe kerk was 45 meter lang, het schip en koor 11,50 meter breed, de koepel 18,80 vierkante meter, de hoogte tot de top van de koepel 34,20 meter. De decoratieve gevel van de kerk werd gericht naar de noordzijde. Couven ontwierp een achthoekige koepel. Deze koepel, die wordt verlevendigd door zolderluiken en blijft het dominante motief. De toren met zijn originele voorkomen is niet verpletterd door de koepel. Het samenspel van koepel, toren en dakrijders geeft het gebouw zijn unieke silhouet. De hoofdingang aan de noordzijde van de toren is ingesprongen. Boven dit portaal is het embleem van de abdis van Renesse, die begonnen is met de bouw, aangebracht. Het portaal draagt het motto van de abdis van Renesse, “Dominus providebit” (Zorg God) en het jaartal 1736. Boven de grote gebogen ramen aan de noordkant is het embleem van de abdis van Woestenrath aangebracht. Dit embleem van de zwaan in het hertengewei werd later dit van Burtscheid en is nog steeds in het wapen van de Kreis Aken opgenomen. Aan de zuidzijde van het schip is een kleine zijkapel, die ook Memorial Chapel wordt genoemd, omwille van het dodenboek met denamen van de oorlogsslachtoffers van de parochie St.-Johann. Binnenin domineert het transept onder de koepel. Het heeft de vorm van een onregelmatige achthoek. Geschulpte nissen herbergen de beelden van de apostelen. De acht ribben vertrekkend van de afsluitsteen zijn verenigd onder een lichtlantaarn. Het koor heft dezelfde hoogte en breedte als het schip. Het centrum van de curve is door een raamachtige niche bijzonder benadrukt.

Met de secularisatie van de abdijkerk door de Fransen werd de site een Domeingoed. De Fransen gebruikten het aanvankelijk als een militair magazijn en een stal. In 1804, bij Napoleons bezoek aan Aken, kon bekomen worden dat de kerk werd heropend voor de katholieke eredienst. Na de kerk ontruimd en schoongemaakt te hebben, werd er op kerstdag 1804 in de vroege uren van de ochtend, het Te Deum gezongen, en daarna de eerste religieuze plechtigheden voltrokken. In 1806 werd de abdijkerk tot katholieke parochiekerk van Burtscheid bestemd. Bij de bomaanslag op Burtscheid in april 1944 brandde de kerk helemaal uit. Alleen de buitenmuren bleven staan. De heropbouw duurde tot de jaren 1960.

De Abdijpoort

De poort naar de abdij van Burtscheid was in 1644 onder de Abdis Maria Anna von Frentz Raitz gebouwd. Het is een van de weinige overgebleven getuigen van de Maas-renaissance-bouwstijl in het Akense, en toont een effectief contrast tussen de blauwe stenen en bakstenen oppervlakken ledematen. Tijdelijk werd ze ook wel Jonaspoort genoemd, naar de naam van ene Jonas die de poort als gevolg van van de secularisatie tijdelijk verwierf. Met de zware bombardementen op Burtscheid april 1944 brandde het gebouw volledig uit. Grote delen van de belangrijkste gevel die nog overeind gebleven waren, scheurden in 1947, toen een vrachtwagen er tegenop reed. In 1950 werd uiteindelijk overgegaan tot de volledige restauratie. Dit resulteerde in een vernieuw complex waarin vijf kleine appartementen onderdak vonden.

Hier ook wordt een gedeelte van de rijke kerkschat bewaard. Behoren daartoe, met inbegrip van de icoon van St.-Nicolaas uit de 12e eeuw, eeuw, het Bernardus reliekschrijn met daarin stukjes bot en een gewaadrest van de heilige Bernard, de Evermarus buste, een hoofd reliekschrijn uit het jaar 1707, het Äbdissenkruis, die al is aangetoond in 1220, het borstbeeld van John uit de 14e eeuw, kelken, monstransen, gewaden en andere kunstvoorwerpen. De schatkamer is sinds maart 2003 echter gevestigd in het gerestaureerde klooster van de voormalige abdij.

