> nieuwsbrief > 34e jg. - 1e trimester 2016

Bijdragen over:


Mededelingen

Hernieuwen ledenbijdrage voor 2016

Hoewel we, zoals elk jaar overigens, straks weer geconfronteerd zullen worden met de – uiteraard weer eens naar boven – aangepaste posttarieven, blijft uw ledenbijdrage voor 2016 ongewijzigd. Ze beloopt voor het in mei te verschijnen nieuwe Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ en voor de driemaandelijkse Nieuwsbrief Zannekin 29 €. Vanaf 35 € wordt u met dank als steunend lid geboekt.

Maakt u bij voorkeur gebruik van ons ‘Belgische’ zogenaamd ‘Europees’ rekeningnummer iban BE13 4648 2202 5139 – bic: KREDBEBB BE, waarvan de rekeningoverzichten ons dagelijks meegedeeld worden. Leden genieten bovendien ook een tastbare vermindering op de deelnamekosten van de Zannekin-activiteiten.

Jean-Marie Gantois

Het jongste nummer van het Bulletin des Amis de Jean Mabire is quasi volledig gewijd aan diens contacten met de zuidelijke Nederlanden. alvast de contactgegevens van de Association des Amis de Jean Mabire: www.jean-mabire.com Adres: 15, route de Breilles, F. 1730 Nernay Saint Martin.

We komen hierop meer uitgebreid terug in een volgende Nieuwsbrief. Ondertussen kunnen we wel al meegeven dat we aan de persoonlijkheid van Jean Marie Gantois uitgebreid aandacht zullen besteden in ons Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ dat in mei zal verschijnen.

Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’  2016


Naast het uitgebreide levensbeeld van Jean Marie Gantois komen er in het nieuwe jaarboek ook bijdragen over het Barrièretraktaat (van Klaas van Gelder en Jan Debets), over Cyriel Rousseu, de gebroeders Vandevelde en de taalactie aan de Schreve (van Kristof Papin), over het pamflet ‘Wens aan het Belgische volk’ door J.L. Serlipppens in 1815 (van Frank Judo), over de Gelderse Achterhoek en het Westmunsterland tijdens de Eerste Wereldoorlog (van Marten Heida), over Gebouwen en beeldhouwwerken, die in onze gebieden door oorlogs- en ander geweld definitief ten onder zijn gegaan (van Zeno Kolks) en andere meer. Kortom: het wordt weer een kleurrijk en afwisselt palet van bijdragen over tal van aspecten uit de zo verscheiden geschiedenis van onze Nederlanden ‘extra muros’  

Zannekin-activiteiten 2016


Alvast te noteren: Studie-uitstap op zaterdag 4 juni richting Valencijn; indien voldoende belangstelling wordt dit een tweedaagde (4 en 5 juni) naar Amiens. Op zaterdag 6 augustus bezoeken we een dagje Den Haag en op zaterdag 24 september houden we onze Ontmoetingsdag in het teken van de Geuzenopstand (1566-2016) in Belle/Bailleul. Méér info hieromtrent in onze volgende Nieuwsbrief.



Kalender van het Davidsfonds Frans-Vlaanderen


Naar jaarlijkse gewoonte brengt het Davidsfonds-Frans-Vlaanderen een kalender uit. Met de kalender wil de Davidsfonds-afdeling de Vlaamse identiteit en cultuur over ‘de Schreven’ onder de aandacht brengen en houden. Frans-Vlaanderenkenner Cyriel Moeyaert heeft ook dit jaar de maandkalender samengesteld.

De uitgave en verspreiding van de kalender maakt deel uit van de werking van het Davidsfonds-Frans-Vlaanderen, dat onder meer ook culturele uitstappen organiseert en een nieuwsbrief uitgeeft. De promotie van het Vlaamse erfdeel staat hierbij centraal.

In de kalender 2016 komen de volgende thema’s aan bod:

Vlaams Artesië, het hele baljuwschap van Sint-Omaars, is een lieflijke streek en bezit ook kleine, boeiende steden zoals Doornem (Tournehem). De kerk die u op de voorpagina ziet met haar portaal uit de XVe eeuw is een schrijn van barokke kunst en Vlaamse primitieve panelen.

Het gotische kasteel “Zuthove” uit 1472 rijst op in Ruisscheure aan de rand van de Westhoek. Met z’n hoektorens en z’n trapgevels is het weerspiegeld een heldere wal.

