> nieuwsbrief > JGe jg. - Xe trimester JAAR

Bijdragen over:

Mededelingen

   

Ontmoetingsdag ZANNEKIN op zaterdag 11 oktober


Erkelenz (Nederlands: Erkelens) wordt op zaterdag 11 oktober het oord van onze Ontmoetingsdag 2014. Hieronder een stukje geschiedenis en verderop praktische info inzake uw deelname.

Een Gelderse voorpost in het Rijnland: Erkelens


Het kleine tussen Mönchen-Gladbach en Aken gelegen stadje Erkelens heeft een duidelijk andere geschiedenis dan de omringende gemeenten. In de 10e eeuw nog in het bezit van de Akense Mariënstift, ging het daarna geleidelijk en niet zonder slag of stoot in Gelderse handen over. Uiteindelijk bleven de Gelderse landsheren de baas, ook al lukte het de Akense stiftsheren om de oude kerkpatroon Sint Lambertus in Erkelens tijdelijk door Onze Lieve Vrouwe te vervangen. Er werd een Gelderse burcht in de stad gebouwd en een regionaal belangrijke markt voor o.a. vlas, linnen, olie, graan en wijn bracht welvaart in de stad. Keizer Karel V kwam persoonlijk op 29 augustus 1543 naar Erkelens, om zich als hertog van Gelre te laten huldigen.

Met het hertogdom Gelre werd ook Erkelens deel van de Habsburgse Nederlanden.

Het bijzondere van Erkelens was zijn ligging. Als Gelderse exclave in het hertogdom Gulik vormde Erkelens een zuidoostelijke voorpost niet alleen in politieke en militaire zin, maar ook cultureel en kerkelijk. De kerktoren volgde niet het gebruikelijke Nederrijns-gotische patroon, maar toont duidelijk Kempische kenmerken. Na 1559 ging Erkelens deel uitmaken van het nieuw opgerichte bisdom Roermond wat ertoe leidde dat in 1645 vanuit Roermond een groot Rekollettenklooster in de stad werd gebouwd. Met een Oppergelders wapentafereel in de kerk werd de eenheid van het Gelderse Overkwartier bezworen. De door het Traktaat van Venlo in 1543 ook grondwettelijk vastgelegde landstaal Nederlands werd nog in 1720/29 door de parochianen van het onder Erkelens ressorterende Nederkruchten met verve verdedigd: een Duits prekende nieuwe pastoor uit Keulen werd wel benoemd, maar 'onder voorbehoud dat hij onmiddellijk het Nederlandsch zou aanleren'.

Van de oude glorie van Erkelens is als gevolg van de Franse Revolutie, de 19e-eeuwse ‘Zwangseindeutschung’, de Tweede Wereldoorlog en de vreselijke herbouw van de stad daarna niet veel overgebleven. Maar er is toch nog genoeg te zien dat een verkenningsreis naar Erkelens loont. Het oude stadhuis van 1541/46 is een van de weinige nog bestaande voorbeelden van een laatgotische combinatie van raadszaal en open markt- en gerechtshal. Het stadsarchief bewaart een prachtige kroniek van Mathias Baux van ca. 1560 met wapenminiaturen van o.a. Karel V en Isabella van Portugal en de Sint-Lambertuskerk bezit een indrukwekkend bestand aan laatmiddeleeuws geelgieters- en beeldhouwwerk. De bezoekers van Erkelens kunnen vanaf de donjon van de Gelderse burcht nog steeds het omringende – vijandelijke - Gulikse gebied met de voordringende bruinkoolgroeven van Garzweiler zonder moeite in de gaten houden.

Hendrik Steeger

Praktische gegevens:

10.30 uur: bijeenkomst in het Oude Stadhuis, Grote Markt, Erkelenz, alwaar koffie. Wij worden ontvangen door de burgemeester of een vertegenwoordiger van het stadsbestuur en leden van het bestuur van de Heimatverein, waaronder de heer Görtz, Oud Archivaris.

11.00 uur: welkomstwoord door Leo Camerlynck, voorzitter Zannekin

11.15 uur: lezing door de heer Theo Gortz over Erkelenz in de middeleeuwen

12.00 uur: lezing door de heer Hendrik Steeger over Erkelenz als Pruisische stad na de Vrede van Utrecht 1713

12.45 uur: Lunch in Restaurant Hedi, Grote Markt

14.00 uur: lezing door de heer Wim van Heugten over De Gelderse en Brabantse exclaves in het land van Maas en Rijn

14.45 uur: Wandeling door de stad met een bezoek aan de Burcht en de Kerk

16.30 Koffie/Gebak in Restaurant Hedi

Omstreeks 17.30 uur: afscheid

Aanmelden tot uiterlijk 1 oktober via het secretariaat: Paddevijverstraat 2, B.8900 België – e-post: maurits.cailliau@skynet.be

Deelnemersbijdrage 35 € (alles inbegrepen) vooraf te vereffenen via een van de Zannekin-rekeningen (zie p. 2).

