> nieuwsbrief > 1e trimester 2014

Bijdragen over: Tip

Mededelingen

Hernieuwen ledenbijdrage voor 2014

Hoewel we, zoals elk jaar overigens, straks weer geconfronteerd zullen worden met de – uiteraard weer eens naar boven – aangepaste post-tarieven, blijft uw ledenbijdrage voor 2014 ongewijzigd. Ze beloopt voor het in mei te verschijnen nieuwe Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ en voor de driemaandelijkse Nieuwsbrief Zannekin 29 €. Vanaf 35 € wordt u met dank als steunend lid geboekt.

Maakt u bij voorkeur gebruik van ons ‘Belgische’ zogenaamd ‘Europees’ rekeningnummer, waarvan de rekeningoverzichten ons dagelijks meegedeeld worden. Leden genieten bovendien ook een tastbare vermindering op de deelnamekosten van de Zannekin-activiteiten.

Herdruk ‘Nieuw Oud Vlaams’ van Cyriel Moeyaert

Samen met het jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ konden we in 2011 al onze leden een exemplaar aanbieden van de eerste druk van deze uitgave, die nieuwe lemma’s bracht bij het Woordenboek van het Frans-Vlaams van deze auteur.

Deze eerste oplage was binnen de kortste tijd uitverkocht, zodat Cyriel Moeyaert besloot tot een tweede ongewijzigde druk. De genaaide uitgave telt 96 p. in het formaat van onze jaarboekenreeks. Geïnteresseerden kunnen een exemplaar van deze tweede druk aanschaffen via ZANNEKIN. Daartoe volstaat het 12,50 € over te boeken op een ZANNEKIN-rekening), met de vermelding’ Nieuw Oud Vlaams’. De verzendkosten zijn inclusief.

 

 



 

Zannekinfeest te Rexpoede in Frans-Vlaanderen


In onze vorige Nieuwsbrief maakten we u opmerkzaam op het aangekondigde ‘Vlaams Feest’ te Rexpoede, waarbij o.a. een nieuwe reus, met de naam ZANNEKIN nog wel, zijn intrede deed

De krant ‘Le Journal des Flandres’ van 28 augustus bracht daarover bijgaand verslag


Frans-Vlaanderen en zijn taal


Een bestandsopname anno 1940

In de laatste tijd groeide bij ons in zeer grote mate de belangstelling voor Frans-Vlaanderen. Bladen en tijdschriften, ook Volk en Staat, droegen er het hunne toe bij om hun lezers op de hoogte te houden van de toestand aldaar.

Het laatste stuk dat vóór de [Tweede Wereld]oorlog verscheen over dit onderwerp was wellicht het hoofdartikel in het maart-nummer [1940] van het maandschrift Gudrun. Hier volgt een artikel met enkele nadere inlichtingen die ons van bevoegde zijde werden toegezonden.

De inwoners van dit deel van de Nederlanden waren vóór hun aanhechting aan Frankrijk (in de tweede helft van de 17e eeuw) Dietsers uit één stuk. Hoewel hun streek zeer dicht bij het machtige Frankrijk gelegen was, scheen de Franse taal niet veel bekoring te hebben voor de stoere Vlamingen uit de Westhoek. In de 16e eeuw waren er b.v. in Duinkerke, de hoofdplaats van de Westhoek, maar weinig mensen die Frans kenden; en bestonden daar wel vier rederijkerskamers.

De Vlamingen wisten wel dat het machtige Frankrijk hun steden beloerde, en zij voelden zich Nederlanders met hart en ziel. Michiel de Swaen, de grootste van hun dichters, roemde zijn land in een gedicht aan keizer Karel V:

O Prins! Dat Nederland zo roem en zegenrijk,

Het schoonste en beste deel van gheel het Spaensche rijck

De bloeme van Euroop, den pronk van alle landen…

Wat moeten de gevoelens geweest zijn van de bevolking, toen de Westhoek bij Frankrijk werd ingelijfd onder Lodewijk XIV!

Er zijn geen bewijzen voorhanden dat het volk zich gewapenderhand verzet heeft tegen deze inlijving, zoals de Bretoenen dat zouden doen wanneer zij op hun beurt in 1790 geheel door Frankrijk ingepalmd werden. Neen, van een boerenopstand zoals bij de Bretoenen, hebben wij niets gehoord, maar taai bleef de Vlaamse bevolking haar aard en taal getrouw. Fransen wilden zij in geen geval worden, en ze zijn het ook tot heden toe niet, hoewel zij officieel natuurlijk zo aangeduid worden, evenals de Elzassers, Basken, Bretoenen, enz.

