> nieuwsbrief > 30e jg. - 3e trimester 2012

Bijdragen over: Tip

Mededelingen

Hernieuwen ledenbijdrage 2012

Als verduidelijkt in ons vorig nummer zagen we ons verplicht de basisbijdrage op te trekken tot 29 €. In de bijdrage is als vanouds het abonnement op onze Zannekin-nieuwsbrief en op het – al 34e – Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ begrepen.Dit is een laatste aanbod dat het mogelijk maakt om zich ons jaarboek 2012 tegen ledenprijs aan te schaffen. Vanaf 1 augustus geldt voor iedereen de boekhandelprijs als vermeld op pagina 2.

Zannekin-Ontmoetingsdag 2012


De Ontmoetingsdag van de Stichting Zannekin heeft dit jaar plaats in Villeneuve d’Ascq nabij Rijsel, meer bepaald in het Musée de Plein Air. Het Musée de Plein Air of openluchtmuseum werd in augustus 2008 opgericht dankzij de jarenlange inzet van een kranige Frans-Vlaamse dame Monique Teneur-Vandaele.

Het openluchtmuseum beslaat een oppervlakte van om en bij 15 hectaren, aan de groene rand van de metropool Rijsel, hoofdstad van Frans-Vlaanderen. Het biedt een getrouwe weerspiegeling van het landelijke leven in de Franse Nederlanden en het draagt bij tot de bescherming van een uniek Vlaams erfgoed.

Twintig gebouwen van de regio Nord-Pas de Calais of Vlaanderen-Artesië werden gered van de sloop en herrezen als getuigen van onze landelijke beschaving van de 17e, 18e en 19e eeuw. Een smidse, een bakkerswoning, lemen huisjes met rieten daken, houten gebouwtjes te midden van tuintjes, boomgaarden en weiden met heggen zijn er te bewonderen. Dieren ontbreken evenmin. kippen, ezels, eenden en kalkoenen lopen er rond. Ambachtslieden beoefenen oude beroepen.

Adres: Musée de Plein Air, 143, rue Colbert, F. 59493 Villeneuve d’Ascq

http://museedepleinair-asso.org/images/stories/slider_img_1.jpg   Beeld van het Openluchtmuseum te Villeneuve d’Ascq

Ontwerp van Programma - zaterdag 29 september 2012

 10.15 uur: Halle (Brabant) station – Busrit naar Rijsel – Villeneuve d’Ascq via Mark (Edingen) – Cardinael om 10.30 uur – Doornik, Station om 11.10 uur Rijsel (Villeneuve d’Ascq) – metrostation Quatre Cantons om 11.25 uur.

11.45 uur: Verwelkoming in het Musée de Plein Air of Openluchtmuseum te Villeneuve d'Ascq door Eric Vanneufville uit Steenwerck (Frans-Vlaanderen): Lezing over Frans-Vlaanderen, identiteit, taal en cultuur.

12.35 uur: Vlaams middagmaal.

13.45 uur: Rondleiding door het Openluchtmuseum.

15.45 uur: Vlaamse volksmuziek gebracht door Frans-Vlamingen (doedelzak, oude instrumenten, liederen).

16.30 uur: Vieruurtje.

17.15 uur: Terugkeer (busrit) via Quatre Cantons – Doornik – Mark naar Halle

De deelnamemodaliteiten en -prijs leest u in onze volgende Nieuwsbrief. Reserveer alvast de datum van 29 september.


Vlaams Feest te Bambeke


Op zondag 8 juli mochten we in het Frans-Vlaamse Bambeke een zeer geslaagd ‘Vlaams Feest’ meemaken, georganiseerd in samenwerking tussen de Werkgroep de Nederlanden, het Davidsfonds Frans-Vlaanderen, Euvo en de Michiel de Swaenkring. Duivel-doet-al Karel Appelmans kan met recht en reden terugkijken op een zeer geslaagde activiteit, waarvoor hij de entousiaste medewerking van o.m. de doedelzakspekers van Sakanotes uit Steenvoorde en het Antwerpse Scheldekoor wist vast te leggen.

De dag ving aan met een tweetalige eucharistieviering opgedragen door de E.H. Cyriel Moeyaert en Gijs van Ryckeghem. Aansluitend volgde een kunsthistorische toelichting bij de merkwaardige retabels en het overdadigrijke interieur van deze dorpskerk.

Naderhand volgde een vriendemaal in de stemmige nabijgelegen zaal ‘Yserhof’, waarbij de historicus Eric Vanneufville toelichting verstrekte bij zijn jongste publicaties over de geschiedenis van de Franse Nederlanden.

Het doedelzakensemble ‘Sakanotes’ uit Steenvoorde in het Openluchtmuiseum

Tussendoor viel de samenzang in de smaak en luisterde het Steenvoordse doedelzakensemble ‘Sakanotes’ het feest om met zang en volksmuziek en kwam de Vlaamse viceminister-president Geert Bourgeois – verwelkomd door de Bambeekse ‘maire’ - de aanwezigen een hart onder de riem steken met een stevig pleidooi aan het adres van de Frans-Vlamingen om, naast hun streektaal ook het Algemeen Nederlands aan te leren.

Als kers op de taart van deze ten volle geslaagde dag kreeg Karel Appelmans bovendien het verzoek om in de nabije toekomst ter plaatse een cursus Nederlands te organiseren ten behoeve van het gemeentelijk personeel van Bambeke en de omliggende gemeenten.
 

Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ 34

Lieve van Onckelen

Dat ook ons nieuwe jaarboek (2012) gunstig onthaald werd moge blijken uit onderstaande recensie ontleend aan het maandblad ‘Bormshuis-Broederband’ (jg. 49, nr. 3, juni-juli 2012). Uit het rijke gamma in dat jaarboek aan bod komende bijdragen wordt vooral gefocust op het tweetal artikels die handelen over het Nederlands als taal, respectievelijk in de Zuidelijkste- en in de Oostelijke ooit Nederlandstalige territoria. (De redactie)

Deze reeks jaarboeken is ondertussen reeds aan zijn 34e aflevering toe. Zoals altijd begint ook dit deel met de tekst die de doelstelling van Zannekin verwoordt. Die beginselverklaring begint aldus: “De doelstelling van de Vereniging/Stichting zannekin is het thuisfront te zijn van iedere persoon en iedere vereniging, die er naar streeft een Nederlands volksbewustzijn op te wekken, te versterken of in stand te houden in alle gebieden binnen onze oudste volksgrenzen, vooral deze welke in de loop der tijden geheel of gedeeltelijk naar de taal geromaniseerd of verduitst werden.” Op basis van deze doelstelling worden de bijdragen in dit en vorige jaarboeken gekozen. Uit deze aflevering pikken we er enkele uit.

Zo kan men een tekst lezen van E.H. Cyriel Moeyaert over De verhouding tussen Sint-Omaars en Frankrijk. Blijkbaar valt er over de geschiedenis van deze stad in Zuid-Vlaanderen, of juister gezegd Vlaams Artesië, heel wat te vertellen want de ervaren Zuid-Vlaanderenkenner wijdt er achttien pagina’s aan. Hij begint zijn verhaal in de 13e eeuw toen Sint-Omaars een bloeiende Vlaamse stad was. In 1212 werd het gebied afgestaan aan de Franse koning Filips-Augustus I en ging deel uitmaken van het graafschap Artesië. De streek stond bekend als Vlaams Artesiê en vanaf 1400 werd er verwezen naar “Saint-Omer en Flandre”.

In de eerste jaren van de 14e eeuw, geïnspireerd door de Guldensporenslag, kwamen de leden van de ambachten in Sint-Omaars in opstand. Ze vroegen én kregen steun van Bruggeling Pieter de Coninck, maar uiteindelijk leken ze het pleit te verliezen: vijf leiders werden verbannen of geradbraakt. Toen kwam heel de stad in opstand: het kasteel van de graaf werd belegerd en verwoest en er volgden onderhandelingen met Vlamingen. Maar toen ging de Artesische ruiterij de stad belegeren en een Franse legerafdeling trok op tegen Sint-Omaars. Gevolg: de stad moest zich overgeven.

Niet alleen politiek maar ook economisch was Sint-Omaars op Brugge en Vlaanderen georiënteerd. Nog in 1430 stelden de schepenen dat de stad niet enkel Vlaamse stadsrechten had maar ook dat de moedertaal van de stad Vlaams was. Het aandeel Vlamingen in de bevolking was hoog en dat bleef nog enkele honderden jaren zo. Zelfs nog op het einde van de 16e eeuw werden de gerechtelijke uitspraken van de schepenen enkel en alleen in het Nederlands bekendgemaakt, hetzelfde gold voor bestuurlijke mededelingen en affiches. Sint-Omaars was wel een tweetalige stad maar zelfs Waalse historici als Godefroid Kurth (1847-1916) stellen duidelijk dat de oorspronkelijke Nederlandse taal tot het einde van de 16e eeuw levend bleef. Pas zo’n 70 jaar later kwam de verfransing echt op gang. Verdere historische beschouwingen vervolledigen deze bijdrage.

In een andere bijdrage behandelt Ludger Kremer een minder bekend en daardoor zeker interessant onderwerp: het Nederlands als voormalige minderheidstaal in Duitsland (p. 95-108). Daarin kan men o.a. lezen dat Noord-Duitse kooplieden tot in het begin van de 19e eeuw het Nederlands gebruikten als lingua franca. Heel lang bestond er ook een vruchtbare uitwisseling tussen Duitse en Nederlandse theologen, kunstenaars, dichters en wetenschappers.

De auteur bespreekt dan in welke gebieden in Duitsland het Nederlands een functie had als cultuurtaal of slechts gebruikt werd in een enkel domein, meestal de kerk. Een en ander wordt verduidelijkt met kaarten onder andere van de verspreiding van het Nederlands in Duitsland. Hij onderscheidt daarbij vier soorten Nederlands: het Rand-, Grens-, Koloniaal- en Exil-nederlands en gaat daar in verschillende hoofdstukjes verder op in.

In een laatste hoofdstuk behandelt hij wat er is overgebleven van het Nederlands in de (Neder-)Duitse dialecten. Die restanten zijn vooral te vinden in de Oost-Nederduitse dialecten en dat heeft alles te maken met het feit dat Hollanders, Brabanders, Vlamingen en Maas- en Rijnlanders een groot aandeel hadden in de kolonisatie van de Duitse gebieden, de streek die nu als ‘Der Fläming’ bekend staat. En de auteur besluit: “dat de Lage Landen niet alleen met hun immigranten tot de ontwikkeling van de Duitse cultuur hebben bijgedragen, maar ook met de Nederlandse taal in zijn verschillende vormen het Duitse dialectlandschap mee bepaald hebben.”(p. 108).

