> nieuwsbrief > 31e jg. - 1e trimester 2013

Bijdragen over:
Tip

Mededelingen

Hernieuwen ledenbijdrage voor 2013

Hoewel we, zoals elk jaar overigens, straks weer geconfronteerd zullen worden met de – uiteraard weer eens naar boven – aangepaste posttarieven, blijft uw ledenbijdrage voor 2013 ongewijzigd. Ze beloopt voor het in mei te verschijnen nieuwe Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ en voor de driemaandelijkse Nieuwsbrief Zannekin 29 €. Vanaf 35 € wordt u met dank als steunend lid geboekt.

Maakt u bij voorkeur gebruik van ons ‘Belgische’ zogenaamd ‘Europees’ rekeningnummer, waarvan de rekeningoverzichten ons dagelijks meegedeeld worden: IBAN: BE13 4648 2202 5139 BIC: KREDBEBB t.n.v. Stichting ZANNEKIN, B. 8900 Ieper. Bijliggend betaalformulier kan u daarbij dienstig zijn. Leden genieten bovendien ook een tastbare vermindering op de deelnamekosten van de Zannekin-activiteiten.

Zannekin Nieuwsbrief in een nieuw kleedje

De ‘aankleding’ van deze Nieuwsbrief wijkt – met zijn meerkleurenkaft - grondig af van wat u totnogtoe onder ogen kreeg. Dit komt omdat het stilaan tijd werd om nog eens uit te pakken met een stijlvol ‘visitekaar-tje’, in de hoop daarmee een nieuw ledenpotentieel te kunnen aanboren.

Ook de inhoud is daar voornamelijk op afgestemd en biedt enerzijds inzicht op de bedoelingen van de Zannekin-werking en anderzijds – in het volgende nummer - toelichting bij de naamgeving ervan. Wat dit laatste betreft stelt de bijdrage van onze destijdse ondervoorzitter wijlen dr. Luc Carton (overgenomen uit het allereerste (al lang niet meer verkrijgbaar) jaarboek van Zannekin) de vereniging/stichting in haar bewust gewild historisch perspectief.

André Gailliaerde

Wij vernamen het overlijden op bijna 99-jarige leeftijd in de abdij van Averbode van pater André (Benjamin) Gailliaerde, norbertijn. Hij was dan ook de senior van de abdij. Na een uiterst vruchtbaar leven in het onderwijs van zijn orde, was hij vooral bekend als een gewaardeerd tekenaar en schilder. In zijn geheel eigen stijl en in forse trekken liet hij ons talloze mooie landschappen en gebouwen kennen vanuit alle hoeken van onze Nederlanden, niet in het minst vanuit Frans-Vlaanderen.

 

Kassel: de voormalige Jezuïetenkerk

Hieruit straalt als het ware zijn liefde voor dit verloren stuk van onze Lage Landen. Wij hadden het voorrecht een aantal jaren door hem geïllustreerde agenda’s te mogen ontvangen. Zij blijven ook nu nog een waardevol familiebezit. Pater Gailliaerde was corresponderend lid van de Academia Internazionale Greci-Marino, de Academia del Verbano di Lettere, Arti, Scienze te Vercelli (Italië), enz…

Uit een gesprek dat we ooit met hem hadden weten wij dat hij een overtuigd man van de Zeventien Provinciën was. Met hem ging niet alleen een diepgelovig priester, een goede opvoeder, een groot kunstenaar, maar vooral een goed mens heen. [Vik Eggermont]

 

Bethune: op de Grote Markt, los van alle gebouwen, bevindt zich het Belfort (1346), 30 m hoog, met een beiaard van 36 klokken.

 

 

 

 


“Hoe cond ick U mijn broeders oyt vergeten

Daer wy toch zijn in eenen stronck gheplant.?

Al syn wy noch so veir van een geseten,

So kan ons doch gescheyden zee noch lant.”

            Marnix van St.-Aldegonde

WAAR HET ZANNEKIN OM GAAT

De Vereniging/Stichting Zannekin richt de aandacht op de grensgebieden in Noord-Frankrijk en West-Duitsland w.o. Frans-Vlaanderen, Artesië, Picardië, Oost-Friesland, het Eemsland, Lingen, Bentheim, West-Munsterland, Kleef, de Gelderse gebieden bij Aken, en Luxemburg. Sommige van deze gebieden, die als een krans om de historische Nederlanden liggen, hebben ooit tot enig Nederlands staatsverband gehoord, andere hebben op economisch of cultureel gebied nauwe contacten gehad en weer andere – en dat zijn dan naast Frans-Vlaanderen vooral de Duitse grensgebieden – waren tot voor een paar generaties nog Nederlandstalig. Al deze landstreken hebben samen met Friesland en het Walenland een onmiskenbare bijdrage geleverd aan het culturele erfgoed en de eigenheid van de Nederlanden.

