> nieuwsbrief 1e trimester 2015

Bijdragen over:

Mededelingen

Hernieuwen ledenbijdrage voor 2015

Hoewel we, zoals elk jaar overigens, straks weer geconfronteerd zullen worden met de – uiteraard weer eens naar boven – aangepaste posttarieven, blijft uw ledenbijdrage voor 2015 ongewijzigd. Ze beloopt voor het in mei te verschijnen nieuwe Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ en voor de driemaandelijkse Nieuwsbrief Zannekin 29 €. Vanaf 35 € wordt u met dank als steunend lid geboekt.

Maakt u bij voorkeur gebruik van ons ‘Belgische’ zogenaamd ‘Europees’ rekeningnummer, waarvan de rekeningoverzichten ons dagelijks meegedeeld worden.
Belgische rekeningnummer: IBAN: BE13 4648 2202 5139 - BIC: KREDBEBB  -- Nederlands rekeningnummer: IBAN: NL68 INGB 0003 8769 53 - BIC: INGBNL2A.  
Leden genieten bovendien ook een tastbare vermindering op de deelnamekosten van de Zannekin-activiteiten.


Zannekin-activiteiten 2015


Dit jaar keren we de volgorde van onze traditionele om: de Ontmoetingsdag plannen we op zaterdag 30 mei te Bergen/Mons; de Studie-uitstap komt er op zaterdag 17 oktober: vanuit Halle verkennen we dan het oude Henegouwen aan weerskanten van de ‘Schreve’.

In 2015 plannen we – in het kader van 1815 en de hereniging van de Nederlanden - een meerdaagse reis rond koning Willem I. Deze is gepland van 21 tot en met 25 augustus en zal ons doorheen de Benelux-landen gidsen naar locaties die herinneren aan deze vorst.

Noteer alvast deze data waarop we in de volgde nummers uitgebreid terugkomen.


De waanzinnige veertiende eeuw…


Herman Vandormael

Wij gaan zevenhonderd jaar terug in de tijd. 1314, het veertiende jaar van de eeuw die sedert het werk van Barbara Tuchman ‘de waanzinnige veertiende eeuw’ wordt genoemd.

En ja, ‘waanzinnig’, zo mag deze eeuw wel heten. Het is de eeuw, niet alleen van de overbekende Guldensporenslag en de slag bij Westrozebeke – de twee die wij nog kennen uit onze schooltijd -, maar de eeuw waarin adellijke heren constant hun vetes uitvechten, de eeuw van de Honderdjarige Oorlog met zijn tientallen bloedige veldslagen, de eeuw van de volksopstanden tegen de hoge heren. En in al die voortdurende oorlogen, die met geweld over Europa rollen, duiken plunderende huursoldaten op, die de lokale bevolking brandschatten, de stulpjes en de oogst van de arme boeren in brand steken, hun vee stelen, hun vrouwen en dochters aanranden…

In 1314, jaar van de stichting van ‘ons’ klooster – te Herne, moet de Engelse koning Edward II niet minder dan 10 000 doden achterlaten in een veldslag tegen de Schotten van Robert Bruce. In datzelfde jaar wordt in Parijs Jacques de Molay, laatste grootmeester van de Tempeliersorde -, op de brandstapel ter dood gebracht. Nog in datzelfde jaar gooit de Franse koning Filps IV zijn drie schoondochters in de gevan-genis, omdat zij aanstoot geven met hun weinig deugdzame levens-wijze. Met andere woorden: een waanzinnige eeuw.

Het is ook de eeuw van de pest, de Zwarte Dood, die tussen 1347 en 1351 – in vier à vijf jaar slechts – een derde van alle Europeanen het leven kost, een ziekte waartegen men geen verweer heeft, tenzij misvieringen, processies en bedevaarten, waarbij men niet beseft dat precies zulke bijeenkomsten de opmars van de besmettelijke ziekte in de hand werken. Het aantal slachtoffers wordt geraamd op 25 à 50 miljoen, zoveel als in de Tweede Wereldoorlog. In Parijs, waar de pest woedt tot eind 1349, zijn er 800 doden per dag, in totaal 50000, de helft van de bevolking. In gesloten ruimten, zoals kloosters, is besmetting van één persoon meestal besmetting van iedereen, zoals in de franciskanerkloosters van Carcassonne en Marseille, waar niemand overleeft. De broer van Petrarca, lid van de kartuizerorde, begraaft zijn prior en alle medebroeders, tot hij alleen overblijft en met zijn hond op stap gaat om een klooster te vinden dat hem wil opnemen. En de wetenschap, of wat ervoor doorgaat, staat machteloos. Zij houdt zich bezig met vragen als ‘Wat gebeurt er met vuur als het uitgaat?’, ‘Hoe kan de aarde die zwaar is in de lucht blijven hangen?’, of ‘Hoe bereikt de ziel het hiernamaals?’ De geleerde heren van de medische faculteit van Parijs schrijven de ramp van de pest toe aan ’een drievoudige conjunctie van Saturnus, Jupiter en Mars’, die zich heeft voorgedaan op 20 maart 1345.

En het is ook de eeuw van het Westers Schisma, met, sedert 1309, een paus in Avignon; nadien twee pausen, in Avignon en Rome. Theologen bevechten elkaar, schotschriften vliegen over en weer, pausen excom-municeren elkaar, en elkaars aanhangers. De kwestie laat de kartuizers van Herne niet onberoerd, aangezien zij, via de Grande Chartreuse, rechtstreeks onder het gezag van de paus ressorteren. Als hun ‘moederhuis’ voor Clemens kiest, die in Avignon woont, kiezen zij waar voor hun geld.

Maar keren wij terug naar Herne, 1314. De kerk – die we er thans aantreffen – staat er niet. Er staat wel een kerk, veel kleiner, donker. Geen licht, misschien een paar kaarsen op het altaar. Daar staat een pastoor te murmelen, met een tekst die hij afleest, in een taal die hij misschien zelf niet begrijpt. Geen stoelen, wij zitten op de grond, of hurken of leunen tegen een pilaar. Mensen gaan in en uit, babbelen, roepen. Af en toe loopt een verdwaalde hond naar binnen, en wordt door de ‘hondenslager’ naar buiten gejaagd. Een kreupele bedelaar hinkt rond… En buiten? De Kerkstraat is er niet, er is helemaal geen straat, alleen een aardeweg die bij regenweer in een slijkpad verandert.