Zoals steeds sluit de rubriek Kroniek en boekbesprekingen het jaarboek af. Dit keer worden hierin enkele boekbesprekingen opgenomen. In dit hoofdstuk wordt de bespreking overgenomen die eerder in ons tijdschrift gewijd werd aan het boek Vlaamse migranten in Wallonië (p. 198-202). Vooral jaarboeken worden in deze aflevering besproken. Wat zeker ook mag vermeld worden is de bespreking van het fijne werkje van Wido Bourel, Hier en aan de overkant, dat in alfabetische volgorde handelt over merkwaardige landschappen, gebeurtenissen en mensen uit de Nederlanden. Een aanrader.

Verzorgde illustraties en een lijst van medewerkers vervolledigen het eens te meer lezenswaardige jaarboek. Warm aanbevolen.

------------------

N.a.v. Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ deel 34, leper, Zannekin, 2012, 208 p., II., ISBN 978-90-713263-18.


De zuidelijkste Nederlanden: Frans-Vlaanderen


Drs. Wim Spapens

Noordwest-Frankrijk, Frans-Vlaanderen, vormde in de tijd van Karel V, als deel van het graafschap Vlaanderen, de zuidelijkste Nederlanden. Nog steeds wordt onze taal daar, met name in de ‘Westhoek’, gekoesterd, nog steeds is het voor velen de vraag of onze vroegmiddeleeuwse geschiedenis (Bonifatius, Willibrordus, Nijmegen e.d.) zich daar heeft afgespeeld. Dat laatste is ook de vraag die veel SEMafoor-lezers1 boeit. Het onderstaande is bedoeld om aan te geven dat deze streek, die toen zo’n belangrijke rol speelde, ook nu nog belangwekkend is.

Frans-Vlaanderen, gevormd door de regio Nord/Pas-de-Calais en een stukje van het departement Somme, bleef na de Vrede van Munster, die in 1648 onze Tachtigjarige Oorlog met Spanje besloot, behoren tot het door Spanje geregeerde Vlaanderen. Een noordelijk stuk van dat Spaans-Vlaanderen, ons Zeeuws-Vlaanderen, werd in datzelfde jaar ingepikt door de ‘Noordelijke Nederlanden’, die door de sluiting van de Schelde de handel van Antwerpen wilden dwarsbomen.

Als gevolg van de door Lodewijk XIV gevoerde oorlogen werd noordwest-Frankrijk in etappes door Frankrijk geannexeerd en verschoof de taalgrens van het Vlaams steeds verder noordwaarts.

Vanaf het Verdrag der Pyreneeën (1659) tot de Vrede van Utrecht (1713) voegde Frankrijk met oorlogsgeweld tientallen Vlaamse steden toe aan zijn grondgebied. Door zijn huwelijk met Marie-Thérèse, dochter van de Spaanse koning Philips IV, meende de Zonnekoning, na de dood van zijn schoonvader in 1665, rechten te kunnen laten gelden op de Spaanse gebieden ten noorden van Frankrijk. De eerste daarvoor gevoerde oorlog, werd besloten met de Vrede van Aken (1668) en leverde elf steden op, waaronder Rijsel. Holland, bang voor het oprukkende Frankrijk, had een belangrijke rol gespeeld in de vredesbesprekingen en de Zonnekoning wilde dat het volk van kooplui en vissers betaald zetten. Dat betekende oorlog met Holland (1672-1678). Johan de Witt pleitte voor versterking van leger en vestingen maar de Staten-Generaal hadden ten onrechte meer vertrouwen in de bondgenoten Engeland en Zweden en Johan de Witt werd geslachtofferd. In het rampjaar 1672 viel Lodewijk XIV Holland, land van ‘canaux, canards, canaille’, tegenwoordig ‘canaux, canards, cannabis’, binnen; Holland was radeloos, redeloos, reddeloos, maar stadhouder Willem III, geholpen door Spanje en de Duitse keizer, dwong Frankrijk de Republiek te verlaten. De Vrede van Nijmegen (1678) betekende niettemin een succes voor de Zonnekoning: Spanje moest twaalf vestingsteden aan Frankrijk afstaan. Nadat Philips V van Spanje, tweede kleinzoon van Lodewijk XIV, zijn grootvader carte blanche had gegeven in de Spaanse Nederlanden, voelde stadhouder/koning Willem III, zich opnieuw bedreigd door de expansiedrift van de Franse koning. Hij vond in Engeland een bondgenoot en in 1706 werden de Fransen verslagen. Bij de Vrede van Utrecht (1713) kwamen negen Vlaamse steden definitief bij Frankrijk, onder andere Atrecht en Kamerijk.

