> nieuwsbrief > JGe jg. - 2e trimester 2014

Bijdragen over:

Mededelingen

 

Hernieuwen ledenbijdrage voor 2014

De hernieuwing van de bijdragen voor 2014 verliep uitzonderlijk vlot. De ledenbijdrage voor 2014 blijft ongewijzigd en beloopt voor het in mei te verschijnen nieuwe Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ (waarover verderop in dit nummer méér info) en voor de driemaandelijkse Nieuwsbrief Zannekin 29 €. Vanaf 35 € wordt u met dank als steunend lid geboekt.

Maakt u bij voorkeur gebruik van ons ‘Belgische’ zogenaamd ‘Europees’ rekeningnummer, waarvan de rekeningoverzichten ons dagelijks meegedeeld worden. Leden genieten bovendien ook een tastbare vermindering op de deelnamekosten van de Zannekin-activiteiten.

 

Studie-uitstap op 26 april naar Longueval in Picardië


We plannen een dagexcursie naar Longueval. Daar - tussen Atrecht (Arras) en Amiens - bevindt zich een stukje Zuid-Afrika. Medio maart verscheen over Longueval een boekje van de hand van Leo Camerlynck, dat deels in het Afrikaans, deels in het Nederlands geschreven is.

Als datum voor deze dagexcursie kozen we zaterdag 26 april 2014

En als programma hebben wij het volgende uitgewerkt:

08.15 uur: samenkomst op het Marktplein te Nieuwpoort.

09.15 uur: opstapplaats te Ieper (station). Vrij parkeren op het terrein van het voormalige goederenstation (kruispunt Oudstrijderslaan-Dikkebusseweg) op 100 m van het station).
10.00 uur: opstapplaats te Belle/Bailleul (Huis van het Nederlands, Ieperstraat - rue d'Ypres) Van daar uit busrit naar Longueval met een stop onderweg.

11.45 uur: LONGUEVAL: verwelkoming in het Afrikaans door de heer Thapedi Masanabo, directeur van het Memoriaal van Delvillebos en bezoek aan het Memoriaal met de triomfboog en de replica van het Kasteel te Kaapstad. Vervolgens busrit naar GOUY

13.00 uur in GOUY: middagmaal en vervolgens wandeling tot aan de bron(nen) van de Schelde

Aan de bron prijkt deze mooie tekst.

'Felix sorte tua Scaldis fons limpidissime

qui a sacro scaturiens agro

Alluis et ditas nobile Belgium

totque claras urbes lambens

- Gravius Thetidem intras'

 

'Schelde, kristalheldere bron, gezegend is uw bestemming

opborrelend uit een heilige grond

bevloeit en verrijkt gij de edele Nederlanden

En, kussend vele beroemde steden

Treedt gij met grote tred in het rijk der waternimfen'

 

16.00 uur: koffie en vervolgens terugrit. Om 18.30 uur: terug in Belle/Bailleul; om 19.00 terug in Ieper; om 20.00 uur terug te Nieuwpoort.

Practisch

Aanmelden - bij voorkeur via e-post of schriftelijk bij het secretariaar - tot uiterlijk 20 april. Ook uw bijdrage dient ons voor die datum te bereiken. Deze bedraagt (alles inbegrepen)   60  € /persoon voor leden en hun huisgenoten; niet-leden betalen 65  €/persoon. Daarin is ook de prijs begrepen van de brochure over Longueval waarvan hoger sprake.
 

 
Jaarboek De Nederlanden 'extra muros'- 2014



Hierbij, bij wijze van voorproefje, het Ten geleide van het in mei aanstaande verschijnende nieuwe ZANNEKIN-Jaarboek. Nieuw in deze editie zijn de talrijke kleurenillustraties, die ons ‘visitekaartje’ bij de tijd brengen. Mede door de opname van het register over de vijf jongste jaarboeken deinde de omvang uit tot 224 pagina’s. Bij wijze van kennismaking leest u hieronder een korte inhoudsopgave.

Dit 36e Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ biedt andermaal een keur aan bijdragen over de territoria die deel uitmaken van ons Nederlandse kijk op de geschiedenis van onze territoria ‘extra muros’.

Als steeds stellen wij er prijs op het jaarboek in te leiden met de klassieke tekst waarin uiteengezet wordt waar het de Vereniging /Stichting Zannekin uiteindelijk om te doen is, en in welk perspectief wij ook ons jaarboek plaatsen.

Als blikopener is er de geopolitieke kijk van de betreurde André Belmans, die als geen ander geijverd heeft voor een gezamenlijke toekomst van ons territoriaal erfgoed.

