> nieuwsbrief > 30e jg - 1e trimester 2012

Bijdragen over: Tip

Mededelingen

 Hernieuwen ledenbijdrage 2012

We worden elk jaar opnieuw rond de jaarwisseling geconfronteerd met de – uiteraard weer eens naar boven – aangepaste posttarieven. Deze uitgaven, voor de driemaandelijkse Nieuwsbrief Zannekin en voor het Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ slaan telkens weer een aanzienlijke bres in onze begroting. Na jarenlang de ledenbijdrage behouden te hebben op 25 € zien we ons thans verplicht de basisbijdrage op te trekken tot 29 €. Vanaf 35 € wordt u als steunend lid geboekt. Wie lid is van bvb het Davidsfonds kan vergelijken en vaststellen dat onze aangepaste ledenbijdrage parallel loopt met qua omvang gelijkwaardige uitgaven uit dat fonds. We laten daarbij wel commerciële foefjes achterwege: het is dus niet 29,95 €; wel 29 € rond. Waarbij we er – als in het verleden – op hopen dat onze leden hun bijdrage spontaan naar boven afronden. In de bijdrage is als vanouds het abonnement op onze Nieuwsbrief Zannekin en op het – al 34e – Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ begrepen. Bijliggend betaalformulier kan u daarbij dienstig zijn.

 

Een nieuw lid maken?

Ons secretariaat helpt u graag!

U bezorgt ons naam en adres van een vriend of kennis en

wij sturen met uw groeten:

·        Onze kennismakingsfolder

·        Een exemplaar van onze jongste Nieuwsbrief Zannekin

·        Een begeleidende brief.

Doen! Met onze hartelijke dank voor uw gewaardeerde medewerking.

Indien de bestemmeling effectief tot lidmaatschap besluit, dan ontvangen zowel u als hij/zij, respectievelijk bij wijze van dank en welkom, een exemplaar van onze uitgave

·        Pevelenberg 1304 – Mons-en-Pévèle, 80 pagina’s


 

Auf Entdeckungsreise zu den flandrischen Wurzeln


von Rainer Schultz

Neugierig waren sie alle, die 40 Teilnehmer des Vereins Fläming-Flandern und des Naturparks Fläming, die auf Einladung vom Verein “Forum van Vlaamse vrouwen“ (Martien Bode) und Leo Camerlynck (Stiftung Zannekin und Orde van den Prince – Land van Edingen) in Flandern weilten. Gewissermaßen zurück zu den Wurzeln ihrer Vorfahren, die vor 850 Jahren den beschwerlichen Weg mit ihrem Treck in den 850 km entfernten heutigen Fläming auf sich nahmen.

850 km mit dem Bus sind auch heutzutage kein leichtes Unterfangen, wenn es auf der A2 gen Westen geht. Staus sind nicht selten und meist vorprogrammiert. Endlich nach 13 Stunden die Ankunft in Lombardsijde, einem Badeort an der Nordseeküste.

“Hartelijk welkom“ lautete die Begrüßung von Martien Bode und Gudrun Crassaerts, die Vorsitzende der flandrischen Frauenvereinigung, gerichtet an die Fläminger aus Wittenberg, Zerbst und Dessau. Mit einem typisch flandrischen Musikprogramm sprang rasch der Funken über.

Die Schlachtfelder von Flandern

Nicht immer gab es diese Lockerheit im Umgang beider Völker. Noch immer erinnern Soldatenfriedhöfe in der Umgebung von Ypern an das größte Schlachtfeld des 1. Weltkriegs. 500 000 Soldaten fanden hier den Tod. Die über vier Jahre unter Dauerbeschuss stehende einstmals blühende Stadt Ypern wurde fast vollständig zerstört. Wie ein Wunder bauten die Einwohner in Respekt für die Vergangenheit ihre Stadt schöner, denn je wieder auf. Prachtvolle Gotik- und Renaissancebauten prägen heute das Stadtbild. Yperns. “Last Post“ (Zapfenstreich) heißt ein täglich 20.00 Uhr wiederkehrendes Zeremoniell, dass die Erinnerung an die vielen Opfer lebendig hält. Von britischen Dudelsackspielern und einer flandrischen Blaskapelle intoniert erklingt das bekannte “Amazing grace“. Ein emotionales Ereignis, das bei allen Besuchern ein “Gänsehautgefühl“ erzeugt.

“Mein Großvater lag hier in den Schützengräben und kämpfte gegen die Deutschen“, wusste Leo Camerlynck zu berichten. Viele der Exkursionsteilnehmer erzählten Ähnliches über ihre Großväter, die auf der anderen Seite standen. Die Schrecken jenes Krieges, bei dem auch erstmals Giftgas eingesetzt wurde, konnten nicht deutlicher rüber kommen, als an diesen Schauplätzen. Die Menschheit müsste daraus die Lehren gezogen haben. “Nie wieder Krieg!“ – ein einprägsamer Aufruf, der einem an einer solchen Stelle sofort in den Sinn kommt.

Luthers Hochzeit und Breughel

Wer kennt es nicht das Motiv von tanzenden Bauern auf  Plakat und Programmheft von “Luthers Hochzeit“. Leo Camerlynck führte zum Entstehungsort dieses Bildes von Pieter Breughel, dem flandrischen Maler des 16. Jh. Mühle und Kirche stehen noch am selben Fleck. Ein Pieter Breughel-Pfad macht den Besucher vertraut mit den Bildern des Malers, der erstmals das einfache Volk und das Landleben auf die Leinwand brachte und damit ein Sittengemälde seiner Zeit schuf, das realitätsnäher kaum sein konnte. Inzwischen ein Wallfahrtsort 20 km südlich von Brüssel gelegen für alle Brueghelverehrer.