Tot aan de Franse omwenteling werd de moedertaal tamelijk met rust gelaten. Frankrijk drong toch zijn taal als enige officiële taal, b.v. in Duinkerke op. Tijdens de omwenteling echter werden overal Franse onderwijzers aangesteld. Zij moesten er voor zorgen dat de moedertaal uit de scholen gebannen werd. Zo werd bij de Vlamingen de glorierijke Republiek met de mooie leuze: ‘vrijheid, broederschap, gelijkheid’ ingeluid door de onderdrukking van hun moedertaal.

Toch verschijn het Nederlands stilaan terug in de scholen: de onderwijzers gaven naast het Frans nog enkele uren Nederlands onderricht, tot dat in 1853 ook dat verboden werd. Uitzondering werd nog gemaakt voor de catechismus. De kinderen hadden een tweetalig tekstboek. Doch in de jaren tachtig, toen de godsdienst uit de scholen werd gebannen, verdween ook dat laatste overblijfsel van Nederlands onderwijs.

Tot de eer van de geestelijkheid moet gezegd worden dat zij met hand en tand voor de handhaving van de eigen taal en zeden hebben gestreden. Zij gingen voort met catechismusonderricht, met prediken in het Nederlands. In al hun betrekkingen met het volk spraken zij hun eigen taal. Geen drukking, noch van wereldlijke, noch van geestelijke overheid, kon hen ertoe brengen verraad te plegen jegens hun volk. Het hoogste kerkelijk gezag trok de genomen maatregelen in – en dit was te danken aan de fiere vastberaden houding van het merendeel van de priesters.

Zo hebben daar hoofdzakelijk de priesters en de onderwijzers zich verzet tegen de verfransing, systematisch doorgevoerd van officiële zijde. De kamers van retorica, welke zeer bloeiend waren tot aan de Franse omwenteling, droegen ook veel bij tot het behoud en het verspreiden van de moedertaal.

De taal bleef dus bewaard, doch daar zij grotendeels een gesproken taal bleef, en steeds minder Vlamingen hun taal konden lezen en schrijven, is het de taal gebleven van de 18e eeuw. Zij is niet gemoderniseerd zoals in Noord- en Zuid-Nederland, maar heeft haar eigen wezen zuiver bewaard. Evenwel is het voor de meeste Frans-Vlamingen moeilijk vlot algemeen Nederlands te lezen. Feitelijk zijn zij (de gestudeerden uitgezonderd) van alle hogere ontwikkeling in eigen taal verstoken.

In latere jaren zagen enkele Vlaamse tijdschriften het licht. De Vlaamsche Stemme in Vrankrijk verscheen kort na de [Eerste] Wereldoorlog. Later kregen ze Le Lion de Flandre en De Torrewachter, welke bladen steeds degelijker werden, totdat ze samen in één band verschenen en tot een zeer lezenswaardige uitgave zijn uitgegroeid, niet enkel voor de Frans-Vlamingen, maar ook voor alle Nederlanders. De Tisje-Tasje almanak bestond ook al voor de oorlog en is daarna ook tot leven teruggekeerd.

Zijn daar nooit pogingen aangewend om al de Dietsgezinden te groeperen? Toch wel. E het zijn weer vooral de priesters die de stoot gegeven hebben, en zelf jarenlang hun beste krachten aan de beweging hebben gewijd. We noemen hier enkel prof. Dr. Kanunnik C. Looten, die steeds de ziel is geweest van het ‘Comité Flamand de France’.

In de seminaries van het bisdom Rijsel wordt de Nederlandse taal onderwezen, zodat de priesters niet met een vreemde taal tot het volk moeten gaan. Daar zet de geestelijkheid in dat de godsdienstige waarheden diepst in hart en ziel van het volk doordringen wanneer men die verkondigt in zijn eigen taal. In Brussel schijnen de zielen van de Dietsers helaas niet zoveel waard te zijn.

Ook bestaat bij de Faculteit van Wijsbegeerte en Letteren aan de Katholieke Hogeschool te Rijsel een leerstoel voor de Nederlandse Taal- en Letterkunde – de enige in Frankrijk! Avond-leergangen in de Nederlandse taal worden ingericht in de Handels- en Nijverheidsschool (een stichting van de Kamer voor Koophandel) te Toerkonje (Tourcoing). In dezelfde stad zorgt de Nederlandse Sectie van de ‘Cercle Polyglotte’ voor cursussen in onze taal. De ‘Vlaamse Vriendenkring’ van Robeke (Roubaix) heeft ook van zijn kant zulk een initiatief genomen.