Volgen de bijdragen die van ver of nabij handelen over de Franse - die wij verkiezen als de Zuidelijkste Nederlanden te benoemen: ze handelen respectievelijk over Béthune (Jan van Tongeren), de abdij van Waten (Cyriel Moeyaert), Michiel de Swaen (Camiel van Woerkum) en het fort van Mariembourg (Ruud Bruyns).

Volgt, bij wijze van scharnier, de bijdragen over Hoogstraten, de historische figuur en de plaats die zijn naam draagt (Luc Pauwels) en andermaal een luik gewijd aan de verwante architectuurvormen binnen de Nederlanden en de aangrenzende gebieden (Zeno Kolks).

Met de bijdragen rond de sabelsleper Maarten Schenk (Renaat van Heusden) en de theoloog Ubbo Emmius (Marten Heida) komen ook de oostelijke Nederlanden ‘extra muros’ volop aan bod.

Een apart maar evenzeer grensoverschrijdend verhaal brengt Paul van Hauwermeiren, dat handelt over de kramertalen, zijnde het Bargoens van de destijds rondtrekkende handelslieden, dat ons van West-Vlaanderen tot in het Rijnland en nog verderop brengt.

Voorafgaand aan de Kroniek en de boekrecensies leest u nog het summiere verhaal van Leo Camerlynck over de merkwaardige Zuid-Afrikaanse oorlogsgedenksite te Longueval, nu in Picardië, doch ooit binnen de zuidelijkste Nederlanden.

Voor het eerst verschijnt het jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ met de meeste illustraties in vierkleurendruk. Een extra-investering die hopelijk tot een bredere lezersschaar leidt!

Extra bij dit jaarboek is ook het overzichtsregister van de vijf vorige jaarboeken, dat deze editie iets omvangrijker dan gewoonlijk maakt. Daaruit leren we dat onze jaarboekenreeks tot einde 2013 niet minder dan 377 bijdragen (naast 221 boekrecensie) bundelde rond de Nederlanden ‘extra muros’.

In hun geheel vormen ze voorwaar een unieke documentatie over ons geestelijk en nationaal erfgoed.

Onze hernieuwde en niet geringe dank bij dit alles aan het adres van onze medewerkers, temeer daar allen ‘pro deo’ bijdragen tot de uitstra-ling van ons jaarboekenproject. Zonder hen hadden waren we voorwaar niet aan deze 36e editie toegekomen!

PS. Verwijzend naar het summiere verhaal van Leo Camerlynck rond de Zuif-Afrikaanse oorlogssite te Longueval in Picardië willen we er op wijzen dat dit verhaal meer uitgebreid aan bod komt in een aparte tweetalige (Nederlands-Zuid-Afrikaans) en overvloedige geïllustreerde ZANNEKIN-brochure van 36 pagina’s. Mit overboeking van 5 € (verzending inbegrepen) op een van onze rekeningen krijgt u de brochure toegestuurd.

 

Tweede brief uit Brugge aan Zee


                        in ’t Brugse Vrije, in ’t jaar 1604

De watergeuzen zijn geland en onze zeearm is verzand.

De boten in de grijze verte worden groter dan groot

en schepen vergaan en zinken als een zwaar beladen boot.

De pijl van de tijd zoeft voorbij en valt achter het achterland.

 

Grotius en de vromen geloven in de Heiland en zijn woord.

Dwepers, dopers, volgelingen van Menno Simons en Calvijn 

raken verstrikt in schorren en slikken en worden vermoord

en na een tijd zal geen bosgeus nog ergens veilig zijn.  

 

Het weer is hard want de wind giert hier als een dwingeland.

Diepe beken en brede kreken leiden naar de wilde vloed

en Sluis wordt ontzet door Spinola uit het Spanjolenland.

 

Oostende, het nieuwe Troje, met dat laatste geuzengebroed

weerstaat vier jaar aan de belegering van de vijand 

en Cadzand is een eiland zonder eilanders met have en goed.  

                                                            Hendrik Carette



 

Uit en over Frans-Vlaanderen


Cyriel Moeyaert en Mark Ingelaere

* Het Woordenboek van het Frans-Vlaams was een tijdje geleden uitverkocht. Het is nu weer verkrijgbaar tegen 21 €. In Frans-Vlaanderen is het te koop in Het Huis van de Veldslag in Noordpene. Ook Nieuw Oud Vlaams, het bijvoegsel bij het Woordenboek, is herdrukt. Het is ook in het Huis van de Veldslag verkrijgbaar. Het kost 10 €.