___________________

Bron: Wikipedia, vrij vertaald uit het Duits


De Abdijschat van St.-Johann-Baptist te Aachen-Burtscheid 

Een Leidraad

Korte samenvatting van de in de schatkamer van de Abdijkerk St.-Johann-Baptist in Aken-Burtscheid voorhanden rijkdom.

De Abdijschat

De waardevolle abdijschat wordt sinds 2003 tentoongesteld. Getoond worden liturgische voorwerpen, nrs. 1-13; relieken, nrs. 14-24; icoon nr. 21; kledingstukken, nrs. 25-28.

1. Barokkelk van 1781. De weelderige vormen laten zien, dat de kelk nog in rococostijl, met Latijnse inscriptie aan de voet van de kelk, voor de dichtbij gelegene Mariakapel gemaakt werd.

2. Miskelk met dubbelkruis. Geschenk van de eerste pastoor aan St.-Johann, van F.B. Beys, uit Maastricht.

3. Miskelk van 1832. Akener werkstuk in classicistischen stijl, met 3 medaillons, stichter pastoor Scheen.

4. Zimborium van 1760. Met zimborium bedoelt men de kelk, voor het bewaren van hosties. De kelk is met engelhoofdjes en het oude symbool van het leven, granaatappels versierd.

5. en 6. Miskannetjes; 7. Wierookvat van 1703. Stichterin van het zilverobject is vermoedelijk Abdis Angelberta; haar wapen versiert de dubbele spits. Vervaardigt in Nederland.

8. Lavaboschaal. 1625 ontstaan in Antwerpen; achthoekige schaal met mythologische jachtscènes en dierbeelden van Orpheus. Oorspronkelijk geen christelijk object, late lavaboschaal.

9. Nieuwgotische Monstrans. 2e helft van de 19e eeuw, van de Akense goudsmid Johannes Schreyer.

10. Neoromaanse Kelk van 1832. Met vijf ivoren reliëfs aan de voet, vervaardigd van Martin Vogeno.

11. Zonnenmonstrans. Vervaardigt omstreeks 1700 voor de Burtscheider Mariakapel. Links het genadebeeld van de kapel, rechts Abt uit het klooster Val-Dieu in België (ca. 35 km) als zielzorger en biechtvader.

12. Barokmonstrans. 1737 van J. Werry uit Maastricht vervaardigd; maar in 1897 hevig verandert.

13. Monstrans, Dietrich von Rath, 1619. De beroemde Akense goudsmid vermengde gotische en renaissancevormen. Aan de zijkanten ziet u de figuren van Johannes de Doper en Bernard van Clairvaux.

14. Altaarkruis van 1740. Barok dubbelkruis, met ronde relikwiecapsule. Het kleine lichaam van de gekruisigde, is rond 1500 in de werkkamer van de beroemde Hans von Reutlingen ontstaan.

15. Oorkonde van 1747. Koopcontract met zegel en handtekening van de Abdis van Renesse d’Elderen.

16. Momenteel niet tentoongesteld

17. Voetrelikwie. In zilver gedreven kinderbeen met relikwie, ontstaan om 1380, ter herinnering aan de “Onschuldige kinderen van Bethlehem“. In het deksel bevindt zich een wapen van de familie Binsfeld-Bronckhorst, misschien de stichter van de relikwie.

18. Bergkristal-Relikwie. Oudste stuk van de schat. Oorspronkelijk parfumfles, afkomstig uit Egypte. Kwam voor de 10e eeuw via Constantinopel naar Aken. Rond 1280 als relikwie ingelijst, met de verwijzing op Johannes de doper (bloeddruppels) en Zacharias, vader van Johannes (tand).

19. Bernardus-relikwie. In 1865 vervaardigt door M. Vogeno. Bernhard is de 2e patroon van St.-Johann.

20. Abdis-Kruis. Het omstreeks 1230 ontstane dubbelkruis werd als zegenkruis in de verhulde hand gedragen. De voorzijde is met 32 edelstenen, parels en filigranen versierd en verder met 2 kruisen met relikwieën. De zilveren achterzijde “Niellotechniek“ toont het kruis als boom van het leven (levensboom). Jezus wordt 2 keer getoond, beneden als stervende mens, boven als de verhoogde Christus.