Zannekin stelt zich tot doel om de historische en culturele banden met al deze van ons vervreemde gebieden nader te onderzoeken, weer aan te halen en waar nodig te hernieuwen. Als belangrijkste taak ziet Zannekin het om de belangstelling voor deze gebieden te wekken en tevens het besef te laten herleven dat de huidige grenzen alleen maar een politiek karakter hebben; ze doorsnijden een economische, culturele en historische eenheid. Deze belangstelling kan in de toekomst de basis vormen om binnen het historisch kader en met respect voor de Christelijke grondslagen van de cultuur van de Nederlanden, te komen tot een nauwere samenwerking met deze gewesten ‘extra muros’. Hiertoe zijn binnen het huidige streven naar een verenigd Europa reële mogelijkheden aanwezig. Binnen het omschreven gebied wordt ook aandacht besteed aan de inheemse taalminderheden.

NAAM EN EMBLEEM

In België heeft Zannekin de status van een vereniging, in Nederland die van een stichting. De naam Zannekin is ontleend aan de Zuid-Vlaamse vrijheidsstrijder Niklaas Zannekin. Deze “hooftman” van de opstandelingen in de Vlaamse kuststreek sneuvelde in 1328 op de Kasselberg in de strijd tegen de Fransen. Niklaas Zannekin is door zijn moed en inzet in de strijd tegen de vreemde overheersing en het sociale onrecht een symbool geworden van de inzet en de strijd voor het geestelijke en culturele erfgoed van de Nederlanden. Het wapen van Zannekin, een rode vos op een hermelijnen veld, heeft de vereniging als embleem gekozen.

ACTIVITEITEN

In de loop van het jaar organiseert Zannekin de volgende activiteiten:

* Studie-uitstap: ieder voorjaar, op een zaterdag in mei, wordt per autobus en onder leiding van een meestal uit het gebied afkomstige deskundige gids, een van de vele gebieden in West-Duitsland of Noord-Frankrijk bezocht, waarop de vereniging de aandacht gericht houdt.

* Ontmoetingsdag: op een zaterdag in oktober komen de leden van Zannekin, samen met belangstellenden uit het betrokken gebied bijeen, in een van de historisch of cultureel belangrijke plaatsen in het Duitse of Noord-Franse grensgebied. In een aantal voordrachten komen streekkenners en andere deskundigen aan het woord die trachten de contacten in heden en verleden tussen hun streek en de overige Nederlandse gewesten te beschrijven of nader te analyseren.

 

 De gebieden waar Zannekin aandacht voor heeft

JAARBOEK

Sinds 1977 geeft de Stichting Zannekin een eigen jaarboek uit. Elke aflevering bevat een keur van artikelen die de gemeenschappelijke historische, culturele en volkenkundige banden van de Benelux-landen met de grensgebieden in West-Duitsland en Noord-Frankrijk tot onderwerp hebben. Ook worden de belangrijkste voordrachten van de ontmoetingsdagen opgenomen. De bedoeling is om met dit Jaarboek een belangrijke documentatie op te bouwen over de Nederlanden ‘extra bureaus’ en aan de opvattingen en het streven van Zannekin ruimere bekendheid te geven. Ieder jaarboek telt sinds kort 208 pp. en is rijk geïllustreerd.

LIDMAATSCHAP

Iedereen die de doelstelling van Zannekin onderschrijft kan lid worden van de vereniging Zannekin. De financiële bijdrage is (vanaf 2012) 29 € per jaar. Daarvoor ontvangt men het Jaarboek, de driemaandelijkse Nieuwsbrief Zannekin en een belangrijke korting op de kosten van deelname aan de activiteiten.

NADERE KENNISMAKING

U ontvangt vrijblijvend nadere inlichtingen door het aanvragen van informatiemateriaal bij het secretariaat of door het raadplegen van onze internetpagina’s op www.zannekin.org.

 

Cyriel Moeyaert


In de taaltuin van mijn vaderen

 

Onder deze titel publiceerde Wido Bourel recent een waardige en diepdoorvoelde hommage aan de taalkundige en Frans-Vlaanderenkenner – en regelmatige medewerker aan ons jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ – Cyriel Moeyaert.

Zelf afkomstig uit het Frans-Vlaamse Kaaster/Caestre, leerde de auteur ruim veertig jaar geleden, de ondertussen tweeënnegentig jaar geworden Moeyaert kennen. Hij werd Bourels mentor in zijn zoektocht naar zijn Vlaams-Nederlandse identiteit.

 

In de taaltuin van mijn vaderen is dan ook – naast en bovenop de biografische invalshoek – vooral een eigenzinnig en dankbaar getuigenis geworden aan het adres van zijn mentor.

Cyriel Moeyaert en Wido Bourel

bij het overhandigen het pas

verschenen boekje

 

 

Deze publicatie verschijnt in een beperkte oplage en komt niet in de boekhandel. Ze is uitsluitend bij de auteur te verkrijgen. Het boekje – in het eerder ongebruikelijke formaat 20 cm x 20 cm - telt 20 pagina’s met een tiental illustraties. De prijs (inclusief verzendkosten) bedraagt 10 € over te boeken op IBAN: BE38844045090172, BIC: RABOBE22, t.n.v. Wido Bourel, Merellaan 7, B-2288 Bouwel.

Wido Bourel publiceerde eerder Wintertijd in Frans-Vlaanderen, Een erfenis zonder Testament en Hier en aan de overkant en werkte mee aan de jaarboeken De Nederlanden ‘extra muros’. Zie ook: www.widopedia.eu

 

Hulde aan Jan Hugo Bral en 'De schreve', een taalgrens ?


