> nieuwsbrief > 30e jg. - 4e trimester 2012

Bijdragen over: Tip

Zannekin-Ontmoetingsdag

 op 29 september 2012 te Villeneuve d’Ascq

 De Ontmoetingsdag van de Stichting Zannekin heeft dit jaar plaats in Villeneuve d’Ascq nabij Rijsel, meer bepaald in het Musée de Plein Air.

Het Musée de Plein Air of openluchtmuseum, dat in augustus 2008 werd opgericht dankzij de jarenlange inzet van een kranige Frans-Vlaamse dame Monique Teneur-Vandaele, beslaat een oppervlakte van om en bij 15 hectaren, aan de groene rand van de metropool Rijsel, hoofdstad van Frans-Vlaanderen. Het biedt een getrouwe weerspiegeling van het landelijke leven in de Franse Nederlanden en het draagt bij tot de bescherming van een uniek Vlaams erfgoed.

In een fraai landelijk decor kan men een 20-tal gebouwen bewonderen uit Frans-Vlaamse plattelandsdorpen zoals Millam, Nortkerque, Frethun, Killem-Linde en andere plaatsen. Deze werden gered van de sloop en herrezen als getuigen van onze landelijke beschaving van de 17e, 18e en 19e eeuw. Een smidse, een bakkerswoning, lemen huisjes met rieten daken, een duiventil, kapelletjes, houten gebouwtjes te midden van tuintjes, boomgaarden en weiden met heggen zijn er te betreden. Dieren ontbreken evenmin, kippen, ezels, eenden, ganzen, koeien, een Vlaamse reus lopen er rond. Ambachtslieden beoefenen er oude beroepen.

Adres: Musée de Plein Air - 143, rue Colbert - F. 59493 Villeneuve d’Ascq

Programma - zaterdag 29 september 2012

Busreis: 10.15 uur: Halle (Brabant) station – Busrit naar Rijsel – Villeneuve d’Ascq via Mark (Edingen) – Cardinael om 10.30 uur – Doornik, Station om 11.10 uur - Rijsel (Villeneuve d’Ascq) – metrostation Quatre Cantons om 11.25 uur – of op eigen initiatief naar Villeneuve d’Ascq.

In het MUSÉE DE PLEIN AIR

11.45 uur: Verwelkoming

Lezing door Eric Vanneufville uit Steenwerck (Frans-Vlaanderen) over Frans-Vlaanderen, identiteit, taal en cultuur.

Vraaggesprek met Francis Persyn uit Marcq-en-Baroeul (Frans-Vlaanderen) over het onderwijs van het Nederlands en het Vlaemsch en andere onderwerpen

13.00 uur: Vlaams middagmaal: Aperitief - Salade ch’ti - Parelhoen op Vlaame wijze - Perle flamande – Koffie en één consumptie naar keuze.

14.45 uur: geleide rondleiding door het Openluchtmuseum.

16.30 uur: vieruurtje.

17.15 uur: afsluit en terugkeer (busrit) via Quatre Cantons – 17.30 uur: Doornik – 17.50 uur: Mark – 18.35 uur: naar Halle – 18.50 uur.

De deelnamemodaliteiten:

a) 40,00 €uro: entreegeld – rondleidingen – sprekers – middagmaal – vieruurtje, voor wie op eigen houtje naar Villeneuve d’Ascq komt.

b) 55,00 €uro: idem als a) + de becommentarieerde busrit.

Vermeld of u op eigen houtje of met de bus naar Rijsel – Villeneuve d’Ascq komt.

Wie voor a) kiest, komt met eigen vervoer of op eigen houtje.

Wie voor b) kiest, komt met de bus en vermeld waar hij/zij op- en afstapt, hetzij te Halle , Mark, Doornik of het metrostation Quatre Cantons te Rijsel.

Inschrijving en betaling vóór 23 september 2012 op een van de Zannekin-rekeningen (zie p. 1); aanmelden via het secretariaat te Ieper, bij voorkeur via e-post: maurits.cailliau@skynet.be


http://museedepleinair-asso.org/images/stories/slider_img_1.jpg  Beeld van het Openluchtmuseum te Villeneuve d’Ascq

 

La France en relief’


Ruud Bruijns

Van 18 januari tot en met 27 februari liep in het Grand Palais te Parijs de tentoonstelling ‘La France en relief’, een expositie van de zogenaamde ‘plans-relief’. Een reliefplan is een schaalmodel van een vesting(stad) en zijn omgeving. In de 17e eeuw werden er weliswaar al kaarten op schaal gemaakt ten behoeve van de oorlogvoering, maar de tweedimensionale weergave kon het gebrek aan een realistisch perspectief in landschaps-kenmerken en aanzicht niet goedmaken. Vanaf 1668 werd derhalve begon-nen met het bouwen van de zo-genaamde ‘plan-reliëfs’, een schaalmodel waarin in detail alle landschapsplooien en bebouwing werd nagebouwd - een driedimensionale weergave. Hierdoor hadden de generaals een realistisch beeld van de vestingstad en het landschap er om heen.