21. Nikolaus-Mozaϊek-Icoon. Westelijk bestaan maar weinig oude iconen. Deze icoon is afkomstig uit Constantinopel. Misschien heeft Abt Gregor ze meegebracht. Haar ouderdom is een strijdvraag. Enige van de in was gelegde mozaϊekstenen zijn door brandende kaarsen verloren gegaan. Het Nikolausbeeld richt zich streng naar de iconen-schilderkunst van de oostelijke kerk. Aan de onderste linker kant kunt u de oudste afbeelding van Abt Gregor zien, aan de onderste rechter kant ziet u de heilige Benedikt. Tot de 18e eeuw werd de Nikolaus-Icoon (Nikolaus de kindervriend) naar zwangere vrouwen gebracht, voor een gelukkige geboorte.

De onderste beeldfries toont een Nikolaus-legende: Een rijke joodse koopman vertrouwt zijn geheel vermogen, gedurende zijn reis, het Nikolausbeeld aan. Er komen 3 dieven en ze plunderen het hele huis. Als de jood zijn geplunderd huis ziet, slaagt hij met een stok op het Nikolausbeeld. Daarop verschijnt de in levenden lijve Nikolaus, met striemen in het gezicht, voor de dieven, die berouwvol het gestolen goed terugbrengen. De jood verontschuldigt zich, knielt neer en bekeert zich tot het christendom.

In een gevangenis in Keulen, zat in het begin van de 20e eeuw, een dief met de volgende tatoeage: “Heiliger Nikolaus bewahre mich vor Polizei und Arbeitshaus“. (Sinterklaas bescherm mij voor de politie en voor het werkkamp.) Daarnaar wordt de heilige Nikolaus, met betrekking tot de legende van onzere icoon, als beschermende patroon van de dieven vereerd!

22. Evermarus-buste. De buste bevat het hoofd van de heilige Evermarus, een bij ons niet zo bekende Friese edelman, die omstreeks 700 leefde. Hij werd bij Rutten, dichtbij Tongeren (België), op de pelgrimstocht naar het graf van de heilige Servatius naar Maastricht vermoord. Zijn omstreeks 1700 ontstaande buste, werd met pelgrims-mosselen versiert. In Rutten staat een Evermarus-Kapel. Een landgoed in Rutten was de Abdij Burtscheid onderworpen. Van daar kwam de betrekking.

23. Laurentius-buste. Hoofd en sierkraag van de buste zijn uit zilver. Een inscriptie, inwendig van de buste, verwijst naar de heilige Laurentius. Uit de vorm van de steenomlijsting van de buste, laat zich de ouderdom omstreeks 1280 afleiden. Vermoedelijk heeft de omlijsting oorspronkelijk een andere relikwie omsloten. De sokkel met de leeuwenhoofden is afkomstig uit Tirol (17e eeuw). Die uit verschillende tijdperken samengestelde buste, wordt als „Patchwork“ aangemerkt. De betrekking naar de Abdij Burtscheid en haar afkomst, zijn onduidelijk.

24. Johannes-buste. Zij behoord tot de belangrijkste, gekroonde relikwie uit de tijd van Karl IV. en is om 1360 ontstaan. Enkele jaren na de Karelsbuste, uit de Akense Domschat. De armrelikwie is niet, zo als anders gebruikelijk, in een zilveren arm omsloten, maar met een prachtig gekroonde buste. Het hoofd is in zilver gedreven, baard en kleed zijn verguld. De buste is rijk met stenen, parels en antieke intaglios (gemmen) versierd. De kroon wordt gesymboliseerd in de kroon des levens. Met haar zullen heilige en martelaars in de hemel beloond worden.

25. Rode-Fluweel-Brokaat-Kasel. (Miskleed) Het is omstreeks 1720 ontstaan. Het is met kruisstaafjes en goudborduursel op blauw fluweel versierd. Beneden ziet men het dubbelwapen van de Graaf van Plettenberg en Graaf Westerholt-Lemberg, vermoedelijk de stichter van het waardevolle kleed.

26, 27, 28. Blauwfluweel-Kasel en Dalmatiken. Dalmatiken zijn de kleren van hulpgeestelijken (diakens), de Kasel het priesterkleed. Deze 3 kledingstukken (gewaden) uit de tijd omstreeks 1370, zijn uitzonderlijke kostbaarheden, bijzonder die voor 600 jaren oude, geborduurde 61 beeldmedaillons. De motieven werden uit het Oude en het Nieuwe Testament ontnomen. In de zijkanten vinden we de wapens van verschillende, Rijnlandse, adellijke geslachten uit de 14e eeuw. De werkruimten, waarin de borduren ontstaan zijn, waren vermoedelijk in Keulen.