In de laatste jaren is vooral het ‘Vlaams Verbond van Frankrijk’ zeer actief opgetreden. Het belegt congressen, het schrijft prijskampen uit over Taal- en Letterkunde, Geschiedenis en Folklore. Het ‘Davidsfonds’, dat reeds lange jaren in de Westhoek is ingeburgerd, geeft ook jaarlijks een prijs, evenals het ‘Algemeen Nederlands Verbond’. Zo worden de Dietsgezinden aangemoedigd om Nederlands te leren, te schrijven en te spreken.

Sedert jaren heeft er contact bestaan tussen Frans-Vlamingen en andere Nederlanders, maar die betrekkingen moeten ononderbroken en systematisch worden doorgevoerd. We kennen ginder nationale werkers, die gans op Diets standpunt staan en dag en nacht ijveren om hun gedachten ingang te doen vinden. Maar zij stuiten op grote moeilijkheden. Parijs doet steeds zijn best, en dat is heel wat, om zijn minderheden taal en eigen volksleven te ontnemen. Het slaagt er gewoonlijk in de vreemde volksstreken minstens een Frans uitzicht te geven. De Frans-Vlamingen te helpen weer zich zelf te worden is mede de taak van Noord- en Zuid-Nederlanders. Het moet uit zijn met de echt liberale mentaliteit eigen volksgenoten aan hun lot over te laten van zo gauw een vreemde staat er zich meester van heeft gemaakt.

____________

Bron: Volk en Staat, 23 juni 1940, p. 3.

Toelichting: dit verhaal is straks driekwart eeuw oud en tussen toen en nu blijkt er een merkwaardige continuïteit te bestaan. Alleen dienen er persoonsnamen en tijdschrifttitels vandaag anders ingevuld te worden; de bestrevingen blijven ongewijzigd: een Nederlandse toekomstdroom voor de Nederlanden in Frankrijk naderbij brengen.

 

Belgier gehen in Wittenberg auf Spurensuche


Rainer Schulz

WITTENBERG/MZ/RS - Bereits zum vierten und letzten Mal in diesem Jahr 2013 ging Leo Camerlynck mit Studenten der Seniorenuniversität Hasselt (Belgien) in Wittenberg auf Spurensuche. Zielgerichtet macht der Brüsseler Historiker seine Landsleute bekannt mit den historischen Wurzeln der Flamen, die bis nach Danzig und sogar Russland führen.

Schon seit vielen Jahren verfolgt Camerlynck die Spuren der Flamen, sei es in Südafrika, Frankreich, Polen oder Russland. Eine wichtige Spur führt dabei in den Fläming. "Der Verein Fläming-Flandern in Witten-berg ist bei allen meinen Forschungen ein wichtiges Bindeglied. Hier er-halte ich gute fachliche Hinweise und organisatorische Unter-stützung", sagt Camerlynck, der mit knapp 200 Studenten, die allein in diesem Jahr jeweils zwei Tage in Wittenberg weilten, dafür sorgt, dass Belgien gleich nach den USA an zweiter Stelle der ausländischen Besucherstatistik in der Lutherstadt stehen dürfte.

"Ich glaube, unsere Studenten haben inzwischen ein Faible für Wit-tenberg entwickelt. Vielleicht liegt es an den flandrischen Wurzeln", sagt der Belgier und verweist lächelnd auf Gemeinsamkeiten wie Bier und das gute Essen.

Viele der Studenten - das Durchschnittsalter liegt übrigèns bei 67 Jahren - waren das erste Mal im Osten Deutschlands. Sie seien erstaunt über den guten Zustand solcher Städte wie Wittenberg. Die Altstadt und die offenen Bäche haben es vielen angetan. Aber auch Fragen zur früher dominierenden Chemieindustrie gab es oder zum Christentum in der DDR.

"Für uns war auch der Leucoreabesuch ein ganz wichtiger Program-mpunkt, Von hier gab es viele Antegungen für eine internationale Zu-sammenarbeit, die ganz gewiss eine Fortsetzung flndet", verweist der Brüsseler darauf, dass eines bei allen Besuchern haften geblieben ist: die Offenheit und Freundlichkeit der Wittenberger.

_______________

Bron: Mittteldeutsche Zeitung, 20 09 2013.

 

BROEKERS IN WATERLAND


Vlamingen in de moerassen van Sint-Omaars

In het waterland (de broeken) rond de Frans-Vlaamse stad Sint-Omaars worden al eeuwen groenten gekweekt in een uitgestrekt gebied dat alleen met bootjes toegankelijk is. Daar heeft een vrij gesloten gemeenschap stand gehouden, de ‘broekers’, die door de eeuwen heen taalkundigen en etnologen heeft geïntrigeerd. En die sinds de Jakobijnen van de Franse Revolutie een doorn in het oog was van de unitaire Franse staat.