* het oktobernummer van het Bulletin du Comité Flamand de France (nr. 91-92) publiceerde Christian Ghillebaert van Steenvoorde een sterk gedocumenteerd artikel over ‘l’Abbé Jules Andouche, préfet de l’indiscipline’, begraven in z’n geboortedorp Berten. Hij vermeldt drie grafstenen waarop de leuze van Guido Gezelle staat “Wees Vlaming dien God Vlaming schiep”. De oudste , die op het graf van René Schodduyn in Ambleteuse (Ambletuwe) uit 1937, die van Jules Andouche in Berten uit 1948 en die van Gantois, enkele jaren na z’n z’n dood in 1968. Sinds-dien is een bij gekomen, op het grafkruis van Renaat Despicht (†1960) in Steenvoorde staat sinds enige tijd diezelfde leuze, aangebracht door de Werkgroep de Nederlanden. Wat dat “indiscipline” te betekenen heeft is me niet duidelijk. Toch nooit dat Andouche als surveillant in Haze-broek het Vlaams spreken van de scholieren dat verboden was, door de vingers zag.

Opmerkelijk in dit artikel over Jules Andouche is voetnoot 6 waarin Christiane Ghillebaert ons zegt welke studies over de Vlaamse Beweging in Frankrijk volgens hem traditioneel betrouwbaar zijn. Daarin staat Erik Defoort en ook Etienne Dejonghe. In m’n bespreking van Defoorts boek Une châtelaine Flamande, Marie Thérèse le Boucq de Ternas heb ik Defoort gewezen op z’n vooringenomen standpunt door een te groot vertrouwen in E. Dejonghe en z’n artikel Un mouvement séparatiste dans le Nord et le Pas-de-Calais sous l’ocupation (1940-1944), le Vlaamsch Verbond van Frankrijk. Ik wijs hem op verschillende onterechte aanhalingen erin uit de Lion de Flandre en zelfs op een paar tekst-verkrachtingen. U kunt die bespreking lezen in de KFV-Mededelingen, 14e jaargang, nr. 4, blz. 15-18. Het zou de moeite waard zijn om deze bespreking en zelfs uitgebreid opnieuw te laten verschijnen. Nooit heb ik op m’n bewijzen reactie gekregen noch van Defoort noch van Etienne Dejonghe. 

* In de negentiende eeuw gaven de Frans-Vlamingen uit de streek van Rijsel, Henry Bruneel en de historicus Edward La Glay onder de gemeenschappelijke schuilnaam H. E. Landsvriend een boekje uit Scènes Historiques Flamandes, Schild en Vriend 1302-1303, Charles-le Mauvais, 1356-1386. “Flandre au Lion“ prijkt ook op de kaft. Uitgegeven in Parijs en Rijsel in 1841.

* In 1887 publiceerde Ferdinand Degroote in Rijsel een Frans gedichtenbundeltje onder de boektitel VADERLAND. In 1888 geeft hij een tweede bundeltje uit: LES FLAMINCANTES, eveneens in Rijsel.  “Dédiées à mes collègues du Comité Flamand de France”, lezen we vooraan in het boekje. Het bevat helemaal geen strijdgedachten maar alleen figuren als de kantklosster of de tovenares en heel wat natuurgedichten.

* In Zegerskappel staat op het kerkhof nog een mooie Nederlandse graf-steen uit 1875 van Sophia Delphina Bous, dochter van Ignatius Bous en Theresia Cerclaeys, geboren in 1812 en overleden in 1875. Prachtig getuigenis van trouw aan de moedertaal. De voornamen zijn Neder-lands in tegenstelling met alle andere graven, zelfs met het Franse graf van Henri en Justin Blanckaert, twee vurige Vlaamse strijders. Op die hun graf ligt wel de bekende plaat met “Hier rust een Vlaming”.

* Een vouwblaadje brengt ons vier redenen om het “West-Vlaemsch” te leren. Het is een goede poging verwoord in een anders niet zo keurige taal. Ze mogen hun mooie Frans-Vlaams niet teloor laten gaan. Trouwens het Woordenboek van het Frans-Vlaams en Nieuw Oud Vlaams wor-den veel verkocht in Frans-Vlaanderen, bepaald in het Huis van de Veldslag in Noordpene.

* Van de vijf graven op het kerkhof in Steenvoorde waarop de namen van ouders van een priester voorkwamen met de eretitel HEERVADER en VROUWMOEDER, is er maar één teruggevonden: Heervader Louis Campagne, 1882-1968, Vrouwmoeder Leonie Demeiter, 1885-1952. Hun zoon Edouard Campagne was pastoor van Lederzele en Eringem. Hij was vriend en klassegenoot van Ward Corsmit. Naast het graf van Professor Maxime Deswarte stond het graf van Heer Vader Lucien De-swarte, 1879-1948 envan Vrouw Moeder Rachel Quetu, 1880-1930.