In het hart van de Westhoek moet je het typisch Vlaamse dorp Rubroek bezoeken, waar de monnik Willem vandaan kwam die al missionaris naar Mongolië trok en z’n reisverhaal neerschreef. Vlak bij de burcht waar hij waarschijnlijk geboren is, staat D’Oude Hofstede, waarvan u hier het woonhuis ziet, de woning van iemand uit de boerenadel.

Tot in de XVe eeuw was de stad Kales Nederlandssprekend. Als Vlaamse stad heeft Kales z’n eigen belfort, ook erkend als werelderfgoed. Opmerkelijk is de beeldengroep “De Burgers van Kales” van Rodin, vlak ernaast. Die Vlaamse burgers die in 1347 de bedreigde stad gered hebben door hun leven ervoor te willen geven. De Engelse koning Edward III liet ze in leven op voorspraak van koningin Filippina.

Niet ver uit de buurt van Bonen in het lieflijke heuvelland ligt een parel van een dorp, Bazingem, 76 m hoog, met een oude grotendeels Romaanse kerk. Het omringende dal is schilderachtig mooi.

We keren terug naar het hart van de Westhoek: de oude stad Kassel, oude Romeinse vesting met middeleeuwse muren en poorten. De top van de berg (176 m) was omringd met een muur en heet nog altijd ‘Kasteel’. Daar in de stiftkerk lagen Robrecht de Fries en Andries Steven begraven. Alleen de poort van de vesting (van 1621) is overgebleven, tussen twee ronde bolwerken.

We sluiten in schoonheid af in het nog zo Vlaamse Sint-Omaars, bij het bisschoppelijke Grootseminarie met z’n Vlaamse gevel, Brugse stijl uit 1605. Het was eerst bestemd voor het Sint-Omaarscollege (1604), tegenhanger van het Vlaamse Sint-Bertijnscollege (1561)  waarvan de voertaal Nederlands was.

________________

De kalender kost 7 euro (9 euro met verzending). Voor verzending gelieve het juiste bedrag te storten op de nieuwe girorekening van het Davidsfonds-Frans-Vlaanderen (IBAN: BE14 7380 3921 3583 – BIC: KREDBEBB – adres: Toekomst-straat 72 8790 Waregem).  Meer informatie bij Jan Van Ormelingen, 016/72 01 87

 

Een nieuw lid maken?


Ons secretariaat helpt u graag!

U bezorgt ons naam en adres van een vriend of kennis en

wij sturen met uw groeten:

·         Onze kennismakingsfolder

·         Een exemplaar van onze jongste Nieuwsbrief Zannekin

·         Een begeleidende brief.

Doen! Met onze hartelijke dank voor uw gewaardeerde medewerking

Indien de bestemmeling effectief tot lidmaatschap besluit, dan ontvangen zowel u als hij/zij, respectievelijk bij wijze van dank en welkom, een exemplaar van onze uitgave

·                     Laus Flandriae van de hand van Jean-Marie Gantois

 


Laudatio uitgesproken door Wido Bourel naar aanleiding van de uitreiking van de Marnixring erepenning aan Cyriel Moeyaert, in Mechelen op 18 oktober 2015

De trouw van de taalkundige


V.l.n.r.: minister-president Geert Bourgeois, de gelauwerde Cyriel Moeyaert en de initiatiefnemer Wido Bourel

 

Geachte minister-president, geachte voorzitter, beste Marnix-vrienden, dames en heren en vooral beste Cyriel,

De Tsjechische historicus en dissident Milan Hübl, gestorven in 1989, schrijft in een van zijn nagelaten teksten, en ik citeer: “Om een volk te doen verdwijnen, begint men met zijn geheugen af te nemen. Men vernietigt zijn boeken, zijn cultuur en zijn geschiedenis. Vervolgens schrijft iemand anders andere boeken, vanuit een andere cultuur en verzint een andere geschiedenis. Het volk vergeet dan langzaam wie het is en wie het was. En de wereld rondom hem vergeet nog sneller.”

Treffend hoe dit citaat van toepassing is op de situatie in Zuid-Vlaanderen en de Zuidelijke Nederlanden sinds hun annexatie bij Frankrijk. Treffend ook dat er toch intellectuelen opstaan die zich levenslang verzetten om een volk en zijn taal te behoeden van de dreigende verdwijning. Onze laureaat van vandaag, Cyriel Moeyaert, is er één van.

