> nieuwsbrief > 2e trimester 2013

Bijdragen over:
Tip

Mededelingen

Hernieuwen ledenbijdrage voor 2013

Uw secretaris is een tevreden man: de hernieuwing van de bijdragen verliep uitermate vlot. Mocht u bij deze Nieuwsbrief andermaal een betaalformulier aantreffen, dan wil dit u er aan herinneren dat u tot degenen behoort die totnogtoe nalieten gevolg te geven aan ons verzoek. Ter herinnering: de ledenbijdrage voor 2013 beloopt voor het in mei te verschijnen nieuwe Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ en voor de driemaandelijkse Nieuwsbrief Zannekin 29 €. Vanaf 35 € wordt u met dank als steunend lid geboekt.


Studie-uitstap op zaterdag 20 april 2013

We sluiten andermaal aan bij de reis in het kader van de Frans-Vlaamse dagen van Nieuwpoort die mede in het teken staat van de herdenking van de Vrede van Utrecht 1713.

Achtergrond: Er werd in 1712 op hoog politiek niveau gedurende ruim een jaar onderhandeld om uiteindelijk tot de Vrede van Utrecht te komen, die getekend werd op dinsdag 11 april 1713, uitgerekend op de kop veertig jaar na de Slag aan de Peenebeek, in Frans-Vlaanderen.

De zuidelijke grenzen van de Verenigde Provinciën mochten wel garnizoenen opstellen in versterkte steden van de Zuidelijke Nederlanden als bescherming tegen de Fransen, die delen van de in 1677 geannexeerde gebieden terug aan de Zuidelijke Nederlanden dienden af te staan. Deze steden, later ook deels Barrièresteden geheten, waren o.a. Veurne, Ieper, Menen, Kortrijk, Oudenaarde, Gent, Doornik, Bergen, Charleroi, Namen. De bepalingen en voorwaarden werden gegoten in het Barrièretraktaat van 15 november 1715. De Zuidelijke Nederlanden werden mi-litair een condominium tussen de Oostenrijkse keizer en de Republiek.

De Zuidelijke Nederlanden werden sindsdien de Oostenrijkse Nederlanden tot 1794.

 De Barrièresteden

In de buurt van Nieuwpoort en van de IJzer lagen enkele barrièresteden, maar de IJzer verloor uiteindelijk zijn grensfunctie.

Programma van de dag:

08.00 uur: Vertrek Veurne-station voor Zannekin-leden

08.30 uur: Station Veurne. Busrit langs Veurne, Ploegsteert met de wijk Clé de Hollande, Waasten, Komen, Zuid-Wervik, Menen met vestingen

10.30 uur: Koffiepauze. Busrit via Halewijn en Linzele (Linselles) naar Rijsel.

12.45 uur: RIJSEL. Vlaams middagmaal - Bezoek te voet aan het Citadel-park en omgeving + rondrit. Mogelijkheid tot bezoek aan de maquettes van versterkte grenssteden in het Museum voor Schone Kunsten (+ 5,00 €uro toegang) of vrije tijd.

17.00 uur: Vijfuurtje. Terugrit naar Veurne en Nieuwpoort via Fort-Knokke (onder voorbehoud).

19.30 uur: aankomst in Veurne-station.

Prijs: busrit, gids, morgenkoffie, middagmaal, vijfuurtje: 60,00 €uro.

Aanmelden tot uiterlijk 12 april via e-post maurits.cailliau@skynet.be (of schriftelijk via het secretariaat: Paddevijverstraat 2, B.8900 Ieper).

Uw inschrijving wordt eerst definitief na boeking van uw deelnemers-bijdrage van 60,00 €uro op een van onze rekeningen als vermeld op p. 2.

 

Studiedag te Ieper rond de Vrede van Utrecht - 1713


Op vrijdag 29 november 2013 organiseert het Stadsarchief Ieper (in samenwerking met het Stadsarchief Duinker-ke en het Instituut voor Rechtsgeschiedenis van de Universiteit Gent) een internationale studiedag naar aanleiding van de driehonderste verjaardag van de Vrede van Utrecht en het vastleggen van de Frans-Belgische grens.

 

Het voorlopig programma ziet er als volgt uit:

·        Prof. dr. Lucien Bély (Université Paris-Sorbonne), La frontière au temps de la Paix d'Utrecht: réalités et représentations.

·        Dr. Guy Thewes (Musée d'Histoire de la Ville de Luxembourg), Barrière ou talon d’Achille? La défense militaire des Pays-Bas après les traités d’Utrecht (1713-1725).

·        Dr. Michiel Nuyttens (Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën), La frontière franco-belge à travers les archives des États de Flandre.

·        Prof. dr. Randall Lesaffer (Tilburg University), Afstand van territo-rium en soevereiniteitsoverdracht in vroeg-moderne vredesverdragen: de Frans-Belgische grens.

·        Drs. Frederik Dhondt (FWO-Vlaanderen/Universiteit Gent), The cur-sed sluices of Dunkirk: la région côtière après Utrecht, thermomètre des relations franco-anglaises.

·        Dr. Klaas van Gelder (Universiteit Gent), Keizer Karel VI en de Oostenrijkse machtsovername in de Zuidelijke Nederlanden: tussen vermeende continuïteit en de normalisering van de oorlogstoestand.

·        Drs. Fanny Souilliart (Université Lille-II), Le parlement de Flandre, parlement de Louis XIV.

·        Dr. Dr. Guido Braun (Rheinische Friedrich-Wilhelms-Universität Bonn), L'Allemagne et la France au temps de la guerre de Succession d'Espagne: politique et culture.

Verdere gegevens worden in de komende maanden verstrekt. Meer informatie vindt U ook op de facebookpagina:

www.facebook.com/stadsarchief.ieper (evenementen: De Frans-Belgische Grens in het Ancien Régime).