Hun traditionele klederdracht wekte nieuwsgierigheid op. De oude Saksische naam van Sint-Omaars, Sithiu, maakte het zeker nog wat ondoorgrondelijker. De broekers kregen allerlei benamingen (Sara-cenen!) en over hun afkomst werd druk gespeculeerd (Galliërs, Vikings?), terwijl het in wezen gewoon Vlamingen waren.

Wido Bourel neemt ons mee op een ‘bakkogge’, een platte schuit door het waterland van vandaag heen, op de grens van Frans-Vlaanderen en Artesië, waar de traditionele tuinbouw gewoon verdergaat. Dit vruchtbare natuurgebied, met zijn vele mythen en verhalen, fascineert iedere bezoeker. Het boekje wordt afgerond met een selectieve bibliografie, een chronologie van Sint-Omaars en omgeving en de volledige, oud-Vlaamse tekst van Aenhoort alle vrienden, het lied van de broekers in Waterland.

ISBN 978-90-8182-492-7 - NUR code: 693

64 blz., met 35 illustraties. Formaat: 20 x 12,4 cm

Prijs 14 €, rekening IBAN: BE38844045090172 - BIC Code RABOBE22

 

Kalender Davidsfonds-Frans-Vlaanderen 2014:


Een jaar in de Franse Nederlanden

Het is opvallend hoeveel mensen belang hechten aan de Vlaamse identiteit en cultuur in Frans-Vlaanderen. Sinds jaar en dag zet het Davidsfonds Frans-Vlaanderen zich in voor het behoud van de Vlaamse cultuur over ‘de Schreve’. Dit gebeurt onder meer door de uitgave van een kalender met als doel de eigen geschiedenis en Vlaamse cultuur-rijkdom van de streek te leren kennen en te promoten.

De kalender 2014 geeft vooraan een kijk op de mysterieuze abdijtoren van Waten (Watten), gelegen op 72 meter boven de zeespiegel. Onder meer vanuit de polders is de toren op de Watenberg een baken in het landschap. In de schaduw ervan ligt Diederik van de Elzas begraven onder een verdwenen marmeren mausoleum.

Verder in de kalender kunnen we in Pitgam de hele mooie windmolen bewonderen met de trotse naam ‘De Leeuw’. Gezelle kwam een jaar voor z’n afsterven in Zerkel (Sercus) en ontdekte een Vlaamse kapel met een nog bestaand Nederlands opschrift. Hij schreef een prachtig gedicht over de romaanse kerk die je vanaf de kapel kunt zien. In de kerk van Millam helpt de Samaritaan in het gebrandschilderde raam de geplunderde en verwonde reiziger op z’n rijdier. Dan steken we de A over, de aloude grens van Vlaanderen en we komen in Londevoorde (Londefort) waar Godelieve van Gistel in 1149 geboren is, toen nog een Vlaams dorp. De kasteelboerderij met een stemmige duiventoren hing af van het kasteel waar Godelieve woonde. Bonen (Boulogne-sur-Mer) is hier niet zo ver vandaan en evenmin de wondere witte steile kaap Blankenes (Cap Blanc-nez), 134 meter hoog: een wonderlijk landschap, uniek in de Nederlanden. In Skale bleef onze taal tegen de kaap weerklinken tot in de 16e eeuw. Met de Kaaipoort in Sint-Winoksbergen (Bergues) werpen we een blik op het indrukwekkende vestingwerk dat de stad omringt.

De kalender kost 7 euro (9 euro met verzending). Voor verzending gelieve het juiste bedrag te storten op girorekening van het Davidsfonds-Frans-Vlaanderen: IBAN: BE14 7380 3921 3583 – BIC: KREDBEBB – adres: Fernande Verstraeteplein 3 8600 Diksmuide. Meer informatie bij Jan van Ormelingen, 016/72 01 87.

 

Het Land van Herve en Overmaas


een landstreek op het kruispunt van interessante wegen

Vik Eggermont

Waarom boeiend? Vooreerst omwille van de Maas die er, grofweg geschetst, van Zuid naar Noord doorheen stroomt. Al van in de Karolingische tijd was die stroom de slagader van de nieuwe beschaving die na de val van het West-Romeinse Rijk langzaam tot stand kwam. Aan haar oevers bloeide immers de edelsmeedkunst en de metaalnijverheid, denk maar aan de koperslagerijen in Dinant (de dinanterieën) of de prachtige doopvont van Renier van Hoei die we nog altijd kunnen bewonderen in de Luikse Sint-Bartholomeuskerk.