 

Adres: Kath. Pfarramt St. Gregor von Burtscheid, Michaelsbergstraße 6,D 52066 Aachen, Tel.: (049) (0) 241-96 101 0; Fax: (049) (0) 241-96 101 18; E-Mail: www.st-gregor-von-burtscheid.de; Geopend: met rondleiding, elke 1e zaterdag en 3e woensdag van de maand, van 15.00 tot 17.00 uur, en voor groepen op aanmelding aan de adres van het Pfarramt.


Liefde voor de taal van de buren blijft onbeantwoord


Eveline Domevscek

Duitse jongeren willen dolgraag de taal van hun westerburen leren. Zo graag dat er een tekort aan docenten Nederlands is. Hier is de liefde voor het Duits al jaren bekoeld.

De grootste opgave voor het komende schooljaar? Matthias Stroetmann, directeur van de Alexanderschule in het Duitse Raesfeld, hoeft er niet lang over na te denken. Het vinden van een docent Nederlands, zodat hij zijn leerlingen kan bieden wat ze willen: Nederlands leren. Stroetmann is zeker niet de enige. De vraag van Duitse middelbare scholen in de Duitse grensregio naar docenten Nederlands stijgt maar door. In het afgelopen jaar is het aantal Duitse leerlingen dat Niederländisch leert meer dan verdubbeld ten opzichte van tien jaar geleden. En scholen zien de belangstelling alleen maar toenemen.

Hulp nodig

Het is een probleem’, zegt Jan Oostenbrink van Euregio, een belangenorganisatie in het Duits-Nederlandse grensgebied. ‘Scholen bieden Nederlands aan, er zijn behoorlijk wat leerlingen die daar belangstelling voor hebben, maar er zijn niet genoeg leraren die het vak kunnen geven.’

En dus helpt onder meer Euregio bij de werving van docenten Nederlands in ons land die over de grens willen werken aangezien het tekort niet met alleen Duitse leerkrachten kan worden gevuld. Ook de hulp van de provincies Gelderland en Overijssel is ingeroepen voor de wervingscampagne.

Volgens de Duitse Angelika van der Kooi, nu werkzaam voor Euregio, maar daarvoor dertig jaar als docent in zowel Nederland en Duitsland, komt de interesse voor het Nederlands voort uit het vaak ‘ontzettend positieve’ beeld dat Duitse jongeren van Nederland hebben.

Ook Loek Geeraedts, zakelijk directeur van het Zentrum für Niederlande-Studien aan de universiteit van Münster, ziet dat de jeugd nog een ‘heel liberaal en vrij beeld’ heeft bij Nederland. ‘Ze gaan er met vakantie, ze vinden Nederlanders joviaal en open. Kortom, ze krijgen een aimabel gevoel bij hun buurland.’

Daar komt bij dat de kansen op de arbeidsmarkt in Nederland, maar ook in Duitsland, zichtbaar stijgen als ze Nederlands in hun vakkenpakket hebben gehad. ‘Door de handel met Nederland hebben heel veel Duitse bedrijven behoefte aan mensen die Nederlands spreken. Andersom zijn er ook veel Nederlandse bedrijven die mensen zoeken die beide talen machtig zijn.’

En ook dat is een probleem. Want de liefde voor de taal van de buren is niet wederzijds. Uit onderzoek van het Duitsland Instituut Amsterdam (DIA) dat eerder dit jaar uitkwam, bleek dat meer dan 70 procent van de Nederlandse middelbare scholieren ‘helemaal niks’ heeft met Duits. Met als gevolg dat nog meer heel weinig mensen kiezen voor de studie Duits, waardoor er aan deze kant van de grens een tekort aan docenten Duits ontstaat.