 

Inhoud ZANNEKIN-JAARBOEK 2013


           
De Vereniging/Stichting Zannekin

            Niklaas Zannekin en het Zannekin-symbool

            Luc Carton

Het Maasland als een bijzonder cultuurlandschap in de Lage Landen

            Wim van Heugten

         Las Guerras de los Paises Bajos” (1568-1648), ook wel “Las Guerras de los Flandes” genoemd

            Willy Alenus

         De Kerkmeesters van de Sint-Aldegondekerk in Sint-Omaars schrijven in 1610 een Nederlandse ‘maanbrief’ aan de Schepenen van de stad Gent

            Cyriel Moeyaert

        Amalia van Solms-Braunfels (1602-1675)

            Renaat van Heusden

        Vrede van Utrecht (1713): het einde van een bijna vergeten wereldoorlog

            Ruud Bruyns

        De laatste Nederlandstalige school in Pruisen

            Hendrik Steeger

         Vastlegging van de grens tussen Drenthe/Groningen en het Eemsland krachtens het Meppener traktaat

Marten Heida

         De pseudobasiliek: een voornamelijk Middelnederlandse bijdrage aan de laatmiddeleeuwse kerkbouw in noordwest Europa

Zeno Kolks

         1963-2013: Vijftig jaar Vlaams-Waalse Taalgrens doorheen Midden-België en Germaans-Romaanse Taalgrens in Oost-België

Leo Camerlynck

        Over Pro Westlandia en Zannekin

Cyriel Rousseeu

        Kroniek en boekbesprekingen

Het nieuwe jaarboek verschijnt in de loop van de meimaand en is inbegrepen in de ledenbijdrage voor 2013.

 

Charles Rogier (1800-1885) - de verzoenende scheurmaker


Charles Latour Rogier is in de geschiedenis der Lage Landen onsterfelijk geworden door zijn mars van zijn ‘300’1 van Luik naar Brussel in 1830, waarmee hij de Belgische opstand een belangrijke impuls gaf. Maar naast de mythe staat ook de mens Charles Rogier die in zijn leven meer heeft betekend voor Vlaanderen en de Nederlanden dan men op het eerste oog zou vermoeden.

Fransman, Waal, Nederlander of Belg?

Rogier werd in 1800 geboren in het Picardische Saint-Quentin in het toenmalige Frankrijk, maar wat ooit een grensstad was aan de rand van de XVII Provinciën. Saint-Quentin is ook gelegen in de buurt van Kamerijk, waar zijn grootvader zich in de 18e eeuw vestigde als platenhandelaar, en nabij de oorsprong van de Schelde. Het is dan ook geen verrassing dat de familie Rogier zich na de dood van de pater familias stroomafwaarts bewoog naar Luik, alwaar Rogier in 1813 leerling werd aan het keizerlijk lyceum. Destijds maakte Luik, evenals de rest van de Nederlanden, namelijk deel uit van het Franse Keizerrijk van Napoleon.

In de historiografie wordt er doorgaans gegoocheld met de identiteit van Rogier. Zo variëren de predikaten van ‘Waal’ tot ‘Luikenaar van Franse afkomst’, wat geen van allen recht doet aan de achtergrond van een Picardiër die in Luik is opgegroeid. Zijn familie komt uit een streek die zeker tot het einde van 18e eeuw zeer sterk gericht was op de welvarende Zuidelijke Nederlanden en zich bewust was van het feit dat zij waren geannexeerd door de Fransen. In de laatste jaren is er veel geschreven over het Zuid-Nederlandse bewustzijn in de door Frankrijk aangehechte gebieden, waarbij met name de jonge historicus dr. Sebastien Dubois uit Luik baanbrekend werk heeft verricht.2

Door de snelle opvolging van machthebbers aan het begin van de 19e werd Rogier in 1815 Nederlander door het uitroepen van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder Koning Willem I als gevolg van het Weens Congres. Charles Rogier ging na het examen aan het Luiks lyceum in 1817 rechten studeren aan door Koning Willem I gestichte Uni-versiteit van Luik, alwaar hij zijn latere vrienden ontmoette, de Waal Joseph Lebeau uit Hoei en de Vlaming Paul Devaux uit Brugge. Met deze vrienden stichtte hij in 1824 de liberale krant Mathieu Laensberg, dat later werd omgedoopt in Le Politique. De krant speelde samen met Le Courrier des Pays Bas een rol in de liberale oppositie tegen Koning Willem I.

Zijn actieve rol in de oppositie verklaart zijn betrokkenheid bij de Belgische opstand in 1830. Zoals hierboven vermeld was de aankomst van zijn Luikse vrijwilligers in Brussel een belangrijke impuls voor de gewapende opstand. Hij was ook de initiatiefnemer van het voorstel om door een stemming in het Nationaal Congres de Belgische onafhankelijkheid uit te roepen in 1831. Zodoende staat hij aan de grondslag van de scheuring van de Nederlanden, waarmee een gouden kans ver-loren ging, hoewel we dienen te beseffen dat de Belgische onafhankelijkheid één optie onder velen was, waaronder de onverkieslijke aansluiting bij Frankrijk of de opdeling zoals op dat moment door de grootmachten werd besproken.

Belgisch Staatsman met de blik naar voren

Na het uitroepen van de Belgische onafhankelijkheid begint de politieke loopbaan van Rogier waarbij hij veelvuldig optreedt als minister van binnenlandse zaken. Zijn eerste wapenfeit was de aanleg van de eerste spoorlijn op het Europese continent tussen Brussel en Mechelen in 1835. In 1847 werd Rogier benoemd tot formateur en stelde hij zijn eerste burgerkabinet3 samen, dat regeerde van 1847 tot 1852. Rogier werd minister-president en reserveerde het ministerschap van binnenlandse zaken voor zichzelf. Hij zette zich in voor de ontwikkeling van het arme Vlaanderen door het stichten van ambachtsscholen en landbouwbanken.

Voor de relatie tussen België en Nederland was het kabinet Rogier III (1857-1862) zeer belangrijk. In 1860 hadden de Belgische Koning Leopold I en de Nederlandse Koning Willem III elkaar ontmoet te Wiesbaden in Duitsland, waardoor er een dooi kwam in de ijzige Nederlands-Belgische betrekkingen sinds de Belgische onafhankelijkheid.