En dan gebeurt het wonder: op precies één kilometer van deze kerk zal een klooster tot stand komen. Dat klooster was de wens van Walter II van Edingen. Maar hij is vier jaar vroeger overleden, en zijn wil wordt nu uitgevoerd door zijn weduwe, die optreedt in naam van haar nog jonge zoon Walter III.

Zijn die edelen dan zo vroom, dat zij zomaar een klooster op hun grondgebied willen? Zeker niet. Maar zij staan aan de top van de maatschappij, zij zijn machtig en rijk, en hun leven bestaat uit vechten en feesten. En dat zijn nu juist de mensen waartegen predikers het opnemen. Over die machtigen en rijken schrijft John Bromyard : ‘Hun ziel zal, in plaats van paleis en kasteel, de diepste hellepoel tot verblijfplaats hebben… In plaats van geparfumeerde baden zal hun lichaam een nauwe spleet in de aarde krijgen, smeriger dan een bad van pek en zwavel. In plaats van een zacht bed zullen zij er een krijgen, dat pijnlijker is en harder dan alle spijkers ter wereld… In plaats van vrouwen zullen zij padden krijgen, in plaats van een groot gevolg en een stoet volgelingen zal hun lichaam een menigte wormen en hun ziel een drom duivels hebben. In plaats van een groot landgoed zal het een eeuwige gevangenis zijn…, in plaats van lachen, wenen, in plaats van gulzigheid en dronkenschap zal er honger en dorst zonder einde zijn…en in plaats van de kwelling die zij anderen aandeden, zullen zij eeuwig worden gekweld’.

Het ziet er niet goed uit voor de edele heren en dames… Maar er is een uitweg! Je kan, om ze te vereren, relikwieën kopen, zoals een veer van de engel Gabriël, die gevallen was tijdens de Boodschap aan Maria, of een stukje braambos van waaruit de Heer tot Mozes sprak. Aflaten – d.w.z. kwijtschelding van zonden – kan je bekomen door deel te nemen aan een kruistocht, door bedevaarten naar een of ander heiligdom, door zielenmissen te laten opdragen…. Maar waarom dan meteen geen klooster stichten? Plaats in de hemel verzekerd!

Of Walter II zo gedacht heeft? Dat weten wij niet. Maar het klooster komt er. En juist op tijd, want het volgende jaar begint een ramp zonder weerga, die verscheidene jaren zal aanhouden.

Jan van Boendale, de Antwerpse schepenklerk en dichter, schrijft er zo over:

 

In het jaar Ons Heeren, weet voor waar,

Dertien honderd en nog vijftien jaar,

Toen begonnen de drie Godsplagen

Die men voor eeuwig zal beklagen

Die God als straf voor de mensheid zond.

Als eerste van die plagen ontstond

Al in de maand van mei de regen

Die het hele jaar door bleef duren

Zodat de meeste vruchten en graan

Zo doende zijn verloren gegaan’.

 

Het gevolg is natuurlijk hongersnood, door van Boendale plastisch beschreven:

 

‘Want het geween en al de klachten

Van de armen waren bij machte

Geweest om stenen te vermurwen,

Zoals zij langs de straten lagen,

Hun buiken dik van de hongersnood.

Velen bleven er van honger dood.

Zij werden met spoed zo samen geworpen

Met tientallen bijeen in putten’.

 

Drie jaar na elkaar mislukken de oogsten, in heel Europa, en velen sterven de hongerdood. In Ieper sterven er in 1316 gemiddeld 108 mensen per week, en er worden dat jaar meer dan 3000 doden op stadskosten begraven, in Brugge bijna 2000, plus natuurlijk de minder armen, die door familie worden ter aarde besteld. In Doornik hangt constant een lijkenlucht in de straten, in Leuven haalt de lijkenkar dagelijks twintig doden op in het hospitaal… Ja, het is een waanzinnige eeuw.

Gaat dat alles aan onze Hernse kartuizers voorbij? Men kan het betwijfelen. Zij behoren wel tot een contemplatieve orde, wat wil zeggen dat zij zich afzonderen van de wereld. Maar men kan zich voorstellen dat armen, zieken en stervenden aankloppen aan de poort, en dat de kartuizers het als een christelijke plicht aanvoelen, de noodlijdenden niet zomaar weg te sturen.

En toch houden zij zich weg van ‘de wereld’, houden zij zich bezig met contemplatie en gebed. En met studie! De monniken lezen, studeren, kopiëren… De Hernse monniken schrijven teksten voor eigen gebruik, maar ook voor weldoeners. En dat zijn niet de edele heren, voor wie lezen alleen maar tijdverdrijf voor vrouwen en geestelijken is, maar patriciërs uit de steden. Want ook dat is de veertiende eeuw: de stede-lijke burgerij wordt belangrijker, machtiger, eist medezeggenschap op. Denken wij maar aan de Blijde Inkomst van 1356, waarin hertogin Johanna van Brabant belooft geen oorlog te beginnen of beslag te leggen op iemand, geen munt te slaan, zonder instemming ‘van onze goede steden en van ons land’, een grondwet avant la lettre….

Dat die stedelijke burgerij aan invloed wint, zal men ook zien: het is in de veertiende eeuw dat belforten worden gebouwd, hét symbool van de stedelijke autonomie, in Brugge, Kortrijk, Lier, en Gent, waar ‘Klokke Roeland’ in de toren wordt gehesen om luid zijn stem te laten horen, tot ver voorbij het steen van de graaf; dat stadhuizen worden gebouwd, zoals in Brugge, of in Geraardsbergen, kerken als in Halle en Vilvoorde, een lakenhalle als in Lier, Mechelen en Zoutleeuw.