Mark Ingelaere, Gent

De E.H. Cyriel Moeyaert schonk bij zijn vele bezoeken aan Frans-Vlaanderen een exemplaar van 'De Druivelaar'. Cyriel kreeg na een oproep in de KFV-Mededelingen van heel wat mensen een aantal scheurkalenders toegestuurd, gratis, om die in ruimere kring te verspreiden. Een van die milde gevers was Pater Herman Dupré uit Essen.

De kalendermopjes oogstten succes en voerden de Frans Vlamingen terug naar hun vroegere Tisje-Tasjes almanak. De 'koddetjes' waren ook goed voor vertaling in de cursussen voor het leren van het Nederlands.

Op een ANV-vergadering te Middelburg heeft Cyriel destijds de heer Jan Hugo Bral uit Melle en prof. em. Ada Deprez uit St.-Martens-Latem ontmoet. Dit is ondertussen al een tiental jaren geleden en sindsdien haalt Jan Hugo Bral bij alle KBC-kantoren in Oost-Vlaanderen de overtollige kalenders op. Prof. Deprez steunt hem daarin. Sinds een jaar is Jan Hugo ziek en kan hij deze taak in - dienst voor de Frans Vlamingen - niet meer opnemen.

Bij deze wil ik de heer Bral en prof. Deprez hartelijk danken voor hun jarenlange inzet, en wens hem beterschap. Dit kleine en waardevolle initiatief, en nog veel andere initiatieven kunnen evenwel niet verhinderen dat de Nederlandse streektaal, het Frans-Vlaams, er steeds meer in verdrukking raakt door de Franse eenheidstaal. Een belangrijke genadeslag werd immers toegebracht in de 20e eeuw toen er in de lagere scholen niet langer catechismusonderwijs, - dat in het Nederlands werd gegeven - onderwezen werd. Tussen de twee Wereldoorlogen gebeurde in heel wat dorpen het preken in de kerk nog in een Frans-Vlaams getint Nederlands. Rond 1960 verdween ook dit gebruik volledig, o.m. na de dood van Pastoor Boddaert (pastoor in Ledringhem van 1945 tot 1963).

Vandaag wordt het Frans-Vlaams in zijn bestaan bedreigd. Na de Tweede Wereldoorlog werden steeds meer kinderen thuis in het Frans opgevoed. Doordat de meeste 14-jarigen toen echter na de lagere school thuisbleven, werd dit alsnog soms bijgestuurd. Dikwijls leerden ze op de werkvloer opnieuw het Frans-Vlaams. Op het platteland en in sommige werkplaatsen en in de boerderijen werd dit toen immers nog vrij algemeen gebruikt.

Ook in de jaren 1960 werd het, hoofdzakelijk door de oudere generatie, nog vrij frequent gesproken. In sommige gevallen gaven zij het Frans-Vlaams ook nog door aan hun kinderen en/of kleinkinderen.

Het zijn deze mensen die wij nu nog bezoeken en 'druivelaars' schenken. Maar naarmate de jeugd echter meer en langer onderwijs geniet, viel die werkvloer als taaltuin weg en nam de kennis van de moedertaal in belangrijke mate af. Een van de resultaten van deze ontwikkeling was dat zeer veel kleinkinderen niet meer in staat waren/zijn om in het Frans-Vlaams met hun grootouders te communiceren.

Hoopgevende perspectieven zijn echter dat het Franse Ministerie van Cultuur in het begin van deze eeuw het Vlaams als onderwijstaal heeft erkend. Tevens bestaat dankzij het Ministerie van Nationale Opvoeding sinds enkele jaren de mogelijkheid om in verschillende basisscholen en middelbare scholen een cursus Nederlands te geven. Via de Nederlandse Taalunie bieden de Vlaamse en Nederlandse regeringen daarbij financiële ondersteuning en voorzien ze soms in de nodige leerkrachten. Een redding van het aloude dialect ligt daarmee echter niet in het bereik. Het Frans-Vlaams kent immers geen geschreven traditie. Als men in Frans-Vlaanderen de eigen taal wil leren lezen en schrijven, dan kan men alleen terecht bij de in Nederland en Vlaanderen geldende normen van het Nederlands.

Door deze Frans-Vlaamse initiatieven zal het Algemeen Nederlands in Frans-Vlaanderen hopelijk wel voet aan de grond krijgen en bijgevolg misschien de maatschappelijke situatie van het dialect versterken.

Een vaststelling is alvast dat een groot aantal kinderen opnieuw in de basisscholen in Frans-Vlaanderen of over de Schreve (opnieuw) met het Nederlands in contact komen. Sommige scholieren slagen er zelfs in om deze taal vrij behoorlijk te beheersen. In een zestal scholen geeft Frederic Devos nu les in het Frans-Vlaams dat ze “nuuze Vlaemsche taele” noemen, gefinancierd door het Franse Ministerie van Onderwijs en met de steun van ‘Yzer Houck’. Devos gaf een vrij keurig handboek uit.

