> nieuwsbrief > 2e trimester 2012

Bijdragen over: Tip

Mededelingen

Hernieuwen ledenbijdrage 2012

Als verduidelijkt in ons vorig nummer zagen we ons verplicht de basisbijdrage op te trekken tot 29 €. Vanaf 35 € wordt u als steunend lid geboekt. Deze “indexering” is, gezien het vlot verloop van de ledenher-nieuwing, in ruime mate als noodzakelijk begrepen en aanvaard. Waarvoor hartelijk dank.

In de bijdrage is als vanouds het abonnement op onze Nieuwsbrief Zannekin en op het zopas verschenen – al 34e – Jaarboek de Nederlanden ‘extra muros’ begrepen. Enkel voor wie totnogtoe verstek liet gaan sluiten we bijliggend andermaal een betaalformulier in.

Laattijdig verschijnen

De papieren versie van dit nummer van onze Zannekin-Nieuwsbrief komt er eerst aan maand na de gebruikelijke verschijningsdatum. Oorzaak daarvan is dat ook onze Zanne-kin-studie-uitstap dit keer niet in mei valt maar eerst midden juni. Vanaf het derde kwartaal wordt de driemaandelijkse periodiciteit hersteld.

Zannekin-activiteiten in 2012

Studiedag te Luik op zaterdag 16 juni (zie verder in dit nummer).

Ontmoetingsdag op zaterdag 29 september te Belle in Frans-Vlaanderen.

De streektaal van het Erkelenzerland en omgeving

Het Heimatverein der Erkelenzerlande bracht recent een tweede CD uit. Anders dan hun eerste streektaal-CD, zijn op deze tweede CD meerdere plaatselijke streektalen vertegenwoordigd, zodat de uitgave terecht de titel meekreeg Geschichten, Lieder und Gedichte auf Erkelenzer, Wasserberger und Wegberger Platt. Ze biedt een bonte afwisseling van liederen, gedichten en verhalen die ook voor Nederlandstaligen bijzonder te genieten valt. Een warm aanbevolen “hebbeding” dus!

Zannekin Studie-uitstap – Luik 16 juni 2012


De “vurige stede” Luik onderging de jongste decennia een metamorfose en kan heden ten dage terecht pronken met een tal van historische blikvangers.

  Het Curtiushuis (museum) te Luik

Onze uitstap kreeg volgend stramien:

11.30 uur: Verwelkoming met koffie. in de Taverne de l'Ubivers - rue des Guillemins 116,  4000 Luik/Liège (tel. (0)-4 253 24 24), rechtover het NMBS-station Liège-Guillemins.
11.30 uur: Lezingen door Hendrik Steeger en Wim van Heugten over de Maaslandse architectuur en de relatie van het Prinsbisdom Luik met de Nederlanden.

12.30 uur: Middagmaal met Salade Liégoise (groene bonen met spekreepjes in zurige roomsaus en gebloemde aardappelen) en koffie of thee.

13.30 uur: Busrit (lijnbus) naar de Feronstrée met rondleiding door de stadskern (het Prinsbisschoppelijk Paleis, het Perron, het Huis van Ansembourg). Geleid bezoek o.l.v. Leo Camerlynck aan de Sint-Bartolomeus-stiftskerk met de bekende doopvont en het Musée de la Vie Wallonne (selectie Waalse beweging).

16.30 uur: Café Liégois in de Taverne de l'Univers - rue des Guillemins 116, Liège.

Vanaf 17.00 uur: afsluit.

Geschiedenis

Bestand:Liege blaeu 1649.jpgLuik door Blaeu

 

Luik (Frans: Liège, Duits: Lüttich; Waals: Lîdje) is de hoofdstad van de Belgische provincie Luik. De stad is gelegen aan de Maas, ongeveer 30 km stroomopwaarts van Maastricht.

Halverwege de 20e eeuw was Luik het centrum van de mijnbouw en staalindustrie, die Wallonië tot welvaart brachten. De economische problemen, die later in de eeuw het gevolg waren van de vermindering van het belang van mijnbouw en staalindustrie, hebben hun effect op de omgeving van Luik niet gemist.

Luik telt ruim 190.000 inwoners en is daardoor naar inwonertal de op drie na grootste stad van België is en waarvan ongeveer 30.000 inwoners een buitenlandse nationaliteit bezitten. De Universiteit van Luik (Université de Liège, afkorting ULg) werd gesticht ten tijde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder Willem I en officieel ingehuldigd in 1817.

De bijnaam van de stad is La Cité Ardente of De Vurige Stede. Deze komt uit de gelijknamige historische roman van Henri Carton de Wiart uit 1904. Voordien werd deze benaming nooit gebruikt

Vele eeuwen lang, tot 1795, werd Luik geregeerd door prins-bisschoppen. Het prinsbisdom Luik strekte zich uit over het grootste deel van de huidige provincie Luik en de zuidelijke helft van de huidige provincie Namen. Bovendien verwierven de bisschoppen van Luik in 1366 ook het graafschap Loon, dat grotendeels samenvalt met de huidige Belgische provincie Lim-burg. De stad Luik was de voornaamste van de 23 Goede Steden van het prinsdom.

De geschiedenis van Luik wordt gekenmerkt door talloze conflicten tussen de stad Luik en haar bisschoppen, waarbij het er soms heftig aan toe ging. De stad kreeg muren om zich te beschermen en bovenop een heuvel kreeg Luik in de loop der tijd een citadel die verschillende keren herbouwd is.