Hetzelfde jaar werd er ook het Nederlands Taalcongres, dat sinds 1847 beurtelings in Nederland en Vlaanderen werden gehouden, georganiseerd te ’s-Hertogenbosch. Daar heerste als gevolg van de Koninklijke ontmoeting een sfeer van verbroedering, die werd gevat in de slotzin van de rede van professor M. de Vries: “Leve de eendracht tussen België en Nederland!”4

Tot eenieders verbazing was minister-president Charles Rogier ook aanwezig op dit congres. De aanwezigheid van scheurmaker Rogier werd als verheugend en ongemakkelijk tegelijk ervaren, zoals door de Amsterdamse Rooms-Katholieke letterkundige Alberdingk Thijm: “Aan den ene kant is het gelukkig, dat de vernunftige politieke toeleg van de Heer Rogier aan dit Congres een gewicht heeft verleend, dat het, naar aard en aanleg, volkomen miste...”5 Toch was Rogiers toenadering tot Nederland oprecht wat ook bleek uit zijn besluit in 1860 om de meeste anti-Orangistische en anti-Hollandse teksten te schrappen uit de ‘Brabançonne’. Bovendien voerde hij destijds een anti-Franse onafhankelijkheidspolitiek en werden er onder zijn bewind fortificaties aangelegd tegen de Franse expansiedrift van Keizer Napoleon III.

Besluit

Rogier was niet zomaar een Waal, maar een Picardiër die ondanks zijn opvoeding in de instituties van het Franse Keizerrijk van Napoleon trouw bleef aan de Zuidelijke Nederlanden en nooit heeft gestreefd naar een aansluiting van zijn vaderland met Frankrijk. Dat hij een grote rol heeft gespeeld in de Belgische opstand heeft veel te maken met zijn liberale opvattingen en waarschijnlijk niet zoveel met aan pertinent anti-Nederlandse houding.

Later in zijn actieve politieke loopbaan stuurt hij juist aan op een verzoening en gaat hij daarvoor zelfs naar een congres in Nederland om zijn gevoelens publiekelijk kenbaar te maken, waarmee hij zijn gewicht in de schaal gooide voor een nauwere band tussen Nederland en België. Of hij luidens zijn omschrijving op Wikipedia werkelijk gestreefd heeft naar een nieuwe vorming van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden kan ik niet staven aan historische bronnen6, maar we mogen het streven van toenadering tussen Nederland en België omstreeks 1860 zeker niet louter zoeken onder de romantische letterkundigen.

Noten

1 Het getal 300 speelt een symbolische rol in de Europese militaire geschiedenis. In de Slag bij Thermoylae vochten 300 Spartanen.

2 S. Dubois, ‘Le Nord de la France, Sud de la Belgique: unité géographique et rêves de réunification des Pays-Bas, des guerres de Louis XIV à la Restauration’ in: Revue du Nord 87 (2005) pp. 351-365. Voor de Nederlandstalige versie van deze studie, zie: Sébastien Dubois, ‘Noord-Frankrijk, Zuid-België: een geografisch geheel en de veroveringsdroom bij de oorlogen van Lodewijk XIV tot aan de Restauratie’, in: Jaarboek de Nederlanden ‘extra muros’ 31, 2009, pp. 49-69.

3 Het eerste kabinet Rogier diende van 1832 tot 1834 tijdens de Belgische onafhankelijkheidsstrijd.

4 C.C. ter Haar, Nederland en Vlaanderen, een onderzoek naar de houding der Nederlanders tegenover het Vlaamsche vraagstuk 1830-1873 (diss. Leiden 1933).

5 J.A. Alberdingk Thijm, ”De Vlaamsch-Hollandsche Beweging van 1860 in: Dietsche Warande (1860) pp. 527 e.v.

6 http://nl.wikipedia.org/wiki/Charles_Rogier.


Een recente naamgenoot


En nog een recente naamgenoot gehuisvest in Frans-Vlaanderen. Hoofding van het eerste nummer van het 4 pagina’s in A4-formaat tellende nieuwe tijdschrift woorover meer op www.tweetalen.org

 

Perspectief 2013


Onder deze titel stelde de auteur een kroniek samen over bekende en minder bekende mensen, feiten en data uit onze Nederlandse geschiedenis, de gebieden “extra muros” inbegrepen.

 “Toekomst heeft afkomst”, meent hij, de filosoof Hans-Georg Gadamer beamend. Zijn bedoeling is het zijn lezers de sprong in de toekomst makkelijker te maken door middel van een terugblik op de twaalf voorbije eeuwen. Die tijdspanne ligt verspreid tussen 813 en 2003 en herinnert aan momenten uit onze geschiedenis van jaren eindigend op een 3 (en een enkele keer op een 8, hetzij 5 jaar na datum).

Zijn “stil staan” bij de geannoteerde persoonlijkheden en data maakt ook de lezer even stil. Want het zijn inderdaad niet alleen maar verjaardagen, waarop bazuingeschal hoort te weerklinken. Vaak zijn het bescheiden, maar ten onrechte meestal vergeten voorvallen, die mede door de afstand in de tijd, langs deze weg weer hun volle betekenis en relevantie herwinnen.

Mocht de auteur er in slagen dit concept een decennium lang vol te houden, dan zou die inspanning resulteren in een waar compendium van om en nabij de 450 pagina’s, die voorwaar een waarachtig “canon” van ons Nederlands verleden zou vertegenwoordigen.

Dit opvallende “hebbeding” – 38 pagina’s met 18 illustraties, formaat 20 x 12,4 - krijgt u toegestuurd mits overboeking van 16,50 € (verzending inbegrepen) op rekening IBAN BE38 8440 4509 0172 - BIC RABOBE22 van Wido Bourel, Merellaan 7, B.2288 Bouwel.

Zie ook: www.widopedia.eu


De “Silverijser” - Geschiedenis van Herk-de-Stad (deel III) 1


Willy Alenus, Oostende

Op het rijksarchief in Hasselt wordt het testament bewaard van 1702 van de echtgenoten Petrus Hermans-Maria de Russon. Daar het een “schoon” voorbeeld is van de wijze, waarop in die tijd (in het V.K. kwam Queen Anne op de troon), een testament werd opgesteld, hebben we gemeend dat de lezers er belang zullen in stellen. De oude Neder-duitse tekst is echter op enkele plaatsen moeilijk te begrijpen. Daarom hebben we hem omgezet in hedendaags Nederlands. We hebben nochtans de oude zinsbouw zoveel mogelijk bewaard.