Terecht stelt taalpionier Cyriel Moeyaert, die in 2005, als lexicoloog, voor het Davidsfonds een uiterst leerzaam Woordenboek van het Frans-Vlaams samenstelde, dat de uiteindelijke toekomst van de eigen taal in Frans-Vlaanderen evenwel in de handen van de Frans-Vlamingen zelf ligt. Vooral voor de Frans-Vlaamse jeugd ligt hier een unieke uitdaging voor. Het opnemen van die uitdaging kan er door een goed geregelde tweetaligheid voor zorgen dat heden en toekomst met elkaar verzoend worden en er niet langer een breuk bestaat tussen de generaties.

P.S. Het woordenboek + de aanvulling is opnieuw te verkrijgen bij 'Werkgroep de Nederlanden'

Enkele beelden van onze Ontmoetingsdag 2012
te Villeneuve d’Ascq


 
De lezingen in de grote schuur


 

 

Op stap in het Openluchtmuseum

 

De ‘SILVERIJSER’

Geschiedenis van Herk-de-Stad (deel II) 1

Willy Alenus, Oostende

Een strafexpeditie naar Reydt

Op 26 juni 1464 trokken de Herkenaren ten getale van 27 manschappen, naar het fort van Reydt, bij Gladbach in Duitsland, om deze vesting in te nemen.

Ziehier de oorzaak van dit offensief. Henneken Loeren, die zijn oog had laten vallen op het groot fortuin van een rijke grondbezitter van Alken, Gijsbrecht genaamd, spande samen met Jan van Arendael, heer van Reydt. Samen namen zij Gijsbrecht en zijn zoon gevangen.

Zij namen hem mee naar Reydt, vast besloten als zij waren hem slechts tegen een aanzienlijke som losgeld wederom in vrijheid, te stellen. Het is enkel en alleen om deze onschuldige gevangenen te verlossen dat de Herkenaren met een groep gewapende mannen hadden besloten zich naar Reydt te begeven.

Na niet zonder moeite de buitenste, versterkte omwalling te hebben ingenomen, werden de verdedigers van het fort omgekocht, werd Henneken gevangen genomen en conform de zeden en gewoonten van de tijd en zonder enige vorm van proces aan een kerselaar opgehangen. Op die manier slaagden de Herkenaren erin de twee (rijke) Alkenaren, hun landgenoten, hun ontnomen vrijheid weer te geven.

In een fragment van de oudste archieven van de stad Herk, daterend uit de 15e eeuw, wordt ons duidelijk gemaakt wat dat peloton van 27 manschappen in de praktijk voorstelde.

-“Item, men trocs uter stad tot Hercke souweneers, te wetene vijf voetboegscutters, vijf handboegscutters, ende vijf andere manne uten vijf ambachten, een voerman en een (?)- sleger, samen XVII manne. Ende ellick man gewapent op sijnen last, hadde III Borbonsche stuvers des daechs. Ende men hadde hun enen wagen gehaelt, onder die vijf wagenen van buten, met IIII perden.

Ende vijf elken wagene2 van buten vryheyt waren gesciet tot hunnen souweniers II manne, maken X manne ende die van Rummen, ende Zeelhem togen met…”

“Ende men dede den vorsz souweniers een tynte dar sy in lagen. Ende waeren des avonts by een te Herckenrode, ende des anderen daechs togen ze voert den lande na inder goetsgewout.”

Dit verhaal, in oud Vlaamsch (Nederduytsch) van Herk opgesteld, moet wel echt zijn, vermits het geschreven en gearchiveerd werd door Arnold Heroens te zijnder tijd (1464) zowel secretaris als notaris van de stad Herk.

Ziehier nu, naar ons gevoelen, de vertaling van vorenstaand fragment: “De stad Herk leverde soldeniers, met name vijf voetboogschutters, vijf handboogschutters, vijf andere mannen uit de vijf ambachten, een voerman en een (?)- sleger, samen zeventien manschappen. Iedere krijgsman was op zijn eigen kosten gewapend maar trok drie Bourgondische stuivers per dag. Elk van de vijf gehuchten (buiten de vrijheid Herk), had een wagen (kar) moeten leveren, die met vier paarden was bespannen.

Elk van de vijf gehuchten leverde twee man, - dit geeft dus in totaal tien man en die van Rummen3 en Zelem gingen ook mee. De soldeniers kregen ook een tent om in te slapen. ’s Avonds werd verzamelen geblazen in Herkenrode (Hasselt) en de dag nadien toog men verder, ieder naar eigen goeddunken.

Gelegenheid om eraan te herinneren dat onder het Ancien Régime de toentertijdse gehuchten van Herk, ook wagenen genoemd, elk van deze gehuchten afzonderlijk, een even groot deel van het totale belastingen- pakket moest betalen als de stad Herk.4 Dat dit tot permanente betwistingen en rechtsvorderingen leidde, tussen de relatief welvarende vrijheid en de na elke catastrofe (mislukte oogst, pest, zwervende soldateska), straatarme buitenkwartieren, hoeft geen betoog.

Knuppelslagers

Drie jaar voor de expeditie van de 27 Herkenaren naar Reydt, werd de streek in opschudding gebracht door het ten tonele verschijnen van oproerlingen die men knuppelslagers noemde, in het Frans “fustigeants” of “flagellants”. In werkelijkheid waren het arme drommels, zonder rechten, voor wier noden de toenmalige standenmaatschappij niet het minste begrip had, laat staan medeleven. Niet voor niets werd van deze standlozen gezegd dat zij “taillables et corvéables à merci” waren, “belastbaar” en tot karwijen gedwongen, naar believen van de leden van het establishment.