In 1468 werd in het kader van een dergelijke machtsstrijd de stad "ge-tuchtigd" door de Bourgondische hertog Karel de Stoute. Zijn soldaten heb-ben zich buitengewoon misdragen in de stad: ongeveer een kwart van de toen 20.000 inwoners verloor hierbij het leven.

Toen de hertogen van Bourgondië – en later de Habsburgse koningen – allengs de hele Nederlanden onder hun gezag verenigden, bleef het prins-bisdom Luik als onafhankelijke staat daarbuiten.

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog probeerden de bisschoppen van Luik neutraal te blijven tussen de twee strijdende partijen. De bisschopsstad zelf werd de Beeldenstorm bespaard, maar deze bereikte wel onder meer Hasselt (19 januari 1567); bisschop Gerard van Groesbeek liet de opstanden in Hasselt, Maaseik en Maastricht echter neerslaan. In het najaar van 1568 bele-gerde Willem van Oranje Luik drie dagen lang zonder succes; zijn troepen plunderden het Luikse platteland.

Luik had zich ontwikkeld tot een belangrijk centrum van metaalindustrie en ook van de wapenindustrie. In 1794 hebben burgers van de stad Luik, die verbolgen waren over het autoritaire optreden van hun bisschop, zodra de stad door de Franse revolutionaire legers was veroverd, de gotische Sint-Lambertuskathedraal gesloopt. De lege plaats daarvan vormt de huidige Place Saint-Lambert. Onder het huidige plein zijn na grondige archeolo-gische opgravingen de fundamenten van de kathedraal en een Romeinse villa blootgelegd.

In de 19e eeuw werd de Sint-Pauluskerk verheven tot Sint-Pauluskathedraal. In 1887 werd besloten tot de oprichting van de forten rond Luik. De eerste veldslag van de Eerste Wereldoorlog speelde zich van 5 tot en met 15 augustus 1914 af in de fortengordel rondom Luik. De stad lag op de Duitse aanvalsroute door België naar Frankrijk. Weinigen verwachtten dat België tegenover de aanzienlijke Duitse militaire overmacht weerstand zou kunnen bieden, en om die reden trok het taaie verzet van de Luikse forten wereldwijde aandacht. De Engelse krant The Times schreef: "België heeft zich onsterfelijke roem verworven door het geloof in de onoverwinnelijkheid van de Duitse legers te verpletteren." Het verzet van de Luikse forten vertraagde de Duitse opmars en beïnvloedde daardoor waarschijnlijk het verloop van de oorlog. Tijdens deze veldslag was Luik ook de eerste stad ter wereld die vanuit de lucht werd gebom-bardeerd (door een Duitse Zeppelin).

Het Curtius-huis

Grand Curtius is een museum in de Belgische stad Luik. Het is onder-gebracht in het huis van Jean de Corte, ook Curtius genoemd, en werd opgetrokken op het einde van de 16e eeuw in Maaslandse renaissancestijl. Curtius was een succesvolle handelaar met de Spanjaarden in wapens en kanonskruit. Het museum werd voor het eerst in 1909 opengesteld en na aanpassing en restauratie opnieuw geopend in 2009.

Het museum beschikt over regionale en internationale artefacten die meer dan 7000 jaar geschiedenis illustreren. Thematische en chronologische tentoonstellingen tonen meer dan 5200 voorwerpen die meer licht werpen op archeologie, decoratieve kunst, religieuze en Maaslandse kunst, wapens en glas.

Bestand:Brunnen der Drei Grazien Lüttich, 2004.jpg

Het Perroen

Een perroen (Frans: perron) is een hardstenen zuil met daarop een bol in de vorm van een pijnappel en een kruis. Het Waalse woord perron is een vergrotingsvorm van pierre (steen), een grote steen dus.

Perroens zijn te vinden in plaatsen die behoorden tot het vroegere Prins-bisdom Luik, vooral in de zogenaamde Goede Steden (of Bonnes Villes). Het is een symbool van vrijheid en autonomie. In veel steden markeerde het perroen de plaats waar recht werd gesproken. De oorsprong van het symbool is duister en wellicht heidens.

In de stad Luik markeerde het perron de plaats waar wetten en verordeningen werden afgeroepen. Op den duur symboliseerde het perroen autonomie en zelfstan-digheid, eerst van de bisschop en later van de stad. In de 14e eeuw mochten alle Bonnes Villes van het prins-bisdom een perroen oprichten. Hoei had al voor 1235 een perroen. Niet alle plaatsen met perroens zijn Bonnes Villes. Theux bijvoorbeeld werd pas later door het prinsbisdom ingelijfd. Stavelot kreeg een perroen omdat de prins-bisschop van Luik ook soms abt-prins van Stavelot-Malmédy was. Ook Maastricht heeft een perroen, hoewel deze tweeherige stad nooit tot de Goede Steden van het Prins-bisdom behoorde.