Testament

In de naam van Ons Heer, Amen. Bij het tegenwoordig onderzoek van een testament, weze aan ieder kond en kenbaar gemaakt, dat in het jaar van Ons Heer Jesus-Kristus, als men schreef zeventienhonderd en twee, voor mij openbare notaris, gevestigd in de stad Herk, in aanwezigheid van de getuigen, hierna te noemen, zijn in eigen persoon verschenen de heer Petrus Hermans en Juffrouw2 Marie de Russon, ingezetenen van de hiervoor vermelde stad Wuestherck, de hier voren vermelde testamentmaker, krank van lichaam zijnde, maar over zijn geheugen, ver-stand en vijf zinnen nochtans zeer wel beschikkende, zo het ons duide-lijk blijkt, die, overdenkende de broosheid van de menselijke natuur, dat er niets zekerder is dan de dood en niets onzekerder dan het uur der-zelfde, hebben daarom uit volkomen overweging en uit hun eigen wil, zoals zij verklaren, willen maken het tegenwoordig testament en uiterste wil, bij dewelke zij herroepen, ongeldig verklaren en te niet doende alle vorige testamenten, codicilllen3 en andere opstellen van uiterste wil door hen voorheen gemaakt, voor welke notarissen of andere openbare of authentieke personen hetzelfde ook moge geschied zijn, willende en begerende dat het huidig testament alleen zijn volledige uitwerking hebben, zo voor het gerecht als daarbuiten, hetzij in de vorm van testament, codicille, gifte onder levenden of uiterste wil wegens over-lijden of op een andere wijze, zoals eender welk testament allerbest kan gemaakt worden, zelfs ook als daarbij alle plechtigheden, die volgens het wereldlijk en kerkelijk recht vereist zijn, niet nagekomen of geres-pecteerd waren. Indien er ene plechtigheid mocht weggelaten of verzuimd zijn, die volgens de wetten van het land, van Staten, van de steden, van de gemeentelijke verordeningen of van de gebruiken inbreuk zou maken op de geldigheid, dan begeren wij niettegenstaande alles, dat het huidig testament zijn volledige uitwerking zou hebben.

Eerst en vooral, zodra hun ziel uit het sterfelijk lichaam zal scheiden, be-velen zij ze aan en leggen ze in handen van de Almogende God, van Maria zijne Gezegende Moeder en van heel het Hemels Gezelschap. Hierbij kiezen zij hun begraafplaats in de kerk alhier te Herk en laten aan de kerkfabriek tien stuivers, onmiddellijk na het overlijden van een van beide, door de overlevende te betalen, zulks ter vergoeding van enig onrechtvaardig goed, dat zij bij toeval onwetend zouden bezitten.

Komende tot de beschikking over hun tijdelijke goederen, hun door de Almachtige God op deze wereld verleend, laten en maken zij aan elkaar, te weten aan de langstlevende, de beschikking over de goederen, afkomstig van Filips Vandelaer, hun door testament van Cecilia Vandelaer, kloosterlinge in het Zusterklooster te Hasselt nagelaten, om die goederen te verkopen, van de hand te doen of als onderpand te stellen om zoveel geld te lenen als de langstlevende zou nodig hebben om hun schulden te betalen of renten af te leggen.

Over de andere goederen geeft de man aan de vrouw of de vrouw aan de man, volledige macht om een kind te bevoordelen tegenover het andere, in geval een kind zich slecht zou gedragen, zou trouwen tegen de zin van de vader of moeder of enige andere dwaasheid zou begaan, met volle macht om dat kind of die kinderen eenmaal twintig Brabantse guldens te ontnemen uit alle goederen, waarover zij enigszins de beschikking zouden hebben en in geval zij meer zouden verteren dan het volgens de bestaande wetgeving toegelaten is, zullen zij van hun wettelijk aandeel beroofd worden.

Zij maken ook en laten liefdevol vooraf na hun dood, boven alle andere kinderen, aan hun zoon Joannes, die half blind en doof is, de twee hoeven of boomgaarden, gelegen op de Dries buiten de Hasseltse poort, met de lasten die er op wegen.

Zij laten ook aan hun jongste zoon David een half bunder land, dat onbelast is behalve de cijnzen, geheten de Kay, grenzende aan de oude vestingen nabij de Hasseltse poort.

Indien een der bevoorrechte kinderen zou overlijden, zonder wettige erfgenamen achter te laten, zal hun erfdeel in gelijke delen terugkeren naar zijn zusters en broeders, die dan nog in leven zijn.

De langstlevende van de testamentmakers zal na de dood van een hun-ner acht halsteren (*) goede rogge doen bakken en het brood daarvan laten uitdelen aan de armen op de dag van de begrafenis en zal dertig dagen een mis laten lezen in de kerk alhier of naar believen in een an-dere, tot lafenis van de ziel van de aflijvige. De overlevende zal ook elk jaar op de sterfdag of enkele dagen daarna, een mis laten lezen zo lang hij of zij leeft.

De testamentmaker verklaart het voorgaande zijn uiterste wil te wezen. Over al hetgeen geacteerd en gestipuleerd is in mijns notaris handen te Herk op de kelderkamer ten woonhuize van de testamentmaker in het jaar hiervoren aangeduid op 22 maart, in tegenwoordigheid van de heer Jacobus Roelandts en meester Joris van Schoonbeek als geloofbare getuigen, hierbij in het bijzonder geroepen en verzocht en tot bevestiging van het voorgaande hebben de verschijnende partijen, benevens de getuigen, met hun eigen hand ondertekend. Alzo was onder-tekend, Peter Hermans - Maria Russon – Jacobus Roelandts – Joris van Schoobeek. Hetgeen ik ten waarborg bevestig.

(ondertekend) G. Gielen, notaris.

(*) Een halter of schepel is een oude inhoudsmaat van ongeveer 10 liter.

Dramatis personae

Over de personen, die in het testament vernoemd worden, kunnen we de volgende bijzonderheden meedelen. Petrus Adrianus Hermans werd geboren te Herk op 17 december 1654, als zoon van Petrus Hermans en van Emerentia Melders. Hij was burgemeester in 1694. Hij trad te Herk in ’t huwelijk op 28 juni 1679 met Maria Jacoba de Russon, geboren te Herk op 6 september 1655, weduwe van Filips Vandelaer (zie verder).