Zonder kennis

‘Op dit moment zijn alleen al in Münster meer Duitsers die Nederlands studeren, dan er in heel Nederland Nederlanders zijn die Duits studeren’, zegt Loek Geeraedts. Volgens hem is het een gevolg van de invoering van de Mammoetwet in Nederland, toen alleen Engels nog overbleef als verplichte vreemde taal. Relatief moeilijke talen als Frans en Duits werden vanaf toen massaal uit het vakkenpakket gegooid.

Bovendien denken Nederlanders volgens Oostenbrink van Euregio dat ze er zonder kennis ook wel uitkomen met de Duitsers. ‘Er heerst een houding van: das verstehen wir wohl. En zo niet, dan doen we het wel in het Engels. Terwijl het zo handig is om via de taal een voetje tussen de deur te krijgen bij veel Duitse bedrijven. Op deze manier verwaarlozen we onze belangrijkste handelspartner.’

Al is er hierdoor inmiddels een nieuwe handel ontstaan: Duitse docenten naar Nederland en Nederlandse docenten naar Duitsland.

_______________

Gepubliceerd: donderdag 4 augustus 2011 23:31 in DE PERS.nl


Cornelius Jansenius van Hulst (1510-1576)

Aan deze figuur werd aandacht besteed in onze Zannekin-Nieuwsbrief 3/2011, pp. 14-15.

Daar werd ook gewezen op het initiatief van de Oudheidkundige Kring De Vier Ambachten om aan de figuur van Cornelius Jansenius aandacht te besteden middels een academische zitting en een tentoonstelling, (naast een boekpublicatie) aangekondigd voor november.

Nagelaten werd er op te wijzen dat deze initiatieven doorgang vonden in november 2010. een naklank ervan valt te lezen op www.devierambachten.nl/janseniuskring


Vanaf de zijlijn

Daar kun je je hart aan ophalen

U kent ongetwijfeld bovenstaande zegswijze. Ze heeft doorgaans betrekking op iets dat je een ongedachte verrassing bezorgt. Ik heb dat gevoel ervaren toen ik – als liefhebber van oude kaarten – het boekwerk Frisia Orientalis onder ogen kreeg. Het is vooral de ondertitel de duidelijk maakt wat de liefhebber te wachten staat wanneer hij het open slaat: Alte Karten und Geschichte von 1550 bis 1800. De samensteller van deze curieuze bundeling is Lutz Albers.

Uit zijn inleidende woorden valt op te maken dat het door hem uitgezochte kaartenmateriaal geen “eersteling” is. In 1962 verscheen in de reeks Hier bust Du to Huus van de hand van Arend Lang Kleine Kartengeschichte Frieslands zwischen Ems und Jade. (Tijdens mijn bezoek aan dr. Harm Wiemann te Aurich op donderdag 30 maart 1978 kreeg ik dat van hem ten geschenke). Deze uitgave kan beschouwd worden als een neerslag van wat op dat ogenblik met betrekking tot dit belangwekkende onderwerp gekend en beschikbaar was. En alleen al dit feit is voldoende om aan te geven dat het onderzoek niet heeft stilgestaan. Sindsdien zijn er bijna een vijftigtal jaren voorbijgegaan. Voor Albers was dit gegeven aanleiding opnieuw een stand van zaken op te maken. Om er zeker van te zijn dat zijn werkstuk aan deze doelstelling ging beantwoordde heeft hij zich weten te verzekeren van de medewerking van leidinggevenden van gerenommeerde instellingen op dit gebied. En wat de uitvoering en vormgeving betreft heeft hij niet tevergeefs aangeklopt bij dr. Lübbert Haneborger die als verbindende schakel heeft gefungeerd met de uitgever Soltau-Kurier te Norden waaraan hij verbonden is als redacteur en lector van het tijdschrift Ostfriesland Magazin.

Wat de geschiedenis van het kaartenmateriaal betreft blijkt dat de Nederlanden een vooraanstaande plaats hebben ingenomen. In dit verband passeren figuren als Mercator, Ortelius en Frisius de revue. De door hen vervaardigde kaarten mogen dan niet altijd uitgemunt hebben door nauwkeurigheid – één van hen heeft treffend opgemerkt dat hij als het ware als door een nevel heeft waargenomen – ze getuigen wel van groot vakmanschap. En met het vorderen van de tijd werd de techniek steeds verder ontwikkeld en verbeterd. Dat aspect wordt verduidelijkt in het tekstgedeelte waarin ingegaan wordt op het kaartenmateriaal dat vervaardigd werd door Christiaan Sgroten en Jacob van Deventer.