Wat vanuit ons perspectief interessant is, is natuurlijk de weergave van de grensgebieden van de Nederlanden, ofwel de Franse expansie naar het noor-den. In de tentoonstelling waren daartoe drie plan-reliëfs opgenomen van noordelijke steden, te weten Sint-Omaars, Luxemburg en Bergen-op-Zoom. Sint-Omaars werd bij de Vrede van Nijmegen in 1678 afgestaan aan Frankijk. In het plan-reliëf zijn niet alleen de vroegere vestingwerken van de stad met de schansen en ravelijnen daar omheen duidelijk te zien maar ook de stedelijke bebouwing zelf. Ook alle stadsbebouwing binnen de muren werd uiterst mi-nutieus nagebouwd. Uiteraard was de kathedraal duidelijk te onderscheiden, maar ook de imposante Sint-Bertijnsabdij, die overigens in het echt in 1792 werd afgebroken door de Franse revolutionairen.

Het plan-reliëf van Luxemburg onderscheidt zich van Sint-Omaars door het omliggende heuvellandschap dat in het plan-reliëf goed tot uitdrukking komt. Eigenlijk viel het op hoe weinig het aanzicht van de stad is veranderd in de loop van de eeuwen. Uiteraard zijn er veel moderne gebouwen bijgekomen maar het historische beeld is grotendeels intact gebleven. Hoe anders is dit voor Bergen-op-Zoom, de onneembaar geachte vesting die in 1747 door de Fransen werd ingenomen en daarmee de toenmalige wereld schokte. Na de vestingwet van 1870 werden de vestingwerken volledig ontmanteld, waar-door het plan-reliëf van de eens zo trotse vestingstad die door Menno van Coehoorn was aangelegd de aanblik geeft van een lang vervlogen verleden.

Al bladerend in de literatuur die te koop was bij de tentoonstelling kwam ik op het spoor van een soortgelijke tentoonstelling in het Museum van de Schone Kunsten (Musée des Beaux-Arts) te Rijsel. Hier zijn sinds 1986 de plan-reliëfs van de meest toonaangevende vestingsteden in het Frans-Belgische grensgebied permanent tentoongesteld in een aparte vleugel van het museum. Wellicht dat we daar met Zannekin een keer een bezoek aan kunnen brengen.

De ‘SILVERIJSER’ - Geschiedenis van Herk-de-Stad


Willy Alenus, Oostende

De toekomstige Eerwaarde Heer Florent Silverijser werd op 21 oktober 1870 geboren te Borgloon. Priester-leraar zijnde werd hij in 1905 tot aalmoezenier benoemd van het Ursulinenklooster in Herk-de-Stad. Daar zou hij sterven op 9 februari 1946. In zijn vrije tijd trachtte hij de geschiedenis van het graafschap Loon uit de doeken te doen.

Verwonderlijk is dat niet als men ermee rekening houdt dat hij een neefje (oomzegger) was van kanunnik Joseph Daris (Borgloon 1821-Borgloon 1905). Een autodidact-historicus met bijzondere interesse voor de voormalige vorstendommen Loon en Luik. Auteur van een geschiedenis van het prinsbisdom Luik in 17 delen.

Florent SilveryserFlorent Silverijser

 

Silverijser publiceerde de leesbaar gemaakte vruchten van zijn research in het Herkse weekblad, Het Nieuws der Week, omdat hij ervan uitging dat de lokale bevolking toch wel belangstelling zou hebben voor het eigen erfgoed.

Wij vinden het de moeite hier een stukje te publiceren van de geschiedenis van Herk-de-Stad door Silverijser, dat bewaard is gebleven. De oorspronkelijke schrijfwijze werd her en der ‘vertaald’ naar het hedendaagse Nederlands. Omwille van de leesbaarheid. Ook zijn inspanning, als geboren en getogen francofoon, om “Vlaamsch” te leren en te schrijven verdient respect.

 

Het Graafschap Loon

 

Vermits de geschiedenis van Herk, een van de oude steden van het graafschap Loon, nergens geschreven staat, zal het misschien voor sommige personen aangenaam wezen enkele van onze opzoekingen aangaande de geschiedenis der stad Herk te lezen. Vanaf de 11e eeuw stond Herk en, om zo te zeggen, de ganse (hele) streek der hedendaagse provincie Limburg, onder het gezag der graven van de stad Loon (Borgloon).

De graven van Loon waren onderhorige leenmannen, afhangende van de leenheren prins-bisschoppen van Luik, die op hun beurt en op zekere wijze ook afhingen van de opperleenheren, keizers van Duitsland. Maar, nadat in ’t jaar 1365, de Luikenaren, onder de leiding van Jan van Rochefort, de baron Arnold van Rummen, die beweerde recht te hebben op het graafschap Loon, overwonnen en zijn kasteel verwoest hadden, ging dit graafschap over tot het prinsbisdom Luik in een tweeling- staatsverband.