 

 

Nederlandse tekst op de kerkmuur:

"In den jaren ons heren MCCCCLVII des eirsten dags nae sent peter ind pauwels dach toe IV uren veil hie eyn tore ned ind des andere jairs op de selve dach wart dese begoden weden"

 

 "Belgium dat is Nederlandt"


Leo E.J. Callens

Deze uitspraak is niet gemunt door Hugo de Schepper, schrijver van het boek: ze herhaalt gewoon de titel van een boek van Cornelis Kiliaan. De keuze van die titel vraagt een verklaring. De tegenstelling België-Nederland dateert inderdaad pas van ná 1830. De tot het huidige België beperkte betekenis van de zogezegd eeuwenoude "historische" benaming is het eerste fabeltje dat de schrijver doorprikt en dat vormt de rode draad door-heen zijn boek. (…) Het boek is dan ook rijkelijk geïllustreerd met kaartenmateriaal, te veel om op te noemen en een droom voor wie graag in oude kaarten grasduint. Ze geven zowel het streven van de toenmalige heersers als de "officiële" toestand weer maar geen enkele ervan maakt een onderscheid tussen Noord en Zuid: dat was óf niet gewenst óf gewoon onbestaand. (…) Je kan gerust stellen dat vóór 1830 de termen België, Belgium, Dietschland, Erffnederlanden, (Estados de) Flandes, Fiandra, Flanders, la Flandre(s), Gallia Bélgica, Low Countries, Nazione fiamminga, Nederlan(d)t, Niderer-landen, Niedererlandt, Niderland, Paese Basso, Paesi Bassi, el/los Pais(es) Bajo(s), le(s) Païs Bas (d'Enbas), Países Baxos, Pays-Bas, Thiois, Tierras Bajos en Vlaenderen tot 1830 kriskras door elkaar gebruikt werden en dat men er grosso modo telkens hetzelfde grondgebied mee bedoelde: het Germania inferior dat we beter kennen als de XVII Provinciën. (…) Voor de Nederlandse taal werden de termen Belgice, Belgis, il fiammingo, le flamand, el flamenco, le hollandais, el hollandes, la langue Belgique, lingua Belgica, lingua teutonica, Nederlandsche sprake, il olandese, Thiois, Dietsch en Duytsch door elkaar gebruikt. En de inwoners werden Fiamenghi, Fiamminghi, Flamencos, Flemings, Nederlanders, en Vlamingen genoemd. Het bijvoeglijk naam-woord Vlaemsch betekende hetzelfde als Dietsch, Duytsch en Nederduytsch. Dit gebruik van synoniemen gaat nog door tot en met de Moneta argen-tea provinciarum confœderatum Belgicarum, een dukaat die door Lodewijk Napoleon in 1808 geslagen werd. Het boek gaat ook in op de welvaart die gegenereerd werd door het Vlaams-Brabants-Hollands kerngebied. Het rivierenestuarium van Rijn, Waal, Maas en Schelde en hun bijrivieren bood juist bij uitstek verbindende mogelijkheden voor scheepsverkeer en handel van noord naar zuid en omgekeerd en van west naar oost en vice versa, kortom in alle richtingen. Het is een open deur instampen te zeggen dat dit vandaag nog steeds onverminderd waar is. (…)

Als er al iets is dat op een scheidingslijn lijkt dan loopt die niet tussen noord en zuid maar tussen oost en west ter hoogte van Utrecht. Het hoeft niet te verwonderen als het te maken had met de cultuur-ver-schillen ten gevolge van de verschillen in levensomstandigheden tussen mensen die van de zee leven en mensen die het van de landbouw moeten hebben. Zelfs de weerkaarten volgen de lijn waar de temperende invloed van de zee ophoudt en het landklimaat begint...