Uitvoerig wordt stilgestaan bij de nauwe betrekkingen die ook op dit gebied bestonden tussen Oost-Friesland en de Nederlanden. Met name de havenstad Emden was van een niet te onderschatten betekenis; ze fungeerde als een soort poort waardoor het onder meer in Antwerpen (Plantijn en Moretus) gemaakte kaartenmateriaal dit gewest binnengeraakte. Dat de toenmalige politieke situatie hierin een geducht woordje heeft meegesproken mag als bekend verondersteld worden. Eerst op het einde van de 17e eeuw komt er een eind aan de eersterangspositie van de Nederlanden; Franse kaartenmakers als Nicolas Sanson uit Abbeville hebben aan dit proces in niet geringe mate bijgedragen.

Opvallend is dat de oudste kaarten die van Oost-Friesland bekend zijn niet altijd volledig in overeenstemming zijn met de werkelijkheid; vooral bij het noordelijk kustgedeelte heeft de fantasie de maker nogal eens parten gespeeld. Maar naarmate men de landmeetkunst beter in de vingers krijgt, wordt het kaartbeeld waarheidsgetrouwer.

Het door Albers uitgezochte kaartenmateriaal wordt begeleid door een stuk verklarende tekst. Daardoor wordt het inzicht verdiept wat het genieten in belangrijke mate ten goede komt. Ik gebruik met opzet het werd “genieten” want dat is het juiste werkwoord om uit te drukken welke gevoelens het bekijken van dit unieke cartografische materiaal bij de liefhebber oproept. Ik denk dat ik geen woord teveel gezegd heb met boven deze Vanaf de zijlijn te zetten dat je je hart eraan kunt ophalen.

Afsluitend laat ik hier ook nog de gegevens volgen voor hen die aan dit ophalen gevolg willen geven: Lutz Albers, Frisia Orientalis. Alte Karten und Geschichte von 1550 bis 1800. Verlag Soltau-Kurier, Stellmacherstr. 14, D 26506 Norden, 2010, 192 pp., 36,80 €, ISBN 978-3-93987-5.

Marten Heida,Prins Willem Alexanderpark 53,NL – 3905 CB Veenendaal


Het laatste woord


Leo Camerlynck

Gevaarlijk talengeëxperimenteer in het Nederlandstalig onderwijs?
Meer Engels betekent minder Nederlands
 

Decennialang werd in België strijd gevoerd om eerst en vooral Nederlandstalig onderwijs uit te bouwen en vervolgens degelijk Nederlandstalig onderwijs aan te bieden. En het resultaat is dat het Nederlandstalige deel van België over een onderricht op een hoog peil en een kwaliteitsvol onderwijsnet beschikt.

Bepaalde Vlaamse politici van uiteenlopende partijen en eminente academici houden op geregelde tijdstippen pleidooien voor meer vakken in een andere dan de Nederlandse taal. En die andere taal is vanzelfsprekend het Engels. Dit pleidooi neemt soms te omvangrijke proporties aan, in zo verre dat het dreigt gevaarlijk te worden.

Het Engels wordt opgedrongen op een moment dat, ondanks hoog aangeschreven onderwijs in het Nederlands, nog steeds meer dan de helft van de Vlamingen zich niet eens vlot in het Algemeen Nederlands weet uit te drukken. Men hoeft maar naar de Vlaamse televisiezenders te kijken om vast te stellen hoeveel spontaan ondervraagde Vlamingen moeite hebben om een samenhangend Nederlands taalgebruik te hanteren. Daarnaast vinden ook een groeiend aantal Nederlanders het niet zo erg dat slordig met het Nederlands wordt omgesprongen. Met ondertiteling van Nederlandse en Vlaamse televisieseries of geïnterviewde Vlamingen en Nederlanders voor gevolg.

In Brussel en langsheen de taalgrens worden de Nederlandstalige scholen overspoeld door Franstaligen en anderstaligen. In veel gevallen vormen zij de overgrote meerderheid. Dit is een positieve trend, die een te groot aantal Vlamingen dan weer - én jammer genoeg - met gemengde gevoelens gadeslaan.