Gedurende de drie eeuwen dat de onafhankelijke graven van Loon hun ondergeschikt gezag hier hebben uitgevoerd, droegen zij veel bij tot het welzijn van deze streek. Immers, is het niet Arnold die de abdij van Averbode stichtte. (Het portret van Arnold, stichter van Averbode, hangt aldaar in een der zalen van de abdij.) Waren Lodewijk de Eerste (1145-1171) en zijn gemalin Agnes van Reineck niet de milddadige promotoren van Van Veldeke, de vader der Nederlandse en Nederduitse letteren - waarschijnlijk geboortig van Spalbeek.

Was het niet Gerardus de Eerste (1171-1195) zoon van Lodewijk, die naar het voorbeeld van Arnold, een andere abdij te Herckenrode oprichtte, toen hij op het einde der twaalfde eeuw, een tweede woonplaats in Kuringen bij Hasselt uitkoos, waar hij een rustiger leven kon leiden dan in zijn versterkte stad Loon.

Herk-de-stad in het centrum van West-Europa

Lodewijk de Tweede (1195-1218), zoon van Gerardus, met zijn wapenbroeder Hugo de Pierpont, prins-bisschop van Luik, streed aan het hoofd van een leger waaronder zich dappere Herkenaren bevonden, in de slag van Steppe bij Montenaken, (1213) om onze vrijheid tegen de Brabanders te verdedigen.

Eigenlijk is het te danken aan Arnold de Vierde (1227-1273), echtgenoot van Johanna van Chiny (hun portretten bevinden zich in het stadsmuseum te Hasselt), dat de burgers van Herk verschillende voorrechten te danken hebben. Zo verkregen zij onder andere, in ’t jaar 1241, de verzekering niet willekeurig aangehouden of gevangen genomen te worden. Zij werden onafhankelijk in hun persoon (habeas corpus) en hun goederen; hun woning werd onschendbaar, zodat zij, met alle vrije Luikenaren het spreekwoord van het Luikerland konden herhalen: “ieder meester in zijn eigen huis.”

Evenals de Herkenaren in den slag van Montenaken dapper streden onder de leiding van Lodewijk de Tweede, zo ook vochten zij met heldenmoed in de strijd van Woeringen (1288), onder de leiding van Arnold de Vijfde. Onder het bestuur van de graaf Diederik van Heinsberg, (1336-1361) kleinzoon van Arnold de Vijfde, kreeg Herk, op 7 jaren tijd, het bezoek van een koning van Engeland en van twee keizers van Duitsland, hetgeen waarschijnlijk nimmer meer gebeuren zal!

Inderdaad, in de maand november van het jaar 1338 (één jaar na het begin van de honderdjarige oorlog), ontving de koning van Engeland, Edward de Derde, die zich in het Korenhuis te Herk bevond, de afgezanten van Lodewijk de Vijfde, keizer van Duitsland, die met hem tegen Frankrijk samenspande. In ‘t Korenhuis van Herk waren aldus de bijzonderste herto-gen en graven van de streek aanwezig. Een van hen, namelijk Jan de Derde, hertog van Brabant, stak zijn degen over Edwards hoofd om zijn gezag te erkennen.

Zes jaren later, dus in ’t jaar 1344, tekende de wereldberoemde Jan de Blinde, keizer van Duitsland, twee keuren hier in ’t Korenhuis. (Het Korenhuis is een gebouw dat vroeger, voor 1338 dienst deed als gerechtshof: vandaar nog de naam van ’t Hof dat het nu draagt. Later werd het tot Korenhuis herschapen tot opslagplaats van het koren, van het tiende deel van de graanoogst dat aan de geestelijkheid toekwam. Hedendaags (toentertijd) wordt het bewoond door Franse kloosterzusters.)

In het jaar 1349 ontving Herk het bezoek van een tweede keizer van Duitsland, namelijk van Karel de Vierde die hier de “gouden bulle van Brabant” opstelde. Deze bulle schonk zekere voorrechten aan de Brabanders.

Het moet ons niet verwonderen dat Herk al deze bezoeken kreeg daar onze stad gelegen was op de grote heirbaan of legerbaan, die Antwerpen, Mechelen, Diest, Herk, Hasselt, Maastricht en Keulen verbond. Het is meer dan waarschijnlijk dat deze legerbaan dateert van den tijd der Romeinen; misschien echter dateert zij ook van de twaalfde eeuw toen men grote verbindingswegen aanlegde tussen de Rijn en de Schelde.

Graafschap Loon als “Doppelfürstentum” met Luik

Het was tot bovenvermelde keizer Karel de Vierde dat baron Arnold van Rummen zijn toevlucht nam, toen hij zijn rechten op het graafschap Loon deed gelden tegen de Luikenaren. Deze baron om zijn doel te bereiken nam, op 10 mei 1364, Herk-de-Stad in; maar pas was de stad ingenomen of Jan van Rochefort, bevelhebber van de militie der Luikenaren, verdreef Arnold, ont-hoofdde te Herk twee van de oproermakers en nam 80 man gevangen.