In de 12e eeuw werd het perroen al afgebeeld op munten van de Luikse prins-bisschop Henri de Leez (ook: van Leyen). In de 14e eeuw werd het symbool opgenomen in het wapen van de stad. Nadat Karel de Stoute Luik in 1467 had verslagen, liet hij het perroen afbreken en overbrengen naar Brugge. Na de dood van Karel in 1477 werd het Luikse perroen heropgericht. Het perroen van Luik is de bekendste perroen, maar ook in Maaseik, Hoei, Herve, Verviers, Sart (in de gemeente Jalhay), Stavelot, Theux, Wezet, Bilzen, Hasselt, Tongeren, Borgloon, Sint-Truiden, Herk-de-Stad, Montenaken (Gingelom), Maastricht, Stokkem en Bree staan nog altijd perroens. [Info ontleend aan Wikipedia]

Deelname

Inschrijven voor deze dag gebeurt door schriftelijke aanmelding aan het secretariaatsadres: Paddevijverstraat 2, B.8900 Ieper of via e-post op het adres: maurits.cailliau@skynet.be tot uiterlijk 6 juni. De aanmelding wordt eerst definitief na boeking van de deelnemersbijdrage van 40 €/persoon (leden); niet-leden 45 € op een van de Zannekin-rekeningen (zie link administratie)..

Bij inschrijving dienen onderstaande gegevens vermeld te worden:

Aanmelding Studie-uitstap Zannekin te Luik op 12 juni 2012

Ondergetekende

Naam: ……………………………………………………………………….

Straat en huisnummer: ………………………………………………………

Postcode en woonplaats: …………………………………….………………

Telefoonnummer: ……………………………………………………………

Aantal personen: ………………………………….………………………….

schrijft in voor de Zannekin-Studie-uitstap te Luik op zaterdag 12 juni 2012.

Het verschuldigde bedrag (40 €/pp. voor leden en hun huisgenoten; 45 €/pp. voor niet-leden) – hetzij …… x …… = …….€  werd op …………………vereffend via de Belgische/Nederlandse rekening (cf. p. 1 Nieuwsbrief), t.n.v. Stichting Zannekin te B. 8900 Ieper.

Datum en handtekening……………………………………………………

 

Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ 34


Het zopas verschenen 34e Zannekin-jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ biedt weer een eigenzinnige mix aan bijdragen over de territoria die deel uitmaken van ons Nederlandse nationaal erfgoed.

Als steeds houden wij er aan het jaar-boek in te leiden met de klassieke tekst waarin uiteengezet wordt waar het de Vereniging/Stichting Zannekin uitein-delijk om te doen is, en in welk per-spectief wij ook ons jaarboek plaatsen.

De drie eerste bijdragen hebben dit keer betrekking op de Franse Nederlanden. Voor Drie eeuwen Nederlandse Letter-kunde in Noord-Frankrijk sloegen Cyriel Moeyaert en Yvo Peeters de handen in elkaar. Hun verhaal reikt van Michiel de Swaen over Maria Petyt en vele anderen tot Jean-Marie Gantois, Jaak Fermaut en Wido Bourel. Van deze bijdrage verzorgde de VVNA in samenwerking met het ANV een overdruk onder brochurevorm.

Daarop volgt, eveneens van de hand van Cyriel Moeyaert, de bijdrage De verhouding tussen Sint-Omaars en Frankrijk. Andermaal wist de auteur gegevens naar boven te spitten die het historisch Vlaams of Zuid-Nederlands karakter en verleden van deze stad in herinnering brengen.

De al vernoemde Wido Bourel komt ook in dit jaarboek met een eigen bijdrage aan bod. In zijn jonge jaren mocht hij de toen al vergrijsde Frans-Vlaamse voorman Nicolas Bourgeois van meer nabij leren kennen en als mentor hoogachten. Uit zijn notities van die jaren wist hij het boeiende vraaggesprek Nicolas Bourgeois, een Frans-Vlaamse voorman te puren, dat hij treffend als ‘herinneringen voor de toekomst’ omschreef.

Aansluitend besteedt Ruud Bruijns aandacht aan De betekenis van de vesting Charlemont voor de grens tussen de Nederlanden en Frankrijk. De vesting is steeds een twistappel geweest tot ze uiteindelijk definitief Frans bezit werd – en mede de huidige kronkelende grenslijn verklaart.

Bij de daaropvolgende trits bijdragen belanden we over de huidige oostgrens. Met Het Nederlands als voormalige minderheidstaal in Duitsland brengt Ludger Kremer ons de synthese van zijn breed geïllustreerd referaat op de jongste Zannekin-Ontmoetingsdag te Burtscheid bij Aken. Daarbij komt evenzeer de rol van het Nederlands in de thans Duitse grensregio’s aan bod als wat aan Nederlandse taalrelicten herinnert in de gebieden van de eertijdse Oost-kolonisatie.

Wim van Heugten bestudeerde een aantal Zeventiende-eeuwse liedboeken uit Emmerik. Hij gaat na hoe deze Nederlandstalige uitgaven, niet zelden vanuit de contrareformatie geïnspireerd, tot stand kwamen.

Zeno Kolks schreef voor ons jaarboek al vaker gewaardeerde bijdragen, waarin de architectuur aan weerszijden van de huidige Nederlands-Duitse grens centraal stond. Dit is ook nu weer het geval met zijn bijdrage over Aspecten van de toepassing van baksteen in de randgebieden van Nederland, België en Duitsland.

Onder het motto De (kunst-)geschiedenis van Keulen vanuit Nederlands perspectief neemt Jan van Tongeren - onze bezielende gids bij menig Zannekin-evenement - ons mee op een wandeling doorheen Keulen en de sporen uit de Nederlanden die er terug te vinden zijn, zowel op louter histo-risch als op kunsthistorisch terrein.