* Voor kort werd gemeld dat er op het kerkhof van Belle een Nederlandse grafsteen opnieuw ontdekt werd. We kennen een tweede graf met een Nederlandse tekst op, dat van Louis Sonneville die in Sint-Janskappel woonde op de Zwarte Berg. Nog tijdens z’n leven had hij z’n grafsteen laten maken met erop: “Heer, in uw handen beveel ik mijn geest”. Hij had die tekst geput uit het Krachtig gebed van Keizer Karel. Eigenlijk komt die voor in een psalm en heeft Jezus die woorden uitgesproken op het kruis. Ik heb een foto kunnen nemen van Louis - met z’n kleindochtertje bij z’n graf. Sonneville was een  vriend van Marguerite Yourcenar. Hij stuurde haar in Amerika enkele kraaiebloemen (boshyacinten) die ze in haar huis in een pot plantte en verzorgde. Louis Sonneville is de stichter van het Yourcenar-museum in Sint-Janskappel.

* Frederik De Vos is erin geslaagd  om een keurig verzorgd handboek Vlaamsch samen te stellen, voorzien van leuke tekeningen.

* Het Bulletin van het Comité Flamand de France brengt nu ook een bladzij in het Vlaams, zoals IJzerhoek. In een van nummers werd die bladzij gewijd aan het kasteel van Ekelsbeke en ook het duivenkot werd vermeld. Bedoeld was natuurlijk de mooie duiventoren met mooie muurtekens erop die getuigen van trouw aan de Nederlanden met het Sint-Andrieskruis. IJzerhoek brengt geregeld fijn vertelde verhalen in het Vlaams van de literair begaafde Marcel Marchyllie uit Spijker. Het zou mooi zijn als z’n verhalen gebundeld en uitgegeven werden.

* Op een vleugel van de kasteelboerderij van de verdwenen burcht in Rubroek lezen boven de verschillende staldeuren in mooie letters ingegrift in de bovendrempel: INDIEN GODT MY BEWAERT / VAN STORM WAETER / DONDER EN VIER / OVER HONDERT JAER / BEN ICK NOCH HIER 1763

Het gebouw staat er nu al ruim 250 jaar dit jaar. ‘Over hondert jaer’ werd enkele jaren geleden overpleisterd maar je ziet nog de eerste letters. Het is te wensen dat de eigenaars dit stuk weer leesbaar maken en dat de Werkgroep De Nederlanden toestemming krijgt om de letters rood of zwart te schilderen. Hopelijk blijft het gebouw nog lange jaren bestaan.

 

Wallons, Picard, Champenois, Gaumais


Les langues régionales de Wallonie

Joseph Bodson

Deux caractéristiques essentielles de cet ouvrage: tout d’abord, il est très complet, envisage de nombreux aspects du wallon et des domaines adjacents, avec beaucoup de renseignements pratiques. Ensuite, ii fait la part belle - très belle, même, - à tout ce qui est “moderne”, spécialement dans le domaine des médias.

Il s’ouvre par un exposé général sur la Wallonie et l’histoire de ses langues régionales. Bien sûr, en si peu de pages, on ne peut demander à l’auteur d’entrer dans beaucoup de détails. Cela n’empêche que son exposé concis, bien illustré, est très précieux pour quelqu’un qui aborde le wallon. Signalons un lapsus au passage: p. l7, ce ne sont pas les charbonnages du Borinage qui ont fermé les derniers en 1986, mais celui du Roton à Farciennes près de Charleroi.

Par ailleurs, Michel Francard accorde une grande importance au rôle des instituteurs dans le “désapprentissage” du wallon: le système de dé-lations, de punitions y a beaucoup contribué, mais les “golden sixties” ont entraîné elles aussi de nombreux effets qui ont été loin d’être tous positifs: la télévision a marqué la fin de nombreux loisirs actifs où le wallon jouait Un rôle important, la multiplication des voitures a en-traîné la désaffection envers les loisirs locaux actifs. Michel Francard fait état de ces facteurs, dans la 6e partie de son ouvrage, Quel avenir pour les langues régionales de la Wallonie, lorsqu’il parle.de la rupture des relations transgénérationnelles. Le recours au folklore, au côté festif et distrayant du wallon, dont l’auteur parle assez abondamment, est, quant à lui, un excellent instigateur de curiosité envers le wallon, mais, bien évidemment, ce ne peut être un but en soi: on aboutirait ainsi, à la limite, à créer des réserves naturelles pour Wallons pur jus, que visite-raient les touristes. comme ils font des réserves indiennes en Amérique.