Die stadspatriciërs zoeken ook cultuur. En dus gebeurt er in Herne een tweede wonder. Kort na het midden van die waanzinnige eeuw, is het hier in Herne dat prior Petrus Naghel zijn meesterwerk aflevert. Hij vertaalt de Bijbel in de volkstaal, in opdracht van de Brusselse patriciër Jan Taye. Het is niet zijn eerste werk. Hij vertaalde al de Legenda Sanc-torum of Legenda Aurea van Jacobus de Voragine. Op vraag van een andere Brusselaar, Lodewijk Thonijs, heeft hij de Regel van Benedictus in de volkstaal omgezet.

Maar over de Bijbel twijfelt hij. Eeuwenlang is de Bijbel alleen gelezen door wie Latijn verstaat. En het vertalen is niet alleen moeilijk, het is vooral een hachelijke onderneming. Binnen de Kerk heerst er immers twijfel: kan men de Bijbel, Gods Woord, wel juist vertalen? En, zo ja, zal het ongeletterde volk het dan ook juist begrijpen? Sommige geleerden, zo zegt Naghel zelf, ‘maakt het toornig dat men de geheimen van de Schrift voor het gewone volk zou gaan vertalen. Zij willen niet weten dat Christus’ apostelen in alle mogelijke talen hun leer hebben gepredikt aan de mensen’.

Hij is ook beducht voor jaloersheid van andere geleerden: ‘Si scarpten haar tonghen als serpenten, der aspiden venijn is onder haer lippen’, in modern Nederlands: ‘Zij scherpten hun tongen als slangen, het gif van adders ligt op hun lippen’. En verder: ‘Vele geleerde lieden becnaghen ende lachteren dat men den leeken menschen de scrifture te Dietsche maect’ – ‘Vele hoog opgeleiden doen er afbreuk aan, en bekritiseren het, dat men voor leken de Schrift in het Nederlands toegankelijk maakt’.

Maar Naghel zet door, en hier, in het uiterste Zuiden van de Nederlanden, komt de eerste Bijbelvertaling tot stand. In eerste instantie beperkt hij zich tot de eerste vijf boeken over de geschiedenis van het Jodendom, plus het levensverhaal van Jezus en de Handelingen der Apostelen, de delen van de Bijbel dus die verslag uitbrengen van gebeurtenissen, waarbij verkeerde uitleg nauwelijks mogelijk is. En zelfs die onderneming, zo schrijft hij, heeft hij niet sonder vrese op zich genomen. Nadien vertaalt hij ook de andere Bijbelboeken, met telkens toch nog een verdediging ingebouwd tegen diegenen die zijn werk zouden aanvallen. Dat werk is niet in een handomdraai klaar, want voor tientallen Latijnse termen moet hij een passend equivalent in de volkstaal bedenken.

Het resultaat is echter verbluffend, en zijn werk krijgt de verdiende uitstraling. Niet alleen de bestellers zijn ermee opgezet, maar ook andere kloosters. En meer dan honderd jaar later, in 1477, verschijnt in Delft de eerste gedrukte Bijbel, waarvoor Naghels werk als basis dient. De uitgevers prijzen hun werk aan als ‘van een notabele meester’. Een werk met weerklank! Vanuit Herne verspreidt de Bijbel in de volkstaal zich aldus over de Nederlanden, maar vanuit Herne worden ook andere kartuizerkloosters gesticht: Antwerpen, Sint-Martens-Lierde, Zelem, Scheut en Delft.

De Hernse kartuizers overleven de 14e eeuw. Zij werken onverstoorbaar verder, schrijven, vertalen, kopiëren, discussiëren met Jan Ruusbroec, die speciaal naar Herne komt om zijn geschriften te verduidelijken, en daar dan weer een nieuw aan overhoudt, het Boeckxcen der Verclaeringhe. En daarnaast is er wel altijd een pater, die de kroniek van het klooster bijhoudt…

De monniken blijven gelukkig ook onder de beschermende vleugels van de adellijke dames en heren, niet alleen de heren van Edingen, maar ook de hertogen van Bourgondië. Margaretha van York en haar stiefdochter Maria van Bourgondië komen op bezoek; Filips de Stoute wordt zelfs in een kartuizerpij begraven…

Ook de zestiende eeuw kan ‘waanzinnig’ genoemd worden: de eeuw van de hervormingsbeweging, van de grootste scheuring in de kerk, van de godsdienstoorlogen. De Hernse kartuizer Jan van de Maude – met zijn geleerde naam Ammonius – correspondeert dan wel met de grote humanist Erasmus, maar hij wordt toch van ketterij verdacht en opgesloten, omdat hij aan sommige mirakels durft twijfelen. En in 1566, na een ‘hagenpreek’ in Tollembeek, wordt het klooster geplunderd; het is niet de laatste maal…

En ook de zeventiende eeuw is waanzinnig, wanneer de hele streek wordt platgelopen en platgebrand door legers uit bijna heel Europa, die hier Lodewijk XIV komen bevechten.

Voor het kartuizerklooster is de achttiende eeuw de meest waanzinnige, want het zal afgeschaft worden. Keizer Jozef II, in vele geschiedenisboekjes nog altijd te negatief afgeschilderd, is een man met moderne ideeën. In het verre Wenen leest hij rapporten uit ‘zijn’ Zuidelijke Nederlanden. Hij leest dat er op alle kermissen gevochten wordt, als er op de dansfeesten ‘concurrenten’ uit andere dorpen opdagen. ‘Alle kermissen op één en dezelfde dag’, decreteert hij. ‘Aanslag op het geloof’, klinkt het hier. ‘Kermis’ komt immers van ‘kerkmis’, gewoonlijk de dag waarop de patroonheilige of de stichting van de kerk wordt gevierd. Hij verneemt ook dat de kerkhoven rond de kerken liggen. Bij die kerk, bij het kerkhof, staat in de dorpen ook de enige dorpspomp, waarvan het water natuurlijk niet altijd zuiver is. ‘Kerkhoven weg van de kerk’, beslist de keizer. ‘Aanslag op het geloof’, klinkt het hier…

Een man met moderne ideeën: alles moet ordelijk zijn, logisch, praktisch en bruikbaar. Wat is niet bruikbaar? De contemplatieve orden, die geen onderwijs verschaffen, niet aan ziekenverpleging doen, niet prediken…

De kartuizers zijn het slachtoffer. Op 17 maart 1783 wordt het keizerlijk besluit afgekondigd, dat alle beschouwende orden afschaft, op 26 april – thans is dat 231 jaar geleden – vernemen de monniken dat zij niet meer bestaan. De gebouwen worden verkocht, afgebroken…

Bijna vijf eeuwen is het kartuizerklooster van Herne een centrum geweest van bezinning, beschaving, cultuur, geestelijke rijkdom. Het einde is roemloos.