De echtelingen Petrus Hermans - Maria de Russon hadden 9 kinderen:

1. Petrus, geboren te Herk op 26 december 1680; 2. Antonius, geboren te Herk op 20 april 1683; 3. Maria Cornelia, geboren te Herk op 10 juni 1685; 4. Gilis Petrus, geboren te Herk in 1687; 5. Joannes, geboren te Herk, op 21 januari 1690 (volgens het testament half blind en doof); 6. Carolus Ludovicus, geboren te Herk op 5 maart 1692; 7. Joannes Waltherus, geboren te Herk op 9 september 1694; 8. Maria Catharina, geboren te Herk op 19 augustus 1696; 9. David Walther, geboren te Herk, op 8 november 1700 (deze was de betover-grootvader van Mevrouw Adèle de Pierpont- van den Hove).

Maria Jacoba de Russon overleed op 31 september 1726. Filips Vandelaer werd geboren te Herk op 23 februari 1625, als zoon van Joannes Vandelaer en van Cecilia Neven. Hij was burgemeester in 1677. Hij trad op 12 mei 1675 te Herk in het huwelijk met Maria- Jacoba de Russon.

De echtelingen hadden 3 kinderen:

1. Cecilia, geboren te Herk op 15 augustus 1676. Zij werd kloosterzuster in ’t Sint-Catharinadal te Hasselt; 2. Helena, geboren te Herk op 19 november 1677; 3. Maria Philippina, geboren te Herk op 19 maart1679.

Filips Vandelaer overleed te Herk op 16 september1678. De kloosterzuster Cecilia is voorzeker op jeugdige leeftijd overleden, vermits haar erfdeel, waarvan spraak is in het testament reeds vóór 1702 naar haar moeder terugkeerde.

Het Jaargetijde van Pinksten Milters en Joannes Stoeters

Wanneer de missen van de anniversariën in de kerk afgekondigd worden, is er een naam die ons vreemd in de oren klinkt, Pinksten Milters. Pinksten is de vernederlandste vrouwelijke voornaam Pentacosta. Pen-tacostes betekent in het Latijn Pinksteren. Onder het Ancien Régime werd bij het doopsel aan het kind dikwijls de naam gegeven van de heilige, wiens feest op de dag van de geboorte van het kind gevierd werd. In het geval dat ons aanbelangt werd aan het kind geen naam van een heilige gegeven, maar wel die van een hoogfeest. Het kind werd hoogst-waarschijnlijk op Pinksteren geboren. Dat soort van naamgeving is een uitzondering. In Wallonië daarentegen treffen we dat gebruik wel aan. We kennen daar kinderen die Toussaint (Allerheiligen) of Noël (Kerstmis) heten.

In het gichtenboek nr. 91 van de schepenbank van Herk vonden we op p. 220 de oorsprong van de stichting van het jaargetijde in kwestie. We laten hier de tekst volgen van die oorkonde, nogal vrij in hedendaags Nederlands omgezet.

De 13e december 1599 schenkt Pentacosta Milters, bijgestaan door haar voogd4 Gerardus van den Bosch, op haar aanvraag daartoe aangesteld, aan de huidige of toekomstige onderpastoor of substituut van de pastoor van Wuestherk, uit goede genegenheid en tot rust van de zielen van haar man en van haar zoon, beiden Jan Stoeters genaamd, van haar ouders en van haar zelf na haar dood, haar huis met alle aanhorigheden, behalve de kamer nevens het hospitaal waar Jan van den Bosch in woont, met de zolder erboven. Het gehele huis, de voren vermelde kamer inbegrepen, grenst ten oosten aan het hospitaal, ten zuiden aan de “heze”5, ten westen aan het goed der erfgenamen van Jan Clingers zaliger en ten noorden aan de helft van de markt of de straat. De schenking geschiedt met het volgende voorbehoud voor de duur van haar leven, doch niet langer, zij zal het gebruik hebben van de helft van de moestuin en van de koestal, in de schuur zal zij beschikken over een grote hoek, in het bakhuis zal zij mogen bakken en wassen, op de mesthof zal zij haar hout mogen opstapelen en haar mest leggen. Gelijk zij vrij door het huis zal mogen in- en uitgaan, zal zij ook door de mesthof haar beesten mogen drijven en er doorvaren met wagen en kar om te vervoeren hetgeen zij nodig zal hebben, hout, stro, vruchten, mest, enz. In de kelder zal zij haar boterkroeg mogen plaatsen. Van al de vorige voordelen zal zij haar leven lang, doch niet langer, zonder betwistingen mogen genieten, zoals het hierboven beschreven is.

De onderpastoor zal het gehele huis mogen in bezit nemen, uitgezonderd de hiervoren vermelde kamer en zolder, op voorwaarde dat hij het niet zal verkopen, doch het altijd zelf zal bewonen. Opdat de over-eenkomst sneller haar uitwerking zou hebben, zal de onderpastoor verplicht zijn het huis van Pentacosta goed te onderhouden, zowel het dak en de wanden als het overige. Na de dood van Pentacosta zal de onderpastoor niet meer verplicht zijn de hiervoren vermelde kamer en zolder te herstellen en te onderhouden. Ook zal de onderpastoor verplicht zijn de van kracht zijnde belastingen op het huis, inbegrepen die op de kamer en de zolder, te betalen en de eigendom ten eeuwigen dage onbezwaard te bewaren. En niettegenstaande het voorbehouden ge-bruik door Pentacosta van de moes- en mesthof, zal nochtans de onderpastoor gehouden zijn ze, op zijn kosten, in goede staat te onderhouden. Indien de onderpastoor aan zijn verplichtingen geheel of gedeeltelijk te kort zou komen, zal Pentacosta in haar leven en na haar dood de vroegmisheer of zijn opvolger mogen ontzetten of door de magistraat doen ontzetten uit zijn recht op het gebruik van het hele huis en zijn aanhorigheden. Onder die voorwaarden is de heer Ludovicus Proost, tegenwoordige onderpastoor, in ’t bezit gekomen van de hiervoren ver-melde eigendom voor hem en voor zijn opvolgers.

Topografische details

Anderzijds zal de onderpastoor gehouden zijn jaarlijks viermaal een gezongen mis, met gezongen vigiliën “voor de overledenen”, op te dragen of doen op te dragen tot lafenis van de hiervoren vermelde zielen en zulks op de eerste vrije werkdag na de hoogfeesten van Kerstmis, Pasen, Pinksteren en Allerheiligen.