Arnold wilde echter van geen vrede weten; daarom duurde de strijd voort tot 14 oktober 1365, toen, na negen weken belegering, het kasteel van Rummen tot op de bodem gesloopt werd. Bij deze belegering werd voor het eerst in het graafschap Loon en in het Luikerland van donderbussen (kanonnen) of bombarden gebruik gemaakt. Nu nog ziet men een deel der onderaardse muren van het versterkt kasteel van Rummen op de plaats “Warande” genoemd. Eigenlijk, mits de vervulling van zekere voor-waarden, gaf Arnold van Rummen zich over en al zo kwam in ’t jaar 1365 het graafschap Loon alsmede de Stad Herk onder het bestuur der prins-bisschoppen van Luik. (N.v.W.A. - Maar dan wel in hun hoedanigheid van graven van Loon).

Opstanden

Gedurende de belegering van het kasteel van Rummen, is Jan van Arckel, prins-bisschop van Luik, op verzoek van Wenceslas, hertog van Brabant, naar Herk gekomen om de vrede te bewerken en Arnold van Rummen te doen afzien van zijn aanspraak op de kroon van het graafschap Loon. Maar Arnold wilde van geen vrede weten, zodat na negen weken belegering het kasteel van Rummen tot op de grond gesloopt werd.

Tot 1365 behoorde de stad Herk toe aan het graafschap Loon, maar nu komt zij tot aan de Franse omwenteling onder het bestuur van de prins-bisschoppen van Luik. Dee kerk van Herk daarentegen hoorde toe, vanaf het begin van de Franse bezetting (1796- 1815), toe aan het kapittel van Onze Lieve Vrouwkerk van Maastricht en zo komt het dat, tot aan de Franse tijd, het kapittel van Maastricht en niet de prins-bisschop van Luik, de pastoors van Herk benoemde. Het oudste stuk, waarin er melding gemaakt wordt van de kerk van Herk, dateert van de 3e januari 1157, waarbij Paus Adrianus de Vierde alle bezittingen van het kapittel van O.L.V. van Maastricht erkent.

Toen men in het jaar 1395, ten gevolge van een twist die losbrak tussen Jan van Beieren, prins-bisschop van Luik en zijn volk, op het punt stond ten strijde te trekken, werden hier in Herk en elders vredesonderhandelingen beraamd.

In het jaar 1401 was een geschil ontstaan tussen Neerpelt enerzijds en Achel en St-Huibrechts-Lille anderzijds, ter zake de afpalingen van heidevlakten die zich tussen deze gemeenten uitstrekten. Neerpelt hoorde toe aan het prins-bisdom Luik. Achel en St-Huibrecht-Lille daarentegen maakten deel uit van de vrij-heerlijkheid Grevenbroek. Afgezanten van Jan Beieren bepaalden letterlijk een grenslijn, doch Robrecht van Arckel, heer van Grevenbroek, deed de grenspalen uittrekken en in het neerhof van den landrechter (drossaard) van Neerpelt werpen.

Jan van Beieren ontstak in een blinde woede en riep de burgers van Herk en van enkele andere steden onder de wapens. Dit leger waaronder Herkenaren, legde Achel en St-Huibrechts-Lille in de as en belegerde vervolgens de forten van Hamont en Grevenbroek, die zich overgaven.

Acht jaren later, in 1409 gebeurde er hier in Herk een ander merkwaardig feit. De rechthaters (haidroits) waren oproerlingen die hun vorst al dikwijls bevochten hadden. In het jaar 1409 gebeurde hetzelfde. Om de krachten van de prins te verdelen en ze aldus te verzwakken, vielen de haidroits het prinsbisdom, van twee kanten tegelijk aan: te Herk en te Hoei. Herk werd den 20 september 1409, ingevolge de overmacht van de aanvallers ingenomen, maar ‘s anderendaags, de 1e oktober, weer verlost door Godenoel van Elderen, die zich aan het hoofd bevond van de gewapende burgers van de steden van het prinsbisdom.

Hij nam 91 oproerlingen gevangen: 72 van hen werden gepijnigd en geradbraakt, of aan de galg opgeknoopt, hier in Herk; 18 van hen werden naar Luik gevoerd en ook daar tot de doodstraf veroordeeld. Jan van Spa, hun aanvoerder die op 30 september Herk ingenomen had, werd ook naar Luik gevoerd en aldaar op 5 oktober, op de Place Saint-Lambert gevierendeeld. Vier van de medeplichtigen van Jan van Spa werden gedwongen zijn stoffelijk overschot buiten de stad te dragen, waarna ook zij onthoofd werden.

Hier willen wij van een eigenaardig gebruik gewag maken. De abdij Orienten, tussen Rummen en Binderveld gelegen, was verplicht het hout te leveren voor de galg van Herk, de abdij van Herckenrode was belast een kar ter beschikking te stellen, om de ter dood veroordeelden tot op de strafplaats, tot aan de galg te brengen.