En toch! Toch blijft het een mijlpaal, toch blijft het een rijkdom voor onze gemeenschap, ook in deze - alweer - ‘waanzinnige’ eenentwintigste eeuw. Laten wij er trots op zijn!

 

Uit en over Frans-Vlaanderen


Cyriel Moeyaert

o   In Klein Sinten bestaat een kapel van de Kruysbellaert die tegelijk een bedevaartplaats is. Dank zij de vereniging Hispasec met als bezieler Christian Sterckeman werd de kapel met de waterput nu hersteld en vernieuwd. Op vrijdag 12 september om 17.15 uur werd in aanwezigheid van de bisschop van Rijsel de kapel plechtig heropend. De bedevaart was al bekend vanaf het midden van de 15e eeuw. Er is ook een nieuw historisch werk over verschenen: Le Kruysbellaert à travers les siècles. Binnen is een houten kruis met belletjes te zien, vandaar de naam. De put bevat genezend water voor koorts- en ooglijders.

o   Nog over Camille Taccoen, wiens overlijden we memoreerden in de vorige Nieuwsbrief: hij heeft me ook nog verteld dat als leraar verzocht werd samen met heel wat anderen om onder de oorlog in 1942 naschoolse Vlaamse lessen te geven, krachtens het ministerieel besluit van 14 december 1941 dat toestond die lessen te geven in het basisonderwijs. Er mocht ook regionale geschiedenis, aardrijkskunde gegeven worden en het aanleren van streekgebonden liederen werd ook toegestaan. De meeste onderwijzers waarbij Taccoen zich begrijpelijk aansloot, weigerden op dit verzoek in te gaan om patriottische redenen. Ze gingen niet akkoord met het bestuur van Pétain. Tot onze verbazing verheugde het Comité Flamand de France zich wel over dit ministerieel besluit. Zie Annales du CFF, 1942.

o   Op zondag 23 november zijn vrij talrijke leden van de Michiel de Swaenkring bijeengekomen met banket in het mooie restaurant “De Meulewal“ in Berten niet ver van de Katsberg. Voorzitter Lievens verwelkomde ons en deelde ons mee dat het tijdschrift Vlaanderen den Leeuw – La Flandre au Lion, het orgaan van de kring nu digitaal zal verschijnen. Het feestmaal werd opgeluisterd door een doedelzakspeler met Frans-Vlaamse melodieën. We zongen op het eind een mooie reeks Vlaamse liederen uit de verzameling van Edmond de Coussemaker en andere. Zoals het hoort besloten we onze bijeenkomst met het Wilhelmus, Uit die blau van onse hemel, en de Vlaamse Leeuw. We mochten Wim Dewit, voorzitter van IJzerwake en Edwin Truyens, uitgever van Kort Manifest van het Vormingsinstituut Wies Moens als medegasten begroeten naast Karel Appelmans de bezieler van de kring.

o   De kalender van het Davidsfonds Frans-Vlaanderen “Een jaar in de Franse Nederlanden” is weer ter beschikking. Tegen de stroom in wordt er de zondag als eerste dag van de week aangegeven: de zaterdag is de zevende dag. Zo is het sinds eeuwen geweest in het kerkelijk jaar en ook in het gewone leven. Elke dag wordt een patroonheilige vermeld, met voorkeur voor de heiligen uit de Franse Nederlanden. Vooraan prijkt het “klokhuis”, houten klokkentoren van Harrevoorde. Een nekker ofte waterduvel is nog goed bekend in Frans-Vlaanderen. De Nekkerstorre in de vestingen van Sint-Winoksbergen is een waterpoort. Uit Terenburg werd na de verwoesting van de kathedraal het zestiende-eeuwse doksaal naar de kerk van Linde overgebracht met erop de kroning van Maria en de twaalf apostels. We krijgen ook een glimp van het schitterende landschap bij het Lauerdal in Akkin (Acquin) in de Vlaams-Artesische heuvels. Verhelderende informatie krijgt u op de achterkant van de foto’s. Prijs 7 euro bij de bestuursleden of 9 euro, te storten op giro BE14 7380 3921 3583, t.n.v. Davidsfonds-Frans-Vlaanderen, adres: Fernande Verstraeteplein 3 8600 Diksmuide.

o   Wido Bourel zet z’n succesrijke reeks boeken over z’n geboortestreek Frans-Vlaanderen voort met een nieuwe uitgave over Lodewijk de Baecker De saga van Lodewijk, een van de boeiendste, radicaalste, heel ruim ontwikkelde Frans-Vlaamse strijders, die ontzettend veel gepubliceerd heeft. Hij leefde in de 19e eeuw. Het wordt het zoveelste succesboek en we bevelen het ook sterk aan.

o   Wat ene Natal Vanwildemeersch over Cyriel Verschaeve geschreven heeft in het Nieuwsblad onder de titel “Een museum voor een collaborateur”, is om zich te schamen. Verschaeve was wel collaborateur uit idealisme (Dante was in zijn tijd ook collaborateur), en dat hij jongens naar het oostfront liet gaan, daarover heeft hij na de oorlog z’n spijt uitgedrukt. Maar Verschaeve was veel meer dan dat: als dichter, toneelschrijver, denker, bezieler van de jeugd in het spoor van A. Rodenbach, alsook vriend en bemoediger van de Frans-Vlamingen. Precies daarom vermeld ik dat hier. Ik wil hier enkele zinnen aanhalen die hij in Rijsel gesproken heeft bij de opening van de tentoonstelling van Vlaamse schilders in het Palais des Beaux Arts in augustus 1943: “Je ne ferai pas une halte  d’honneur devant ls tombes illustres où reposent les De Coussemaker, les Looten, les Blanckaert, les De Baecker et tant d’autres. Je me bornerai à nommer une revue: ‘Le Lion de Flandre’, qui est un faisceau de noms, d’efforts, de prestations, telle qu’elle n’a son égale  en toute la terre flamande. Sans hyperbole elle est la revue la plus flamande de toute la Flandre, la plus ardente, la plus solide, la plus docte et la plus tenace, ce qui est cent fois plus flamand que toute la tortuosité  et fragmentarisme de la politique.” We beamen nog altijd Verschaeves oproep: “We heffen hart en handen tot heil der Nederlanden”.