Ulrich Höhne (Vorsitzender Verein Fläming-Flandern) und Elke Ciciewski (Naturpark Fläming) zeigten sich sehr angetan von der Vielfalt Flanderns. Jan Weyers, Vorsitzender des Koninklijke Piet Stautkring), einem Kunst-verein aus Beveren, und Mitglied der Orde van den Prince – Heerlykheid Bevere, versprach demnächst wieder nach Wittenberg zu kommen. Derzeit gibt es eine Ausstellung im Wittenberger Alten Rathaus von flandrischen Künstlern zu sehen, was wiederum als ein Ergebnis der jahrelangen freundschaftlichen Kontakte zwischen Flämingern und Flamen zu werten ist. Der Sprachwissenschaftler und Historiker Leo Camerlynck verfolgt mit Akribie die Spuren seiner Vorfahren. Erst kürzlich weilte er in Danzig, wo sich vor über 800 Jahren ebenfalls flandrische Siedler niedergelassen hatten.  Viele wissenswerte Details erfuhren die Reisteilnehmer auf ihrer Bildungs-reise im Land ihrer Vorväter, so auch die geschichtliche Verbindung und Namenverwandtschaft Euper bei Wittenberg und Ypern in Flandern. Viel vom einstmaligen Glanz und Reichtum flandrischer Städte, wie Brügge, Leuven, Ypern und Kortrijk konnte man beim “Gang durch die Geschichte“ noch heute spüren. Zahlreiche freundschaftliche Kontakte sind mittlerweile zwischen Flämingern und Flamen entstanden. Daran soll sich nichts ändern – im Gegenteil neue sind erwünscht.
 


“Ik heb mijn diploma Waals behaald”


Uit een vraaggesprek met André Vanackere

André Vanackere woont alleen in en fraai gelegen chalet in Maizeret, niet ver van de oevers van de Maas. Namen ligt amper acht kilometer verder. Marche)les Dames – met de rots waar Koning Albert I de dood vond – is vlakbij. Aan de voorgevel hangt een bordje met Nid d’mauvis, wat Waals is voor “meerlaannest”. Het verwijst naar een passie van de bewoner: het Waalse dialect. De van (oorsprong) Kachtemnaar had altijd al een boontje voor talen en heeft Waals gestudeerd – niet het dialect maar de Waalse taal waarin ook literatuur geschreven werd (en wordt)! Niet zonder trots toont hij ons een foto uit 1980 van een bijeenkomst van Waalse schrijvers. Hij pent inderdaad geregeld een verhaaltje in het Waals. “Bij Roger Viroux, een leraar-germanist die zijn leven lang geijverd heeft voor de erkenning van het Waals, heb ik een cursus Waals gevolgd en mijn diploma behaald. Ik ken Frans, maar noem mij geen fracofoon. Ik ‘jeun’ mij niet in die taal. Volgens Auguste Laloux, de grootste Waalse schrijver, staat de echte Waalse geest dichter bij de Vlaamse dan bij de Franse, en dat is juist.”

Streuvels en Claus

Wanneer André ons binnenin verwelkomt, komen we terecht in een ‘gezellige wanorde’ met overal boeken. En dat blijkt nog maar een begin. Een aantal uren later troont hij ons mee naar zijn boekenkelder. We geloven onze ogen niet: misschien wel duizenden boeken staan er in rekken of liggen op stapels, van Streuvels tot Djoos Utendoale, van Timmermans tot Claus… En dan zijn 230 woordenboeken! “Ik heb Italiaans en Spaans geleerd en Lëtzeburgisch (Luxemburgs). Ik heb ook het Frans-Vlaams Woordenboek van Cyriel Moeyaert, mijn oud-leraar in Izegem.” En als kranten leest André de Duitstalige Grenz- Echo en de Gazette van Detroit, om zijn Engels te onderhouden.

Hij haalt het stamboomboek van de familie Van Ackere boven: “Wij behoren tot de Gullegemse tak, net zoals de familie van minister Steven Vanackere. Ook Hugo Verriest was familie, zijn moeder was een Vanackere.” In de woonkamer prijkt een groot schilderij met het familiewapenschild (waarop drie merels ofte meerlaans).

Kasteelhoeve

Als West-Vlamingen in Wallonië verzeilen, heeft dat nogal vaak met de boerenstiel te maken en dat is bij de Vanacker’s niet anders geweest. We schrijven 1954 wanneer twee broers van Kachtem naar het Naamse trekken. Het was niet zomaar een hoevetje waar ze neerstreken. André wil het ons tonen en neemt ons mee naar het gehucht Bossimé, dat overheerst wordt door een kasteelboerderij. “Hier hebben we gewoond. Het is een historische kasteel- en cijnshoeve die teruggaat tot 1653.”

Wij wippen even binnen bij broer Arthur, die het vervolg vertelt van het familieverhaal. “Ik kwam naar hier met m’n oudste broer Hendrik. Ik wilde uit ‘de Vlaanders’ weg omdat ik niet graag in het vlas werkte. Maar Hendrik kon hier niet aarden en na drie dagen was hij weer weg. Hij werd afgelost door broer Frans, maar die is nadien naar Henegouwen getrokken. Ik bleef achter en alleen was dat niet te doen. Zo besloten mijn ouders ook over te komen. Ik ben dan getrouwd en na verloop van tijd konden we de kasteelhoeve kopen. We hebben het wel zwaar gehad…”

Vandaag is Bossimé deels boerderij, deels vakantiehuis. En onlangs heeft kleinzoon Ludovic Vanackere er zijn gastronomisch restaurant geopend: Atelier Bossimé.