Hugo de Schepper komt tot het besluit: Gewild of ongewild, draagt die behoefte van historici aan een deterministisch-finalistische benadering van het "nationale verleden" bij tot geschiedenisvervalsing en bij het lezerspubliek aan beide zijden van de rijksgrenzen tot een verwrongen historisch besef. De schrijver behandelt dan uitgebreid de strubbelingen op het einde van de 16e met de Pacificatie van Gent, de Unie van Atrecht, de Unie van Utrecht, het Plakkaat van Verlatinghe, de Vrede van de Pyreneeën, de Vrede van Nijmegen en ook de Vrede van Munster die aanleiding gaf tot heruitgave van de Kiliaan-vertaling van de door Lowijs Guicciardijn alias Lodovico Guicciardini geschreven Descrittione di tutti i Paesi Bassi, altrimenti detti Germania inferiore, onder de Nederlandse titel Beschryvinghe van alle de Neder-landen, anderssins ghenoemt Neder-Dvytslandt. (…) In het hoofdstuk Identiteitenbesef verheldert Hugo de Schepper de tegenstelling tussen de officiële en de werkelijke identiteiten en de evolutie daarvan door de jaren heen. Daarin geeft hij het taalbesef zijn rechtmatige plaats: De beroemde Brugs-Leidse mathematicus en fysicus Simon Stevin (1548-1630) achtte het Nederlands de meest geschikte taal voor het beoefenen van wetenschap en dan vooral van de exacte wetenschappen; [...] Tal van zijn wetenschappelijke woordvindingen die toen als taalpurismen of gezochte neologismen moeten hebben geklonken, zijn thans gemeengoed. De militaire ingenieursopleiding aan de Leidse universiteit mocht vanaf 1600 niet meer in het Latijn, Frans of andere talen ingericht worden, maar alleen in het Nederlands. Het Frans was toen zowel voor het noorden als voor het zuiden een vreemde taal. (…) De schrijver merkt op dat er in het identiteitsbesef ook een oost/west verschil optreedt. Friesland, Stad en Lande van Groningen, het Oversticht, het Nedersticht en Gelre stuurden geen afgevaardigden naar de vergaderingen van de Staten Generaal, maar wilden afzonderlijk geraadpleegd worden en de godsdienstige polarisering oversteeg het eenheidsgevoel. Hij geeft een globaal overzicht van de zestiende-eeuwse volksverhuizing met de invloed van de zuiderlingen op de noorderlingen en hoe de term "Hollanders" een verzamelnaam werd voor "ketters en afvalligen".

In de epiloog die de periode van 1815 tot 1830 behandelt de schrijver de splijtzwammen aan die uiteindelijk tot mislukken van het nochtans best levensvatbare "amalgaam" voerden. (…) Het boek bevat verder nog een uitgebreide literatuurlijst en een lijst met de verantwoording van de opgenomen kaarten en afbeeldingen.

_______________

N.a.v. Hugo de Schepper, Belgium dat is Nederlandt – Identiteiten en identiteitsbesef in de Lage Landen. Groot A4 formaat, ISBN/EAN: 9789067282857 Uitgever: Papieren Tijger, € 35,00. Deze recensiefragmenten werd ontleend aan de Nieuwsbrief nr 24 – mei 2014 van de Stichting Baarle Werkgroep.

 

Vondels Wijsselstroom herboren?


Ruud Bruijns, Lelystad

Inleiding

In de (nieuwe) reeks Doopsgezinde Bijdragen uit 2005 verzuchtte Hylke ten Cate: “Het gebied rond Dantzig was afwisselend in Poolse en Pruisische handen. Waar de ooit doopsgezinde Joost van den Vondel in de Gijsbrecht van Aemstel nog spreekt over de Wijssel, zijn de Nederlandstalige geografische namen in Polen in onbruik geraakt.”1

Het verbaasde mij om die reden des te meer dat ik op 24 juni in het dagblad Trouw een stukje las (‘Kansen voor Nederlands bedrijfsleven liggen in Polen’) waarin de Poolse rivier Wisła (Duits: Weichsel) voortdurend genoemd werd bij de Nederlandse naam: Wijssel. Dit was in het kader van de koninklijk omrandde handelsmissie naar Polen, waarbij werd aangekondigd dat de Wijssel door middel van een consortium van Nederlandse bedrijven economisch weer nieuw leven zal worden ingeblazen. De rivier zal met behulp van waterwerken en baggerwerkzaamheden opnieuw bevaarbaar worden gemaakt voor handel en toerisme. Des te meer reden om stil te staan bij het historisch gebruik van de naam Wijssel.

Joost van den Vondel

Het gebruik van de naam Wijssel gaat ver terug in de tijd. In een publicatie van Middeleeuwse bronnen betreffende de Zeeuwse stad Middelburg wordt deze rivier al zo genoemd:

…arrestaciën te Danczke [Dantzig] ende voir die Wijssel gesciet in den jare [14]43 geleden…2

Wellicht het meest bekende gebruik van de naam Wijssel is door de dichter Joost van den Vondel. In zijn Gijsbrecht van Aemstel (1637) dichtte hij de volgende regels:

Daer uit het Pools geberght de Wijsselstroom koomt ruischen

Die d’oevers rijck van vrucht genoeghelijck bespoelt

Verhou U daer, en wacht tot dat de wraeck verkoelt

Ghij zult in dit gewest een stad, Nieuw-Holland, bouwen

Het verwijst naar de ballingschap van Hollandse ridders naar het Pruisische ‘Holland’ (tegenwoordig: Pasłek) aan de rand van de Wijsseldelta. Deze delta werd later met behulp van Nederlandse doopsgezinde kolonisten in de 16e eeuw grotendeels gekoloniseerd en ingepolderd.