Op hun mutsen, mouwen en vaandels was een wildeman afgebeeld, die in de rechterhand een knuppel droeg. Dit embleem was dus een herkenningsteken en het gaf tegelijkertijd ook een visuele uitleg ter zake hun aard en hun doelstelling.

Deze opstandelingen kwamen op tegen de landrechtereisers die de pacht van onze landbouwbevolking moesten innen, maar in de praktijk verder gingen met de techniek die men afpersen noemt. De toenmalige prins-bisschop van Luik, Lodewijk van Bourbon, veroordeelde deze uitbuiters, onder andere de landrechtereiser van Herk, genaamd Bartholomeus S. tot een boete van 200 Luikse guldens. Florent Silverijser, mede in zijn hoedanigheid van geestelijke, probeert het postulaat te verdedigen, “dat het goed was onder mijter en kromstaf te leven.” Recenter navorsingen hebben dit postulaat niet kunnen bevestigen of ontkennen.5 In Frankrijk werden deze arme boerenopstanden en hun vaak gruwelijke onderdrukkingen, jacqueries genaamd, reeds een eeuw vroeger begonnen (circa 1358), mede als gevolg van de desastreuze gevolgen van de 40- jarige Vlaams-Engelse, anti-Franse oorlog (1299-1340), de Engels-Franse slag bij Crécy (1346) en de pestepidemieën (1350).Voeg daar nog aan toe het optreden van de eigen ridderstand, dat vaak het tegenovergestelde was van de door de troubadours verzonnen naastenliefde en hoofse minne. Gelegenheid om hier, als voorbeeld, een parenthesis te openen ter demonstratie van het reilen en zeilen van de leden van de standen, plus de ridderstand6 misschien nog erger in oorlogs- dan in vredestijd.

Ridders in oorlogstijd

Op 14 december 20077 schreven wij over Edward van Woodstock, bijgenaamd de “black prince”, oudste zoon van de Engelse koning Edward III en legeraanvoerder van de Engelse strijdmacht ten tijde van de honderdjarige oorlog (1337–1453), dat de meningen over zijn verdiensten wel verdeeld zijn:

“Bij de ridders in zijn tijd was Edward zeer geliefd. Sir John Chandos, de Heraut, sprak over de regeerperiode van de Prins in Zuid-Frankrijk als van "zeven jaren van vreugde, vrede en plezier", terwijl de prins in werkelijkheid een verkwistend bewind, ja bij wijlen zelfs een schrikbewind had gevoerd. De prins had het platteland laten afschuimen door zijn soldateska en had zware belastingen opgelegd o.m. om een enorme hofhouding en een permanent gedekte tafel voor min. 400 gasten te onderhouden. In 1367 waren de edelen van Gascogne tegen hem en zijn belastingen in opstand gekomen. De prins was misschien een toonbeeld van ridderlijk gedrag, zeker in de ogen van de Vlamingen, maar van behoorlijk bestuur, staathuishoudkunde of van begrip voor de noden van de burgers die niet tot zijn eigen ridderstand behoorden, had hij alleszins geen kaas gegeten.”

Groententers

Twee jaar na de expeditie van de Herkenaren naar Reydt, verschijnen hier en in de omstreken een ander soort “oproerkraaiers”. Deze maakten het land van Loon zo onveilig dat afgezanten van de stad Herk en van andere goede steden die door de prins waren uitgenodigd om naar de hoofdstad te komen, het niet durfden wagen de reis naar Luik te ondernemen. Men noemde deze “oproerlingen” groententers, omwille van de kleur van hun kleren en ook als verwijzing naar hun zwervend bestaan.

Toen in 1466 de beruchte hertog van Bourgondië, Karel de Stoute met zijn leger langs de Romeinse kassei, van Sint-Truiden naar Tongeren trok, gaf hij aan een aantal pelotons van zijn leger het bevel die zwervende roversbenden lik op stuk te geven. Waarschijnlijk hadden ze het lef gehad, op zijn legertros en kampementen, de “hit and run”-tactiek toe te passen?

Op 17 januari 1466 gelukte de strafexpeditie erin 130 zogeheten routiers8 in het Krickelenbosch, tussen Wellen en Ulbeek, om het leven te brengen. Allicht door ze op te knopen?

Het daaropvolgende jaar, op 4 november 1467, uitgerekend een week na de slag van Brustem, waar Karel de Stoute een troepenmacht (militie?) van het prinsbisdom overwon, nam Adolf van Kleef, heer van Ravenstein en generaal van Karel de Stoute, 80 “groententers” gevangen, waarna hij het dorp Wellen in brand stak. Ook seminomaden hebben vaak een bakermat of periodiek ontmoetingscentrum. 300 jaar later zou Wellen weer in het nieuws komen, dit maal als een van de centra van de zgn. “bokkenrijders”.