Late roeping

Intussen vertelt André hoe hij zelf – ‘niet boer’ – ook in Namen belandde, als de boekenwurm van de familie. “Ik wilde studeren en trok naar het college van Izegem, in de Latijnse humaniora. Maar ik had een flauw geheugen. Op de koop toe werd ik ziek en moest ik mijn studies stopzetten. Mijn broer zat ondertussen in Wallonië, in ben bij hem gaan inwonen tot hij trouwde. Toen ben ik bij de late roepingen ingetreden bij Don Bosco te Kortrijk. Ook dat ging niet en zo ben ik dan rond 1961 hier in het Walenland melkboer geworden. Ik verkocht ook kaas en aardappelen. Op mijn camionette stond ’Lacia, canades Vanackere’. ‘Lacia’ is Waals voor melk, ‘canadas’ zijn aardappelen. Als enige handelaar met een Waals opschrift had ik onmiddellijk succes.”

Na zo’n twintig jaar moest André zijn melkronde stopzetten: “Last van de stofmijt.” Van dan afwerd hij eerst echt een boekenwurm. Alle mogelijke onderwerpen interesseren hem! Om zijn leerhonger te stillen trekt hij nu nog twee keer per week naar school: Latijn, Grieks, Duits…(…)

______________________

Bron: Krant van West-Vlaanderen, 15 april 2011.

 

Het kernprobleem van alle kern-theoretisch denken over geschiedenis


Willy Alenus, Oostende

 “Wat gisteren gebeurd is, kunnen wij vandaag niet meer waarnemen. Op het eerste gezicht een simpele, al te simpele waarheid. Maar dan toch een waarheid en een die, zoals dat het geval is bij nadenken, haar vanzelfsprekendheid verliest om problematisch te worden. Zij betekent immers, dat onze kennis van het verleden noodzakelijk een afgeleide kennis is. Het is nooit de geschiedenis zelf, die wij zien, maar slechts het ‘beeld’ daarvan, gelijk tijdgenoten het zagen, bijna-tijdgenoten, lateren en veel lateren het telkens ‘herzagen’, d.i. opnieuw zagen, d.i. ver-anderen. Wat is in, naast of achter al die ‘beelden’ de ‘werkelijke’ geschiedenis? Ziedaar uit die simpele waarheid opgedoken, het kernprobleem van alle kerntheoretisch denken over geschiedenis” (Prof. dr. J. ROMEIN, Spiegel Historiael van de Tachtigjarige Oorlog, IN Prof. dr. Jacob PRESSER, De Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), Elsevier Amsterdam / Brussel, MCMLXIII (1963), pp. 11- 50).

Deze geloofsbelijdenis van Jan ROMEIN, op verzoek van Jacob PRESSER, dateert van 1941, toen deze laatste in het door de Duitse Zivilverwaltung bezette Nederland, om veiligheidsredenen onder de schuilnaam B.W. SCHAPER moest publiceren. 1941, dat is zeventig jaar geleden en uiteraard werd er tijdens die periode, d.i. een mensenleven lang, meer geschreven en gepubliceerd dan in de loop van de duizenden voorafgaande jaren, in feite sedert de uitvinding van het geschreven woord.

Zwischen Wahrheit und Dichtung

En weten wij nu zoveel meer dan ten tijde van ROMEIN en PRESSER? Uiteraard. Maar toch constateren alle beroeps- en vrijetijdshistorici, ik spreek hier ook voor Zannekin en dan letterlijk voor de Nederlanden en de Nederlanden “Extra Muros”, dat vele collectieve, negentiende en twintigste eeuwse misvattingen vandaag nog altijd springlevend zijn. En dit terwijl ondertussen ontelbare doctorale en streng-wetenschappelijke verhandelingen werden gepubliceerd die bedoelde misvattingen al lang naar de prullenmand hebben verwezen. Edoch, vaak zonder resultaat.

In 1910 schreef Pierre LAROUSSE, Alsace- Lorraine, province de l’Empire d’Allemagne.1 Amper vier jaar na de DREYFUSS-affaire moet daar toch enige moed voor nodig zijn geweest. In 1945 gingen er in Frankrijk nog stemmen op om SS-Brigadeführer (generaal-majoor) Heinz HARMEL, zijnde als Duitser geboren, op 29 JUNI 1906, in Metz / Lotharingen, om hem als Fransman te behandelen.2

Over de tweede helft van de zestiende eeuw in onze contreien (1558–1612), las ik onlangs nog dat het hier ging om het “katholieke” zuiden en het “protestantse” noorden. Hoe diep moeten wij zuchten wanneer wij ons herinneren en er ook over schrijven dat de “Opstand” van de gezamenlijke Nederlanden is begonnen in Steenvoorde, zo diep in het zuiden van Vlaanderen dat het vandaag in Frankrijk ligt, als een van de “spoils” van het voor Frankrijk zeer gunstige en voor ons zeer ongunstige Verdrag van Munster (1648) en zijn naweeën (van 1668 tot 1700).

Voor Noord-Nederland was het de Gouden Eeuw (met de hulp van de talloze geïmmigreerde Zuid-Nederlanders), maar voor Zuid-Nederland was die eeuw, ondanks Rubens en de Oostendse Compagnie, het ei zo na  politieke einde van de Karolingische vorstendommen (Vlaanderen, Brabant, Antwerpen, Henegouwen, Namen) die, o.a. in de veertiende en de vijftiende eeuw, op voet van gelijkheid militaire en diplomatie banden en betwistingen hadden met Engeland (bondgenoot), Frankrijk en de Duitse, keizerlijke confederatie van vorstendommen en heerlijkheden.