Afsluitend volgen ook nog de Kroniekbijdragen en boekbesprekingen, waarvan Marten Heida andermaal het leeuwendeel voor zijn rekening nam.

_______________________

N.a.v. Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ 34 (2012). 208 pp., ill., ISBN 9789071326318. Ledenprijs 29 € (verzendkosten inclusief); niet-leden 34 € + 3 € verzendkosten. Bestelling via overschrijving op rekening IBAN: BE13 4648 2202 5319 – BIC: KREDBEBB t.n.v. Vereniging/Stichting Zannekin, Paddevijverstraat 2, B. 8900 Ieper. Het jaarboek verschijnt medio mei 2012.

Jean-Marie Gantois, de Leider van het Vlaams Verbond van Frankrijk, kon het zo schoon zeggen: "Voor onze ogen zien wij de geleidelijke teloorgang van de Nederlandse spraak in de buitenwijken van Sint-Omaars. Nog om-streeks 1850 spraken de bewoners van Rumingem, Sperleke, La Motte-au-Bois en Niepekerke Nederlands. Net zo min als deze mensen hun Neder-landse afstamming verloochenen doordat zij hun Nederlandse moedertaal verruilden voor het Frans, net zo min hebben de bewoners van Verlingem, Hem, Lannoy en Willems hun Dietse bloed ontkend toen zij in de middeleeuwen hun Dietse dialect verwisselden voor het Romaans."

Aan Jean-Marie Gantois komt de onmetelijke verdienste toe dat hij zijn lezers en volgelingen diets heeft gemaakt dat taal en volk niet samenvallen. Hij heeft komaf gemaakt met de oude slogan ‘De taal is gans het volk.’ Zulks is niet juist. De bewoners van Bonen, Atrecht, Kamerijk, Valencijn, Avenne aan de Helpe en Malbode zijn Nederlanders evenals zij van Maastricht, Nijmegen of Groningen.

Johan van der Meulen

 

“Ik heb mijn diploma Waals behaald”


Uit een vraaggesprek met André Vanackere

 Deze bijdrage kwam in onze papieren Nieuwsbrief 1/2012 verminkt over tengevolge van een drukprobleem: ongeveer ¼ van de tekst viel op onnaspeurbare wijze tussen de plooien. Reden om ze in haar geheel te hernemen.

André Vanackere woont alleen in en fraai gelegen chalet in Maizeret, niet ver van de oevers van de Maas. Namen ligt amper acht kilometer verder. Marche les Dames – met de rots waar Koning Albert I de dood vond – is vlakbij. Aan de voorgevel hangt een bordje met Nid d’mauvis, wat Waals is voor “meerlaannest”. Het verwijst naar een passie van de bewoner: het Waalse dialect. De van (oorsprong) Kachtemnaar had altijd al een boontje voor talen en heeft Waals gestudeerd – niet het dialect maar de Waalse taal waarin ook literatuur geschreven werd (en wordt)! Niet zonder trots toont hij ons een foto uit 1980 van een bijeenkomst van Waalse schrijvers. Hij pent inderdaad geregeld een verhaaltje in het Waals. “Bij Roger Viroux, een leraar-germanist die zijn leven lang geijverd heeft voor de erkenning van het Waals, heb ik een cursus Waals gevolgd en mijn diploma behaald. Ik ken Frans, maar noem mij geen francofoon. Ik ‘jeun’ mij niet in die taal. Volgens Auguste Laloux, de grootste Waalse schrijver, staat de echte Waalse geest dichter bij de Vlaamse dan bij de Franse, en dat is juist.”

Streuvels en Claus

Wanneer André ons binnenin verwelkomt, komen we terecht in een ‘gezellige wanorde’ met overal boeken. En dat blijkt nog maar een begin. Een aantal uren later troont hij ons mee naar zijn boekenkelder. We geloven onze ogen niet: misschien wel duizenden boeken staan er in rekken of liggen op stapels, van Streuvels tot Djoos Utendoale, van Timmermans tot Claus… En dan zijn 230 woordenboeken! “Ik heb Italiaans en Spaans geleerd en Lëtzeburgisch (Luxemburgs). Ik heb ook het Frans-Vlaams Woordenboek van Cyriel Moeyaert, mijn oud-leraar in Izegem.” En als kranten leest André de Duitstalige Grenz-Echo en de Gazette van Detroit, om zijn Engels te onderhouden.

Hij haalt het stamboomboek van de familie Van Ackere boven: “Wij behoren tot de Gullegemse tak, net zoals de familie van minister Steven Vanackere. Ook Hugo Verriest was familie, zijn moeder was een Vanackere.” In de woonkamer prijkt een groot schilderij met het familiewapenschild (waarop drie merels ofte meerlaans).

Kasteelhoeve

Als West-Vlamingen in Wallonië verzeilen, heeft dat nogal vaak met de boerenstiel te maken en dat is bij de Vanackers niet anders geweest. We schrijven 1954 wanneer twee broers van Kachtem naar het Naamse trekken. Het was niet zomaar een hoevetje waar ze neerstreken. André wil het ons tonen en neemt ons mee naar het gehucht Bossimé, dat overheerst wordt door een kasteelboerderij. “Hier hebben we gewoond. Het is een historische kasteel- en cijnshoeve die teruggaat tot 1653.”