____________

P.S. Florent Silverijser was van mening dat het “Hof” de afkorting van “gerechtshof” zou kunnen zijn. Maar onder het Ancien Régime behoorde de rechtspraak in eerste instantie toe aan de “schepenbank”, die ook uitvoerende macht had. De scheiding der machten, in theorie, dateert van de tweede helft van de 18e eeuw.

De digitale Winkler Prins leert ons het volgende: “In de middeleeuwen duidde men met het begrip “hof” (ook wel villa of curtis genoemd) het bezit van één heer aan. Een verdere ontwikkeling van het begrip is die van residentie van de vorst (…), voorts van de personen die hem omringden (zie hofhouding) en ten slotte van de vorstelijke raad (curia regis), in het bijzonder het met rechtspraak belaste deel daarvan”.

In Herk-de-Stad heette de resident-afgevaardigde van de graaf van Loon, c.q. van de prins-bisschop van Luik, coactor of receptor (RAH, Herk-de-Stad, schepenbank, akten, reg. 92, ult f°).

 voortgezet)

Overkwartier van Gelre


Het oude hertogdom Gelre bestond uit vier kwartieren; het kwartier van Arnhem, het kwartier van Nijmegen, het kwartier van Zutphen en het kwartier van Roermond of Overkwartier. De bakermat van het graafschap Gelre (pas in 1339 werd het een hertogdom) bevond zich in en rond de Duitse plaats Wassenberg, waar de graaf van Gelre zijn bezittingen had. De Duitse plaats Geldern is pas in een later stadium naamgever voor het graafschap Gelre. Een verklaring voor de naam Gelre biedt de legende dat twee edelen in staat zijn gebleken om een draak te verslaan. Deze draak terroriseerde de omgeving van Geldern regelmatig onder het slaken van de kreet ‘Gelre! Gelre!’. Waarschijnlijk dat deze mythe berust op een moge-lijke gebeurtenis in de 9e eeuw. Een troep Noormannen kwam in hun kenmerkende schepen de Maas en de Niers opvaren om de omgeving te plunderen. In een gevecht zijn de Noormannen (door de voogden van Gelre?) uiteindelijk verslagen en verjaagd.

Het wapen van de hertogen van GelreDe geschiedenis wordt wat concreter in de 11e eeuw, als de hoeveelheid overgeleverde oorkonden en andere geschreven stukken langzaam begint toe te nemen. In 1096 noemt de graaf van Gelre zich voor het eerst ook inderdaad graaf van Gelre. Een tijd van expansie volgt. In 1279 bijvoorbeeld weet de graaf van Gelre het graaf-schap Kessel aan zich te binden. Dit graafschap wordt onderdeel van het Overkwartier. Het Overkwartier bereikt zijn grootste omvang in de 15e eeuw, met als meest zuidelijke plaats Nieuwstadt en met Mook als de meest noordelijk gelegen plaats. Het Overkwartier be-vatte de steden Roermond, Venlo, Geldern, Nieuwstadt, Montfort, Echt, Goch, Straelen, Wachtendonk en Erkelenz. Het Overkwartier bestond uit een aantal ambten (de ambten Middelaar, Goch, Kessel, Geldern, Straelen, Wachtendonck, Kriekenbeek, Erkelenz en Montfort) met aan het hoofd een door de hertog aangestelde drost en een aantal heerlijkheden met een (leenrechterlijke) verhouding tussen plaatselijke heer en de hertog (onder andere Arcen, Horst, Grubbenvorst, Geijsteren, Twisteden en Walbeck). De drosten legden rekenschap af aan de Gelderse rekenkamer te Arnhem. Het Hof van Gelre met daarin raadslieden voor de hertog had zijn standplaats in Arnhem. In de Staten van het Overkwartier hadden de adel en de steden zitting en vertegenwoordigden hun standen bij de hertog tijdens de Gelderse landdagen in Arnhem. De Staten hielden zitting in Roermond.

In 1473 werd Gelre door de Bourgondische hertog Karel de Stoute met steun van het hertogdom Kleef bezet. Kleef ontving voor bewezen diensten enige Gelderse gebieden waaronder het ambt Goch en Mook.

Het hertogdom Gelre heeft van alle zeventien gewesten der Nederlanden het langst tegenstand geboden aan de Habsburgse expansiedrift. Vooral hertog Karel van Egmond en zijn strijdheer Maarten van Rossem zijn lang succes-vol geweest in hun verzet tegen Karel V. In 1543 moest hertog Willem van Gulik-Kleef-Berg en Gelre-Zutphen toch zijn meerdere erkennen in keizer Karel V. De hertog capituleerde en deed afstand van het hertogdom Gelre en Zutphen. In het bekende verdrag van Venlo werden de rechten en plichten van Karel V als nieuwe hertog en van zijn nieuwe onderdanen vast-gelegd.