Veroveringspolitiek van Bourgondië

Op de Vlaming, burger van het antieke graafschap Vlaanderen (vandaag Oost- en West-Vlaanderen, plus Zeeuws- en Zuid-Vlaanderen), maakt het statement van de hoogstaande Franse historicus Ernest Lavisse (1842-1922), nog altijd een aangename indruk: “La Bourgogne (de Charles le Téméraire) croyait manger la Flandre, elle fut mangée par elle.”

In de Nederlanden extra muros, o.a. in Loon en Luik, lagen de gevoelens tegenover Bourgondië en de toekomstige Bourgondische Kreitz, wel enigszins anders.

De eerste hertog van Bourgondië en Brabant, die Herk-de-Stad bedreigde, was Filips de Goede, vader van Karel de Stoute. Deze prins plaatste in Halen, een zeer dichtbij gelegen grensstad van het hertogdom Brabant en het graafschap Loon, jonker Jan van den Hove, onderschout der stad Leuven, als garnizoensoverste om Halen tegen de aanvallen van Herk te verdedigen.

Met zo een aanvoerder op kop waagden de Halenaren het ook van hun kant een defensieve aanval uit te voeren. Commandant Jan van Lobosch, aangesteld als verdediger van Herk, was groot van gestalte, maar had ook de reputatie niet van de dappersten te zijn en bovendien ook geen geboren krijgsheer. Zo maakte hij de tactische, ja zelfs strategische fout van zich binnen de wallen en achter de grachten van Herk terug te trekken, in plaats van de vijand naar het open veld te lokken, hem daar in kleine groepjes op te splitsen en die één voor één in de pan te hakken.

Als slechte tacticus liet hij de tegenstrever tot onder de muren van de stad komen, dichtbij genoeg om hem toe te laten de eerste verdedigingswerken te beschadigen en in brand te steken.

Om gedurende de daaropvolgende nacht een aanval te kunnen afweren, versterkte men de binnen- en de buitenwacht van de stad. Van de toenmalige secretaris Arnold Heroens vernemen wij inderdaad dat buiten de gewone wachtdiensten er nog een bijzondere wacht, 20 man sterk aan toe werd gevoegd:

“Item, men ghinc doen 1464 waken binnen der stad tot Hercke, op den driesch ende in die Quoderstrate (de Quoterstrate was gelegen langs de vestingen van aan de Diesterse poort tot de Sint-Truider poort) met getale van mannen op elke plaats vorsz tot des sondachts dar na, dat was sondaechts na Jans dach…”

“Item, des sondaechs wort verdragen datmen een ander waken setten soude, alsmede dede,- te wetene niet aengezien der waken die voer geweest is. Sioe zal men beginnen opt dinde vander Quoderstrate aen die maeve ende op die syde ten Damervelde - (Damerveld, tegenwoordig op het kadaster Tamerveld genoemd), strekte zich uit van de Diesterse- tot aan de Hasseltsepoort) – wert, ende daer nemen achter een volgende X manne, die alle avunde comen sullen voer der stad huys by die meesteren.”

“Ende alsdan quamen uyt elken wagen van buten II mans, oec in die stad maken XX mans te samen. Wulke XX mans geset worden hoe sy waken souden vanden meesteren. Is te wetene van den X van binnen satmen vyf manne buten te wakene, ende vyf manne uyt den wagenen by die vorsz vyve van buten, ende die andere vive van binnen ende V van buten waeckden binne aen die porte ende op die vesten tot een ure na middernacht, ende alsdan quamen die buten waren in de stad, ende die binnen waren gingen uyt waken als die andere gedaan hadden.

Hertaling

Ziehier nu dit verhaal met andere woorden,- Zo ook ging men toen in het jaar 1464 waken te Herk op den Driesch en in de Quoderstraat. Op iedere voorgeschreven plaats met een zeker aantal mannen tot de zondag daarna, dat was, tot de zondag na Sint-Jansdag.

Ook deze zondag wordt gezegd dat men een andere wacht zou zetten als men gedaan had, met in aandacht nemen van de wacht die er eerst geweest is. Zo zal men beginnen op het einde van de Quoderstraat aan die Hameye, en op de zijde van het Damerveld, en daar nemen 10 mannen die alle avonden zullen komen naar het stadhuis bij de twee burgemeesters. En alsdan kwamen uit elk gehucht, - (er waren toen 5 gehuchten, dit maakt dus vijf maal twee oftewel 10 mannen uit de gehuchten) - (daarbij komt nog) twee man en ook 10 mannen van de stad zal men vijf buiten de stad zetten om te waken, en vijf mannen uit de gehuchten zal men zetten met de reeds genoemde vijf om te waken buiten de stad - en de andere vijf van de stad en de vijf van de gehuchten, waakten binnen aan de poort en op de Vesten tot een uur na middernacht, en dan kwamen degenen die buiten waren de stad binnen en degene die binnen waren gingen buiten waken wanneer de andere gedaan hadden.

(wordt voortgezet)

Noten

______________

1 Het 1e hoofdstuk verscheen op 5 september in ‘Zannekin’, nr. 4/2012, pp. 6-10.

2 In de vijftiende eeuw waren die “wagenen”, Halbeek, Diepenpoel en Terbemelen, Corpt, Schakkebroek en Weyer. zie dr. J. Molemans, Herk-de-Stad en haar vijf buitenkwartieren, Uitg. Stadsbestuur, Herk-de-Stad, 1988, 176 pp.