L’opinion, qu’il évoque, de ceux qui pensent que le wallon ne con-tinuera à vivre que par sa littérature, me parait assez juste: si, après la belle floraison des années cinquante et soixante, on s’acheminait vers une littérature de second ordre, axée sur le “lèyîz-m’plorisme” et un folklorisme dénué de réelle signification, ce serait, effectivement, un la-mentable recul. Mais la littérature en général, et la littérature française de Belgique, traversent assurément une période de crise sérieuse. Et ce qui me frappe surtout, c’est l’absence de communication entre notre lit-térature en français, et les remarquables auteurs en wallon quoi ont été les grands artisans de cette renaissance wallonne au 20e siècle: ce sont des mondes pratiquement étanches. Et là il y a du travail â faire...

Mais, encore une fois, ces remar-ques n’enlèvent rien à la qualité de l’ouvrage. On y trouvera une foule de renseignements intéressants, si bien qu’il peut servir de vade me-cum en bien des domaines pour ceux qui s’intéressent au wallon. On y trouvera notamment des re-cettes régionales, de Charleroi com-me de Liège, un bon aperçu sur les langues régionales dans les médias, sur les langues régionales et les nouvelles technologies, dans l’en-seignement, la législation, une bon-ne bibliographie, la liste des associ-ations qui s’occupent du wallon, celle des membres de la SLLW, le wallon dans les universités, les lau-réats des prix des langues régionales endogènes, ceux du Grand Prix du Roi Albert, le texte des décrets. L’achat du livre permet d’autre part. en s’adressant à la maison d’édition. d’avoir accès à des enregistrements vidéos et audios d’auteurs wallons d’hier et d’aujourd’hui ainsi que des chansons wallonnes traditionnelles. Bien sûr. c’est un sport facile que de rechercher dans une anthologie les oubliés et négligés: chacun y fait jouer ses préférences personnelles. Les choix de Michel Francard. parmi les auteurs allons qu’il présente, me paraissent justes et justifiés. Je re-grette néanmoins qu’il ne soit nulle part fait mention, dans la biblio-graphie, des nombreux ouvrages de Jean-Jacques Gaziaux, notamment de ses ouvrages sur l’amour en Wallonie: il est presque impensable aujourd’hui d’aborder ce sujet sans s’y référer, et c’est tout de même un sujet, je pense, qui nous est cher à tous...

______________

N.a.v. Michel Francard, Wallon, picard, champenois - Les langues régionales de Wallonie, Ed. De Boeck, 216 pp., 19,50 € - www.deboeck.com

Bron: Cocoroco - Magazine du bilinguisme wallon, 4e trimestre 2013, p. 7-8.

 

Bourgondiërs in het centrum van Parijs


Ruud Bruijns

In het hart van Parijs staat half verborgen tussen de statige 19e eeuwse gevels een middeleeuwse woontoren met een wel heel bijzondere geschiedenis. Tegenwoordig heet deze toren ‘Tour Jean sans Peur’ (Toren Jan zonder Vrees), vernoemd naar hertog Jan van Bourgondië (1371-1419). Het maakte eens deel uit van een groter complex, het zogenoemde Hôtel des Ducs de Bourgogne (zie afbeelding 1). Dit ‘Hôtel’ raakte na de dood van Karel de Stoute voor de poorten van Nancy in 1477 in verval. Aangezien de geschiedenis van de hertogen van Bourgondië zo vervlochten is met de Nederlanden, leek het mij interessant om over deze toren wat meer over te vertellen.

Op 23 november 1407 werd Lodewijk van Orleans, de broer van de Franse koning, in de straten van Parijs door de volgelingen van de her-tog van Bourgondië om het leven gebracht. Dit was een dieptepunt in de zogenoemde honderdjarige oorlog (1337-1453), waarin de Bourgon-diërs profijt trokken van de oorlog tussen de Fransen en de Engelsen om de Franse troon. Het is niet zeker of er een duidelijk verband is met de moord op Lodewijk van Orleans, maar de Bourgondische hertog ging omstreeks 1410 over tot het bouwen van een versterkte woontoren in zijn residentie in Parijs.