Wij wippen even binnen bij broer Arthur, die het vervolg vertelt van het familieverhaal. “Ik kwam naar hier met m’n oudste broer Hendrik. Ik wilde uit ‘de Vlaanders’ weg omdat ik niet graag in het vlas werkte. Maar Hendrik kon hier niet aarden en na drie dagen was hij weer weg. Hij werd afgelost door broer Frans, maar die is nadien naar Henegouwen getrokken. Ik bleef achter en alleen was dat niet te doen. Zo besloten mijn ouders ook over te komen. Ik ben dan getrouwd en na verloop van tijd konden we de kasteelhoeve kopen. We hebben het wel zwaar gehad…”

Vandaag is Bossimé deels boerderij, deels vakantiehuis. En onlangs heeft kleinzoon Ludovic Vanackere er zijn gastronomisch restaurant geopend: Atelier Bossimé.

Late roeping

Intussen vertelt André hoe hij zelf – ‘niet boer’ – ook in Namen belandde, als de boekenwurm van de familie. “Ik wilde studeren en trok naar het college van Izegem, in de Latijnse humaniora. Maar ik had een flauw geheugen. Op de koop toe werd ik ziek en moest ik mijn studies stopzetten. Mijn broer zat ondertussen in Wallonië, in ben bij hem gaan inwonen tot hij trouwde. Toen ben ik bij de late roepingen ingetreden bij Don Bosco te Kortrijk. Ook dat ging niet en zo ben ik dan rond 1961 hier in het Walenland melkboer geworden. Ik verkocht ook kaas en aardappelen. Op mijn camionette stond ’Lacia, canades Vanackere’. ‘Lacia’ is Waals voor melk, ‘canadas’ zijn aardappelen. Als enige handelaar met een Waals opschrift had ik onmiddellijk succes.”

Na zo’n twintig jaar moest André zijn melkronde stopzetten: “Last van de stofmijt.” Van dan afwerd hij eerst echt een boekenwurm. Alle mogelijke onderwerpen interesseren hem! Om zijn leerhonger te stillen trekt hij nu nog twee keer per week naar school: Latijn, Grieks, Duits…(…)

______________________

Bron: Krant van West-Vlaanderen, 15 april 2011.


Chiroux en Grignoux in het prinsbisdom Luik (XVIIde eeuw)


Willy Alenus, Oostende

Het gaat hier om spotnamen (in het Luikse dialect) voor twee politieke ‘factions’ (partijen) in het 17e-eeuwse prinsbisdom Luik. De Chiroux (= zwaluwen), wier leden doorgaans tot de gegoede standen behoorden- adel, hoge geestelijkheid en burgerij, gilden en ambachten- zij steunden op de prins-bisschop, op de Habsburgers en op de keizer van het Rooms- Duitse Rijk, toentertijd Ferdinand II (1578–1637) en Ferdinand III (1608-1657). Het keizerrijk was een confederatie van vorstendommen en heerlijkheden.

Johannes III Alenus (1593–1644), scepene ende secretaris van het Loons-Luikse Herk-de- Stad, de jongste zoon van Henricus Alenus en Cecilia Clingers, was een van de kopstukken of misschien zelfs HET kopstuk van de Oostenrijks/Beierse partij.

De Grignoux (les grincheux, de kniesoren), vormden een democratische groep die naar meer en vollediger zelfbestuur van de goede steden streefde, zochten en vonden steun bij het anti-Habsburgse Frankrijk en ook, vanaf 1600, bij de (protestantse) Republiek der Verenigde Nederlanden, een confederatie van provinciën rond het graafschap Holland.

De partijtwisten bereikten een hoogtepunt in 1628 bij het ongedaan maken van het democratische kiesstelsel van 1603. De Herkse burgemeesterssteen (Alenus-Hermans), dateert niet toevallig van 1629, d.i. onder andere het jaar van het Restitutie- Edict. Alenus was toen ook nog en voorzeker al sinds 1623, het jaar van ’s Keizers troonsbestijging, raadsheer van de Paltskeurvorst, hertog Maximiliaan I van Beieren, dit is ook de stichter-chef van de Katholieke Liga (1609) en de broer van de over het prinsbisdom Luik regerende prins-bisschop Ferdinand van Beieren.

Het herstel van het oude regime bracht geen rust. Het was natuurlijk niet gunstig voor het herstel, noch van de vrede, noch van de openbare orde. In 1637 werd de advocaat en leider van de Grignoux, de Luikse co- burgemeester De la Ruelle vermoord. Zelfs de Vrede van Tongeren van 1640, die ook de Luikse neutraliteit t.o.v. zijn oorlogvoerende buurlanden herstelde, verzoende beide partijen slechts ogenschijnlijk.

In 1646 kwamen, met Franse steun, de Grignoux weer aan de macht. Ondertussen waren zij reeds, in het Loons-Luikse Herk-de-Stad, erin geslaagd Johannes III Alenus, op 18 augustus 1644, alsnog aan de dijk te zetten, als scepene ende secretaris Oppidi Herckensis. Diezelfde dag dicteerde hij zijn testament. Hij stierf op 20 augustus 1644 in bedenkelijke omstandigheden, die niet zijn opgehelderd, tot op de dag van heden. Van 1638 tot 1639 was Alenus Heer van Stevoort geweest, tussen Hendrik, graaf van den Berg (1573-1638) en Maria Elisabeth II van den Bergh (1613-1671), markiezin van Bergen op Zoom en echtgenote van Eitel Frederik V van Hohenzollern-Hechingen.