3 Vandaag maakt het voormalige Loonse Rummen, als deelgemeente van de Brabantse gemeente Geetbets, deel uit van de provincie Vlaams-Brabant.

4 Dr. J. Molemans, a.w.. zie supra.

5 Men leze o.a. (1) Willy Alenus, ‘Herk-de-Stad onder het Ancien Regime’, in: Vlaamse Stam, jg. 39, no. 1 ((jan. 2003), pp. 1-9; (2) Willy Alenus, ‘Belastingen onder Mijter en Kromstaf (Prinsbisdom Luik) en Beeldenstorm’, in jaarboek De Nederlanden Extra Muros, deel 31, Zannekin, Ieper / Numansdorp, 2009, pp. 101- 120.

6 Alhoewel de coördinaten van de standen wel wijzigingen ondergingen tijdens hun vijftienhonderd jarig bestaan, was hun samenstelling bijna continu: hoge adel en landadel, hoge geestelijkheid (vaak ook militairen zoals meerdere prins-bisschoppen van Luik) en de derde stand, de tabberdadel en/of de ambachten. De ridder-“stand” is nooit een stand, laat staan een vierde stand geweest. Maar gebaseerd op hun fysieke kracht en hun krijgskunde, was hun prestige van die aard dat zelfs voor een keizer of koning, toch de absolute top van de standenmaatschappij, het nog altijd als een eer gold, tot ridder te worden geslagen, veelal op het slagveld, na een fel bevochten overwinning, en door een vermaarde “ridder zonder vaar nog vrees”. “Prinz Eugen der edle Ritter”, is een schoolvoorbeeld van deze halve goden.

7 Willy Alenus, ‘The olde alliance - Het oude bondgenootschap (1338-1368)’, Zannekin, Ieper, nr. 1/2008, pp. 8-16.

8 Zij werden ook wel coterelli (Fr.: coteraux) of ruptarii (Fr.: routiers; Ned.: ruters of rotgezellen) genoemd.(Encarta Winkler Prins).


Vanaf de zijlijn


Marten Heida

In het teken van de heliand

Het programma voor de 48e grensoverschrijdende Dialectdag moet velen aangesproken hebben. Daarvan getuigde de grote opkomst: op de morgen van zaterdag 27 oktober 2012 was de zaal van de Mallumse Molen in het Achterhoekse Eibergen tot de laatste stoel bezet. Het was dan ook een zeer tevreden Betty Wassink, voorzitter van de Stichting Culturele grenscontacten Achterhoek-Westmunsterland, die de aanwezigen hartelijk verwelkomde. Ze stelde dat de Stichting met de invulling van het programma blijkbaar op de goede weg is; “het bewijs wordt geleverd door de grote belangstelling voor het onderwerp van deze dag: de Heliand.”

Als eerste inleider kreeg Timothy Sodmann uit Südlohn het woord. Hem was gevraagd “De historische achtergronden van de Heliand” te schetsen. Allereerst refereerde hij aan de vele conflicten tussen de Saksen en de Franken. Mede als gevolg van de grote verliezen werden de Saksen uiteindelijk gedwongen zich over te geven aan Karel de Grote en moesten ze het Christelijk geloof aannemen. Trouwens ook de rechtspraak werd op Frankische leest geschoeid. In het kader van de kerstening werden ook de nodige kloosters gesticht. Binnen zo’n gemeenschap moet de Heliand - die geschreven is in de oud-Saksische taal - zijn ontstaan. In een beeldrijke compositie, opgesteld in de traditie van de Saksische dichtkunst, wordt het leven van Christus “bezongen”. Opvallend is dat menige legende in dit werk is ingevlochten. De Heliand is dan ook een prachtig voorbeeld van geestelijke epiek in de volkstaal. Terecht wordt dit geschrift beschouwd als behorend tot de culturele erfenis. De tweede man achter het sprekersbord was Henk Krosenbrink uit Winterswijk. Zijn taak was het het gezelschap duidelijk te maken wat de betekenis van “De Heliand voor de Achterhoekers” was. Als inzet las hij het verhaal van de bruiloft te Kana in het oud-Saksisch voor; vooraf merkte hij ironisch op dat niemand hem kon bekritiseren over de juistheid van de uitspraak. Bij de vertaling van de Heliand in het Achterhoeks waren de leden van de werkgroep zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst gaan zitten. Het probleem dat zich stelde was in welke variant van dit dialect moest worden vertaald. Gekozen is voor een soort Algemeen Beschaafd Achterhoeks waarbij geput werd zowel uit de Aaltense als de Winterwijkse woordenschat. Vervolgens wees hij op het feit dat het verhaal van de bruiloft in de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap (1951) 24 regels telt terwijl de Heiland het in zo’n honderd weergeeft; in de Heliand wordt het gebeuren namelijk aanschouwelijk gemaakt door de talrijke invoegingen. Afsluitend moest Krosenbrink nog kwijt dat hun vertaling een gevecht met de taal was geweest. Anne van der Meiden uit Nijverdal werd aangekondigd als derde spreker; zijn opdracht was de “Inculturatie in de Heliand” uit de doeken te doen. Naar zijn mening is de Heliand een voorbeeld van aansluiting bij het Saksische publiek. Het geschrift haakte in op hun religieuze opvattingen en cultuur. Inculturatie is dan ook een vorm van propaganda die is toegespitst op de verkondiging om zo het geloof ingang te doen vinden. Hier is dus geen sprake van propaganda in politieke zin; dat was pas vanaf de 17e eeuw het geval. Daarvoor had dit begrip een louter kerkelijke inhoud. Kort gezegd kwam het erop neer dat de christelijke geloofsinhoud geënt werd op de Saksische cultuur. In dat verband stelde hij de vraag: Wat weten we eigenlijk van die oude Saksen? Bekend is dat de machtsfactor bij hen erg belangrijk was en dat moed hoog aangeschreven stond. Bovendien waren ze zeer standbewust. Tot op de dag van vandaag zijn er nog overblijfsels van die oude Saksische cultuur bewaard gebleven; zo is voor het Saksische levensgevoel het dorpsleven belangrijker dan het Koninkrijk der Hemelen. Ook de tijden waarop het Kerst- en paasfeest gevierd worden heeft alles met hen te maken. Zo hadden ze grote verering voor de zonnewende en werd in het raam van de kerstening de datum van de viering van de geboorte van het Christuskind aan die verering aangepast. En hetzelfde geldt voor Pasen; het feest van de opstanding van de Zoon van God kwam in de plaats van de opstanding van de natuur.