De toren was niet alleen bedoeld ter verdediging van de hertogelijke residentie, maar ook om indruk te maken op de gasten. De hoge stenen toren maakt aan de buitenkant zelfs heden ten dage nog een grote indruk. We kunnen ons voorstellen dat het een nog grotere indruk maakte in de Middeleeuwen, toen de meeste huizen nog laagbouw waren en waren opgetrokken uit hout. In de toren zelf werden drie verdiepingen gebouwd waarin zich slaap- en ontvangstvertrekken bevonden.

Veste in roerige tijden

De residentie van de Bourgondiërs vond haar oorsprong in een gebouw dat aan het einde van de 13e eeuw was opgetrok-ken door Robert II van Artesië, die in 1302 de dood vond tijdens de Gulden-sporenslag. Dit ge-bouw stond destijds tegen de stadsmuur aan. De Bourgondi-sche woontoren uit 1410 was geheel uit steen opgetrokken en was bedoeld als een veilig heenkomen voor de hertog. Om de toren te voorzien van een goed fundament werd er voor gekozen om deze te bouwen op de resten van de stadsmuur van koning Philips-Augustus, die was afgebroken ten gunste van een bredere om-muring van Parijs.

 

Toren als propagandamiddel

In het trappenhuis naar de ontvangstvertrekken van de woontoren werd aan het pla-fond een symbool uit steen gehouwen dat de Bourgon-dische macht uitbeeldde (zie afbeeldingen 2 en 3) Naar verluidt was de wen-teltrap een imitatie van die in het Middeleeuwse Lou-vre. Het plafond was echter uniek en was in de vorm van een boom met taken en gebladerte dat het gehele plafond bedekte. De knoestige taken knoopten zich in de dakkoepel symbolisch samen in Bourgondisch Sint-Andreaskruisen, het symbool dat door Jan zonder Vrees werd geadopteerd. In de details van dit bladerdek zijn er veelbetekenende symbolen te ontdekken. Zo zijn eikels en eikenbladeren, hop en meidoorn te onderscheiden. Volgens de bijschriften zouden de eikenbladeren kracht en lang leven uitdrukken en worden ze toegeschreven aan Philips II de Stoute. De hop zou als noord-Europese plant de noordelijke herkomst van Jan zonder vrees verbeelden, terwijl de meidoorn symbool zou staan voor Margaretha van Vlaanderen, de echtgenoot van Philips II en de moeder van Jan zonder vrees. De veelheid van taken en bladeren moest ook de viriliteit van het Bourgondische geslacht uitdrukken, als ware het een stam-boom.

Deze opzichtige toren als symbool van Bourgondische macht was de Franse koning uiteraard een doorn in het oog en het was dan ook geen verrassing toen deze de hand legde op het Hôtel des Ducs de Bour-gogne in 1477, toen het Bourgondische hertogengeslacht met de dood van Karel de Stoute ten onder leek te zijn gegaan. De residentie bleef wel haar naam behouden maar raakte in verval. Het was symbolisch voor het verval van het Huis van Bourgondië.

Herontdekking van de toren

Het Hôtel des Ducs de Bourgogne is in de loop der tijd afgebroken, waarna alleen de woontoren nog restte. Deze werd als het ware herontdekt in de 19e eeuw en in 1884 op de monumentenlijst geplaatst. De woontoren werd tot ver in de 20e eeuw gebruikt als wooncomplex voor diverse Parijse gezinnen. De toren werd pas in de tweede helft van de vorige eeuw ontruimd en pas in 1999 voor het publiek opengesteld.

De woontoren stond ooit als symbool voor de Bourgondische macht. Jan zonder vrees was weliswaar een afstammeling van het Franse ko-ningsgeslacht van Valois, maar drukte zich als eerste Bourgondische hertog uit als een vorst uit het noorden. Dat was niet zo vreemd, want zijn moeder kwam uit Vlaanderen en aangezien Vlaanderen het rijkste gebiedsdeel was van de Bourgondische landen kwam het zwaartepunt als vanzelf daar te liggen. Eikenbladeren, hop en meidoorn onder-streepten het ‘noordse’ zwaartepunt.

 

 

Heden ten dage is de woontoren van de Bourgondische hertogen een toeristische trekpleister geworden in het Parijse wijk Marais, net ver van het metrostation Etienne Marcel, niet toevallig vernoemd naar een middeleeuwse volkstribuun. Het is alleszins de moeite waard om te bezoeken. Het herinnert ons aan een tijdperk, waarin de Franse koningen zwak waren en de Bourgondische hertogen vanuit hun Nederlandse provincies een stempel drukten op het Middeleeuwse Parijs.