Tegelijkertijd stelt Pentacosta de hiervoren vermelde kamer en zolder in ’t bezit van degene, die door de magistraat en het koor tot vroegmisheer zal aangesteld worden, zolang hij die bediening zal waarnemen en daarna van zijn opvolger in dezelfde bediening, er streng voor wakende dat die bediening niet met een andere zal samengevoegd worden of een andere bestemming zal krijgen.

Pentacosta verklaart insgelijks ten overstaan van de bevoegde rechters van Lummen6 aan de onderpastoor een weide te schenken, die gelegen is nabij de Zwarte beek.

Aangrenzende percelen, de straat lopende van Herk naar Schulen, de kleine Herk van het ene einde tot het andere, de Zwarte beek tussen de weide en het perceel grond, dat toebehoort aan Nicolaas de Voygt. Op voorwaarde dat de onderpastoor ten eeuwigen dagen alle dinsdagen na de dood van Pentacosta een gezongen mis zal opdragen of doen opdragen ter ere van de eerwaarde moeder Sint-Anna en na de mis altijd het “miserere de profundis” zal lezen en de collecte “pro defunctis” zal houden. De onderpastoor zal ook alle avonden het lof doen zingen ter ere van de gezegende moeder, de heilige Anna. Dezelfde vroegmisheer zal verplicht zijn jaarlijks de lasten op de weide te betalen. Hierbij is de overeenkomst onder de hoede van de schepenen van kracht geworden.

We kunnen met zekerheid zeggen dat het huis van Pinksten Milters zich bevond waar vroeger het oude stadhuis stond. In de akte staat immers uitdrukkelijk vermeld dat het huis ten oosten grensde aan het hospitaal. Het is anderzijds geweten dat het hospitaal of gasthuis de plaats innam van het huidige huis Vandermeeren. Aan de hand van de hiervoren aangehaalde stichtingsoorkonde en van het testament van Joannes Clingers, die volgens de akte eigenaar was van het goed dat ten westen aan het huis van Pinksten Milters grensde, kunnen we ons een denkbeeld vormen hoe het zuid-oostelijk gedeelte van de Grote Markt er te dien tijde uitzag.

Het testament van Joannes Clingers is ingeschreven in het gichentboek nr.90. Wij lezen dat Jan Clingers, Sr. aan zijn zoon Jan CLINGERS, Jr. en aan diens vrouw Anna Cluijtinx het voornaamste huis, waar hij in woonde7, vermaakte, aan de kinderen van voornoemd echtpaar, t.w. Jacob, Elisabeth en Maria, een huis gelegen ten westen van “De Zwaan”, waar Jan Schepmans in gewoond heeft, dat ten westen grensde aan het huis van Elisabeth van Scheir en aan zijn broeder Andries Clingers, een huisje, gelegen oostwaarts van “De Zwaan”, waar Willem Oyen in woont. Als aangrenzende percelen van dat laatste huisje wordt aangeduid, Jan Stoeters aan een zijde, de schalei en de mesthof van Jan Clingers, aan de tweede zijde en de helft van de markt of straat aan de derde zijde. Een randnotitie in de index van de gichtenboeken verdui-delijkt, dit huis ligt oostwaarts van “De Zwaan”, tussen “De Zwaan” en de pastorie en is uit “De Zwaan” genomen.

Van de huidige Zoutbrugstraat af hadden we dus achtereenvolgens,- het gasthuis, het huis van Pinksten Milters of pastorie, het “schalei”8, de overdekte doorloop van “De Zwaan”, het huis “De Zwaan” zelf, nog een klein huisje, dat deel uitmaakte van het pand “De Zwaan” en het huis van Elisabeth van Scheir. Dat het zuidelijk aangrenzend perceel de helft van de markt of straat geheten werd, is geen loutere omschrijving. De Grote Markt was te dien tijde in twee helften verdeeld. Het westelijk gedeelte heette “de spurfel” of “speelhuffel”.9 Er bevond zich een poel, de spurfelpoel. Het oostelijk gedeelte heette, de Paardsmarkt. Op dat gedeelte stond het stadhuis. Bij de aanleg van de riolering is men op de grondvesten ervan terecht gekomen. Een kelder, waarvan het gewelf ingestort was, werd blootgelegd. Het eerste stadhuis stond enkele meters ten noorden van het oude stadhuis, bijgevolg midden op de markt, zoals dat thans nog het geval is te Bilzen en te Peer.

Waar de secretaris van de justitie in het gichtenboek nr. 104 op p.11 de grote brand verhaalt van de 13e maart 1679, beschrijft hij nauwkeurig het stadhuis. Beneden waren er drie kamers. De middelste kamer werd “Vierschaar” geheten, daarin hing de stadswaag. In de kamer aan de oostzijde hield de schepenbank haar gewone zittingen. In de kamer aan de westzijde hielden de schepenen vroeger hun zittingen. In 1679 woonde er de stadsdienaar, hetgeen hem na de brand van 1669 toegestaan was. Op de verdieping waren er drie even grote kamers. Daar hielden de gilden hun feesten, de gilde der kruisboogschutters in de middelste kamer, die der handboogschutters in de kamer aan de westzijde en die der kloveniers10 in de kamer aan de oostzijde. Boven de verdieping was er een zolder waar de granen van de H. Geest11 bewaard werden. Achter het stadhuis waren er drie trappen, die toegang gaven tot de kamers op de verdieping. Het stadhuis was bekroond met een torentje. De ruimte tussen het stadhuis en de huizen aan de zuidzijde van de Grote Markt werd ook ‘straat’ geheten, meer bepaald de straat, lopende van het kerkhof naar de spurfel, zoals het in de andere akten uitgedrukt wordt.

Wordt voortgezet)

Noten

1 Het eerste hoofdstuk verscheen in Zannekin, nr. 4/2012, pp. 6-10 en het tweede hoofdstuk in Zannekin, nr. 1/2013, pp. 12-19.

2 Tot aan de Franse overheersing in 1794 werden ook de gehuwde vrouwen, die niet van adel waren, met “juffrouw” betiteld.