Hoewel grote veldslagen er niet hebben plaats gevonden, was het Overkwartier gedurende de Tachtigjarige oorlog voortdurend strijdtoneel tussen Staatse en Spaanse troepen. Troepenbewegingen langs de Maas vonden regelmatig plaats. Venlo, Roermond en Geldern werden regelmatig belegerd terwijl het platteland door zowel Staatse als Spaanse troepen werd gebrandschat en geplunderd. Rond het jaar 1580 vond de definitieve scheiding plaats tussen het Overkwartier en de overige drie kwartieren. Het Overkwartier bleef onder Spaanse controle vanuit Brussel terwijl de andere kwartieren in het kamp van de noordelijke Nederlanden terechtkwamen. Het Overkwartier kreeg zijn eigen Hof van Gelre en Rekenkamer in de stad Roermond. In de periode 1632 – 1637 vond nog een klein intermezzo plaats toen Staatse troepen Venlo en Roermond bezetten. De bezetter maakte zich echter niet geliefd met zijn rigoureus anti-rooms beleid en wist zodoende de bevolking niet voor zich te winnen. In 1648 met de Vrede van Münster vinden nog wat halfslachtige pogingen plaats om de vier Gelderse kwartieren weer te verenigen, echter zonder succes. Het Over-kwartier blijft buiten de Verenigde Republiek onder Spaanse controle.

In 1700 overlijdt de Spaanse koning Karel II zonder duidelijke opvolger na te laten. De discussie omtrent de erfopvolging ontaardde in de Spaanse Successieoorlog van 1702 tot 1713. Het Overkwartier werd deels bezet door Staatse en Engelse troepen en deels door Pruisische troepen. Bij de Vrede van Utrecht in 1713 werd het Overkwartier verdeeld onder de Verenigde Republiek, Oostenrijk en Pruisen. Het verdrag van Venlo, opgesteld in 1543, blijft echter grotendeels van kracht. Elk afzonderlijk deel krijgt zijn Hof van Gelre, de godsdienst blijft Rooms, de adel en steden blijken een krachtig blok tegen de nieuwe overheersers. Het uit 1620 stammende Gelderse Land- en Stadsrecht blijft onverkort van kracht als wetboek voor het verdeelde Overkwartier.

 

 

Deze situatie bleef gehandhaafd tot 1794 toen de Franse revolutionaire legers de zuidelijke Nederlanden bezetten. Oude territoriale grenzen verdwijnen en nieuwe ontstaan. Een deel van het oude Overkwartier wordt ondergebracht in het ‘Departement de la Meuse Inferieure’, het andere deel in het ‘Departement de la Roer’. In respectievelijk 1795 en 1798 worden beide departementen ingelijfd bij Frankrijk. Kort nadien worden de Franse wetten rechtsgeldig, de burgerlijke stand en ook de gevreesde conscriptie (militaire dienstplicht) worden ingevoerd.

In 1814 worden de Fransen weer verdreven door Pruisische en Russische strijdkrachten. Tijdens het Congres van Wenen in 1815 wordt bepaald dat het ‘Departement de la Meuse Inferieure’ en een deel van het ‘Departement de la Roer’ deel gaan uitmaken van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. Het oostelijk gedeelte van het Pruisisch Overkwartier gaat definitief naar Pruisen, het westelijk deel samen met het vroegere Oostenrijks en Staats Overkwartier worden ingedeeld bij de nieuwe provincie Limburg. De nieuwbakken Limburgers voelen zich echter meer verwant met hun Duitse buren of met de zuidelijke Nederlanden dan met de vroegere Verenigde Republiek. Bij het uitbreken van de Belgische revolutie in 1830 kiest het merendeel dan ook de zijde van de opstandelingen. Het Nederlandse deel van het Overkwartier komt vervolgens onder Belgisch bestuur tot 1839. In dat jaar wordt de provincie Limburg gesplitst in een Nederlands en een Belgisch deel. Het Overkwartier maakt voortaan deel uit van het Nederlandse deel van Limburg. Dit Nederlandse deel werd overigens niet zomaar een provincie. Het werd het nieuwe hertogdom Limburg en ging bovendien deel uitmaken van de Duitse Bond. Dit lidmaatschap bracht de verplichting met zich mee dat in een gegeven situatie het hertogdom verplicht kon worden om militairen te leveren. In 1866 stapte het hertogdom uit de Duitse Bond en verliest bovendien de status van hertogdom (de titel bleef echter nog door het provinciaal bestuur gehandhaafd tot 1906). Het merendeel van het oude Overkwartier maakt vanaf dan deel uit van de provincie Limburg zoals deze nu nog bestaat, terwijl het oostelijke Overkwartier nu onder-gebracht is in de Kreis Kleve en de Kreis Viersen, van het Regierungsbezirk Düsseldorf in Nordrhein-Westfalen.

___________________

Bron: http://www.overkwartiervangelre.nl/main_frame.html

Webpagina van de grensoverschrijdende vereniging ‘Overkwartier van Gelre’.