Helaas! Waar een stroom, destijds het beste vervoermiddel voor goederen en mensen (doorgaans beter bruikbaar dan landwegen), welvaart bracht, was hij ook de voordeligste weg voor… legers. Of de mensen uit Overmaas er gelukkig om waren is een ander paar mouwen. Denken wij maar aan de 17e eeuw (1672), toen Lodewijk XlV zijn houwdegens Turenne en Condé op het Noorden afstuurde om Maastricht te belegeren. Met een leger van niet minder dan 100.000 man wel te verstaan. Als de Zonnekoning ergens zijn opwachting maakte, kwam hij nooit alleen. Het toppunt van het verhaal is dat toen men de Prins-bisschop van Luik er attent op maakte dat de neutraliteit van zijn grondgebied door de Fransen geschonden werd, hij doodleuk antwoordde… dat hij geen leger bemerkt had. Bisschoppen kunnen toch ook bijziende zijn zeker.

Dwars op de Maas entte zich een andere belangrijke weg, van Oost naar West ditmaal, die gebruikt werd door de handelaars uit Keulen en het Rijnland voor hun handel met de toen bloeiende Hanzestad Brugge, hun “poort” naar de zee. Hemeltje lief, er is voor het vrijhouden van die weg, of juister: het in handen houden van de oversteekplaatsen op de Maas, menig gevecht geleverd. De hertog van Brabant, Jan I, ging er in de clinch met de hertog van Gelderland, ook een vechtjas altijd bereid om een robbertje te vechten. Brabant werd daarbij geholpen door de bisschop van Keulen, want die had in die tijd nog wel andere belangen dan enkel het zielenheil van zijn gelovigen! Dat weten we allemaal nog uit onze schooljaren, toen we leerden over de Slag bij Woeringen in 1288. Een ingewikkelde “affaire”, waardoor op de duur ook Limburg, Loon en zelfs Luxemburg er bij werden betrokken. Wist men uiteindelijk nog wel tegen wie men moest vechten? En waar die twee wegen, t.t.z. stroom- en de landweg, elkaar kruisten, wat ligt daar? Juist: het land van Herve en Overmaas en de inwoners daarvan kregen er dus ook mee te maken, al zal het wel erg tegen hun zin geweest zijn.

Het gevolg van al die ruzies was natuurlijk dat er in deze streken een aantal kleine heerlijkheden ontstonden die door hun grotere buren beheerst werden: het land van Kerkrade, het land van Valkenburg, enz… Het piepkleine Moresnet, een kunstmatige constructie, iets meer zuidelijker van Overmaas, slaagde er zelfs in een semi-zelfstandig bestaan te bewaren tot na de Eerste Wereldoorlog. Wat we eruit kunnen onthouden is dat de grenzen van de Nederlanden in het Oosten heel wat moeilijker tot stand kwamen dan in het Zuiden.

En zoals al geweten is leunen hier verschillende talen tegen elkaar aan. En soms botsen ze zelfs. Het Waals, dat grotendeels verdrongen werd door het Frans, het Nederlands, maar dan wel in een Limburgse dialect-variant en, dichter tegen Aken, waar zich de Paltskapel van Karel de Grote bevindt, het Duits. Nu houdt het bestaan van talen natuurlijk ook in dat hun gebied elkaar ergens raakt. Dit verschijnsel noemen we dan “taalgrenzen”. Op onze aardbol zijn er zo wel honderden, misschien zelfs duizenden, maar België is wat dat betreft een unicum! Hier wer-den de taalgrenzen wettelijk, dus: onveranderbaar, vastgelegd. Een noodzakelijk iets om te beletten dat wij elkaar te fel in de haren zouden vliegen. Alhoewel…

Want ieder met redelijk verstand begaafd persoon zal wel begrijpen dat politici die taalgrens wel bij wet kunnen vastleggen, maar dat de wet niet altijd overeenstemt met het echte leven. In ’t Frans hebben ze het over: le pays légal et le pays réel. Niemand kan beletten dat een Franstalige zich enkele meters boven die grens gaat vestigen en een Nederlandstalige een beetje zuidelijker daarvan. Mensen verhuizen nu eenmaal, bouwen een huis waar ze graag wonen, dichter bij hun werk of omdat de grond daar nog betaalbaar is. En wie kan beletten dat een stoere Vlaamse jongen smoorverliefd wordt op een beeldschoon Waals meisje? En daar gaan we dan met onze “bij wet” vastgelegde taalgrens!