3 Een codicille is en bijvoegsel aan een testament.

4 Onder het Ancien Régime moesten niet alleen de minderjarige kinderen, maar ook de gehuwde vrouwen en de weduwen door hun voogd bijgestaan worden om een wettelijke (be)schikking te treffen.

5 Een “heze” was een waterloop binnen de vestingen van de stad.

6 Schulen hing onder het Ancien Régime (tot 1795) af van de buitenschepen-rechtbank van Lummen, een heerlijkheid (3/4e Loons-Luiks en 1/4e Brabants) onder de heren van der Marck-van Arenberg. Vandaag is Schulen een deelge-meente van Herk, zodat het blazoen van de stad bestaat uit, links het wapenschild van Herk (Sint-Martinus en de tien balken van de Loonse steden) en rechts het wapen van de heren van Arenberg (voor Schulen).

7 Het betreft hier het huis geheten “Die Swaene” (De Zwaan).

8 Een “schalei” was een overdekte doorloop.

9 De bijstand van topografen en etymologen wordt ingeroepen om deze oude benamingen te ontraadselen.

10 Een klovenier (“kolvenier”) was een schutter die een kolf van een geweer tegen zijn schouder drukte.

11 De Heilige Geest was een kerkelijke instelling om de armen te steunen, de voorloper van “armenbureau”, “openbare onderstand” en OCMW.

 

Vanaf de zijlijn

Marten Heida

Een opmerkelijk pleidooi

In de Kalender für das Klever Land auf das Jahr 2012 wordt in een bijdrage van Herbert Driessen herinnerd aan een manuscript met het opschrift “Die Mundart im Dienste des Unterrichtes im Deutschen”. De opsteller, het basisschoolhoofd Franz Kickartz, wilde hiermee een handreiking doen aan de onderwijsgevenden aan basisscholen in de Kreis Kleef. Met name richtte hij zich tot die leerkrachten die niet uit de streek afkomstig waren. Hij achtte het van groot belang dat ze kennis hadden van de Platduitse wijze van uitdrukken. Dit maakte het immers mogelijk dat de schooljeugd zonder angst en vol vertrouwen het onderwijs zou kunnen volgen.

De reden waarom ik op de bijdrage van de heer Driessen inhaak is de wijze waarop Kickartz te werk is gegaan. Hij heeft zich uitgeput in het beschrijven van de taalsituatie door middel van een veelheid van voorbeelden. Op zichzelf is daar natuurlijk niets mis mee want zo kon hij zijn collega’s de helpende hand bieden bij het herkennen van voor-komende fouten in het taalwerk van hun leerlingen. Immers veel van deze fouten waren een gevolg van een soort vertaling vanuit de streektaal in het Hoogduits. Het is mij echter opgevallen dat in zijn manuscript nergens sprake is van de historische achtergrond van het Klever Platt; in elk geval de heer Driessen rept er met geen woord over. De op-steller van bovengenoemde handreiking is er blijkbaar niet van op de hoogte geweest dat de gewesttaal waarmee hij geconfronteerd werd geen Hoogduits dialect was maar zeer nauw verwant aan het Nederlands als een herinnering aan de tijd dat deze taal nog algemeen gangbaar was in deze regio.

Al met al kan gesproken worden van een opmerkelijk pleidooi. Ik denk dat hij zijn collega’s een heel wat grotere dienst zou hebben bewezen wanneer hij hen gewezen had op de verwantschap van de streektaal met het Nederlands. Uit Driessens verhaal moet ik opmaken dat dit werkstuk niet verder is gekomen dan het stadium van manuscript. Men kan natuurlijk gaan raden naar de oorzaak daarvan. Mogelijk is het toch niet zo functioneel geweest als hij zich heeft voorgesteld. En dat zou wel eens verband gehad kunnen hebben met het ontbreken van juist dat taalhistorische venster.

Een jeugdherinnering met een Weense achtergrond

Frans Gommans heeft zijn herinneringen over zijn lagere schooljaren aan het papier toevertrouwd en beschikbaar gesteld voor publicatie in de Kalender für das Klever Land auf das Jahr 2012. Hij deelt mee dat hij na de Paasvakantie van 1934 “schoolrijp” werd bevonden. Op de 9e april van dat jaar ging de deur van de Katholieke Volksschool van Hommersum voor de eerste keer voor hem open. Aan de hand van zijn moeder had hij de meer dan 2 km lange schoolweg afgelegd. Na welkom te zijn geheten door de juf kreeg hij een plaats in het lokaal aangewezen. Hij geloofde wel dat de juf vriendelijke woorden had gesproken maar hij had er nagenoeg niets van begrepen. Immers ze sprak Hoogduits en die taal “was toentertijd voor de kinderen van het platte-land totaal vreemd en niet te verstaan”. De omgangstaal in de boeren-dorpen was in die tijd nog uitsluitend het Nederrijn1andse /Maaslandse dialect dat nauw verbonden was met het Nederlands.

Daar kwam nog bij dat een derde deel van de klasgenoten Nederlandse ouders had; ze woonden weliswaar in de aangrenzende Nederlandse gemeenten maar stuurden hun kinderen toch naar de school in Hommersum vanwege het simpele feit dat het de dichtstbijzijnde was. Het schoolgebouw stond net over de grens als gevolg van de beslissing omtrent het grensverloop in deze regio genomen tijdens het Wener Congres in 1816. Al met al geven Frans’ herinneringen een mooi doorkijkje naar de taalsituatie op het Kleefse platteland van zo’n tachtig jaar geleden. Het laat tegelijkertijd zien hoe een op hoog niveau genomen beslissing zijn weerslag heeft gehad op een voorheen ongedeelde plattelandssamenleving die vanaf dat ogenblik tot twee onderscheiden politieke eenheden ging behoren.

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53,

NL 3905CB Veenendaal

Het laatste woord


Leo Camerlynck

Twee Zannekin-activiteiten rond de Vrede van Utrecht 1713

De studie-excursie van Zannekin heeft plaats op zaterdag 20 april 2013. Elders in deze Nieuwsbrief vindt u meer informatie over deze dagreis naar de Barrièresteden en Rijsel.