“Prendre l’effet pour le cause” (Jacques BAINVILLE)

De Franse historicus verduidelijkte zijn vandaag gerenommeerde en nog altijd succesvolle stelling met een schitterend voorbeeld, dat je in Frankrijk nog altijd kan uittesten. Wie ervan uit gaat, zoals o.a. Charles de Gaulle, dat Elzas-Lotharingen (ondanks de Frans- Duitse oorlog van 1870-71 en de herovering, in 1945, door het AMERIKAANSE leger3 & 4 en de Franse Nederlanden (die koning Leopold II, in 1871, had kunnen terugclaimen), altijd Frans zouden zijn geweest of geworden, die zegt, “Il y avait là (ten tijde van J. Gaius CAESAR), un bel espace, prédestiné à un grand peuple. Il deviendra ou devrait devenir, 2000 ans plus tard, l’hexagone que le monde nous envie.

Het is hier niet de plaats om het Henri PIRENNE- debat nog maar eens op te starten. Toch wordt ook hem verweten, zeker in zijn Histoire de Belgique (7 dln., 1900–1932), pogingen te hebben ondernomen om aan te tonen hoe de vorming van het latere België al in de middeleeuwen was voorbereid. “Er lag daar een mooie driehoek van zo een 30.000 km² groot (zonder Zeeuws-Vlaanderen, de Franse Nederlanden, Maastricht en Duitstalig Luxemburg). Daar moest toch omstreeks 1830 het Koninkrijk der Belgen uit voort-komen.” Et la Belgique sera latine ou elle ne sera pas’’ (Jules DESTREE).

Toch een merkwaardige voorspelling of conclusie ter zake het koninkrijk van Leopold I van Saksen-Coburg (1790-1865), d.i. een streng protestantse koning, - eerste taal Duits, tweede taal Engels, met voldoende kennis van het Frans, mede in gevolge zijn korte loopbaan (1813-1815), als generaal in het Russische leger van de tsaar Alexander I.

Onverwerkt en verdraaid verleden

Van 1601 tot 1604 vocht Oostende, als laatste Zuid-Nederlandse stad die bij de Opstandelingen en bij Engeland wilde zijn, een onvoorstelbaar bloedige strijd tegen de Spaans-Habsburgse beroepslegers van de aartshertogen Albrecht en Isabella. Een hopeloze strijd, die alleen door het onover-brugbare Zwin kon worden tegenhouden. Maar voor de opstandelingen gingen alle Vlaamse kasselrijen bezuiden Sluis verloren. Het hedendaagse, Zeeuwse Retranchement (1604) herinnert aan die “tot hier en niet verder”.

In Oostende zou je dus een “Jacob van der Meer”, een “de Hertaing”, een “Sir Francis Vere”-straat, -laan of –square verwachten. Allen waren Kommandeur en een korte tijd gouverneur van de belegerde stad. Maar zoek niet naar een Geuzenstraat in de Stad aan Zee. Er is wel een Aartshertogenstraat! Geef ons dan maar Hasselt met zijn monument ter ere van de Brigands van de Boerenkrijg. Limburg bleef dus gespaard van een “Sansculotten”-straat. Die hebben, ook in Limburg, geblazoende grafstenen vernield e.a. monumenten, “aux prétentions nobiliaires”. Maar Lummen (Limburg) doet nog beter dan Oostende. Geen Lumey-straat in Lummen. Daarvoor moet je naar Den Haag of naar Rotterdam.

Gaan wij nog dichter naar het kernprobleem van ROMEIN of moeten wij het hebben over hineininterpretieren? Of wij dat nu willen of niet, de geschiedenis die zou moeten worden geschreven met de onbemande camera, is voor het heersende Establishment van alle tijden en in alle ’s heren landen, niet alleen politiek-, maar vaak ook bijna stamboom-gebonden. Oranje- Nassau is gereformeerd, Saksen-Coburg van het Verenigd Koninkrijk is Anglicaan en Saksen-Coburg van België is Rooms- Katholiek. Kunnen deze drie koninkrijken een strenge scheiding van Kerk en Staat handhaven, zoals in Mexico of in Frankrijk?

Van koning Leopold I van Saksen-Coburg, de eerste koning der Belgen, krijg je 180 jaar na 1830 nog altijd niet vaak te horen dat de diplomatieke druk van zijn zus, prinses Louise-Victoria van Saksen-Coburg (in 1831) en die van haar dochter, koningin Victoria van Saksen-Coburg, door haar huwelijk met Albert van Saksen-Coburg (in 1839), de Nederlandse diplomatie en het Nederlandse leger heeft doen wijken. Niet “De Stomme van Portici” en ook niet het Franse leger “des demi-soldes”. 1830, dat is immers maar vijftien jaar na Waterloo. Ook na 1839 waren Antwerpen en Gent Orangist. De Westerschelde boven alles.

Legende wordt officiële geschiedenis

Wat is in, naast of achter al die ‘beelden’ de ‘werkelijke’ geschiedenis (Jan ROMEIN)? Mag ik een voorbeeld aanhalen uit mijn eigen huisvlijt? Het gaat over het Duitse “Herbststurm”-tegenoffensief in de Kempen (3-17/27 september 1944).6 Op 15 september 1994, voor de vijftigste verjaardag, schreef ik, “Nergens wordt het Duitse tegenoffensief vermeld. Het wordt nog altijd dood gezwegen. Thierry VUYLSTEKE besteedt één zin aan het  gebeuren: ‘De Duitsers doen alsof ze achter het kanaal willen standhouden”, waarmee het Albertkanaal bedoeld wordt. De vijand doet inderdaad alsof hij wil standhouden en doet dat trouwens, standhouden, tot 17 september 1944, zowel in de Limburgse als in de Antwerpse Kempen! Maar dan wel met behulp van 30.000 reguliere soldaten die zijn bewapend met 8,8 cm FLAK-/PAK-geschut, met een aantal zware en lichte pantservoertuigen en vooral met Panzerfaust en Sturmgewehr.” Geen SHERMAN die er tegen bestand is.