Na de vrede van Utrecht waren in feite alle belangrijke steden in deze regio Frans. In Rijsel en Atrecht/Arras kwam er openlijk verzet tegen de Franse overheersers. Veel inwoners van deze streek beschouwen zich nog steeds een beetje als wonend in een bezet gebied en deze onofficiële minderheid verzet zich dan ook tegen de taalpolitiek van de Franse regering, die het Frans als officiële voertaal aan het hele land oplegt. Eerst was het onderwijs nog helemaal in handen van de Vlaamse kerkelijke overheid; in 1795 werd eentalig Frans onderwijs verplicht; in 1833 werd het onderwijs van het Nederlands verboden; sinds 2006 wordt onderwijs in streektalen weer gesteund. De ‘Akademie voor Nuuze Vlaemsche Taele’ spant zich in om het onderwijs in het Vlaams te bevorderen. Een eerste succes is behaald doordat het Franse Ministerie van Onderwijs bekend heeft gemaakt dat er een 5-jarig experiment komt in een vijftal lagere en middelbare scholen. Niettemin gaat het revolutionaire (1789) streven naar ‘gelijkheid’ verder: iedereen moet Frans spreken en streektalen moeten dus op hun hoede zijn. Het tijdschrift Zannekin (2012-1) toont dat aan in het artikel L’épuration linguistique continue/De taalkundige zuivering gaat verder: Vlaamse straatnamen worden in het Frans vertaald en dat leidt soms tot komische situaties: de Veenstraete in Rubrouck werd Rue de Vénus, de Broekstraete (broek = moeras!) in Nieurlet heet voortaan Chemin des Culottes. Ook aardrijkskundige namen overkomt hetzelfde lot: de Renebeke tussen Broxele en Volckerinckhove werd eerst Becque de la Reine en in het Vlaams daarna terugvertaald als Conninginne Becque (met twee n’s). Rene in de betekenis van stroom, rivier, Rijn is verward met het Franse woord reine, koningin. De meeste Frans-Vlamingen zijn toch loyale staatsburgers zodat de Vlaemsche Federalistische Party in 1984 niet van de grond kwam.

Dat het om een oorspronkelijk Vlaamssprekend gebied gaat, blijkt uit honderden namen zoals Brouckerque (moeraskerk), Buysscheure, Capelle-brouck, Coudekerque, Dennebroucq, Dunkerque, Ghyvelde, Haverskerque, Hazebrouck, Hondschoote, Houtkerque, Noordpeene, Zuydpeene, Oudezeele, Steenbeecke, Steenvoorde, Steenwerck, Volckerinckhove, West-Cappel, Wissant = Wit Zand, enz.

Zoals taalgrenskaarten laten zien is het gebied waar in de middeleeuwen  Vlaams gesproken werd met name na de Franse Revolutie veel kleiner geworden en geconcentreerd in de Westhoek:

“De Franschn Westoek es de streke die begunt round Duunkerke en langs e wyde boge round Oazebroeke in oostelikke richtienge deurelopt tout an de schreve. (…) D’inweuners zyn bewuste Vloamingen en ze noemn under geirne Vloamienk.”

“’t Vlams in Vrankryk èt gin één wettelikke stoatus bekommn van de Fransche regerienge. Wel èt in 2006 et Fransche ministerie van ounderwys gedecideerd vo ’t ounderwys van de lokale Vlamsche toale te steunn. Binn da koader start er in september 2007 in Rysel en experiment van drie jaor ounderwys van de Vlamsche toale. D’rachter goat de Fransche overeid dat evalueern vo toun e definitieve beslissienge te keunn pakkn.”

 

Noordwest-Frankrijk is verfranst maar de liefde voor het Nederlands blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat er nog steeds in die taal gedicht en toneelgespeeld wordt. Ik heb contact gehad met twee dichters uit deze streek: Jean-Noël Ternynck en Edmonde Vanhille. Edmonde schreef onderstaand gedicht:

Vlaamsche klaagliedtje

Waer is ze egaen, me moedertale?

Is ’t der etwien diet wilt mit myn klappen,...

Van overtyd of van vandage,

Mit de zo zoete woorden van me Vlaams!

Waer is ze egaen...(ter)

‘K hen epeinzd “gaet maer byt je broers!”

Z’hen myn ezeid: ”Zyt je niet een bytje zot!

’N tyd is verbij en ’t en is de moeite

Niet ,’t is te laete, nuus Vlaams is dood!”

Waer is ze egaen...etc...

‘K hen epeinzd: ”Gaet maer byt de menschen

Dien assan schreeuwen: ’T was wel overtyd!!”

‘Z hen styf elachen al zeggen:”Me wenschen

Dat je vele tyd het te verliezen!”

Waer is ze egaen...

‘K hen epeinzd: ”Gaet maer byt de Vlamingen!”

Eenigte hen myn vremdelik bekeken...

Z’hen ezeid: ”Je bluuft gylik een kind

Diet niet en wilt nuus schoon Vlaams2 spreken!

Waer is ze egaen...

Z’ hen al me woorden diepe in d’erde

Bedolven... Een dichter gaet ze kunnen vinden...

Want vliengende stormen gaen de wereld

Bewerken... En ’t Vlaams gaet nog kunnen zingen!!

Waer is ze egaen...

“Tot an den Twiddn Wereldôorloge klappnde ze courant West-Vlams in Frans-Vloandern. Sinsdien es ’t styf achteruut gegoane. Ollene nog oudere menschen up de buutn kenn et nog. Volgens en ounderzoek deur de EU zyn d’r nog à peu près 20.000 doagelikse sprekers en round de 40.000 occa-sionele sprekers. De jounge Frans-Vloamiengn spreekn et “Vlams over de schreve” elegansn nie  mè.”3