Op 17 november 1670, bij de scheydinghe ende deylinghe van de nalatenschap van zijn weduwe, geboren Joffrau Margriet Bolgry, d.i. 26 jaar na zijn dood, blijkt dat Alenus op 18 augustus 1644, met zijn gekende titels werd aangesproken, waaronder de hier vernoemde. Het testament was trouwens opgesteld door pastoor Godefridus Wendelinus, de oude vriend des huizes en een verwant aan de kant van de moeders.

Mede als gevolg van het in werking treden van de vrede van Münster (1648) viel de Franse steun aan de Grignoux weg en in 1649 kwam d.m.v. een Beierse, gewapende interventie de restauratie van prins-bisschop Ferdinand tot stand, - dit zijn de “Beieren” die Alenus zijn levenlange trouw heeft gediend. En die trouw misschien met zijn leven heeft betaald.

Er volgde toen, met ingang van 1649, tot grote schade en schande van de Grignoux, een keiharde repressie en het in werking treden van een nieuw kiesstelsel, waardoor de politieke invloed van de gilden, c.q. de ambachten werd uitgeschakeld.

In die politieke tegenstellingen moet o.i. de reden worden gezocht van de gloeiende ruzie (1628?) tussen Wendelinus en Alenus en hoewel die ruzie, in 1644, kennelijk al lang was bijgelegd, kan ook hier de reden worden gezocht waarom Wendelinus nooit is teruggekeerd naar zijn geboortestad, om er te sterven en er begraven te worden.

Maar dat prins-bisschop Ferdinand van Beieren, in 1644, zijn "cher et aymé Jean Alenus" in de steek zou hebben gelaten, dat klopt dus ook niet. Ferdinand was indertijd (tijdelijk) niet machtig genoeg om zich tegen de vijanden van de partij van Beieren, d.i. zijn eigen partij, d.i. de partij van Johannes Alenus III, d.z. de Chiroux, alsnog te verzetten. Vandaag blijft in Luik, als herinnering aan die roerige tijd, aan de “Beieren”, de souvenir van "l' Hôpital de Bavière" over. Op het internet vindt de lezer alle details.

 De toegang tot l'ancien hôpital de Bavière







Voor de Noord-Nederlandse lezer

Willy Alenus

Herk-de-Stad, onder het Ancien Régime Wuestherck genaamd, was een van de 10 (tien) “goede steden) van het graafschap Loon. Op het grondgebied van het graafschap Loon, lagen ook nog twee Luikse steden (Sint-Truiden en Tongeren) en een, - alhoewel één en onverdeeld, half Brabants, half Luikse stad, Maastricht.

Met ingang van 1366 (militaire verovering van het graafschap Loon door het prinsbisdom Luik), tot 1795 fungeerden en functioneerden de twee vorstendommen als een “Doppelfürstentum”, wat zij in feite en in rechte ook waren. Geen van beide vorstendommen maakten ooit deel uit van de “Nederlanden”, maar de 17 provinciën, vooral het hertogdom Brabant, waren wel eigenaar van heel wat heerlijkheden op Loons-Luiks grondgebied, met als voornaamste “eilandje” half- Maastricht.

Toch voelden Lonenaren en Luikenaren zich zeer nauw betrokken bij de opstand van de gezamenlijke Nederlanden (1558-1568-1648). De twee kopstukken van de “Opstand” (“Las guerras de los paises bajos”), waren trouwens Zuid-Nederlanders. Willem van Oranje, de Zwijger, zou vandaag een Franstalige Brusselaar worden genoemd. En de veroveraar van het eerste stukje vaste grond in Holland, het eiland Voorne en Putten, was niemand minder dan de Loons-Luikse heer van Lummen (vandaag B. Limburg), Willem II van der Marck- van Arenberg (1542-1578), bijgenaamd “Lumey”.

Vandaag, uitgerekend op koninginne-dag, zal haast niemand zich de ware geschiedenis van het gezamenlijk verleden van de “lage landen bi der see”, met inbegrip van de Nederlanden ‘Extra Muros’, alsnog herinneren. Schade.



Hier en aan de overkant

Onder de destijds veel voorkomende ABC-formule bracht Wido Bourel zijn ‘Anekdotische aantekeningen over Frans-Vlaanderen en de Nederlanden’ bijeen in een bijzonder aantrekkelijk bundeltje dat bovenstaande titel meekreeg.

Cursief lezend krijgt men al meteen een veelal ludiek en steeds inspirerend antwoord op vragen als:

Was d’artagnan een held of een moordenaar?

Hoe bijen de Franse vijand kunnen verjagen?

Wat is de c-factor?

Zijn de drie maagden van Kaaster van heidense oorsprong?

Hoe komt het dat de eksters in Frans-Vlaanderen Vlaams spreken?

Waarom ik als zogenaamde Fransman niet schrik van de kreet franse ratten rolt uw matten?

Waarom is er geld voor cultuur nodig?

Wat ondekte hoffmann von Fallersleben in Frans-Vlaanderen?

Wat is een jakobijn?

Was Ogier van Busbeke slachtoffer van kapitalisten?