De werkelijkheid is dat taalgrenzen zich eeuwenlang hebben gevormd onder druk van demografische, socio-economische en soms zelfs, en dat is erger, militaire ontwikkelingen. Het mooiste voorbeeld van dat laatste is Frankrijk, waar onder dwang van de Franse koningen enkele tientallen regionale talen uitgeroeid werden ten voordele van de taal van het l’Ile de France, het Frans. Anders gezegd: taalgrenzen zijn rekkelijk, poreus, niet scherp afgelijnd, langzaam in elkaar overvloeiend. Dat is nu eenmaal de werkelijkheid al zullen sommigen dat niet graag horen.

Om het te illustreren met één voorbeeldje: in het Waals-Brabantse Beauvechain (Bevekom) worden momenteel de meerderheid van de bouw-aanvragen gedaan door… Nederlandstaligen. Allemaal mensen die de grondprijzen in het Vlaamse Leuven niet meer kunnen betalen en die daarom uitwijken. Maar de wet schrijft nu eenmaal voor dat dit aan het taalstatuut van die gemeente niets kan veranderen. Zo ook hebben in de 19e en zelfs nog 20e eeuw tienduizenden Vlamingen zich uit miserie in de Waalse industriebekkens moeten vestigen. Omdat hun kleine landbouwbedrijven geen levensruimte boden aan hun kinderrijker gezinnen. Zij werden er op de kortste tijd totaal verwaalst, verfranst en liepen er verloren in de armoedige “corons” van Charleroi, Luik en de Borinage, of in de vele onooglijke mijnwerkersdorpjes. Het was de tijd van “Arm Vlaanderen”. Een echt drama is dit geweest, waarvan wij de omvang nog altijd te weinig begrijpen. Gelukkig zal dit nu niet meer zo gemakkelijk gebeuren. Waar de vroegere Vlaamse koelies gedwongen waren zich aan hun nieuw Waals milieu aan te passen en bijvoorbeeld hun kinderen naar Franstalige scholen te sturen (als ze al naar school gingen!), zullen die nieuwkomers van Beauvechain wellicht de bus of de auto nemen om in Leuven naar een Vlaamse school te gaan.

Of hoe een dubbeltje rollen kan… of nog: hoe men mijmerend over Herve en Overmaas ver daarvan afdwalen kan, zonder evenwel de draad van de geschiedenis los te laten!

 

Vanaf de zijlijn


Marten Heida

En toen was er een wolf in het land

Op 4 juli 2013 werd er bij Luttelgeest in de Noordoostpolder een wolvin aangetroffen; het ongeluk had ze niet overleefd. Dacht men aanvankelijk aan een grap, onderzoek door mensen van de Wageningse Universiteit wees uit dat hier geen sprake was van in-scène-gezet-zijn. Vastgesteld werd dat deze diersoort steeds verder in westelijke richting “oprukte” en dat er terdege mee gerekend moest worden dat de wolf weer een inheemse diersoort zou worden. Geruststellend werd eraan toegevoegd dat men geen vrees hoefde te koesteren voor dit dier; mensen zou hij niet aanvallen.

 Echter in het gebied van het huidige Midden-Limburg en dat van de aangrenzende Kreis Viersen dacht men daar rond 1800 wel anders over. Uit de berichtgeving van die dagen blijkt dat deze roofdieren zich alles-behalve tevreden stelden met ganzen, schapen en kalveren. In de jaren rond 1810 waren kinderen een gewilde prooi. Zo werden in het Duits-Nederlandse grensgebied bij Roermond maar liefst negen kinderen gedood en twee door beten zwaar gewond. Om het gevaar het hoofd te bieden werden drijfjachten georganiseerd maar het resultaat daarvan was zeer gering. Dat werd duidelijk toen opnieuw kinderen - waaronder een meisje van elf jaar - het slachtoffer werden.

Met het bovenstaande heb ik getracht duidelijk te maken dat het soms nuttig kan zijn zich te laten informeren door het verleden. Dat kan ertoe bijdragen dat er op een verantwoorde wijze voorlichting wordt gegeven.

Bron: Bijdrage van Dieter Hartwig in Heimatbuch Viersen 2013.