De naam Wijssel was niet alleen in het Nederlands gebruikelijk, maar ook in het Frans zoals blijkt uit de Franstalige publicatie Le flambeau de la navigation, monstrant la discipline et délinéation de toutes les cartes et havres de la mer occidentale, septentrionale et orientale van de Nederlandse cartograaf Willem Jansz Blaeu van 1620 (pagina 47):

De Heel [Hela schiereiland] à Dantzick [Dantzig] devant le Wijssel le coursest zud quart à l’ouest quarre lieues. Si vous voulez poser devant la Wijssel posez a l’Est des Testes ou de la Teste Occidentale a dix ou douze brasses.

Dit valt te verklaren door het feit dat destijds de Nederduitse taal de voertaal was van Duinkerken tot Dantzig. Het gebruik van wat wij tegenwoordig als Nederlandse namen beschouwen sloot dus aan op de lokale naamgeving.

Kleine heropleving in de 19e eeuw

Tot in de 18e eeuw was de naam Wijssel gebruikelijk, maar er kwam in de loop van de tijd een kentering. In het Beknopt Nederduitsch taalkundig woordenboek van P. Weiland uit 1830 zien we een kentering ten gunste van het Duitse Weichsel. Op pagina 547 vinden we namelijk het lemma Weissel met als alternatieve schrijfwijzen Wijssel en Weixel, inclusief een veelbetekenende toevoeging:

 …en in overeenkomst met het hoogd[uitse] Weichsel.

Als we de gedigitaliseerde krantendatabank van de Koninklijke Bibliotheek van Den Haag raadplegen,3 dan zien we dat er aan het begin van de 19e eeuw nog een opleving was van Wijssel:

 1800-1809: 10 vermeldingen

1810-1919: 98 vermeldingen

1820-1829: 23 vermeldingen

Daarna vond er een onherroepelijke neergang plaats ten gunste van het Hoogduitse Weichsel (1820-1829: 55 vermeldingen; 1830-1839: 810 vermeldingen). Vanaf die tijd wordt Wijssel vrijwel uitsluitend nog gebruikt in verwijzingen naar Vondels werk.

Besluit

Tegenwoordig staat er op de internet-encyclopedie Wikipedia bij het lemma in het Nederlands:

De Wisła ([ˈv’iswa]; Duits: Weichsel; verouderd Nederlands: Wijsel, Latijn: Vistula; alle genoemde namen komen in het Nederlands voor) is de grootste rivier van Polen.4

Wijsel mag dan wel worden getypeerd als ‘verouderd Nederlands’, maar het consequente gebruik van de Nederlandse naam Wijssel in het bovengenoemd artikel in Trouw wijst in een andere richting. Wellicht kan het aangekondigde Wijsselproject van het Nederlandse bedrijvenconsortium leiden tot een hernieuwd gebruik van de Nederlandse naam voor de Poolse rivier. Hiermee wordt niet alleen de historische Nederlandse band met deze rivier hersteld maar ook de literaire band met de heel-Nederlandse dichter Joost van den Vondel, die Wijssel vaak in zijn werk heeft bezongen. Daarom leek het mij toepasselijk om te eindigen enkele strofen uit Vondels gedichten, waarin de lofzang wordt gezongen over de betekenis van de agrarische rijkdom van de Wijssel:

Terwijl de Wijssel, rijck van granen,

Voortaen den Aemstel voller kaenen

Belooft en toegiet, op dees trouw;

Waer d'ackerlieden in den bouw,

De Lelien in 't koren pluicken;

De Lelien, die geurig ruicken

Door hagel, winter-sneeuw en ys,

Nu Dantzigk feest houdt met Parijs.

 Uit: Geluck aen Louyze Marie, Koningin van Polen en Sweden,

Hertogin van Mantua en Nevers (1645).

Gy zult de groote korenschuuren

Van Christenrijck door vasten pais

Verdaedigen, de nagebuuren

In Koning Fredericks palais

Vereenigen naer uw vermogen:

Dan zal mijn keel, op zang gestelt,

Uw dapperheên aen 's hemels boogen

Verheffen, langs de blijde Belt,

Waer langs de Wijssel uitgegooten

Ons toestroomt met gelade vlooten.

Uit: Aen zijne Excellentie, den doorluchtigen Heer, Tobias Morstin, Trucksesz te Krakou, Resident van den Koning en de Kroon Polen by Koning Frederick den derden (1658).