Dit jaar viert de historische en genealogische vereniging Overkwartier van Gelre haar vijfjarig bestaan.

Dit wordt gevierd met de uitgave van een jubileumboek. Het boek bevat artikelen van diverse, zowel Duitstalige als Nederlandstalige auteurs.

De onderwerpen hebben alle betrekking op het Overkwartier van Gelre en bestrijken een periode van de Late Middeleeuwen tot in de twintigste eeuw. In het boek komen, onder andere de volgende onderwerpen aan bod: de vroegste Venlose stadsschrijvers; de heksenvervolgingen in Straelen; de kartografische weergave van het Overkwartier, genealogieen van de adellijke families Van Holtmoelen en Van Aefferden en de patriciersfamilie Poell, dopen en huwelijken van vreemden in Venlo in de periode 1636 tot 1639, de marktkramen van Kevelaer, een correspondence van een eenvoudige familie in het begin van de achttiende eeuw en de Nederrijnse adel.

Het boek met harde omslag telt circa 370 bladzijden in full colour en is uitgevoerd met een register. Méér info via de hoger vermelde webpagina’s.


Vanaf de zijlijn


Marten Heida

Een na te volgen Oostfriese raadgeving

Uit het inleidend woord van dr. Lübbert Haneborger in het mei-nummer van Ostfriesland Magazin is één opmerking bij mij blijven hangen. Hij refereert aan de hoogtijdagen ter gelegenheid waarvan men als bewoners in grens-regio’s (in dit verband Oost-Friesland en Groningen) bij elkaar op bezoek pleegt te gaan. Het gevolg van de daarmee gepaard gaande verkeersstromen zijn opstoppingen, zowel van verkeer als aantallen mensen. Hij vraagt zich dan ook af: “Maar waarom rijden we eigenlijk zo vaak op de hoogtijdagen naar de andere kant van de Dollart en niet gewoon een keer midden in de week. “Uitwisseling en ontmoeting zijn ook op andere dagen van het jaar de moeite waard en wellicht nog veel instructiever.” Als het gaat om de aspecten “uitwisseling” en “ontmoeting” dan kan worden vastgesteld dat Haneborger op dezelfde lijn zit als verwoord wordt in de doelstelling van de Vereniging zannekin. Al diverse keren hebben we daar door middel van onze activiteiten inhoud aan gegeven voor wat Oost-Friesland betreft. Maar ook buiten het kader van een uitstap of ontmoetingsdag is het de moeite waard aan deze regio een bezoek te brengen. Uit eigen ervaring weet ik dat het zeer de moeite waard is; men zal verrast worden door het instructieve karakter van een dergelijk bezoek.

Mogelijk zal men tegenwerpen dat Oost-Friesland zover weg is. Veel hout snijdt een dergelijke opmerking niet vooral als gelet wordt op de ver-plaatsingen die velen zich veroorloven tijdens hun verlof. Afstand is uiteindelijk een relatief begrip; het is sterk afhankelijk van de prioriteiten die gesteld worden.

Soms kwam in Emden Duinkerke binnen het gezichtsveld

Op 13 maart 1696 was in de buurt van Delfzijl op de Eems een Duinkerker kaperschip aan de grond gelopen. De bemanning was aanvankelijk niet van plan zich over te geven aan daar varende Emder convooischepen. Eerst na een vuurgevecht konden de mannen - meer dan dertig in getal - als gevangenen naar Emden opgebracht worden. Hun aanvoerder was de Duinkerker kaperkapitein Louis le Mel (hij was getrouwd met een schoonzuster van Jan Bart, ook geen onbekende in de kapermaatschappij). Daar Lodewijk XIV toen in oorlog was met Duitsland en Le Mel een kaperbrief kon laten zien, werden hij en zijn mannen behandeld als krijgsgevangenen. Omdat het levensonderhoud van deze ongenode gasten Emden geld zou gaan kosten werd er onderhandeld over losgeld. De daarop betrekking hebbende brief van de kapers is gesteld in het Nederlands wat niet verwonderlijk is daar in beide havensteden op het eind van de 17e eeuw deze taal nog de “huistaal” was. Overeengekomen werd dat Le Mel naar Duinkerke mocht afreizen om het losgeld op te halen; op 12 april komt hij daar aan. Zijn mensen blijven zolang als gevangenen achter. Het is echter onduidelijk of hun kapitein zich voor hen heeft ingezet, getuige de smeekbrief die ze hem schrijven. Uiteindelijk komt het met het losgeld voor elkaar; dat is niet het geval met de reispassen. Hoe het uiteindelijk de achterblijvers verder vergaan is, is niet bekend.

Bron: Ostfreesland. Kalender für Ostfriesland, 2012, pp. 138-145.