De “jacht” gaat onverminderd door

Al in mei 1542 had Frans I, koning van Frankrijk, troepen samengetrokken langs de grenzen van Vlaanderen en Luxemburg. Toch zou het nog tot de 12e juli duren voor de officiële oorlogsverklaring werd afgekondigd als gevolg waarvan de derde Gelderse erfopvolgingsoorlog begon. Op 16 oktober slaagde het leger van Karel V erin de Gulikse grensvesting Heinsberg te veroveren. Maar Willem V, hertog van Gulik-Kleef-Berg, legde zich niet bij de ontstane situatie neer; zijn troepen sloegen in januari 1543 het beleg rond Heinsberg. Van heroveren was evenwel geen sprake; de hertogelijke troepen werden zelfs gedwongen het beleg in juni op te breken.

Voor tijdgenoten heeft de belegering van Heinsberg zeer tot de verbeelding gesproken. En dat in de meest letterlijke zin van het woord. Al in augustus bracht de Antwerpse uitgever Jan (Hans) Liefrinck (Augsburg 1513-Antwerpen 1573) een houtsnede van de belegering op de markt. Zijn opleiding had hij genoten aan de St.-Lukasgilde in de Scheldestad. Na voltooiing opende hij een eigen zaak op de Lombaerdeveste.

Het maken van de hierboven genoemde houtsnede had hem veel moeite gekost om te zwijgen van de daaraan verbonden kosten. Het was dan ook een hard gelag te ontdekken dat andere houtsnijders zijn prenten gingen kopiëren. Ook al waren ze van veel mindere kwaliteit dan het origineel, ze konden ze een stuk goedkoper aan de man brengen.

Om voor deze kwalijke praktijk een stokje te steken richtte hij een verzoek tot de keizer hem een privilegie toe te kennen om zich te kunnen beschermen tegen deze vorm van namaak. Als tegenprestatie verplichtte hij zich geen afbeeldingen uit te geven die gericht waren tegen de katholieke geloofsovertuiging. Zijn verzoek werd ingewilligd en wel voor een periode van twee jaar.

Tot op heden is geen exemplaar van de oorspronkelijke houtsnede van het beleg van Heinsberg gevonden. Wel is in de Brusselse Codex een tekening daarvan opgenomen (blad 10), maar die is niet gesigneerd. De samenstelling van deze codex wordt gedateerd rond 1606. Dat betekent dat deze tekening niet een origineel kan zijn. Peter H. Meurer sluit zijn bijdrage in de Heimatkalender des Kreises Heinsberg 2013 – waaraan ik deze gegevens ontleend heb – af met het uitspreken van de hoop dat eens dat origineel zal opduiken. Veelzeggend voegt hij eraan toe: “Zolang dat niet het geval is zal de ‘jacht’ geen einde kennen.”

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53

NL 3905 Veenendaal

 


 

Het laatste woord


Leo Camerlynck

Jaarwisseling

Deze Nieuwsbrief bereikt onze leden op de grens tussen oud en nieuw. Reden om hen allen een gelukkig en vruchtbaar jaareinde en nieuw jaar toe te wensen.

In memoriam Luc Verbeke

Een hard werkende Vlaming, een voortrekker, een dichter, een vader en grootvader, een zeer verdienstelijke man voor Frans-Vlaanderen ging heen. Luc Verbeke ging heen op 89-jarige leeftijd. Hij werd geboren te Wakken op 24 februari 1924 maar hij werd vooral vereenzelvigd met Waregem, waar hij zich vanaf zijn huwelijk met Maria Bossuyt in 1951 vestigde. Hij overleed op 30 september 2013 te Waregem.

Waregem, Frans-Vlaanderen en Luc Verbeke werden vaak in één adem genoemd.

Na zijn studies aan de Normaalschool te Torhout belandde hij in het onderwijs, waar hij het tot inspecteur bracht. In 1989 ging hij op rust, althans voor wat de onderwijssector betrof. Naar de Franse Nederlanden toe bleef hij hyperactief. Reeds in 1947 stichtte hij samen met André Demedts het Komitee voor Frans-Vlaanderen of KFV. Gedurende vijf decennia was hij secretaris van het KFV. Hij bleef daarna de drijvende kracht, ook toen hij van 1997 tot 2001 voorzitter van het KFV werd, en nadien erevoorzitter. Luc Verbeke is auteur van talrijke publicaties over Frans-Vlaanderen zoals het boek Vlaanderen in Frankrijk uit 1970. Vanaf 1973 gaf hij het driemaandelijkse tijdschrift KFV-mededelingen uit.

Dichter Luc Verbeke publiceerde negen poëziebundels met als bekendste: Nescio Quid (1978), Ik leef in taal en tijd, Herfst- en Nieuwjaarsgedichten (2004) en de aangrijpende Gedichten voor Maria (2013).