Noten

1 Hylke ten Cate, “Verslag voorjaarsbijeenkomst Doopsgezinde Historische Kring zaterdag 21 mei 2005 in het gebouw van de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente te Haarlem” in: J.J. Bosma (red.), Doopsgezinde Bijdragen, nieuwe reeks 31 (2005) p. 338.

2 Bronnen tot de geschiedenis van Middelburg in den landsheerlijken tijd, volume 3 (1931) p. 91.

3 http://kranten.delpher.nl/

4 http://nl.wikipedia.org/wiki/Wis%C5%82a_(rivier) [geraadpleegd 24 juni 2014].

 

Uit en over Frans-Vlaanderen


Cyriel Moeyaert

·         Onze goeie trouwe Frans-Vlaamse vriend Camille Taccoen heeft ons verlaten. Hij is in zijn honderdste jaar in Belle gestorven op 23 april 2014. Hij was geboren in Wormhout op de wijk Sint-Jozef, hij heeft lang geleefd in z’n huis “Lustig wonen” in de Stationsstraat maar was sinds maanden nu in een rusthuis. Hij was vroeger directeur van een middelbare school en was ook lang schepen van Belle. Hij heeft ontzettend veel gedaan voor het Nederlands onderwijs in z’n stad samen met Jerome Steenkiste. We hebben hem sinds heel lang leren kennen als een overtuigd Vlaming en in een eerste briefje uit vroege jaren ’60, dat ik van hem ontving, schreef hij, ik vertaal: “De Vlamingen van België en Nederland hebben ons lang in de steek gelaten”.

·         EUVO zorgde weer voor nieuwe huisnaamborden. In Sint-Jans-kappel verlangde de familie Degroote een eerder Nederlandse naam: ‘De lisbloem’. Frans-Vlaams zeggen ze lisjbloeme (iris). In Sint-Winoksbergen was het bord ‘Bij de Boekschrijver’ bij Robert Noote aan vernieuwing toe. Hij woont vlak bij de schilderachtige Kaaipoorte. In Bavinkhove bij Benjamin Lyoen kregen we: ‘Tussen Berg en Moeras’, op een mooi gerenoveerd oud huis in Berten kreeg de Brasserie van de familie Druon-Tops de toepasselijke naam ‘Kasteelvijver’ bij een heuse vijver.

·         Horst van Cuyck publiceerde De Graaf en De Heilige. Eustaas en Ida van Boulogne. Een rijk geïllustreerd boekje van 64 bladzijden. De moeder van Eustaas was Mathilde van Leuven kleindochter van Karel van Lotharingen, de laatste mannelijke afstammeling van Karel de Grote. Eustaas was afstammeling van Judith, gehuwd met Boudewijn I en achterkleindochter van Karel de Grote. Dat Ida in Bouillon geboren zou zijn is niet zeker: het is een veronderstelling (Ducatel, Vie de Sainte Ide de Loraine, 16, voetnoot 1). De auteur vermeldt niets over de taal van Ida. Daar heb ik meer aandacht voor in m’n artikel “Een Dietse abdij in het graafschap Gizene” in het laatste Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ (2014)

·         Het museum van Sint-Winoksbergen organiseert het jaar door voordrachten over lokale geschiedenis en kunst. Op 3 april gaf Kristof Papin er een voordracht over het 15e-eeuwse Sint-Winoksbergen. Het grootste Nederlandstalige archief van Frans-Vlaanderen in deze stad is heel rijk en een goudmijn voor genealogen en historici. Voor meer info over het programma en de vaste collectie www.musee-bergues.fr. (K. Papin). Hopelijk wordt z’n voordracht gepubliceerd.

·         In de Mémoires van de Antiquaires de la Morinie (IX, 1851) ontdekte ik het bestaan in het archief van Sint-Winoksbergen van een hand-schrift Dictionarium - biglotton geographicum Latino-Belgicum et Belgi-co-Latinum, (Latijns-Nederlands en Nederlands-Latijns) gemaakt door de prior van Sint-Cecilia Frederick Codron in Diksmuide (1770). Het was blijkbaar bestemd voor het onderwijs en misschien aanwezig in het Sint-Winokscollege.

·         Van Hugo de Schepper ontving volgende informatie over een speciaal tweetalig (Frans-Engels) nummer, Collection Histoire de la Revue du Nord No 30: “L’identité au pluriel. Jeux et enjeux des apartenan-ces des Anciens Pays-Bas, XIVe – XVIIIe siècles. Identity and identi-ties. Belonging at Stake in the Low Countries, 14e-18e Centuries”.