o   Sterk aan te  bevelen is het Frans-Vlaams initiatief van onze vriend Philippe Ducourant van het Huis van de Veldslag in Noordpene, op internet: Frans-Vlaanderen in het Nederlands –La Flandre française en Néerlandais”, o.m.

http://fvlinhetnederlands.actieforum.com/t863p-de-vergeten-of-verzwegen-vlamingen-van-frankrijk#13213

o   Charles Etienne Brasseur, le grand americaniste flamand: dit is de titel van z’n pas geschreven boekje van Robert Noote over Charles Brasseur (1814-1874). Deze Broekburgse priester maakte zes grote, lange reizen naar Amerika en bestudeerde er de taal, het schrift en zeden van de Maya’s. Hij publiceerde er heel wat over, o.m over de handschriften die ontdekt had. Als linguïst vergeleek hij zelfs de taal van de Maya’s met z’n eigen Nederlandse moedertaal uit Broekburg. Hij schreef ook hele lovende woorden over z’n moedertaal, de best bewaarde taal in z’n primitieve vorm. “Enfin, c’est en m’aidant de cette vieille langue trop dédaignée de ceux qui devraient le mieux la connaître aujourdhui.” Z’n leuze was “Né libre et Flamand”. Hij werd in Gent begraven waar z’n familie toen woonde.

 

De samenwerking met Frans-Vlaanderen: geen tijd voor somberheid


Dirk van Assche

Deze week kreeg ik een Nieuwsbrief in de bus van de voorzitter van de Stichting Zannekin, Leo Camerlynck. Die Stichting Zannekin is vooral bekend van het jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ waarvan in 2014 het 36e deel verscheen. Zowel het jaarboek als de Stichting Zannekin brengen informatie over al deze gebieden die ooit tot het Nederlandse taalgebied hebben behoord, maar dat nu niet meer doen. Frans-Vlaanderen is daar uiteraard een van. In het nieuwste jaarboek staan wat Frans-Vlaanderen betreft o.a. artikelen over het land van Béthune, een Dietse abdij in het graafschap Gizene, over De gecroonde Leersse van Michiel de Swaen en over een abdijhoeve in Waten.

In zijn Nieuwsbrief klinkt de voorzitter eerder somber als het over Frans-Vlaanderen gaat. Hij spreekt van een dieptepunt in de belangstelling vanuit het Nederlandse taalgebied. Er zijn wel een aantal initiatieven, maar die zijn bijna altijd eenmalig. Maar dan somt hij er een aantal op die wel blijvend zijn, zoals het recente ‘Amis du Néerlandais - Vrienden van het Nederlands ‘, het musée de Flandre in Cassel, het huis van het Nederlands in Belle, de Eurometropool Lille-Kortrijk-Tournai. En toch ontbreekt er iets, vindt hij. Een tijdschrift of een website, bv. Al geeft hij wel toe dat die er wel zijn, maar er zou een overkoepelde website moeten zijn. Misschien moet de Vlaamse of de Nederlandse overheid een officieel orgaan in het leven roepen. Of beter nog, een bureau in Rijsel met vier of vijf personeelsleden. Hij denkt daarbij waarschijnlijk aan het Vlaams Huis in Rijsel, waarvan in 1980 de toenmalige Vlaamse minister voor cultuur tijdens een cultuurdag in Waregem, de aankoop aankondigde, maar dat daarna in de nevelen van de tijd verdween.

Leo Camerlynck beseft wel dat dit voorstel utopisch is, maar de vraag is niet of dit wel realiseerbaar is, maar wel of het nog zinvol is. Was het niet de ambitie van de stichters van het Komitee voor Frans-Vlaanderen om op de duur overbodig te worden en het initiatief aan de Frans-Vlamingen zelf over te laten? Overigens is het KFV niet helemaal van het terrein verdwenen en steunt het waar nodig. Op 13 september zal in Belle trouwens de jaarlijkse prijsuitreiking van de Taalprijsvraag doorgaan. En zelfs de Vlaamse overheid is niet helemaal afwezig in Frans-Vlaanderen. Al verschillende jaren organiseert de Vlaamse vertegenwoordiger op de Casselberg een druk bijgewoonde 11 juliviering. De laatste keer dat ik er was, trad de nieuwe Franse minister Patrick Kanner, toen nog voorzitter van de Conseil général, er mee als gastheer op.

Ik denk dat Leo Camerlynck deze brief op een somber ogenblik heeft geschreven. Ach, natuurlijk, alles kan altijd beter, maar spreken van een dieptepunt is sterk overdreven. Vandaag ontving ik nog een uitgebreid persbericht over de volgende tentoonstelling van Lille3000 en die was in keurig Nederlands gesteld. Dat was 10 jaar geleden onmogelijk. In het volgende jaarboek De Franse Nederlanden, het 39e inmiddels, staat een bijdrage van Jeroen Stam, een Nederlander die voor het noorder-departement verantwoordelijk is voor de contacten met Vlaanderen en Nederland inzake toerisme. Wat hij op korte tijd heeft kunnen realiseren, is niet alleen indrukwekkend, maar blijft ook voor lange termijn. De evolutie in de samenwerking tussen de Vlamingen aan beide kanten van de Frans-Belgische grens is te vergelijken met deze tussen Vlaanderen en Nederland. Ze is professioneler en zakelijker geworden, maar daarom niet slechter.