 

Vanaf de zijlijn


Marten Heida

In het bos toch de bomen blijven zien

Het was in het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw dat ik een bezoek bracht aan André Demedts, toen woonachtig aan de Condédreef te Kortrijk. In het gesprek viel al gauw het woord “ontvoogdingsstrijd”. Naar aanleiding hiervan maakte hij de opmerking: “Wij zouden veel verder gestaan hebben als we niet zoveel tijd en energie daarin hadden moeten steken.”

Ik werd opnieuw bij deze uitspraak bepaald tijdens het lezen van het boek Het boek in Vlaanderen sinds 1800; een cultuurgeschiedenis van Ludo Simons. In het bijzonder werd ik geraakt door de zin “de belangen van het geestelijk leven van ons Vlaamse volk te dienen” (375). Het was in die doelstelling dat ik de echo beluisterde van de strijd waarover Demedts mij had ingelicht.

Weliswaar is bovengenoemde zin een aanhaling van een in 1929 gedane uitspraak van de Mechelse drukker Goossens. Maar als Simons er niet mee had ingestemd zou hij denkelijk dit citaat niet vermeld hebben. Deze woorden vertolken ten diepste wat de drijfveer is geweest om op verzoek van de uitgever zich opnieuw te bezinnen op dit wel zeer speciale facet van de geschiedenis. Inderdaad opnieuw: ruim 25 jaar geleden had hij dat ook al gedaan. Dat wil niet zeggen dat het verhaal zoals het nu beschikbaar is zonder meer een herdruk is. Waar er aanleiding toe was zijn er nieuwe inzichten in verwerkt en eventuele misvattingen rechtgezet. Bovendien is het bijgewerkt tot heden. Ook de verschijningsvorm is aangepast; verscheen de vorige uitgave in twee delen, deze keer is de tekst ondergebracht in één band.

De in dit boek behandelde stof is verdeeld over een tiental hoofdstukken. Voor mij zijn dit evenzovele mijlpalen die de weg markeren waarlangs die ontvoogdingsstrijd op dit specifieke terrein zich heeft afgespeeld. Het is gegaan van een zich ontworstelen aan de druk van Franstalige zijde via een zich in toenemende mate bewust worden van de Vlaamse eigenheid naar een zelfbewust optreden. Het huidige beeld is dat op boekgebied Vlaanderen zich kan meten met welk land ook.

De tekst kenmerkt zich door het verwoorden van een stortvloed aan gegevens. Samen geven ze naam aan een veelheid van initiatieven zowel van uitgevers als schrijvers. Met betrekking tot de laatste groep heeft Simons bij uitzondering gebruik gemaakt van de woordgroep “en vele anderen”. Toch is deze opsomming geen droog relaas geworden. Als ergens geldt dat de toon de muziek maakt dan zeker in deze publicatie. Die heeft er ook in belangrijke mate toe bijgedragen dat de lezer in dit “bos” toch de “bomen” kan blijven zien. Ongetwijfeld zal Nurks inmiddels wel al hebben vastgesteld dat er hiaten in dit verhaal voorkomen. Daar ik mij niet bevoegd acht de vinger bij tekortkomingen te leggen zal ik mij dan ook onthouden opmerkingen in deze richting te maken. Voor mij telt het resultaat van de door Simons geleverde inspanning om dit project in deze vorm tot een voldragen einde te brengen.

Ook de uitgever heeft zijn waardeoordeel tot uitdrukking gebracht en dat op een wel zeer bijzondere wijze. Hij heeft daarvoor namelijk gebruik gemaakt van de stofomslag. Daarop staat een monument in de vorm van een rechtopstaand boek afgebeeld met daarvoor een man die uit eerbetoon zijn hoed licht. Treffender had de hulde niet uitgebeeld kunnen worden. Een hulde die betrekking heeft zowel op het boek op zichzelf als de man die het gegeven is het verhaal daaraan verbonden te schrijven. Ik sluit mij bij dit eerbetoon aan; alleen ik ben – met uitzondering van mijn jongelingsjaren – geen hoeddrager. Gelukkig biedt het Nederlands een uitwijkmogelijkheid in de vorm van een gezegde dat laat weten dat je in zo’n situatie ook je pet ervoor kan afnemen. Wat ik dus bij dezen doe.
_______________

N.a.v. Ludo Simons, Het boek in Vlaanderen sinds 1800 – een cultuurgeschiedenis. Uitg. Lannoo/Tielt, 2013. 640 pp; 50 €. ISBN 978 90 209 8374 6.
Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53

NL 3905 Veenendaal

Het laatste woord


Leo Camerlynck

De Nederlandse taal in de kijker tijdens de 10e Duinkerkse Talenbeurs

Op zaterdag 22 maart 2014 had in het grote gebouwencomplex van de Communauté Urbaine de Dunkerque (CUD) de tiende talenbeurs plaats. In het middelpunt van de aandacht en van de belangstelling stond de Nederlandse taal en de Vlaamse cultuur in Frans-Vlaanderen.