·         Nadat ik in korte tijd drie goede Nederlandse vrienden verloren had: Luc Verbeke, Luc Vranckx en Piet Paardekooper, is me nu ook een Frans-Vlaams vriend ontvallen waarmee ik geregeld brieven wisselde: kanunnik Michel Spanneut uit Steenvoorde, professor en was decaan van de Faculteit Wijsbegeerte en Letteren geweest aan de Katholieke Faculteiten in Rijsel. Hij was in Steenvoorde geboren op 6 november 1919 en is in Rijsel gestorven op 3 mei 2014. Hij sprak niet alleen goed Vlaams maar kende ook goed Nederlands. Hij heeft voor een paar jaar een Vlaams toneelstuk besproken dat ontdekt was op de pastoriezolder van Morbeke: “Arlequin, Wilde-man”. Zie m’n lexicon hierover in het Jaarboek de Franse Nederlanden (nr. 36, 2011).

·         Frank Masschelein sprak met de leider van de Frans-Vlaamse actie-groep ‘Tweetalen’, Maillet. Deze actiegroep heeft als doel een tweetalige bewegwijzering in dorpen en steden, ook van wijk- en straat-namen. Ze verlangen ook tweetaligheid in de gemeentehuizen. De petitie-actie hiervoor op internet werd al door 600 mensen onder-tekend. De groep ‘Tweetalen’ bestaat uit 50 doorgaans jonge mensen, al dan niet studenten. Ze zijn voorstander van Nederlands in Frans-Vlaanderen maar willen ook dat dat het Frans-Vlaams behouden blijft.

·         Van Alaan Delepeleire ontving ik een brochure over de verdwenen vrouwelijke abdij Marquette gelegen aan de samenvloeiing van Marque en Deule ten noorden van Rijsel. Ze werd in 1228 gesticht door Johanna gravin van Vlaanderen, gehuwd met Ferrand van Portugal. Ze werden er later allebei in begraven. De brochure brengt verslag over de fundamenten van die abdij die blootgelegd en onderzocht werden. Het was een bloeiende abdij gebleven tot aan de Franse Revolutie. Bovengronds werd alles 1794 vernield behalve een monumentale poort die pas een tijd geleden afgebroken werd omdat die bouwvallig was. Wordt die abdij of de poort nu weder-opgebouwd?

·         ‘IJzerhoek’ bestaat 25 jaar. Dat werd herdacht en gevierd op zondag 22 juni in Volkerinkhove. Onder de spreekbeurten werd er ook een in het Frans-Vlaams gehouden. De feestrede hield Erik Vanneufville over de geschiedenis van Vlaanderen, een spreekbeurt die altijd boeiend en leerzaam is. ‘IJzerhoek’ is bloeiend, heeft vrij veel leden, geeft een mooi tijdschrift met telkens een Frans-Vlaams verhaal, organiseert heel wat activiteiten voor het behoud van het Vlaamse erfgoed en helpt het Vlaams herleven. We wensen het nog veel voorspoedige jaren.

·         Het boek van Erik Vanneufville Le front Flamand 1214-1328, de Bou-vines à Cassel heb ik geboeid gelezen. Het is verhalend geschreven zoals goede historieboeken moeten zijn en brengt veel onbekende of minder bekende details aan het licht. Vanaf de nederlaag bij Bo-vingen (Bouvines) in 1214 over de overwinning bij Kortrijk in 1302 tot de nederlaag met Zannekin bij Kassel in 1328, met alles wat er tussendoor gebeurd is. Het boek werd geschreven in Vlaamse geest.

·         Naar aanleiding van de verschillende tentoonstellingen die hebben plaatsgevonden in de Franse en Vlaamse Westhoek over het leven en werk van Joseph Dezitter verscheen er een mooi geïllustreerd boek van de hand van Michel Tomasek dat tevens als cataloog dienst deed. Dezitter heeft in zijn artistiek werk veel relicten van de Vlaamse cultuur uit de Westhoek aan de vergetelheid ontrukt. Veel er van is verdwenen maar door de aandacht die hij er aan besteedde zijn ook veel dingen in ere hersteld. Een waardig betoon aan deze Zuid-Vlaamse kunstenaar.

·         Voor kort verscheen een heerlijk boekje: Klertje, Gedenkschrift van een Vlaming van Frankryk, met de vertaling erbij: Mémoires d’un Flamand de France. Het Vlaamse verhaal is geschreven door Raymond Declerck zelf, het verhaal van z’n leven als vurige Vlaming, vanaf z’n geboorte in 1925. Hij was een onvermoeibare verdediger van z’n Vlaamse moedertaal. Het boekje is in goed, zelfs stijlvol Vlaams geschreven ineen goed leesbare spellingen bovendien mooi geïllustreerd. Ten zeerste aanbevolen. Uitgegeven door de vereniging SOS Blootland