Deze versie is “die Wahrheit” - zij werd nooit bekritiseerd - de officiële versie is “Dichtung”. “History is about facts.” Mijn research en recherche zijn gebaseerd op de oorlogsdagboeken van de toentertijdse vriend en vijand. En de hoofdrolspelers leefden nog; zij werden door mij geïnter-viewd. Maar dit is de uitzondering die de regel bevestigt.

________________

Noten

1 Pierre LAROUSSE, Nouveau Dictionnaire Illustré, Librairie Larousse, Paris, 1910, p. 851.

2 E.G. KRÄTSCHMER, Die Ritterkreuzträger der Waffen-SS, Verlag K.W. SCHÜTZ KG, Preussisch Oldendorf, 1982, pp. 426- 451.

3 Keith E. BONN, When the Odds were Even (The Vosges Mountains Campaign, October 1944 - January 1945), Presidio Press, Novato, CA (VS), 1994, 294 pp.

4 Volgens vele Franse publicisten werd Elzas-Lotharingen bevrijd door de Franse generaal Philippe-François-Marie de HAUTECLOQUE, bijgenaamd LECLERC, die postuum tot maarschalk werd bevorderd.

5 Keith E. BONN, op. cit. en Joachim LUDEWIG, Der deutsche Rückzug aus Frankreich, Militärgeschichtlichen Forschungsamt, Verlag Rombach, Freiburg in Breisgau, 1995, 368 pp.

6 Thierry VUYLSTEKE (art.), Limburg, IN Henri BERNARD, Het Geheim Leger (1940–1944), Gent, 1986.

 

L’Epuration linguistique continue!

Régis de Mol

Le changement de peuple, au programme des deux grands partis jacobins et mondialistes qui se partagent le pouvoir en France va bon train. Si chacun peut l’observer à l’échelle nationale, le travail de génocide identitaire se produit également par petites touches, à l’échelle locale, ainsi que le relate innocemment la Voix du Nord dans son édition hazebrouckoise du 1er octobre 2011.

En question, l’épuration linguistique qui se poursuit en Flandre. Après l’af-faire du collège Michel de Swaen, «dont le nom ne disait plus rien à la population de Petite Synthe» (on se souvient que le nom de notre grand poète flamand fut remplacé par celui de Lucie Aubrac), après la campagne de ch’timisation à outrance orchestrée par la Voix du Nord, dans le sillage du succès du film tourné à Bergues, voici que la municipalité de VIEUX BERQUIN éradique les derniers noms flamands du village:

«Mardi au conseil de Vieux-Berquin, les élus étaient amenés à se prononcer sur le classement des voies communales et sur la modification du nom de rues. Ainsi et tout à fait officiellement, Vierschaere devient rue de Borre, Gagelstraete rue de Pradelles, Swartenbrouck rue de l'Alger, Meterbecque ou Halm Straete, rue de Steenwerck. Certains élus ont légèrement regretté que les anciennes dénominations ne soient pas restées. D'un autre côté, on peut imaginer la difficulté des nouveaux habitants à prononcer jusqu'au nom de leur rue…» (VdN du 1er oct.2011).

Nous pourrions ironiser facilement sur la «difficulté des nouveaux habitants à prononcer SWARTENBROUK» et confirmer que«Rue de l’Alger» ne posera aucun problème à l’avenir! Mais pas d’humour déplacé, la patrouille rôde! Une fois de plus, comme à Petite Synthe, à Bergues et ailleurs, les élus du peuple donnent une prime à l’ignorance et renient tout l’héritage culturel de leurs ancêtres. Du passé flamand, ils font table rase. Rappelons-leur quand même que le village de Vieux Berquin (Oud-Berkin ou Noord-Ber-kin), village natal de Jules Lemire, est bien en Flandre, sur la frontière linguistique et que le flamand y fut longtemps la langue d’usage. Les toponymes donnés par nos ancêtres avaient une signification pratique et se transmettaient de génération en génération. Voici le sens de ces toponymes jetés à la poubelle par des inconscients:

VIERSCHAERE: tribunal des échevins ou assemblée judiciaire qui tire son nom des quatre bancs occupés par le représentant du Seigneur, par la loi, le demandeur et le défenseur.

GAGELSTRAETE: «gagel» est un nom de plante présent dans de nombreux toponymes flamands,  hollandais et frisons. Il s’agit d’une espèce locale de myrte, ou selon d’autre sources, du "fragon" ou petit houx. Il n’est pas impossible non plus qu’il s’agisse d’une déformation de «galgenstraete», ou «rue du gibet». En tout état de cause, il convenait de conserver  un toponyme de cette qualité!

SWARTENBROEK: littéralement «marais noir», la couleur noire évoquant sans doute le lieu d’une ancienne tourbière ou  d’un étang ayant subsisté après l’enlèvement de la tourbe (en flamand, tourbe se dit «veen»…signalons une ancienne «veenstraete» à Rubrouck, qu’un idiot a traduit par…rue de Vénus!).

METERBECQUE: «meter» est peut-être  le nom d’une plante, «meterne» (moyen néerlandais), issu du latin «matrina» ou «chrysanthenum parthe-nium», (nos ancêtres avaient une connaissance approfondie des plantes), mais plus probablement le nom d’un ruisseau, la «Meteren-beek», écrite sous la forme «Meterbecque» en 1644 (Karel De Flou) qui traverse la commune.

HALMSTRAETE: «halm», tige, chaume, rue du/des chaume/s.

Il convient de conserver les noms anciens en l’état et de ne pas les retoucher. Malheureusement, lorsque ce ne sont pas des amnésiques qui suppriment purement et simplement nos toponymes, ce sont des cuistres qui les rempla-cent par des traductions hasardeuses voire stupides. Un bel exemple: la Renebeke entre Broxeele et Volckerinckhove: un premier imbécile a traduit Becque de la Reine!, puis est venu un second qui retraduit l’erreur en flamand et en en a fait Conninginne Becque… avec un «n» superflu! Sans compter l’ineffable «Broekstraete», rue du marais, traduite en «rue des culottes», le mot «broek» ayant deux sens: marais et pantalon! Le génie français est sans limites!