Noordwest-Frankrijk, een van de vroegst bewoonde (abbevillien!), streken van Europa is door de eeuwen heen een slagveld geweest en dat niet alleen in de tijd van de Zonnekoning. Caesar sloeg hier in De Bello Gallico reeds zijn kamp op. Van hieruit stak hij bij Wissant over naar Engeland. Het Kanaal is op deze plaats namelijk het smalst. Wereldoorlog I en II leven hier voort in de militaire kerkhoven aan de Somme en in boeken als Godenslaap van Edwin Mortier (2008) en Weekend à Zuydcoote van Robert Merle (1964). Dat het nog steeds een strijdtoneel is, maar dan voor hedendaagse historici, is lezers van SEMafoor bekend: als je de kaart van deze regio bekijkt, wordt je aandacht al snel getrokken door plaats- en streeknamen die ook in andere landen en met name Nederland voorkomen, c.q. voorkwamen: Aken, Almere, Betuwe, Keulen, Dokkum, (Wijk bij) Duurstede, Fresia, Leeuwarden2, ,Middelburg, Nijmegen/Noyon, Blerick, Traiectum, Walcheren, Westkapelle; het Beieren van onze Jacoba moet je ook hier zoeken: Bavaria/Bavière is de streek van Bavay in de buurt van Cambrai. Lees er Jacoba, dochter van Holland van Simone van der Vlugt maar eens op na! De strijd om het historische gelijk duurt nog voort. In De Mythe (2010) en Bonifatius of de schone schijn van Dokkum (2011) toont dr. M. Boidin aan dat het logischer is de geschiedenis van Bonifatius, Willibrordus en Karel de Grote in Frans-Vlaanderen te situeren dan in het Nederlandse Dokkum, Utrecht en Nijmegen.

Professor Marco Mostert vertelt In de marge van de beschaving (0-1100) uit 2009 toch nog het traditionele verhaal zoals wij dat vroeger geleerd hebben. Mostert zegt in zijn inleiding dat hij geen archeoloog is: “in dit boek is een historicus aan het woord, die voor het schrijven van het verhaal vooral afgaat op de geschreven bronnen. Een andere geschiedenis van Nederland in het eerste millennium, waarbij de materiële resten als belangrijkste bronnen worden gezien, zou ook te schrijven zijn.” Waarom heeft hij dat dan niet gedaan? Een gemiste kans! Dat betekent dat volgens hem Willibrordus in Utrecht zetelde, Bonifatius in Dokkum is vermoord en Nijmegen de keizer Karel-stad blijft.

_______________

1 SEMafoor-lezers: SEMafoor is het kwartaalblad van SEM (Studiekring Eerste Millennium); zie ook www.semafoor.net. Deze bijdrage werd eerst aangeboden aan SEMafoor; daar ze evenwel niet direct verband houdt met het eerste millennium van onze geschiedenis, werd ze met instemming van de auteur verder geleid naar de Zannekin-Nieuwsbrief.

2 (Oud Vlaams) dat sinds de 17e eeuw – bijna - niet veranderd is.

3 Zie Google: Frans-Vlams.

4 Verband Lewarde-Leeuwarden wordt betwijfeld en verdedigd in SEMafoor augustus 2006.


SEM-Symposium-2012

3 november 2012 te Bavel bij Breda

Op verzoek van het SEM-bestuur delen wij hieronder graag het dagprogramma mee van het SEM-symposium 2012. SEM staat voor ‘Studiekring Eerste Millennium’ en publiceert het kwartaalblad ‘SEMafoor’.

De redactie

FRANKEN EN SAKSEN IN HET EERSTE MILLENNIUM

Opening - Mededelingen

10.30-10.40

Dagvoorzitter

De laat-Romeinse tijd in het rivierengebied en Zuid-Nederland

10.40-11.30

Drs. Stijn Heeren

(archeoloog)

De kustverdediging: een verdediging tégen en mèt Saksen

11.45-12.30

Dr. Wouter Dhaeze

(archeoloog)

Pauze

12.30- 13.30

 

Zutphen als machtscentrum: grensgebied Franken en Saksen?

13.30-14.15

Dr. Michel Groot-hedde (archeoloog)

Sprekershoek

14.15-14.30

XXX

Theofanu: Noviomagus- Nijmegen of Noviomagus-Noyon?

14.30-15.15

Rudolph Janssen

(theoloog)

Pauze

15.15-15.30

 

Discussie

15.30 -16.15

o.l.v. dagvoorzitter

Afronding en sluiting

16.15

Dagvoorzitter

Nagesprek

tot 17.00

 

Na het symposium is er gelegenheid om deel te nemen aan een buffet (tot 19.00 uur); deelname moet vooraf gemeld worden

Locatie: Zalencomplex De Tussenpauz, Kerkstraat 10 4854 CE Bavel (bij Breda).

Boekenmarkt tijdens het symposium

Kosten: 25 euro per persoon, inclusief, koffie, thee, lunch en snack.

             20 euro buffet na afloop: deelname duidelijk vooraf vermelden.

             Contant te voldoen aan de zaal. Gratis parkeren.

Inschrijving: e-mail: info@semafoor.net of schriftelijk: secretariaat SEM, Hof 6, NL. 4854 AZ Bavel.

De studiekring (met deelnemers in Nederland, België, Duitsland en Frankrijk) beoogt met zijn werk hernieuwd onderzoek naar de geschiedenis van het eerste millennium van het gebied tussen de rivieren Somme en Elbe in de periode 100 v. Chr. tot 1200 n. Chr.