Er is geen reden voor somberheid, beste Leo Camerlynck, de samenwerking gaat traag vooruit, met vallen en opstaan, maar ze gaat vooruit.

________________

Bron: 4 september 2014 - in blog: De Franse Nederlanden - Les Pays-Bas Français

 

De oproep van Leo – andermaal


Deze week ontving ik een oproep van Zannekin-voorzitter Leo Camerlynck. Zijn rake vraag luidt: Vertoeft Frans-Vlaanderen in een dipje? Ik ken Leo al meer dan veertig jaar als trouwe vriend van Frans-Vlaanderen en als voorvechter van de Nederlandse Gedachte. Zijn oproep treft me omdat het recht uit het hart komt.

Oproep

Leo stelt terecht, en met voldoening, dat in de laatste jaren nieuwe, waardevolle initiatieven in Frans-Vlaanderen zijn genomen. Hij citeert de Vrienden van het Nederlands en het Huis van het Nederlands, twee goede initiatieven ten gunste van het Nederlands onderwijs. En ook, het Musée de Flandre in Kassel, de Euro metropool Rijsel – Kortrijk – Doornik, en nog veel meer. Initiatieven die stuk voor stuk de moeite waard zijn.

Maar er is ook een grote leegte ontstaan. De Frans-Vlaamse cultuurdagen van weleer, dé ontmoetingsplaats bij uitstek van alle vrienden en initiatieven van en rond Frans-Vlaanderen, zijn verdwenen. En een overkoepelende publicatie die over alle initiatieven inzake Frans-Vlaanderen rapporteert is al eveneens stopgezet.

Gemis

Als Frans-Vlaming vind ik dat Leo Camerlynck overschot van gelijk heeft:

o   ook ik mis een jaarlijkse Frans-Vlaamse cultuurdag of een Frans-Vlaamse lezing die jaarlijks Vlaamse en Nederlandse vrienden van Frans-Vlaanderen verzamelt.

o   ook ik mis een webstek die informatie verschaft over de vele feiten en activiteiten rond de Nederlanden in Frankrijk.

o   ook ik mis al jaren een initiatief van de Vlaamse overheid om, met of zonder samenspraak met Nederland, een of andere vorm van Vlaams-Nederlandse culturele aanwezigheid in Rijsel een gezicht te geven.

Somberheid?

Als Frans-Vlaming stel ik dat:

o   Vlaanderen verenigingen, stichtingen, orden en ringen genoeg telt om het initiatief van een webstek te nemen, alsook van een jaarlijkse Frans-Vlaamse ontmoetingsdag;

o   als politiek Vlaanderen eindelijk volwassen is, nu de woorden in daden moeten worden omgezet. Er zijn geen excuses meer, en zeker geen financiële.

Dirk van Assche, van Stichting Ons Erfdeel, heeft al gereageerd op de oproep van Leo. Hij stelt dat het zo niet meer hoeft en dat de oproep wellicht geschreven is in een ogenblik ‘van somberheid’. Wat bij Leo half leeg is wordt door Dirk half vol genoemd. Maar wat is het verschil?

Wel, beste Dirk: noteer in alle vriendschap dat Frans-Vlamingen vragende partij zijn opdat Vlaanderen, én privé, én openbaar, haar verantwoordelijkheid zou nemen.En dat ik vriend Leo ontzettend dankbaar ben voor deze oproep.

Bedankt Leo. Ik doe mee.

Wido Bourel

Nog enkele stemmen uit de vele in dit debat

Laten we ophouden met dromen. Destijds, toen we jong waren, konden wij verkrijgen dat de stad Antwerpen (toen onder Lode Craeybeckx; later Bob Cools) en de provincie Antwerpen (toen onder gouverneur Andries Kinsbergen) grote bedragen laten inschrijven op de begroting, bestemd voor Zuid-Vlaanderen. Waarom zou dit nu niet meer kunnen? Hallo Vlaamse regering, hallo provincie-, stads- en gemeentebesturen onder (ex)Vlaamsgezinde bestuurders, wanneer schieten jullie wakker? Of moeten wij het aan Sint-Pieter vragen?

Staf de Lie

Leo heeft niet helemaal ongelijk. De achteruitgang van het verenigingsleven laat zich daar even goed als hier gevoelen. Toch mag dit geen aanleiding zijn tot pessimisme. Ik meen dat er mogelijkheden genoeg zijn.

Je weet dat ik de jongste tijd in Kort Manifest al geregeld aandacht heb geschonken aan Frans-Vlaanderen en dat is geen toeval, maar doelbewust. Je weet ook dat de Michiel de Swaenkring, het Comité 1815 – 2015, het Vormingsinstituut Wies Moens en nu ook de Marnixring Lode de Boninghe volgende maand een symposium organiseren te Bray-Duinen. Het was niet eenvoudig om dit voor elkaar te krijgen, maar het is dan toch gelukt. De voorbereidende vergadering die we op maandag 25 augustus te Duinkerke hielden, heeft tot gevolg dat we de lat nu al wat hoger leggen dan oorspronkelijk gedacht. Meer bepaald in verband met het onderwijs Nederlands hopen we wat in gang te krijgen. Ik kan je ook verzekeren dat er nu al wel wat inschrijvingen zijn, zodat de kans op succes groeit.

EdwinTruyens, nms. Vormingsinstituut Wies Moens

Omdat ik Leo ook persoonlijk een beetje ken, graag volgende informatie voor wat ze waard is.

VVB Bachten de Kupe (regio Veurne/Westkust ), waarvan ik voorzitter ben, heeft het initiatief genomen om gedurende 5 jaar jaarlijks een Autocar tocht te organiseren naar Frans-Vlaanderen. Dit zal zijn elke laatste zaterdag van augustus. Telkens 50 man. We zijn thans rustig maar grondig bezig met de voorbereiding van dit vijfjarenplan. Zoals ik u reeds heb geschreven zullen wij U ter gelegener tijd graag betrekken in dit project , wanneer U nog eens in de streek vertoeft (Lo-Reninge ?)

Cynisch: ik verwacht meer van dit soort concrete initiatieven dan van symposia...

Gaby Vandromme, Voorzitter Vlaamse Volksbeweging Bachten de Kupe.