Willem Alexander stamt af van een Oostfriese hoofdeling

Een van de dorpen in de Krummhörn is Pewsum. Het dorpsbeeld wordt voor een belangrijk deel bepaald door de Manningaburcht, die dateert uit de jaren 1457/58. De laatste telg van de familie Manninga was Hoyko. Hij had zoveel schulden gemaakt dat hij genoodzaakt was in 1564 de burcht te moeten verkopen; de nieuwe eigenaars werden graaf Edzard II Cirksena en zijn vrouw Catharina van Zweden. Van belang is te weten dat dit echtpaar, dat tien kinderen had, zowel van de Nederlandse kroonprins Willem Alexander als de Engelse prins William in rechtstreekse lijn de voorouders zijn.

Bron: Die Krummhörn, p. 71.

Ook Mickey Mouse blijkt Oostfriese wortels te hebben

In 1869 verlaat Eert Ubbe Iwwerks zijn geboortedorp Uttum, ook een dorp in de Krummhörn. Zijn kleinzoon is de in 1901 in Kansas City geboren Ubbe Ert Iwwerks. Als kind genoot hij al bekendheid als tekenaar. Toen Ub Iwwerks - zo wordt hij in de VSA genoemd - 18 jaar was ontmoette hij de evenoude Walt Disney. Samen ontwikkelden ze in 1928 de komiekfiguur Mickey Mouse. In zijn eentje maakte hij dagelijks 700 tekeningen. De kleine muis werd nog datzelfde jaar een ster. In 1959 ontving Iwwerks een Oscar. Ook een figuur als Alfred Hitchcock maakte een dankbaar gebruik van zijn capaciteiten met als gevolg nog een keer een toekenning van een Oscar. Hij overleed in 1971.

Bron: Die Krummhörn, p. 93-94.

Marten Heida,Prins Willem Alexanderpark 53, 3905 CB Veenendaal

Het laatste woord


Leo Camerlynck

Jean-Claude Bottin

is heengegaan op vrijdag 22 juni 2012 op de leeftijd van 74 jaar. Jean-Claude hield van zijn Vlaanderen. Honderden Euvo-bordjes heeft hij geschilderd maar ook tekeningen van het landelijke Vlaanderen. Hij maakte prachtige tekeningen voor de kalender van het Davidsfonds Frans-Vlaanderen. Zijn laatste verwezenlijking was het Euvo-bord, dat tijdelijk te bezichtigen is in het huis van de Veldslag in Noordpeene.

La Voix du Nord van 25 juni 2012 vermeldde o.a. het volgende: Jean-Claude Bottin, d'Och-tezeele, est décédé vendredi à l'âge de 74 ans. Véritable figure locale, il était notamment très connu dans les associations flamandes, des deux côtés de la frontière. ‘Des gens de Bruges demandaient encore de ses nouvelles il y a quelque jour’, rapporte Philippe Ducourant, employé de la Maison de la bataille de Noordpeene. C'est d'abord comme artiste amoureux de la culture flamande qu'était connu et apprécié Jean-Claude Bottin. Localement, il était connu comme étant ‘le maire du Tom’, un titre insolite puisque le Tom n'est pas une commune mais une petite colline. Il y habitait dans une maison flamande traditionnelle qu'il avait entièrement restaurée. Depuis plusieurs années, l'homme était spécialisé dans la création de plaques flamandes. On en trouve des centaines en Flandre française, portant l'inscription en flamand ou en néerlandais du nom de la maison ou du lieu-dit. [Foto: La Voix du Nord]

 


Een stille regermanisering van de verloren gebieden

Drie straatnaamborden, één in Meteren in Frans-Vlaanderen, een tweede in Straatsburg en een derde in Martelingen (Martel). Dit is een aanloop tot een reeks bijdragen over deels verfranste gebieden. Meer hierover in volgende publicaties.

te Meteren in Frans-Vlaanderen

 te Straatsburg

te Martel – Martelingen – Martelange (Luxemburg)

 
Een vriend van Frans-Vlaanderen en van het Nederlands ging heen

“Wij zingen ABN omdat iedereen dat begrijpen ken”, luidde de aanhef van het overlijdensbericht van Leo Gerard van Dorp. Leo werd te Leiden geboren op 16 december 1932 en overleed in Amsterdam op 29 juni 2012.

Ik ontmoette hem voor het eerst in het Zeeuws-Vlaamse Hulst eind jaren zeven-tig van vorige eeuw. Dat was ter gelegenheid van de Frans-Vlaamse cultuurdag aldaar. Hij was een bevlogen man, hij hanteerde een vlotte pen, waarin hij kroop wanneer bepaalde taaltoestanden scheefgetrokken werden of waren. Hij nam regelmatig deel aan activiteiten van onze Stichting Zannekin.

Prachtig Nederlandstalig opschrift aan de Remonstrantenkerk te Frederikstad / Friedrichstadt (Sleeswijk-Holstein). (foto CK)

Leo Camerlynck, voorzitter

"De Zavelberg" - Edouard Michielsstraat 51,B. 1180  UKKEL / Brussel

T. 00 32 485 630 227 - E. leo.camerlynck@skynet.be