De afgelopen jaren heeft SEM (Studiekring Eerste Millennium) 12 symposia, 48 tijdschriftafleveringen, 3 boeken en een druk bezochte website gerealiseerd. De (succesvolle) boeken zijn uitgegeven door uitgeverij Papieren Tijger in Breda:

-                     Willibrord en Bonifatius (2004) -   De Peutinger-kaart en de Lage Landen (2007)        - Zee, wind, veen en land (2009)

Vanaf 2013 volgen nieuwe boeken, de website wordt in 2012 gemoderniseerd (met een doorzoekbaar archief van alle gepubliceerde artikelen), SEMafoor blijft per kwartaal verschijnen en elk jaar is er een symposium met een boekenmarkt. Voor meer info: info@semafoor.net


Heel-Nederlandse Beeldengroep te Antwerpen


Sedert vrijdag 6 juli jl. is Antwerpen een zinvol monument rijker. Toen immers werd de beeldengroep onthuld van Willem van Oranje en Marnix van Sint-Aldegonde. Er waren zeker wel 200 aanwezigen, met tal van prominenten: de burgemeester, de Consul-generaal van Nederland, de Ambassadeur, de voorzitter van de Stichting Oranje, enkele Commissarissen van de Koningin, enz… enz… Opvallend: meer Nederlandse prominenten dan Belgische, al was er wel Chris Peeters, de Vlaamse minister-president bij. Verder het trommelaarskorps van de stad, enz…De beeldengroep oogt héél mooi, vooral de 17 zuilen, een voor elke provincie van de Nederlanden, met hun historische tekst, hebben een grote symbolische waarde. Schepen Philip Heylen, van wie het hele initiatief uitging, verdient alle lof. Dat Chris Peeters voor “eigen winkel” ging spreken en het steeds had over de samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen – en de Heel-Nederlandse context helemaal uit het oog verloor - was natuurlijk te verwachten. Al bij al bezit de Hanzestad voortaan een uniek monument te meer.


Het nieuwe monument staat in de achtertuin van het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten. De kunstenaar die instond voor de realisatie ervan is de recent overleden Mechelse beeldhouwer Jean-Paul Laenen.


Vanaf de zijlijn


Marten Heida

Op 19 augustus 1627 sloot Frederik Hendrik de tuin der Nederlanden

Voor Groenlo is de 19e augustus een gedenkwaardige datum. Op die dag in 1627 slaagde stadhouder Frederik Hendrik erin deze Achterhoekse stad te veroveren. Daarmee sloot hij – zoals eigentijdse schrijvers het vaststelden – de tuin (= de omheining naar de oorspronkelijke betekenis) van de Zeven Verenigde Nederlanden.

Maar tegelijkertijd betekende deze verovering dat de poort naar het oosten werd geopend. Dat werd het gezelschap duidelijk gemaakt dat op zaterdag 2 juni jl. in de Oude Calixtuskerk te Groenlo was samengekomen ter gelegenheid van de grensoverschrijdende heemkundedag. De hierboven vermelde historische gebeurtenis deed dienst als een soort van kapstok waaraan het thema ‘Cultureel erfgoed en toerisme’ werd opgehangen.

Na de gebruikelijke woorden van welkom, uitgesproken door de vertegenwoordigers van de organiserende culturele “overheden”, volgde een drietal lezingen waarin werd uiteengezet op welke wijze mens en cultuur met elkaar verbonden kunnen worden. En dat dan toegespitst op het omgaan met het regionale culturele erfgoed. In dit verband werd de belangrijkheid van cultuur omschreven als een “verzameling levensmiddelen” waarmee gezegd wilde zijn dat cultuur het hele leven bestrijkt.

In dit kader werd de vraag aan de orde gesteld op welke wijze historische en heemkundige verenigingen het cultureel erfgoed kunnen beschermen en hoe dat zinvol gepresenteerd kan worden. Met deze vraagstelling kwam de cultuurbezoeker in beeld die in het raam van vrijetijdsbesteding kennis wil maken met het erfgoed dat aan het verleden doet herinneren.

Van groot belang is het dan ook dat de toerist in de gelegenheid wordt gesteld dat verleden te kunnen beleven. In Groenlo heeft men ernaar gestreefd de historische gebeurtenis van augustus 1627 zó te visualiseren dat de toerist er door geboeid wordt.

Na de theoretische onderbouwing van het ochtendprogramma volgde ’s middags een vorm van praktische uitwerking. En die had betrekking op de presentatie in drie “bedrijven” van de “Slag om Grol”. Voor het eerste kon men in de Oude Calixtuskerk blijven; daar werd in drievoud een multimedia-voorstelling verzorgd van deze slag. In drie tenten konden evenzovele facetten van dit gebeuren in beeld en – niet te vergeten – geluid meebeleefd worden. Voor het tweede kon plaats genomen worden in de “Vestingstadexpres” om zo kennis te maken met de historische plekjes van Groenlo en omgeving. Het derde had betrekking op een rondleiding door het stedelijke museum.

De doelstelling van deze middag was bij wijze van voorbeeld het Grolse – onder de naam Grol stond dit stadje vroeger bekend – culturele erfgoed “op een zodanige wijze te presenteren zodat het opgemerkt wordt en ook door bezoekers aantrekkelijk gevonden wordt”. Die opzet mag voor wat deze grensoverschrijdende heemkundedag betreft als geslaagd beschouwd worden.

Jan Jakob Stein (1898-1942) was in Diksmuide-

 
Deze schoolmeester uit Westerende-Kirchloog, een tweelingdorp in de huidige Oostfriese gemeente Ihlow, was een niet onverdienstelijke kunstschilder. Daarvan getuigen de vele tekeningen en waterverfschilderijen waarin vooral het Oostfriese landschap centraal staat. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 wordt hij opnieuw – hij had al frontervaring opgedaan tijdens de Eerste Wereldoorlog – opgeroepen als soldaat. In 1940 maakt hij deel uit van de troepen die op 10 mei de huidige Beneluxlanden en Frankrijk binnenvallen. Tijdens deze veldtocht komt hij ook langs Diksmuide waar hij op 18 september 1940 een tekening maakt van de IJzertoren.