Het initiatief van de Duuinkerkse Talenbeurs gaat uit van de “Asso-ciation pour le développement des langues sur le littoral dunkerquois” of ADLLD in samenwerking met diverse partners uit Frans-Vlaanderen. De ADLLD werd als vereniging zonder winstoogmerk opgericht in 2004 en stelt zich hoofdzakelijk tot doel de talenkennis te bevorderen in het Duinkerke en langs het Frans-Vlaamse kustgebied.

Tijdens de tiende uitgave van de talenbeurs werden lezingen en talen-practicum afgewisseld met Vlaamse muziek, dansen en volksspelen. Tevens was er een tentoonstelling van aquarellen van Hervé Claeyssens en M. Duval en ansichtkaarten met de Molens van Vlaanderen als thema.

Een lezing werd verzorgd door Louis Marteel, leraar Engels en Ne-derlands, en auteur van boeken over het Vlamsj in Frans-Vlaanderen. Hij behandelde het onderwerp Nederlands versus Vlaams. Dr. Eric Vanneufville, voorzitter van het Huis van het Nederlands te Belle (Bailleul), belichtte Vlaanderen doorheen de eeuwen. De dames Verbeke en De Fruyt bespraken de grensoverschrijdende contacten op het vlak van taalverrijking. De talenbeurs kon bogen op een overdonderend succes.

Het koor Crescendo en het ruim veertig jaar jonge Reuzekoor uit Duin-kerke bracht Vlaamse liederen. Ook werden er danspasjes uitgewisseld.

En de Vlaamse volksspelen waren van de partij. Voorts vulden tiental-len stands de zalen van de CUD. Naast het Nederlands en het Vlaams werd ook de Duinkerkse taalvariant behandeld. Zo kwamen de “Pène-lècres” (Pennenlekkers) aan het woord. Opvallend is de nog steeds grote invloed van Vlaams-Nederlandse woorden en uit-drukkingen in het Duinkerkse taaleigen. Zo blijven bvb. de meeste Duinkerkse carna-valsgroepen een Vlaams-Nederlandse naam behouden.

Nederland en Vlaanderen centraal op de Buchmesse te Frankfurtam-Main

In het Nederlands Dagblad van 13 maart 2014 lezen we een interessante bijdrage over de Frankforter Boekenbeurs. We lichten enkele passages uit dit artikel: “De belangrijkste boekenbeurs ter wereld staat in 2016 in het teken van Nederlandstalige literatuur. Nederland en Vlaanderen zijn dan gezamenlijk gastland van de Frankfurter Buchmesse, melden in-gewijden aan Novum Nieuws. Maandag 10 maart 2014 is in Antwerpen een persconferentie van minister van Cultuur Jet Bussemaker (PvdA), haar Vlaamse collega Joke Schauvliege en Buchmesse-directeur Jürgen Boos. Een woordvoerder van Bussemaker wil bevestigen noch ont-kennen dat dan wordt bekendgemaakt dat Nederland en Vlaanderen in 2016 centraal staan op de Buchmesse. Ook het Letterenfonds verwijst naar maandag.

Nederland was ook in 1993 gastland van de boekenbeurs. Dat leverde toen een gigantische verkoopimpuls op voor Nederlandse literatuur in het buitenland. Schrijvers als Cees Nooteboom, Harry Mulisch en Hugo Claus kwamen volop in de belangstelling te staan. Vooral in Duitsland, maar ook in andere landen.

Het Vlaams Fonds voor de Letteren en het Nederlands Letterenfonds hebben zich vorig jaar kandidaat gesteld voor het gastlandschap. Dat zou een ‘enorme internationale exposure bieden’, lieten de twee fondsen toen weten. De organisaties verwachten dat Nederlandstalige auteurs veel meer aftrek zullen vinden in het buitenland.“ Tot zover het Nederlands Dagblad. In 2014 is Finland gastland van de Buchmesse en in 2015 is Indonesië aan de beurt. Op deze gigantische boekenbeurs komen 7400 exposanten en ruim 300.000 bezoekers uit meer dan 100 ver-schillende landen bij elkaar.

Edouard Michielsstraat 51

B – 1180  UKKEL / Brussel

leo.camerlynck@skynet.be