Zoals Henk Krosenbrink het nodige had opgemerkt over “De Heliand voor de Achterhoekers” zo was Hannes Demming uit Munster de man die stem gaf aan “De Heliand in het dialect van Munsterland”. Hij begon met de bekentenis dat hij - vóór hij aangezocht werd om lid te worden van de werkgroep - nauwelijks iets van dit geschrift afwist. Toch had dit hem niet weerhouden tot deze werkgroep toe te treden. Wel had hij zich afgevraagd voor wie ze deze inspanning deden want wie verstaat er nog het Munsterse Plat; deze sprekers vormden immers de doelgroep van hun vertaalwerk. Een mceilijkheid bij het vertalen was of ze erin zouden slagen om het oude stafrijn tot zijn recht te laten komen. Om te laten horen op welke wijze ze dit probleem tot een oplossing, gebracht hadden sloot hij af met het voorlezen van de aankondiging van Jezus’ geboorte in het Munsterse dialect.

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53,

NL—3905 CB Veenendaal

Het laatste woord

Leo Camerlynck

De Vrede van Utrecht in 1713

Hertekening van de kaart van Europa en de wereld met veel gevolgen voor de Nederlanden extra muros

Er werd in 1712 op hoog politiek niveau gedurende ruim een jaar onderhandeld om uiteindelijk tot de Vrede van Utrecht te komen, die getekend werd op dinsdag 11 april 1713, uitgerekend op de kop veertig jaar na de Slag aan de Peenebeek, in Frans-Vlaanderen. Onder de reeks bilaterale verdragen lichten wij er een paar uit:

·        Karel VI van Oostenrijk kreeg de Zuidelijke Nederlanden, Milaan, Napels en Sardinië toegewezen, maar niet Spanje.

·        Het Britse Koninkrijk kreeg Gibraltar en Minorca toegewezen en een gemakkelijke toegang tot de Middellandse Zee.

·        Een aantal Franse kolonies in Noord-Amerika kwamen in Britse handen, dat was o.a. het geval voor Newfoundland/Terre-Neuve en Acadië.

·        De Republiek der Verenigde Provinciën raakte, ondanks het feit dat ze aan de kant van de overwinnaars stond, zijn overwicht op zee kwijt. Een hereniging met de Zuidelijke Nederlanden zat er jammer genoeg niet in.

·        De zuidelijke grenzen van de Verenigde Provinciën mochten wel garnizoenen opstellen in versterkte steden van de Zuidelijke Nederlanden als bescherming tegen de Fransen, die delen van de in 1677 geannexeerde gebieden terug aan de Zuidelijke Nederlanden dienden af te staan. Deze steden, later ook deels Barrièresteden geheten, waren o.a. Veurne, Ieper, Menen, Kortrijk, Oudenaarde, Gent, Doornik, Bergen, Charleroi, Namen. De bepalingen en voorwaarden werden gegoten in het Barrière-tractaat van 15 november 1715. De Zuidelijke Nederlanden werden militair een condominium tussen de Oostenrijkse keizer en de Republiek.

·        De Republiek kreeg beperkte gebiedsuitbreiding met o.a. de stad Venlo maar verloor de soevereiniteit over het prinsdom Orange, dat aan Frankrijk werd toegewezen.

·        De Zuidelijke Nederlanden werden sindsdien de Oostenrijkse Nederlanden tot 1794.

De Stichting Zannekin zal in 2013 ruime aandacht besteden aan de Vrede van Utrecht.

Leo Camerlynck

"De Zavelberg"

Edouard Michielsstraat 51

B - 1180 UKKEL / Brussel

Tel. 00 32 485 630 227

 

Ver weg in het Noord-Duitse Sleeswijk-Holstein vertoef je in Frederikstad/Friedrichstadt, waar Nederlandse Remonstranten welkom waren.
Nu nog leeft het “Platt” er nog voort. (Fot
o CK)