Het zien van deze toren zal hem ongetwijfeld hebben doen herinneren aan de laatste jaren van de vorige wereldoorlog toen hij als jonge man van 18 jaar opgeroepen werd voor de militaire dienst. Heeft hij toen in West-Vlaanderen zijn eerste frontervaring opgedaan? In elk geval heeft hij het er levend afgebracht. Als ruim 40-jarige is hij opnieuw in het voormalige frontgebied en weer als soldaat. Wat is er bij het zien van deze toren door hem heengegaan? Dat het hem iets gedaan heeft is duidelijk. Anders had hij deze toren als teken van vrede niet getekend. Heeft hij gedacht aan het ogenblik dat deze oorlog voorbij zou zijn en hij weer naar de vertrouwde omgeving terug mocht keren? Dit menselijk verlangen is voor hem geen werkelijkheid geworden gesneuveld als hij is op 6 februari 1942 aan het oostfront. [Bron: Kalender für Ostfriesland 2012]

Marten Heida

 Willem Alexanderpark 53, NL 3905 CB Veenendaal

Het laatste woord

Leo Camerlynck

Het Forum van Vlaamse Vrouwen en de Stichting Zannekin meteren en peteren de Sint-Mulderskapel te Millam, een pareltje over de Schreve

 Het lieflijke Frans-Vlaamse dorpje Millam telt nauwelijks 700 inwoners en is 1236 ha uitgestrekt. Het werd in 1115 als Milham vermeld, hetgeen in het oude Germaans verwijst naar een landtong uitspringend in een overstromingsgebied. Het was een uitsprong van het vasteland in de voormalige Afgolf, een inham van de Noordzee. Met de laatste Duinkerkse transgressie kwam het dorp diep in het vasteland te liggen.

Dit overwegende landbouwdorp in het Broekburgambacht behoorde eertijds tot het bisdom Sint-Omaars. Tot laat in de jaren zeventig van de vorige eeuw sprak een kleine meerderheid nog steeds Vlamsj.

Er is een gehucht in Millam, dat luistert naar de naam “Barrière de France” of “Frãnsje Barrière” in de volksmond. Het is een benaming uit de tijd van Lodewijk de XIVe.

In het dorp pronkt een Vlaamse Laatgotische Slnt-Omaarskerk (15e eeuw en 1607) met een machtige vieringtoren en een fraaie spits. De kerk werd in de 17e eeuw verbouwd met houten gewelven. Er is een 13e-eeuwse gotische kandelaar, een schilderij over het 'Laatste Avondmaal', een renaissancepreekstoel, een offerschaal in gedreven koper (16e eeuw), een schilderij toegeschreven aan Annibale Caracci (1560-1609) voorstellend de Heiige Maagd en haar Kind die de slang pleten, voorts 17e-eeuwse altaren, waarvan één uit de abdij van Sint-Winoksbergen afkomstig is, verder nog prachtige schilderijen waaronder de “Verering van het graf van Sint-Erkembode”, bisschop van Terwaan en abt van Sint-Bertijn, overleden in 742, alsook nog andere schatten.

Maar Millam is vooral bekend omwille van de Sint-Mildredakapel of Sint-Mulderskapel uit 1702. In een schilderachtig dallandschap bevindt zich dit prachtige eenbeukige bedehuis getooid met een toren aan het koor. Twee houten beelden verwijzen naar de heilige, naast beelden van Sint-Katharina en Sint-Agatha. Op zeer fraaie wijze wordt het leven van de Heilige Mildreda afgebeeld in zes documentaire schilderijen uit 1780 van de hand van de Duinkerkenaar Bernard Pieters. Bij elke schilderij horen mooie Nederlandse teksten.

Wie was Mildreda?

Mildreda was een Saksische prinses uit Thanet, een eiland in de monding van de Theems in Kent. Ze was een bloedverwante van koning Ashelred, die bekend staat als de eerste christelijke koning van Engeland. Ze stak het Nauw van Kales over en verbleef in Frankrijk meer bepaald in de abdij van Chelles in de buurt van Meaux ten oosten van Parijs. Volgens bepaalde bronnen zou ze na haar verblijf in de abdij van Chelles naar Millam gekomen zijn dat toen aan een inham van de Noordzee lag. Per schip keerde ze naar Engeland terug nadat ze een kleine kluis in Millam had laten bouwen.

Volgens een andere overlevering zou de prinses door haar vader vervolgd zijn, doch ze kon ontsnappen en vond refugé in Millam. Toen het wat rustiger werd, keerde ze terug naar Engeland, waar ze intrad in een klooster bij Ramsgate, dat kort voordien door haar moeder Ermenberge werd gesticht. In dat klooster verenigde Mildreda zeventig gezellinnen. Omstreeks het jaar 700 stierf de Heilige Mildreda.

Een tijdje kwamen bedevaarders naar de kapel om van moeraskoorts te genezen. Men putte water uit de beek. Ook werd Mildreda aanroepen door aanstaande moeders, bij koorts en bij kinderkwalen. Elk jaar op 13 juli vindt een eredienst en plechtigheid aan de kapel plaats.