In het najaar, meer bepaald op zaterdag 26 oktober 2013, vindt de ontmoetingsdag plaats in de Citadelstad Namen met een bezoek aan o.a. het Bastion des Hollandais of Terra Nova, de Pont des Hollandais, sporen uit een Nederlands verleden. In een later nummer verneemt u hierover meer.

Zannekin en het Forum van Vlaamse Vrouwen in Millam/Frans-Vlaanderen

Het Forum van Vlaamse Vrouwen (FVV) en de Stichting Zannekin slaan de handen in mekaar om de Sint-Mulderskapel of Sint-Mildredakapel respectievelijk te “meteren” en te “peteren”. Er wordt een bord met informatie over de kapel en de Heilige Mildreda onthuld gevolgd door een plechtigheid en een heus Vlaams maal. Ook wordt de kapel der Drie Maagden in Caester door het FVV onder de aandacht gebracht. Het verloop van deze dag verneemt u in een volgend nummer of op de respectieve websteks van de organiserende verenigingen.

Steun aan het Huis van het Nederlands te Belle

In een volgend nummer berichten wij u over het ‘Huis van het Nederlands’ te Belle, dat zeer waardevol werk verricht.

De Engelen van Bergen

In 2014 worden op veel plaatsen in België en Frankrijk veel initiatieven in paraatheid gebracht om de eerste wereldbrand ’14-’18 te herdenken. Een opmerkelijke gebeurtenis is ongetwijfeld het hele verhaal rond de Engelen van Bergen (Mons).

Op de blog http://mayday-mayday-mayday.blogspot.be/2006/10/de-engelen-van-bergen.html wijdt schrijver Patrick Bernauw een uiterst interessante bijdrage aan dit fenomeen. Daar lezen wij onder meer de volgende passages.

“Tijdens de begindagen van de Eerste Wereldoorlog trekt het Britse expeditieleger zich hals over kop terug uit Bergen (Mons). Een Londens dagblad publiceert in die periode een artikel, getiteld ‘De Boogschutters.’ De bijdrage is van de hand van een auteur van griezelverhalen, Arthur Machen, en het is bedoeld om het al zo beproefde moreel van de Engelse soldaten hoog te houden. In de reportage wordt verteld dat, toen de Duitsers zich opmaakten voor de genadeslag, zij aan de hemel een groots visioen zagen van een spookachtig leger dat de Engelsen ter hulp snelde. Dit spookleger zou samengesteld zijn uit de boogschutters van de Slag bij Azincourt, waar de Engelsen in 1415 een glorieuze overwinning hadden behaald. De spooksoldaten hadden voor de gelegenheid de gedaante aangenomen van heuse engelen.

‘Symbolen van hoop waren het,’ zo verklaarde Arthur Machen achteraf. ‘Niet meer en niet minder. Symbolen van hoop in een verhaal en alleen maar een verhààl, dat ik weliswaar geschreven had in de vorm van een nieuwsbericht, om de boodschap krachtiger te laten overkomen.’Groot was de verbazing van de schrijver, toen na de publicatie van zijn fictieve reportage tientallen Britse soldaten verklaarden dat zij de ‘Engelen van Bergen’ met hun eigen ogen gezien hadden. Jaren later nog hielden de veteranen van Bergen voet bij stuk, zelfs toen Arthur Machen verklaarde dat hij het hele verslag verzonnen had: zij hadden met hun eigen ogen gezien hoe hemelse heerscharen dwars door de kruitdamp oprukten naar de Duitse linies… de Engelen van Bergen die hen het leven hadden gered, omdat zij de kansen voor de Britten hadden gekeerd…

Waren de Engelen van Bergen een hallucinatie, het gevolg van massahysterie, veroorzaakt door het krantenartikel van Arthur Machen?… Wie zal het zeggen… In 1930 verklaarde een zekere kolonel Friedrich Herzenwirth, een lid van de voormalige Duitse geheime dienst, dat de Duitsers al heel vroeg in de Grote Oorlog experimenteerden met filmbeelden, die vanuit vliegtuigen op de wolken werden geprojecteerd. Het was de bedoeling met de visioenen een bijgelovige angst te zaaien onder de geallieerde soldaten en ze in paniek op de vlucht te doen slaan.( …)”

Op de http://www.wereldoorlog1418.nl/berichten/mons/index.html#03 schrijft Eric R.J. Wils over “De engelen van Bergen (Mons)” een inte-ressante bijdrage, waaruit wij een aantal fragmenten plukken.

“En als een natie hogere machten, zoals engelen aan zijn zijde heeft dan staat men sterk. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn vele legenden de wereld ingezonden zoals het verhaal over Belgische kinderen die door de Duitse soldaten de handen waren afgehakt. Ook verzonnen, maar een sterk propagandamiddel en dus blijvend gehanteerd en daardoor ‘waar’ gemaakt.

 

Het schilderij met de ‘The Angels of Mons’. Op de heuvel ziet men het Belfort van Bergen

 

 

 

In het Museum voor Militaire Geschiedenis in Bergen (Mons) hangt het schilderij met De engelen van Bergen (Mons), vervaardigd door de uit Bergen afkomstige schilder Marcel Gillis, 1897-1972. Er staat een tekst onder met als titel The legend of the Angels of Mons. Nu is het woord legende waarschijnlijk voldoende om te veronderstellen dat het hier om een verzinsel gaat,( …)”

De Britse regisseur en acteur Richard Attenborough koesterde ooit plannen om rond deze episode uit wereldoorlog één een langspeelfilm te regisseren. Misschien komt het er ooit nog van nu de talrijke herdenkingen rond ’14-’18 vaste vorm krijgen.Ook Marc Joris publiceerde een boek rond dit thema. Het is uitgegeven door het “Vormingsinstituut Wies Moens” uit Kontich. Hebt u soms andere informatie rond de “Engelen van Bergen”, dan horen wij dit graag.

Mons 2015 of Bergen, culturele hoofdstad

In 2015 is de Henegouwse hoofdstad culturele hoofdstad. De Stichting Zannekin en de Orde van den Prince – Land van Edingen plannen hieromtrent een aantal activiteiten. Suggesties zijn uiteraard welkom.

 

Leo CAMERLYNCK, voorzitter

Edouard Michielsstraat 51

B – 1180 UKKEL/Brussel

Tel. 00 32 485 630 227

leo.camerlynck@skynet.be