En zo gaat het verder, met de l van leuze, de m van meertaligheid, de n van Noordzeekust, De o van op het Antwerps ‘schoon verdiep’, de p van Prins van Oranje, de q van Quickborn, de r van rattachisme, de s van straatnamen, de t van Toerisme, de u van Usje…, de v van Vlaams, de w van Waalse kerk, de x van Xanten, de y van Yourcenar, om te eindigen met de z van ‘Zijt gij…’

Na Wintertijd in Frans-Vlaanderen en Een erfenis zonder testament (beide bekroond met de ‘Ferdinand Snellaertprijs’ 2010), is dit het derde al even stijlvol uitgegeven bundeltje van de van oorsprong Frans-Vlaming Wido Bourel.

Een breviertje als het ware dat, binnen de context van de Nederlanden, handelt over vreemde of bezienswaardige plekken en landschappen, merkwaardige feiten en gewoonten, vermaarde maar vaak ook vergeten mensen. Aanbevolen!

__________________

N.a.v. Wido Bourel, Hier en aan de overkant, 64 pp. en 30 illustraties, Formaat 20 x 12,5 cm. ISBN 978-90-818249-0-3, Prijs 15 €. Betaling via rekening IBAN BE 388440450900172 – BIC RABOBE 22 t.n.v. Wdo Bourel, Merellaan 7, B 2288 Bouwel.


Vanaf de zijlijn


Marten Heida

Nogmaals Guido de Brès

Het was mijn voornemen uitvoerig terug te komen op de man die wel de Nederlandse Calvijn genoemd wordt. Daarmee zou ik een belofte inlossen die ik heb uitgesproken tijdens de op 6 juni 2009 te Doornik gehouden Zan-nekin-studiedag. Gezien de uitstekende bijdrage van Renaat Vanheusden over hem in de aflevering 2011 van onze jaarboekenreeks De Nederlanden ‘extra muros’ acht ik me van die belofte ontslagen. Maar dat wil niet zeggen dat er niets meer te melden valt. Dat wil ik bij dezen graag onder uw aan-dacht brengen.

Allereerst refereer ik aan een gebeurtenis uit 2007. Een wereldschokkende was het bepaald niet; velen zullen haar niet eens opgemerkt hebben. Toch kan ze voor de bijstelling van het geschiedenisbeeld met betrekking tot de 16e eeuw van groot belang zijn. Ik doel op de in mei 2007 opgerichte “Stichting Heruitgave Werken Guido de Brès”. Deze stichting wil een ereschuld inlossen en wel in de vorm van een volledige uitgave van wat De Brès aan geschriften heeft nagelaten. Het bestuur van deze stichting is ervan overtuigd dat De Brès ook voor vandaag nog iets te zeggen heeft.

De voorzitter van deze stichting – dr. P. Korteweg – heeft zich tot taak gesteld een biografie over De Brès te schrijven. De laatste Nederlandstalige biografie was van de hand van L.A. van Langeraad en dateerde uit 1882 (herdrukt in 1997). Voor het Franse taalgebied beschikte men over een studie uit 1960 van de Brusselaar Emile M. Braekman. De grote verdienste ervan is het gedegen archiefonderzoek dat er aan ten grondslag ligt.

Dank zij de welwillende medewerking van de kerkenraad van de gemeente waaraan hij als predikant verbonden is, heeft Korteweg dit deel van zijn taak in 2010 kunnen afronden. Hij heeft gekozen voor een geheel eigen opzet. De verhaallijn doet – om het zo uit te drukken – dienst als de schering en als inslag fungeren de deelstudies die gewijd zijn aan de publicaties en stellingdames. Al met al is het een evenwichtig geheel geworden al doet het taalkleed hier en daar wel wat ouderwets aan. Ook is de schrijver niet altijd even goed op de hoogte van de topografie van het Vlaamse landsgedeelte van België getuige de plaatsnaamaanduiding Saint-Trond in plaats van Sint-Truiden. Maar deze lapsus is voor mij geen reden deze studie niet aan te bevelen. De gegevens zijn: Dr. P. Korteweg, Guido de Brès. Uitgever: Gebr. Koster, Barneveld. ISBN 978 90 5551 595 0, 302 pp., 27,90 €.

In 2017 zal op wereldwijde schaal de Reformatie van 1517 herdacht worden. In dat kader is men inmiddels gestart met het Refo 500-project. Een belangrijk onderdeel daarvan is het publiceren van biografieën over personen uit de begintijd zoals Luther, Calvijn en Melachton. In deze reeks is ook plaats ingeruimd voor Guido de Brès. Het hoofddeel is van de hand van de daarstraks al genoemde dr. Emile Braekman. Het is de uit het Frans vertaalde tekst van zijn studie uit 1960 die de – inmiddels 87-jarige – kenner van de geschiedenis van het protestantisme in de Zuidelijke Nederlanden heeft geschreven en waar nodig aangevuld met nieuwe gegevens. Of de redacteurs geweten hebben van de opzet die dr. Korteweg aan zijn boek gegeven heeft, is mij niet bekend, maar het is wel opvallend dat ze op ongeveer dezelfde wijze te werk zijn gegaan. Ongeveer, want in deze studie zijn de toelichtende “inlassingen” verzorgd door kerkhistorici als Willem van ’t Spijker, Klaas van de Zwaag en Harm Boiten. De gegevens van deze zeer voornaam uitgegeven biografie zijn: Emile Braekman en Erik de Boer (red.), Guido de Brès, zijn leven, zijn belijden. Uitgever Kok, Utrecht, 2011. ISBN 978 90 4351 793 5, 416 pp., 39,90 €