Pour ceux qui en douteraient encore, l’éradication de l’identité flamande se poursuit méthodiquement, cyniquement, dans l’indifférence générale, notamment de celle des élus qui devraient être en première ligne pour la défendre.

L’actualité de ce mois d’octobre aura malheureusement été riche sur ce plan! Le vendredi 21 octobre, le Conseil Régional du Nord Pas de Calais se penchait sur une motion de soutien aux langues régionales (dont l’arabe et le berbère!) présentée par un élu écologiste. La motion fut rejetée avec 28 voix pour et 60 contre, dont les élus socialistes. Ceux du FN la rejetèrent également au motif que cette motion confondait sciemment langues régionales et langues issues de l’immigration.

Les réactions des élus socialistes sont proprement ahurissantes de totalitarisme et frisent le racisme. Morceaux choisis: «Il n’est pas possible de donner de nouveau (SIC!) des droits à cette culture. Tu comprends…avec l’extrême droite…», «…la région ne doit pas financer le folklore…», «Ce n’est pas à la région de dire au ministère de l’éducation nationale ce qu’il doit enseigner». Quant à Michel Delebarre, le maire de Dunkerque, il ignore la différence entre le flamand et le néerlandais! Les émules de l’abbé Grégoire et des sans-culottes viennent d’exprimer clairement qu’ils sont hostiles à une partie de la région. Les Flamands sauront s’en souvenir et appliquer la réciprocité!

«Les peuples ne meurent pas, ils se suicident» (A.Toynbee). …et il est des cas où on les suicide! Il en va de la Flandre et des Flamands comme du restedu pays: il faut que les peuples de souche disparaissent pour faire place aux peuples et aux cultures de remplacement. Et ceux qui comme nous osent dénoncer ce «génocide de substitution» sont voués aux gémonies, diabolisés et persécutés.

Nous invitons les Flamands de France à riposter auprès de leurs élus. Nous les appelons à la vigilance et  à empêcher désormais par tous les moyens qu’on touche à la mémoire de leurs ancêtres!

Nous les invitons à afficher de façon ostentatoire leur identité flamande et leur emblème: le Lion des Flandres.

Nous ne disparaîtrons pas sans nous battre! Leve Vlaenderen!

 

Angstwekkend vooruitzicht


Renaat van Beeck, Berchem

“(…) Ik geef de schrijver van het cusrsiefje [die – in een vorig nummer van ’t Pallieterke vond dat het stilaan de goede kant uitgaat, nu bleek dat in Walloniië 40% te vinden zou zijn voor aanhechting bij Frankrijk] de raad eens een historische atlas van Europa te raadplegen. Dan zal hij zien hoe in de loop van de voorbije eeuwen de Franse grens steeds meer is opgeschoven naar het oosten (ten koste van het Duitse rijk) en naar het noorden (ten koste van de Nederlanden), met als hoogtepunt de brutale agressie van Lodewijk de Veertiende die ons een stuk Vlaanderen (en een stuk Henegouwen en Luxemburg) heeft afgepakt. Dat stuk van de Zuidelijke Nederlanden – inmiddels totaal verfranst – werd vervolgens geannexeerd door de Republiek en het keizerrijk.

Nog in de twintigste eeuw heeft Frankrijk tweemaal geprobeerd een stuk Duitsland (het Saargebied) in de lijven.

Dat de Vlamingen bereid zijn Frankrijk zomaar een gebied cadeau te doen dat NOOIT bij Frankrijk heeft behoord, waardoor de grens van dat land opschuift tot het eveneens zo goed als volledig verfranste Brussel, is mij een totaal raadsel.

Dan is de as Strasbourg (ooit het Duitstalige Strassburg), Luxembourg (het ooit Germaanstalige Luxemburg) en Bruxelles (het ooit Dietstalige Brussel) helemaal binnen bereik. Ik ben geen specialist in geopolitiek, maar dit scenario vind ik angstwekkend!

We kunnen alleen maar hopen dat wanneer dit ooit ter sprake zou komen, Duitsland en Engeland zullen dwarsliggen.”

___________________

Bron: lezersbrief in ’t Pallieterke, 10 augustus 2011.

 

De historische 'Zeventien Provinciën' van de Nederlanden


Vanaf de zijlijn


Twee vliegen in één klap

Met dit kopje wil ik niet gezegd hebben dat ik op het criminele pad terecht gekomen ben. Ik heb ermee willen aanduiden dat er in het kader van de grensoverschrijdende contacten tussen de Gelderse Achterhoek en het Westmunsterland op één en dezelfde dag twee bijeenkomsten hebben plaatsgevonden. Ze lagen in elkaars verlengde en konden op zaterdag 29 oktober 2011 dus in dezelfde plaats en zaal gehouden worden en wel in Rhede in het plaatselijke kerkelijke centrum.

Tijdens de ochtendbijeenkomst werd de jaarlijkse dialectdag gehouden. Het thema was De wederzijdse beïnvloeding van dialecten in Achterhoek en Westmunsterland. “Dat er aan weerskanten van de grens belangstelling is voor de eigen taal blijkt uit de opkomst,” aldus de voorzitter Betty Wassink in haar welkomstwoord.