In 2010 overleed de heer De Zutter, die in het fraaie Vlaams huisje naast de kapel met vrouw en kinderen woonde. De man sprak vloeiend Vlamsj. Hij verwelkomde mij telkens met de woorden: “Ô’ je noar Sinte-Mulders komt, zy je assan welkom mô je moet my prevenier’n.” Trots opende hij telkens de deur van de kapel en verwijzend naar de schilderijen zei hij iedere keer opnieuw: “Kykt e kè wëkken sjoone tabloos da’ zyn. En vanoender zyn er spreuk’n in ’t Vlamsj. Ek kan Vlamsj klapp’n mô ‘k en kan ’t nie leez’n. Kënje gy da leez’n, tê?”. Ik antwoordde “ja”. Waarop hij repliceerde “Ol de Belzjieksje meins’n kënnen da verstoan. ’t Es wreeë spytig dat ’t Vlamsj te-niete goat in nuuze proches…”. Zijn zoon kent nog ’n mondje Vlamsj.

Maar Sinte-Mulders staat er hopelijk nog voor eeuwen…..

In de zomer van 2013 op een nog nader te bepalen datum wordt het meter- en peterschap in concrete vorm gegoten met allerlei activiteiten. U verneemt hierover later meer.

De Franse president François Hollande is bereid tot het ondertekenen van het Europees Handvest van de Regionale en Minderheidstalen

Tijdens een goed gestoffeerde en opgemerkte toespraak van de heer Geert Bourgeois, viceminister-president en Vlaams minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand, op 8 juli 2012 in het Frans-Vlaamse Bambeke kregen de talrijke aanwezigen onder meer het volgende te horen: “Frankrijk beschouwt het Nederlands nog altijd als een vreemde taal en nog niet als een eigen taal, als een streektaal, als een regionale taal. Maar misschien komt daar eindelijk verandering in.

Net als u, is mij het 56e van de 60 engagementen van kandidaat en intussen president François Hollande niet ontgaan. Een engagement dat luidt: ‘Je ferai ratifier la Charte européenne des langues régionales ou minoritaires.’ Grâce à l’obligeance de M. Alain Walenne, que je remercie cordialement, j’ai vu l’enregistrement vidéo du meeting de M. Hollande du 4 avril à Rennes. Je lui ai entendu dire que la République n’a rien à craindre pour la langue française et que, pour cette raison, il fera ratifier la Charte, afin que les langues régionales puissent être diffusées et enseignées.

De ratificatie van het Europees Handvest voor Regionale en Minderheidstalen zal in elk geval een belangrijke stap zijn voor de opwaardering van het ‘Vlaemsch’ in Frans-Vlaanderen en – zo hoop ik toch – een belangrijke opstap voor het onderwijs en het gebruik van het Nederlands.

Ik denk dat Vlaanderen het op dat ogenblik aan zichzelf verplicht is om daarop in te spelen en, bijvoorbeeld, via de Taalunie het onderwijs van het Nederlands te ondersteunen. Zo zouden we Vlaamse leraars, moedertaalsprekers dus, ter beschikking kunnen stellen en/of Franse leerkrachten Nederlands uitnodigen om zich in Vlaanderen bij te scholen.“

Tot zover het uittreksel uit de toespraak van Geert Bourgeois.

Het is afwachten of er in de realiteit van het Franse politieke leven wel degelijk iets uit de bus zal komen. Maar het is uiteraard verheugend nieuws. En het is verheugend dat minister Geert Bourgeois dit toejuicht.

Een andere realiteit is dat België net als Albanië, Andorra, Bulgarije, Estland, Georgië, Griekenland, Ierland, Letland, Litouwen, Monaco, Portugal, San Marino en Turkije, dit handvest nog niet hebben ondertekend, laat staan geratificeerd. Frankrijk heeft het op 7 mei 1999 wel ondertekend maar nog niet geratificeerd.

Onder druk van alle, ja alle Vlaamse politieke partijen wordt dit tegengehouden met het argument dat dit taalfaciliteiten zou bieden aan de Franstalige in het Nederlandstalige deel van België.

Overeenkomstig de tekst van het Europese handvest komen de Franstaligen in Vlaanderen niet in aanmerking om als regionale of taalminderheid te worden beschouwd. Evenmin als de Arabisch- of Turkssprekenden in heel België.

België behoort op het vlak van de taalregelingen tot de best georganiseerde landen van Europa en van de wereld, ook al denken er bepaalde hardleerse militanten er anders over.

In België zijn het Nederlands, het Frans en het Duits wettelijk beschermd. Enkel het Duits-Luxemburgs in het Arelerland en de dorpen Buchholz (Beho), Deiffelt, Urth en Wattermal en het Limburgs-Ripuarisch in de provincie Luik ten oosten van het Limburgse Voeren komen in aanmerking als regionale minderheidstaal omdat deze (streek)talen historisch respectievelijk tot het Duitse en Nederlandse taalgebied behoren. Wat het Waals betreft en de in België nog weinig gesproken Franse dialecten, zijnde het Picardisch, het Lotharings en het Champenois, blijft het een filologisch debat of het hier eigenlijk om (streek)talen of dialecten handelt.

Vlaanderen staat bekend om zijn gastvrijheid, die het biedt aan Bretoenen/Bretons, Zuid-Tirolers, Basken, Catalanen, Schotten, Friezen en andere etnische minderheden. Is het dan ook niet tegenstrijdig dat het Europees Handvest van de Regionale en Minderheidstalen nog niet is ondertekend en geratificeerd in België?

Leo Camerlynck, voorzitter

"De Zavelberg" - Edouard Michielsstraat 51, B. 1180 Ukkel / Brussel

T. 00 32 485 630 227 E. leo.camerlynck@skynet.be