Soms komt de geschiedenis heel dichtbij. Die ervaring had ik bij het lezen van de passages waarin beschreven wordt op welke wijze in Valencijn vader en zoon Herlin om het leven gebracht werden. In gedachten stond ik toen in de hal van het door dominee Gerrit Herlyn bewoonde huis in de Oostfriese stad Leer. Op woensdag 30 juli 1986 was ik bij hem op bezoek. Direct na binnenkomst nam hij me mee naar de trapopgang en vestigde mijn aandacht op de daar hangende tekening van een terechtstelling. De plaats van uitvoering was de Grote Markt van Valencijn; de terechtgestelden waren vader en zoon Herlin. Na deze gerechtelijke moord was er voor de achterblijvende familieleden geen plaats meer in deze toen Nederlandse stad. Ze weken uit naar het noorden om uiteindelijk terecht te komen in Oost-Friesland.

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53

NL 3905 CB Veenendaalt

Het laatste woord

Leo Camerlynck

Zeekantig Vlaanderen rouwde begin 2012 tweemaal omdat twee Vlaamse Bewegers niet meer onder ons kunnen vertoeven. Twee trotse West-Vlamingen en Heel-Nederlanders gingen heen. Raf Seys in februari en Jan Olsen in maart.

Beide waren aparte figuren, die elk op hun manier de Vlaamse Beweging kleurden. Diezelfde Vlaamse Beweging had en heeft nog deels de reputatie eerder conservatief gekleurd te zijn.

Van Raf Seys was bekend dat hij het vrijdenkend én ruimdenkend liberalisme aankleefde. Jan Olsen zag heil in het sociaalflamingantisme.

Beide koppige West-Vlamingen waren overtuigde Heel-Nederlanders met een grote liefde voor Frans-Vlaanderen.

De Peenebeek zweeg even maar kabbelt verder:
Heemkundige Raf Seys uit Koekelare overleed 83 jaar oud

Raf was een van stuwende krachten achter de Vereniging van West-Vlaamse Schrijvers en ook een bekend heemkundige in West-Vlaanderen. Ook behoorde hij tot die West-Vlamingen die in 1963 de Orde van Manneke uit de Mane nieuw leven inblies. Hij lag mede aan de basis van het Guido Gezellegenootschap. Hij raakte tevens bekend met twee publicaties over Käthe Kollwitz in Vlaanderen, die vertaald werden in het Duits, het Engels, het Russisch en het Noors.

Raf Seys was getrouwd met de in 2003 overleden Astrid Provoost, een ver familielid van schrijver dezes. Zijn huis en al zijn bezittingen laat hij na aan de gemeente Koekelare, op voorwaarde dat de gemeente jaarlijks een ‘Cultuurprijs Raf Seys’ uitreikt.

Testamentair verzocht hij geen afscheidsplechtigheid te houden, doch hij drukte de wens uit dat zijn as zou verstrooid worden aan de Peenebeek in Frans-Vlaanderen. Raf Seys was de bezieler van de Zwijgende Voettocht ter herdenking van de Slag aan de Peenebeek. Op 28 april 2012 vond de 36e editie plaats.

De Voettocht zweeg meer dan ooit maar de Peenebeek kabbelt verder zonder Raf Seys in persoon maar meer dan ooit in gedachte.

Oostende is een coryfee kwijt:
Jan Olsen ging heen op 88-jarige leeftijd

Jan Olsen is overleden. Een oude Oostendenaar.

Maar Jan Olsen was een sterke figuur. Een overtuigde Heel-Nederlander en strijdend flamingant. Verplicht tewerkgesteld onder het Naziregime gedurende de oorlog, lag hij in de naoorlogse jaren mee aan de basis van de heropstanding van de nationale jeugdbeweging .

Stichter en jarenlange voorzitter-uitgever van Het Pennoen. Een oorspronkelijke sociaalflamingant. Een echte intellectueel met een olifantengeheugen.

Een echt bescheiden man. Zowel echt als bescheiden. Toch een kritische bezieler. Een doordrongen oecumenische gelovige. Gedurende zijn beroepsleven zelfstandig scheepsmakelaar en expert. Vader van negen kinderen. Een sterke stevige mens, op wie je steeds kon rekenen.

Woorden schieten tekort bij de herinneringen aan Jan Olsen. Zo meldde de digitale krant De Wereld Morgen bij zijn overleden.

Tot aan zijn overlijden bleef Jan actief als lid van de Cultuurraad van Oostende en ook van de kritische Oostendse groep voor democratisch overleg. Tot op het einde van zijn leven bleef Jan ook actief lid van Motor Toerisme Oostende (MTO). Op zijn stalen ros trok hij door de Nederlanden, en ook vaak naar Frans-Vlaanderen, waarvoor hij ook heel veel liefde koesterde.

Hij was bijna 88 jaar toen hij stierf en werd begraven met een oecumenische dienst in de Sint-Jozefskerk in Oostende zoals hij het gewenst had.
 

Leo Camerlynck, voorzitter

"De Zavelberg" - Edouard Michielsstraat 51

B. 1180  UKKEL / Brussel

T. 00 32 485 630 227 E. leo.camerlynck@skynet.be