De eerste spreker was dr. Jan Berns uit Amsterdam, maar geboortig uit Pannerden, gelegen op het z.g. Gelders Eiland. Hij had zijn bijdrage het opschrift Van dorpsgenoot tot Rijksduitser – van plat naar Engels meegegeven. Voor wat het eerste deel betreft is het een herinnering aan zijn jeugd. In zijn geboortedorp woonden in 1940 een aantal Duitsers, dat na de bezetting van dorpsgenoten tot Rijksduitsers werden ‘bevorderd’. Hij wilde hiermee onderstrepen dat deze Duitstalige dorpsgenoten er gewoon bijhoorden en dat de indringers werden beschouwd als ‘vreemde’ Duitsers. Met betrekking tot de huidige situatie van het dialect merkte hij op dat de emancipatie van de dialectsprekende de grootste verandering is. Gaven vroeger de dorpsnotabelen antwoorden op onderzoeken, vandaag doet de dialectsprekende het zelf. Vanaf 1970 kan gesproken worden van een renaissance van het dialect. Het verschil met vroeger is echter dat hij tweetalig is geworden als gevolg van de invoering van de leerplichtwet: standaardtaal en dialect. Onderzoek heeft uitgewezen dat aan de Duitse kant het verschil tussen standaardtaal en dialect groter is dan aan de Nederlandse. Onder invloed van de standaardtalen zijn de streektalen uit elkaar gegroeid. En omdat men elkaars plat niet meer of nauwelijks nog verstaat schakelt – met name de jeugd – over van plat naar Engels.

Het onderwerp van de tweede spreker – prof. Dr. Ludger Kremer uit Roetgen – had als titel Geschiedenis van de streektaal in het Duits-Nederlandse grensgebied van Anholt tot Bentheim. Aan weerskanten van de grens hebben zich veranderingen voltrokken zowel op het gebied van de gesproken als geschreven taal. En dat heeft zijn eigen gevolgen gehad voor de huidige situatie. Met behulp van kaartbeelden werd duidelijk gemaakt dat ‘taallijnen’ de staatsgrens overschrijden. Zichtbaar was dat er zowel van beïnvloeding van oost naar west als in omgekeerde richting heeft plaats gevonden. Zo kan aan de Duitse kant van de grens menig Nederlands leenwoord gehoord worden; ze herinneren aan de tijd dat in bepaalde delen – met name de protestantse – het Nederlands lang dienst gedaan heeft als kerk- en cultuurtaal. Onder invloed van de standaardtaal is aan de Duitse kant het dialect eerder opgegeven dan aan de Nederlandse. Daar doet zich echter het verschijnsel voor van de vorming van regiodialecten. Vroeger was het mogelijk van Duinkerke tot Koningsbergen – nu tot Stettin – zich verstaanbaar te maken in de streektaal; de staatsgrenzen hadden slechts een relatieve betekenis. Dat is gaan veranderen zowel na de Eerste als – in versterkte mate – de Tweede Wereldoorlog. Daardoor is de staatsgrens steeds sterker een dialectgrens geworden. In dit verband werd opgemerkt dat dit proces nauwelijks versterkt is door de inwijking van vluchtelingen en verdrevenen na de WO II. Om de teruggang van de streektaal in te dammen – aan Duitse kant sprak in 1936 in het huiselijk verkeer nog 80 tot 90% plat; vandaag is de dalende lijn uitgekomen bij 2% als het gaat over ouders die met hun kinderen plat praten – werd in de discussie voorgesteld cursussen in te richten waar het dialect kan worden aangeleerd.

De middagbijeenkomst stond in het teken van 50 jaar viering Stichting Achterhoek-Westmunsterland. Op 14 november 1961 had er (ook) in Rhede een ontmoeting plaats tussen aan aantal Achterhoekse en Westmunsterse journalisten. Ze vonden dat men, aldus Henk Krosenbrink, ‘niet eeuwig kon blijven haten’. Besloten werd een Werkgroep Culturele Grenscontacten op te richten. Met ondersteuning van de Kulturkreis Schloss Raesfeld werd een groot aantal activiteiten ontwikkeld zoals historische symposia, kunsttentoonstellingen, excursies, dialectdagen en midwinteravonden. Ze hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de verbetering van de onderlinge verstandhouding, zowel met betrekking tot de nabuurschap als op het bestuurlijke vlak.

Omdat men besefte dat er blijvend aan een goede relatie met de buren moet worden gewerkt was een discussiebijeenkomst ingericht waaraan werd deelgenomen door een zevental prominenten uit de regio. De leiding van het gesprek was in handen van de voormalige Euregio-president Frans Willeme. Door meerdere leden van het panel werd uitgesproken dat het moet klikken in de contacten en dat vriendschapsbanden in dit verband zeer belangrijk zijn; dan heeft men wederzijds begrip voor elkaar. Ook moet men niet bij het verleden blijven stilstaan; de jonge generatie heeft namelijk afgerekend met 1939-1945. Dit feit moet een aansporing zijn om de jeugd te betrekken bij de grensoverschrijdende activiteiten temeer omdat de open grens voor hen een vanzelfsprekendheid is. In dit verband werd erop gewezen dat de eerste vreemde taal die van het buurland zou moeten zijn. Dit kan ertoe leiden dat de persoonlijke contacten uitgebreid worden.

Afsluitend werd de panelleden de vraag voorgelegd hoe het naar hun mening over 50 jaar gesteld zou zijn met de grensoverschrijdende samenwerking in deze regio. Samenvattend kwam hun reactie er op neer dat de toenemende europeanisering zal leiden tot intensivering van de regionale contacten. Als belangrijk werd gewezen op de overdracht van de geschiedenis van de eigen streek aan de jonge generatie. Daartoe zullen – door de handen ineen te slaan – nieuwe wegen ingeslagen moeten worden.