Het is waar: wanneer een huis in Rijsel door Vlaanderen en Nederland gesubsidieerd? Een klein huisje is voldoende om de Frans-Vlaamse verenigingen te helpen de ontwikkeling van de Nederlandse cultuur te bevorderen: lokaal voor lessen, tentoonstellingen, voordrachten, makkelijk door de Frans-Vlamingen te organiseren. De Frans-Vlaamse vrijwilligers zijn vermoeid.

Eric Vanneufville, Voorzitter van het Huis van het Nederlands, Belle

Volledig akkoord. De Vlaamse beweging in Frankrijk laat het de laatste jaren ook erg afweten. Moet plaatselijk gedragen worden en niet door mensen die er meer dan 150 km van af wonen.

Een webstek opzetten is vrij éénvoudig. Er is ook voldoende inhoud. Organiseer eens een bijeenkomst met geïnteresseerden.

Luc van den Weygaert

Voorwaar een resem aan belangrijke reacties. Namen en begrippen die klinken als een klok. Best geen nieuwe huizen maar inbedden in / vertrekken uit het bestaande: Maison de Néerlandais, Vrienden van het Nederlands, enz.

Walter Vandewaetere

Ik vrees dat mijn goede vriend Leo Camerlynck gelijk heeft. De stilte die hier heerst over dit voor ons (bijna) verloren wingewest is oorverdovend. Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat het unieke boekje van Raf Seys Gelijk de zonnebloem over de Duinkerkse dichter en heelmeester Michiel de Swaen (Duinkerke, 1654 – Duinkerke, 1707) verscheen te Hasselt bij de helaas verdwenen uitgeverij Heideland in de reeks ‘Poëtisch erfdeel der Nederlanden’. En dit jaar is het zowaar ook veertig jaar geleden dat de Frans-Vlaamse dichter Emanuel Looten (Sint-Winoksbergen, 1908 – 1974) overleed in het zuiden van Frankrijk alwaar zijn stoffelijk omhulsel naar zijn geboorteplaats Sint-Winoksbergen werd overgebracht. De letterkundige Willy Spillebeen vertaalde zijn gedicht ‘Bergues’ uit het Frans in het Nederlands. Ziehier, om even de stilte te doorbreken, de derde en laatste strofe van dit gedicht in de pen van deze merkwaardige man:

Mijn land wordt edeler door wat het leed,

Geen zal vermeestren zijn wachtende kracht.

Mijn Vlaanderen, warm hart.

Hendrik Carette

Met uw mail ben ik het 100 % eens. De dip is in feite begonnen met het overlijden van Luc Verbeke. Daarna werd er niets meer vernomen van het KFV, naar mijn beperkte inzicht nogal laks en onsympathiek. Het zal voor mij een grote vreugde zijn als er weer een cultuurdag, website of tijdschrift komt. Misschien kunt u zelf, met enige anderen, het initiatief nemen.

Richard van Schoonderwoerd, Voorschoten

Een centrale webstek waar zoveel mogelijk interessante actualiteit uit Frans-Vlaanderen, de diverse Frans-Vlaamse initiatieven van individuelen en alle verenigingen die eraan werken, info over het Nederlands daar en alle levendige contacten zoveel mogelijk op te vinden zijn, zou een zéér belangrijke eerste grote bron betekenen voor de hele wereld van de Nederlanden en de verbondenheid veel realiteit, draagvlak en kracht geven.

Ria Goossenaerts

Vanaf de zijlijn


Marten Heida

Wisseling van de wacht

Het mag dan waar zijn dat de jongere generaties nog nauwelijks de Oostfriese streektaal spreken dat wil niet zeggen dat men in deze regio bij de pakken gaat neerzitten. Het is de Ostfriesische Landschaft die de wacht betrekt hij dit brok cultureel erfgoed. Met name gebeurt dit door het Plattdüütskburo. Tot voor kort was het Cornelia Nath die daaraan leiding gaf maar inmiddels heeft ze het stokje overgedragen aan Grietje Kammler. Deze wisseling is voldoende aanleiding om de aandacht op deze belangrijke activiteit van de Ostfriesische Landschaft te vestigen.

Kammler is in dienst sinds juli 2O14. Weliswaar staat haar bureau in het Auricher Landschaftsgebouw maar veel heeft ze daar nog niet achter gezeten. Ze is veel onderweg om zich voor te stellen en contacten te leggen. Het is haar mening dat “om het Platduits weer meer onder de mensen te brengen er structuren opgebouwd moeten worden.” Om dat te kunnen bereiken zouden de Oostfriese geschiedenis en taal schoolvakken moeten worden. Aan het onderwijsmateriaal zal het niet liggen; dat is ruimschoots voorhanden dank zij het Regionaal Pedagogische Centrum.

Kammler ziet het als haar grote uitdaging de grotere kinderen en de jongvolwassenen warm te maken voor het spreken van het Platduits. Het project “Modelregio meertaligheid” kan hierbij van groot belang zijn want “het zijn de leerkrachten en opvoeders die de taak van de ouders overnemen omdat die dat voor een groot deel niet meer kunnen.” Dit heeft alles te maken met het imago van het Platduits. De gewone man geneert zich vaak om het te spreken; men meent dat het de “sociale opgang” in de weg staat.

Het is dus zaak aan de verbetering van dit imago te werker. “Daarvan is al sprake wanneer men het gewoon spreekt. Per slot van rekening is het toch positief wanneer men het blijkt te kunnen. Daar mag men best trots op zijn.”

Opgegroeid als Kammler is in Osterhusen, een dorp in de gemeente Hinte (even ten noorden van Emden), is ze zelf met het Platduits vertrouwd geworden door het volwassenen te horen spreken; met name noemt ze in dit verband haar moeder. Bij haar taalwetenschappelijke studie heeft ze daar veel profijt van gehad. Na haar betrekkingen aan de universiteiten van Göttingen en Erlangen is ze teruggekeerd naar haar geboortestreek dank zij de benoeming aan de Ostfriesische Landschaft. “Hier kan ik ook volop wetenschappelijk bezig zijn.” Zo wil ze gaan samenwerken met studenten die Nederduits studeren en zelf onderzoek doen. Dit zal de ontwikkeling en bevordering van de streektaal zeker ten goede komen is haar vaste overtuiging.