Het besef bij niet-Nederlandstaligen blijft groeien dat meertaligheid verwerven enkel in het Nederlandstalig onderwijs mogelijk is, en enkel in de homogeen Nederlandstalige onderwijsinstellingen met de nadruk op Nederlandse taalhomogeniteit.

Hoe kan men die Vlaamse én Nederlandse politici en academici, die pleit-bezorgers voor het Engels zijn, ervan overtuigen dat meer Engels in het hoger al dan niet universitair onderwijs geen enkele meerwaarde betekent. Erger nog, het gebruik van het Engels uitbreiden naar het secundair onderwijs staat gelijk met het degraderen van het Nederlands. Meer Engels in het lessenpakket betekent de facto minder Nederlands.

De doorsnee Vlaming weet zich doorgaans uit de slag te trekken in twee of drie talen, en vaak ook in een vierde. De anderstaligen, die school liepen in het Nederlands, kunnen zich over het algemeen ook in meer dan één taal uitdrukken. En dat ondanks of eerder dankzij taalhomogeen Nederlands onderwijs.

Ondertussen sluipt het verengelsinggevaar geruisloos verder, en is het de hoogste tijd om hiertegen een dam op te werpen of - om binnen een Nederlandse context te blijven - het fenomeen in te dijken. Zou het niet beter zijn een halt toe te roepen aan dat “talengeëxperimenteer” en verder het Nederlands te koesteren.


Josef Kempen (1929-2011):een Nederrijnlander die van Frans-Vlaanderen hield

Op 9 augustus 2011 overleed één van de pioniers van het onderwijs van het Nederlands in Duitsland, de Nederrijnlander Josef Kempen. Hij zag het levenslicht in 1929 in Neuss nabij Dusseldorp, in het huidige Bondsland Noordrijn-Westfalen. Hij studeerde Engels, Frans en Nederlands, en legde zich ook toe op het Fries en het Afrikaans.

Josef Kempen werkte eerst als vertaler Engels en Frans, later werd hij docent in een Volkshogeschool en leraar Engels, Nederlands en Frans in het middelbaar onderwijs in Duitsland. Van 1978 tot 1983 doceerde hij Nederlands en Fries aan de universiteiten van Düsseldorf en Bonn.

Tevens stond Josef Kempen als hoogleraar mee aan de basis van het onderwijs van het (keuze)vak Nederlands op de scholen in de Duits-Nederlandse grensstreek van Monschau tot Kleef.

Hij publiceerde over het Nederlands in tijdschriften in Duitsland, Nederland en België. Josef Kempen werkte vanaf 1960 mee aan Ons Erfdeel, waarin hij tientallen artikelen over de situatie van het onderwijs van het Nederlands in Duitsland schreef. Gedurende verschillende jaren maakte hij deel uit van de redactie van dit gezaghebbende tijdschrift. 

Hij was getrouwd met een Frans-Vlaamse dame uit Rijsel. Mede daardoor koesterde hij veel interesse voor Frans-Vlaanderen en de Franse Nederlanden in het algemeen.

Josef Kempen heb ik een eerste maal ontmoet bij de uitreiking van een Visser-Neerlandia-prijs in Brussel. Ook kwam hij thuis bij Zannekin-secretaris Maurits Cailliau op bezoek. Een zoveelste idealist ging heen.


Steeds meer Nederlands in Waalse scholen

Het aantal taalbadscholen in Wallonië en Franstalig België neemt gestaag toe. In bijna 300 scholen worden naast de vakken in het Frans een stijgend aantal vakken in een andere taal gegeven. Het Nederlands geniet veruit de voorkeur. Een aantal scholen geeft de voorkeur aan het Engels, een paar aan het Duits.

Bepaalde scholen zoals n Edingen en Moeskroen zijn ronduit tweetalig Frans-Nederlands.

De tendens in Wallonië om Engels in plaats van Nederlands als tweede taal aan te bieden is geluwd. De taalbadscholen met Nederlandse immersie zijn in opmars.