Eén van de panelleden merkte veelzeggend op dat we ‘naar elkaar moeten blijven kijken’. Bedoeld zal niet zijn in de zin van – ik laat nogmaals een paar ‘vliegen’ neerstrijken – ‘elkaar vliegen af te vangen’; dat zou van wantrouwen getuigen. Wil de grensoverschrijdende samenwerking versterkt worden dan is dat alleen mogelijk in een sfeer van vertrouwen in elkaars bedoelingen in de wetenschap gezamenlijk verantwoordelijk te zijn voor het welslagen. Gezien tegen deze achtergrond was het goed om in Rhede te zijn. Het gedachtegoed dat daar is uitgesproken geeft de burger moed voor de komende jaren.

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53

NL – 3905 CB Veenendaal

Het laatste woord


Leo Camerlynck

Nederlands en Fries verankerd in de Grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden. Wanneer?

Het gebruik van de Nederlandse taal wordt verankerd in de grondwet. Dat had de ministerraad begin februari 2010 besloten.

“Het kabinet wil daarmee zeker stellen dat het gebruik van het Nederlands niet in de verdrukking komt nu er in ons land steeds meer talen worden gesproken”, luidde een persbericht van 12 februari 2010. “Vooral het Engels wint terrein, stelt het kabinet vast. Dat komt omdat er steeds meer contacten zijn met het buitenland en er meer buitenlanders hier komen wonen. Door de positie van het Nederlands in de grondwet vast te leggen, wordt zeker ge-steld dat mensen in Nederland altijd met de eigen taal uit de voeten kun-nen”, klonk het verder.

Ook werd de positie van de Friese taal te berde gebracht en zou er een bepaling in de grondwet komen. Het wetsvoorstel, ging voor advies naar de Raad van State. In dit wetsvoorstel staat dat de overheid het gebruik van de Nederlandse taal als bestuurs-, cultuur- en omgangstaal wil bevorderen mits ze in de grondwet vast te leggen.

Het was haast zo’n twee jaar geleden dat de toenmalige regeringspartijen CDA en ChristenUnie hierop aandrongen. Wie aan de kar duwde en nog steeds duwt, is voormalig Zannekin-bestuurslid Erik Verbrugh. Ook zijn vader nam het als GPV-politicus meermaals op voor de Nederlandse taal.

Hopelijk wordt het wetsvoorstel spoedig opnieuw behandeld.

Veel Afrikaners en Afrikaanstaligen zijn afstammelingen van Nederlan-ders “extra muros”

Marie de la Cueillerie, de echtgenote van de stichter van de Kaapkolonie Jan van Riebeeck stamde uit een familie met wortels in Bonen of Boulogne-sur-Mer. De voorouders van de leider van het Genootskap van Regte Afrikaners Jacob du Toit, bijgenaamd Totius, waren afkomstig uit Rijsel. Marais, Le-lièvre, Naudé, Cellier, Leroux, Malherbe en nog talrijke andere families uit de huidige Franse Nederlanden weken in de 17e en 18e eeuw uit naar Zuidelijk Afrika.

Ook uit de Duitse gebieden trokken hele gezinnen naar de Kaap. Namen als Krüger, de leider van de Boerenopstand, Herzog, Treurnicht e.a. zijn ruim verspreid aan de zuidelijkste punt van Afrika. Samen met andere Neder-landse kolonisten zochten zij een toekomst onder het Zuiderkruis.

Motie over Zuid-Afrika in Nederlandse Tweede Kamer

De 43-jarige Kees van der Staaij van de Staatkundige Gereformeerde Partij (SGP) diende op donderdag 24 november 2011 in de Nederlandse Tweede Kamer een motie in die wees op het geweld tegen Afrikaners en de onder druk staande vrijheid, met name de persvrijheid. Deze motie werd echter op dinsdag 29 november 2011 nipt door het Nederlandse Parlement verworpen. Het was overigens de allereerste keer dat een motie inzake Afrikaners door het Nederlandse Parlement werd behandeld.

Hier volgt de tekst van deze motie:

Constaterende, dat Zuid-Afrika kampt met hardnekkige vormen van discri-minatie en vele ernstige geweldsmisdrijven, waaronder racistisch geweld, mede jegens Afrikaners, maar ook grote zorgen bestaan over elementaire grondrechten, zoals de persvrijheid;

Overwegende, dat Nederland in het verleden de Zuid-Afrikaanse overheid met juridische kennis en expertise heeft bijgestaan ten aanzien van de be-scherming van mensenrechten, het tegengaan van geweld en discriminatie, alsmede het respecteren van grondrechten;

Verzoekt de regering te bezien hoe Nederland en waar mogelijk de EU op het gebied van onder meer preventie, opsporing, justitiële ondersteuning en expertise een bijdrage kunnen verlenen aan het bestrijden van discriminatie en (racistische) geweldsmisdrijven, mede jegens de Afrikaners, en tevens kunnen bijdragen aan het borgen van grondrechten, zoals de persvrijheid, in Zuid-Afrika.

Het resultaat van de stemming mag als opmerkelijk worden beschouwd. Velen hadden zich aan een links-rechts-confrontatie verwacht maar het pakte helemaal anders uit. In het kamp van de 68 pro-stemmers vinden we de volgende partijen: SGP, ChristenUnie, Partij voor de Vrijheid (PVV), GroenLinks, D66, SP en Partij voor de Dieren. De 80 tegenstemmen kwamen van de volgende partijen: PvdA, CDA en VVD met in totaal 80 zetels. VVD-minister Uri Rosenthal had de motie nochtans ‘omhelst’.

Wordt beslist vervolgd…..

Nieuws uit Frans-Vlaanderen

Wegens plaatsgebrek verschijnen berichten over Frans-Vlaanderen in de volgende Nieuwsbericht.

Aan alle leden en sympathisanten wenst de Stichting Zannekin een voorspoedig 2012

Leo Camerlynck, voorzitter

"De Zavelberg" - Edouard Michielsstraat 51

B. 1180  UKKEL / Brussel

T. 00 32 485 630 227 E. leo.camerlynck@skynet.be