·         Op vrijdag 18 juli heeft de burgemeester van Sint-Omaars in Sint-Omaars zef het Feest van de Vlaamse Gemeenschap georganiseerd, wel een week van 11 juli. Het had plaats in het Sandelin-museum en er waren wel 300 genodigden. Eerst mochten ze het museum bezoeken en dan werden ze toegesproken door de burgemeester in de tuin van het museum. Er was een Vlaamse afvaardiging aanwezig uit Parijs. François Decoster herinnerde de gasten eraan dat Sint-Omaars historisch nauw verbonden was met Vlaanderen  en dat de inwoners tot het eind van de 14e eeuw Vlaams spraken. We moeten eraan toevoegen dat heel wat inwoners Vlaams bleven spreken tot in 17e eeuw en de buitenwijken tot in de 20e eeuw. De burge-meester zei hij dat het Nederlands onderwijs in z’n stad wilde pro-moten. Er zat aan de gevel van het museum een leeuwenvlag uit.

·         In Rekspoede vierde de bevolking voor de tweede keer een Zannekin-feest op zondag 34 augustus. Een van de sprekers was Laurens Patfoort, leraar geschiedenis in Duinkerke. Hij kent en spreekt goed Nederlands en als lid van de afdeling Davidsfonds Frans-Vlaanderen, schaft hij zich Nederlandse historische boeken aan. Hij is schepen van Rekspoede. Hij steekt geregeld de leeuwenvlag uit en hij heeft z’n kinderen mooie Vlaamse namen gegeven.

 

Vanaf de zijlijn


Marten Heida

Voor het voetlicht

Gelukkig dat er altijd weer mensen bereid gevonden worden zich er-gens voor in te zetten. Menig initiatief is door hun toedoen in werke-lijkheid omgezet. Daarom is het een goede zaak dat ze eens voor het voetlicht komen te staan. Die eer viel in het najaar van 2012 te beurt aan dr. Timothy Sodmann en Günther Inhester, beiden woonachtig in het Westmunsterland.

Aan Timothy Sodmann werd op 25 oktober de Rottendorf-prijs uitgereikt als waardering voor zijn inspanningen ten bate van het Westfaalse Platduits. In zijn vroegere functie van leidinggevende aan het Landeskundliche Institut Westmünsterland te Vreden heeft hij zich in menige publicatie beziggehouden met het Nederduits. Bovendien heeft zich beijverd in het leggen van contacten over de grens; zo was (is) hij betrokken bij Achterland-Verlag (Vreden/Bredevoort), het inrichten van de jaarlijkse grensoverschrijdende dialectdagen en midwinteravonden. Vaak heeft hij daaraan als spreker een bijdrage geleverd, Als jongeman zal hij er nooit van gedroomd hebben dat zijn toekomstige werkterrein in het Westmunsterland zou komen te liggen afkomstig als hij is uit de staat New York waar hij in 1943 in Buffalo is geboren. In 1962 waagde hij de sprong naar het Europese vasteland door in Munster zowel Germanistiek als neerlandistiek en Anglistiek te gaan studeren. In 1977 sloot hij deze periode af met een promotie. Intussen was hij al vanaf 1974 werkzaam als wetenschappelijk medewerker aan de Nederduitse afdeling van het Germanistische Instituut. Van 1983-1985 was hij be-trokken bij het project “Westmunsterlandse veldnamen” in de Kreis Borken dat in samenwerking met de Universiteit Antwerpen werd uitgevoerd. In 1988 werd hij benoemd in de functie die ik daarstraks al genoemd heb, een functie die hij heeft uitgeoefend tot voor enkele jaren toen hij met pensioen ging. Door de wijze waarop hij inhoud heeft gegeven als leidinggevende aan “zijn” instituut blijkt dat hij de juiste man voor deze plaats was. Natuurlijk zullen teleurstellingen hem niet bespaard gebleven zijn maar daar staat het welslagen van menig initiatief tegenover. Met dankbaarheid denk ik terug aan de keren dat we elkaar ontmoet hebben. In het bijzonder was dat het geval rond de voorbereiding en uitvoering van de Zannekin-uitstap naar het Westmunsterland in 2003.

De tweede persoon die ik voor het voetlicht wil plaatsen is Günther Inhester. Ook hij is inmiddels gepensioneerd na jarenlang dé man geweest te zijn die leiding gaf aan de Cultuurafdeling van de Kreis Borken. Hem werd op 27 december het lintje opgespeld als teken van het ontvangen van het ridderschap van de Orde van Oranje-Nassau. Deze Koninklijke onderscheiding werd hem toegekend voor het vele werk dat hij heeft verricht in het kader van de “Culturele grens-contacten Achterhoek-Westmunsterland”. En dat heeft dan vooral be-trekking op het organiseren van activiteiten als de jaarlijkse dialectdag en de Duitse-Nederlandse Grafiekbeurs. Het is een goede zaak geweest dat deze man, die meestal werkzaam was op de achtergrond nu voor een ogenblik in het licht van de schijnwerper werd gezet. In dank-baarheid denk ik terug de aan de vele keren dat ik hem in de loop van de voorbije Jaren heb mogen ontmoeten.