Wie belangstellig heeft voor deze onderwijsaangelegenheid kan terecht op http://www.enseignement.be/index.php?page=23801&navi=33


Vlaamse eminenties helpen Zuid-Afrika verder verengelsen

Net als Vlaams minister Geert Bourgeois spreekt Vlaams minister-president Kris Peeters uitsluitend Engels onder het Zuiderkruis

De “Georges Clooney” van Vlaanderen zoals de - een tikkeltje mediageile – Vlaamse Minister-President Kris Peeters zich zelf ooit omschreef, bezocht eind augustus begin september 2011 Zuid-Afrika. Omwille van de taalverwantschap geniet Zuidelijk Afrika bij veel Vlamingen en Nederlanders meer sympathie dan eender welk ander deel van Afrika. Maar wat verwacht en gevreesd werd is geschied. De taal bij het bezoek van de Vlaamse minister-president was uitsluitend het … Engels!

Men zal zich het met heel wat media-aandacht gepaard gaand bezoek aan Zuid-Afrika van Minister Geert Bourgeois in oktober 2007 herinneren. Toen verliep ook alles in het Engels. In het Vlaams-Armeens Missak-sentrum te Johannesburg bestond de Izegemnaar het om het publiek bestaande uit een groot deel in Zuid-Afrika wonende en werkende Vlamingen uitsluitend in het Engels toe te spreken.

In februari 2010 bezocht een heuse ministeriële afvaardiging uit Zuid-Afrika het Leiedal en was er een treffen tussen Zuid-Afrikaanse eminenties en welstellende West-Vlamingen, in aanwezigheid van minister Bourgeois. Het was een aangename samenkomst ware het niet dat het hele gebeuren overschaduwd werd door het eentalig Engelse taalgebruik.

Minister-President Kris Peeters doet het niet beter. Zijn verschijning op televisie, de contacten in Zuid-Afrika, de toespraken, alles verliep in het Engels. Geen woord Nederlands en/of Afrikaans kwam er bij te pas. De Rupelzoon en zijn entourage hechtten weinig belang aan onze taalverwantschap met Zuidelijk Afrika. En dit wordt door hen niet ontkend.

Dat het anders kan bewezen Koningin Beatrix van de Nederlanden en voormalig minister van buitenlandse handel, de Waal Robert Urbain.

In de editie van 1 oktober 1996 van het Nederlandse dagblad Trouw lezen we het volgende: PRETORIA - Koningin Beatrix heeft tijdens het staats-banket op de eerste avond van haar bezoek aan Zuid-Afrika herhaaldelijk verwezen naar de eeuwenlange historische banden tussen Nederland en Zuid-Afrika en daarbij ook een deel van haar rede in het Nederlands uitge-sproken. President Nelson Mandela antwoordde gedeeltelijk in het Afrikaans.

Het was vooraf misschien wel het meest bediscussieerde punt van dit staatsbezoek. Vooral in Afrikaner kringen in Zuid-Afrika werd er naar uitgezien dat koningin Beatrix tijdens het officiële programma ook wat Nederlands zou spreken, als symbool van een oude verbondenheid.

Zonder specifiek naar de Afrikaner gemeenschap te verwijzen, deed de koningin precies dat. Onze taal is een belangrijk element in de band tussen onze twee landen, zei ze. Het feit dat president Mandela haar vervolgens deels in het Afrikaans antwoordde, gaf daaraan nog extra gewicht. Onze regenboog-natie is verrijkt door de culturele erfenis die vanuit Nederland is gekomen, aldus de president. (…)

De voormalige minister en staatssecretaris voor Buitenlandse Handel, de Waal en Borain uit Hornu, Robert Urbain stond tijdens een officieel bezoek aan Zuid-Afrika in de 90-er jaren van de vorige eeuw een interview toe aan een Afrikaanstalige radiozender. Daarin berichtte hij over zijn missie in Zuidelijk Afrika in het … Nederlands!

Vlaanderen mag dan een welvarende en welstellende natie in wording zijn, toch blijft het godgeklaagd als het erop aan komt de Nederlandse taal én cultuur buiten en zelfs deels binnen de grenzen uit te dragen. Op dat vlak blijft Pater Strackes leuze “Arm Vlaanderen” nog altijd actueel!

Leo Camerlynck

Edouard Michielsstraat 51, B – 1180 UKKEL / Brussel

e-post: leo.camerlynck@skynet.be - t. 00 32 485 63 02 27