Luc Verbeke werd onderscheiden met de Visser-Neerlandia-prijs in 1965, de André Demedts-prijs van de Marnixring in 1970, de dr. F. A. Snellaert-prijs in 1994 en de Remi Piryns-prijs in 2004. Hij was lid van de Europese Eresenaat, van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde uit Leiden. Daarnaast werd hij in 1989 Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Frans-Vlaanderen en de hele Nederlanden verliezen met Luc Verbeke een grote persoonlijkheid met een enorme inzet.

 

Exit Frans-Vlaamse Dagen in Nieuwpoort

Na elke gemeenteraadsverkiezingen was het in Nieuwpoort altijd bang afwachten of de nieuwe gemeenteraad en het nieuw schepencollege de Frans-Vlaamse Dagen, die bijna vier decennia lang werden georganiseerd, zou bestendigen. En wat door velen gevreesd werd bij het aantreden van het nieuwe college, is gebeurd. De Frans-Vlaamse Dagen zijn niet meer.

Medio de zeventiger jaren van de voorbije eeuw werd onder impuls van de socialistische burgemeester Georges Mommerency en diens cultuurschepen Willy Vermote de Frans-Vlaamse Veertiendaagse in Nieuwpoort boven de doopvont gehouden. Jaar na jaar groeide de belangstelling voor dit prachtinitiatief, dat behartigd werd door Etienne Desaever, hoofd van de dienst Cultuur en Toerisme van de stad Nieuwpoort.

In de plaats van een absolute socialistische meerderheid, die naar het einde toe scheuren vertoonde door het weinig opbouwend optreden van twee dissidente jong-socialisten, kwam er vanaf de negentiger jaren een volstrekte christendemocratische meerderheid in de gemeenteraad. Deze meerderheid bleef het initiatief behartigen, vooral dankzij het enthousiasme van de betrokken cultuurschepenen. Vooral schepen Greet Ardies zette zich ter dege in om het voortbestaan van de Frans-Vlaamse Dagen te garanderen.

Ondertussen zijn de functies herverdeeld binnen het schepencollege. De gemeenteraad zag een voortzetting van de Frans-Vlaamse Dagen niet meer zitten. Dit valt uiteraard te betreuren omdat na de Frans-Vlaamse Dagen in het Zeeuws-Vlaamse Hulst en in het Frans-Vlaamse Ekelsbeke nu ook de Frans-Vlaamse Dagen in Nieuwpoort wegvallen.

Een sprankel hoop blijft in het voortzetten van de jaarlijkse dagexcursie naar de Franse Nederlanden. De Stichting ZANNEKIN heeft aangeboden in een beginfase de organisatie van die dag op zich te nemen mits steun te kunnen genieten van het Nieuwpoorts stadsbestuur.

Geslaagd “Dictee van de Nederlandse Taal” te Rijsel

Op 7 december 2013 werd te Rijsel een Dictee van de Nederlandse Taal georganiseerd, dat heel wat belangstellenden lokte. Het was een initiatief van een aantal verenigingen, waaronder het Huis van het Nederlands te Belle en het Initiatief voor het Nederlands uit Rijsel. Dit initiatief werd positief onthaald en ruimschoots bericht en belicht in de pers.

Het evenement is niet nieuw want in het Huis van het Nederlands te Belle werd gedurende een aantal jaren jaarlijks het Groot Dictee van de Nederlandse Taal van het Davidsfonds georganiseerd, dat eveneens heel wat bijval kende. (Zie foto van de prijsuitreiking).

Binnen de Eurometropool Rijsel-Kortrijk-Doornik worden nog meer activiteiten ter bevordering van het Nederlands gepland.

 

 

Orde van den Prince en Marnixring steunen het Huis van het Nederlands te Belle

Het Komitee voor Frans-Vlaanderen steunt sinds de stichting van het Huis van het Nederlands te Belle de werking ervan.

Het bijna vijftien jaar jonge Huis van het Nederlands krijgt nu ook financiële steun van de Orde van den Prince en van de Marnixring. Vooral het informaticamateriaal en –materieel was na bijna drie lustrums aan modernisering toe.

Het Huis kent heel wat bijval en verdient dan ook alle steun. Het vormt een uiterst belangrijke schakel in de bevordering van het Nederlands in Frans-Vlaanderen. Wat meer ondersteuning van de Vlaamse en Nederlandse regeringen zou beslist welkom zijn.

Leo N.J. CAMERLYNCK

Voorzitter Stichting Zannekin

“De Zavelberg”

Edouard Michielsstraat 51

B – 1180 UKKEL / Brussel

leo.camerlynck@skynet.be