N.B. De feitelijke gegevens heb ik ontleend aan Westmünsterland. Jahrbuch des Kreises Borken, 2014.

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53

NL 3905 Veenendaal

 

Het laatste woord

Leo Camerlynck

Vertoeft Frans-Vlaanderen in een dipje?

Is een dipje wel het juiste woord? Zou het woord dieptepunt niet beter passen bij een situatie, waarbij een aantal zaken niet meer de dynamiek vertonen van weleer. Wat Frans-Vlaanderen betreft of beter de belangstelling voor Frans-Vlaanderen valt het niet moeilijk vast te stellen dat het ooit beter gesteld was met het Vlaamse sociaal-culturele leven over de “Schreve”. Ooit waren er Frans-Vlaamse cultuurdagen in Zeeuws-Vlaanderen, hoofdzakelijk in Hulst, in Frans-Vlaanderen, meer bepaald in Ekelsbeke en Belle, en in Belgisch-Vlaanderen, meer bepaald in Ware-gem en Nieuwpoort.

Anno 2014 zijn er geen terugkerende Frans-Vlaamse dagen meer. Er zijn wel diverse andere waardevolle activiteiten, die meestal eenmalig zijn.

De ‘Amis du Néerlandais - Vrienden van het Nederlands’ verrichten degelijk werk in de bevordering van het Nederlands. Begin dit jaar had te Duinkerke een talenbeurs plaats, waarbij het Nederlands en het ‘Vlaemsch’ centraal stonden. In augustus beleefde de gemeente Rex-poede een grotendeels tweetalig Zannekin-feest. Niet te verwarren met onze Stichting Zannekin. Het ‘Musée de Flandre’ te Cassel program-meert bijzonder interessante tentoonstellingen, keurig in het Frans en in het Nederlands. Het ‘Huis van het Nederlands’ te Belle draait op volle toeren. En de Eurometropool Rijsel-Kortrijk-Doornik stelt het goed.

Het betreft hier positieve initiatieven, dat wel, maar er ontstaat een leemte. Anders gezegd er ontbreekt iets, een dag en een plaats, waar be-langstellenden uit en voor Frans-Vlaanderen elkaar kunnen ontmoeten, of een tijdschrift zoals de KFV-Mededelingen of een algemene webstek over het geliefde gebied.

Toegegeven, er bestaan op het net een aantal websteks, die Frans-Vlaan-deren elk op een geëigende wijze belichten; doch het zou meer aange-wezen zijn indien al deze waardevolle webruimten onder één grote koepel zouden worden ondergebracht zonder dat ze hun eigenheid zouden verliezen.

Als mooi voorbeeld van overkoepelende webstek kan ‘De Roepstem – Die Roepstem’ van de Nederlander Marcel Bas aangehaald worden.

Zou het hardop dromen zijn aan de Vlaamse én Nederlandse regerin-gen voor te stellen een officieel orgaan in het leven te roepen en te financieren, dat tot taak zou hebben de Nederlandse taal en cultuur in Frans-Vlaanderen te ondersteunen en te bevorderen. Een bij voorkeur te Rijsel gevestigd bureau, waar vier à vijf personeelsleden zouden te-werkgesteld worden, zou een verbindings- en coördinatiefunctie ver-zorgen.

Het hoeft niet meteen een instelling te zijn zoals ‘De Brakke Grond’ in Amsterdam of ‘deBuren’ in Brussel, maar een aantrekkelijke – convivial in het Frans – ontmoetingsplek met openingstijden en een leuk onthaal.

Jammer genoeg verleent het steeds zelfstandiger wordende Vlaanderen gaandeweg minder aandacht aan het dierbare Frans-Vlaanderen. Politici van diverse pluimage geven mooie toespraken over Frans-Vlaande-ren doch de uitkomst op het terrein valt eerder karig uit.

Zou aankloppen bij de Nederlandse Regering voor een beter resultaat zorgen? In de huidige economische omstandigheden blijkt de kans op slagen eerder gering, om niet te zeggen haast onbestaand.

De Frans-Vlamingen zullen het nog een tijd lang met privé-initiatieven moeten stellen.

Leo Camerlynck

Voorzitter Stichting Zannekin

“De Zavelberg”

Edouard Michielsstraat 51

B – 1180 UKKEL / Brussel

T. 00 32 485 630 227  E.

 leo.camerlynck@skynet.be