Een belangrijke bijdrage daartoe wordt geleverd in het kader van de “Plattdüütskmaand”, een initiatief van de Ostfriesiche Landschaft. Een jaarlijkse speerpunt is het spreken van de streektaal “bi d’Arbeid”. De bedoeling daarvan is dat klanten en collega’s van de deelnemende bedrijven en winkels in het Platduits te woord gestaan worden. Maar dit jaar richt men zich voor het eerst met name op het privégebruik. Om dat te bevorderen heeft men zelfs een projectkracht aangesteld. Men doet er dus alles aan om de eigen streektaal in een zo gunstig mogelijk daglicht te plaatsen. Bron: Ostfriesland Magazin, 2014/9

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53, NL 3905 Veenendaal

 

Het laatste woord


Leo Camerlynck

In sûn en lokkich nijjier 2015! In protte lok en seine yn it nije jier!

Ja, dat wensen wij onze leden en sympathisanten toe voor 2015.

Het Fries in de provincie Fryslân is levend, springlevend zelfs. Dat staat in schril contrast met de regelmatige rapporteringen van het UNESCO inzake onderzoek naar de levensvatbaarheid van de minderheidstalen.

Deze eerbiedwaardige en zeer nuttige instelling maakt geen onderscheid tussen een standaardtaal en een gewesttaal of taalvariant. Zo wordt het Beiers over dezelfde kam geschoren als het Hoogduits.

Het UNESCO hanteert gradaties in de catalogisering van de talen, hier de bedreigde talen:

Vulnerable = staat voor kwetsbaar

Endangered = betekent dat de taal gevaar loopt.

Definitely endangered = loopt zeer groot gevaar.

Severely of seriously endangered = loopt groot gevaar.

Critically endangered = opletten geblazen.

Extinct = uitgestorven.

Dat de Friese varianten in Duitsland en Denemarken op sterven na dood zijn, klopt jammer genoeg. Ondanks schuchtere pogingen van de Duitse Bondsrepubliek tot “reanimatie” vallen de Friese talen niet meer te redden in Saterland, op de Noord-Friese eilanden en op Helgoland.

Het West-Lauwers-Fries daarentegen is in tegenstelling met wat het UNESCO-rapport vermeld wel levend onder de bevolking in Friesland, en zulks bij jong en oud.

Het is de vraag wie de personen zijn, die dit onderzoek leiden, want het gonst van onjuistheden en tegenstrijdigheden. Zo wordt West-Flemish of West-Vlaams als kwetsbaar beschouwd daar waar het in Frans-Vlaanderen in lethargische toestand verkeert doch in West-Vlaanderen en deels in Zeeuws-Vlaanderen te pas en te onpas wordt gehanteerd in plaats van het Algemeen Nederlands.

Ook wordt Luxemburgish of Lëtzebuergësch bij de gevaar lopende “talen” gerangschikt terwijl het in het Grothertogdom Luxemburg springlevend als lingua franca geldt. In Frans-Lotharingen wordt het verder uitgerangeerd zoals de Franse overheid het blijft poneren, doch in het Belgische Arelerland is het nog present. In het aangrenzende Duitse gebieden kwijnt het als dialect weg.

Vlamsj en Nederlands in de Westhoek

Over het Vlamsj, en niet “Vlemsj”, in Frans-Vlaanderen hebben wij het later uitvoeriger. Wij hebben het dan onder meer over de twee publicaties van ons trouw Frans-Vlaams lid Olivier Engelaere uit Atrecht, zijnde “’t Busch egenweert nhem” en “Zef en de gouden eekel”.

Hoewel de Stichting Zannekin voorstander is van het Nederlands in Frans-Vlaanderen en het nut van het Vlamsj slechts als behorend tot de volkskunde beschouwt, geeft ze toch gevolg aan de oproep van de Akademie van Nuuze Vlaemsche Tale. Zie hierna:

Een gaeve doen om de Vlaemsche kuulteure vóór den 31sten van december en een afslag van je kontribuusjen krygen van 66 ten honderd in ’t jaere 2015 - ‘t is meugelik! De Akademie voor Nuuze Vlaemsche Taele is vansichten ‘t jaer 2013 van de Direction Générale des Finances Publiques erkent om fiskaele vertoogbrieftjes uut te geeven in ‘t verwisselen van de gaeven en van de enterpryze helpe (Art. 200 en 238 bis van de CGI). ‘T is meugelik van gaeven te doen en fiskaele afslaggen te krygen ael de Vlamsche kuulteure helpen en ooverael ze streeketaele.

cid:ACFB8164554F4BEBA3429DEC514ECB96@EdwardPC‘T geld diet egeeven gaet zyn gaet dienen om ‘t leeren van de schoolejoungens en de groote menschen en oek om den Geschryften Center wel te doen draeien. Je gaet oek de naemen van de menschen dien gaen geeven kunnen leezen om ‘t nethuuseke van de ANVT, deël « Ze doen mei ». Om elke gaeve dat me gaen krygen vóór ‘t ende van ‘t jaer, je gaet een fiskael vertoogbrieftje krygen om je gaeven van je kontribuusjen van ‘t naest jaer te kunnen aftrekken. En ‘t is djuust om de menschen dien nuldere kontribuusjen in Frankryke betaelen.

Om meer te weeten, klykt hier. Om een gaeve te doen mit internet, klykt hier.

Azoo, varre of nie varre van je streeke, je gaet kunnen helpen om de promoosje van je streeketaele ael een deël van je kontribuusjen en oek een eegen helpe geeven. 

NB : Et je het al een gaeve edaen in ’t jaere 2014, je zyt al styf te bedanken en dit netbrief en is niet om je.

Deze regeling geldt enkel voor Franse staatsburgers.

Leo CAMERLYNCK

voorzitter  Stichting Zannekin

“De Zavelberg” – Edouard Michielsstraat 51

B – 1180  Ukkel / Brussel

Leo.camerlynck@skynet.be