Het moet gezegd dat de Marnixring dit jaar voor de uitreiking van zijn erepenning bijzonder geïnspireerd is geweest. Het bekroont de inzet en het levenswerk van een heel bijzondere man die, sinds bijna een eeuw, de doestellingen die aan de basis van deze onderscheiding liggen als geen ander belichaamt: onze Nederlandse taal en het volk der Nederlanden dienen.

Cyriel Moeyaert vierde dit jaar zijn 95e verjaardag. Hij is in 1920 in Sint-Andries bij Brugge geboren en groeide op in Langemark, in een kinderrijke boerenfamilie. Niet alleen een lang leven is de Moeyaerts in de genen geschreven - want zijn broers en zuster werden allemaal ouder dan 90 jaar – ook de taal en het geschreven woord zijn bepalend: Bart Moeyaert, de talentvolle jeugdschrijver, is een achterneef van Cyriel.

Wie zoals Cyriel Moeyaert 95 jaar lang deze wereld heeft kunnen aanschouwen vergaart een berg aan unieke herinneringen. De jeugdherinneringen van Cyriel Moeyaert gaan terug tot de heropbouw van de Westhoek na de totale verwoestingen van de Eerste Wereldoorlog. Naar zo iemand is met gretigheid te luisteren. Zeker als het gaat om een zo sprankelende geest en een uitzonderlijk geheugen die over Frans- Vlaanderen alles weet, alles gelezen en gezien heeft.

“Soo spoeyt, soo loopt den tijdt van ’t eene jaer in ’t ander, En schaekelt in sijn loop veel eeuwen aen elkander”

Dit schreef de Duinkerkse dichter Michiel de Swaen, meer dan 300 jaar geleden in zijn gedicht Ghedachten op de snelheyt van den tijd. De tijd gaat snel. Inderdaad. Cyriel Moeyaert leerde ik 45 jaar geleden kennen. Het was in het Frans-Vlaamse Steenvoorde. Ik was toen 16 jaar en leerde Nederlands op een vrije cursus georganiseerd door het Komitee voor Frans-Vlaanderen. Cyriel bezocht vrijwillig al deze cursussen om de jonge Frans-Vlamingen een hart onder de riem te steken. Hij nodigde me uit om hem in Ieper te bezoeken. Daar mocht ik naar hartenlust en tot uren in de nacht zijn boeken, tijdschriften en uniek documentatiemateriaal over mijn geboortestreek raadplegen. Tijdens onze bijna wekelijkse ontmoetingen trachtte hij me met veel geduld en zonder complex Nederlands te doen spreken. Als u me vandaag in het Nederlands kan verstaan dames en heren is het ook dankzij deze man.

Hoe ik mijn volk en mijn taal terugvond“, zo klonk de lyrische titel van een prachtboekje van de Zuid-Vlaamse voorman Jean-Marie Gantois. Bij Cyriel Moeyaert klinkt mijn antwoord.

Hoe een West-Vlaams adolescent als Cyriel in de jaren dertig flamingant en heel Nederlander kon worden moet men zoeken in het klein seminarie van Roeselare. Daar waar de geest van Rodenbach nog bij leraars en studenten nazinderde. 

Vliegt de blauwvoet storm op zee. Er zijn nog maar weinig Vlamingen in leven die naar het klein seminarie van Roeselare kunnen refereren als kweekschool van hun Vlaamse en Nederlandse gezindheid. Cyriel is een van de laatste bevoorrechte getuigen van deze unieke periode in de Vlaamse ontvoogding.

Zijn roeping als priester kwam door eigen keuze en inzichten, niet omdat het van thuis moest. Cyriel Moeyaert is een man van geloof. Maar dit belet hem niet open te staan voor andersdenkenden waartoe ik behoor. Zo is hij ook Vlaams of, beter gezegd, Nederlandsgezind gewor-den. En ook in dat engagement is hij standvastig en vastberaden. In het spoor van de zgn. petits vicaires als Hugo Verriest, Cyriel Verschaeve, Odiel Spruytte en nog anderen.

Een fynhoofd noemt men iemand als Cyriel Moeyaert in mijn geboortestreek. Een knappe student was hij inderdaad en een studax is hij gebleven. Van de studie van het kerklatijn op het seminarie naar het ontcijferen van aloude teksten en manuscripten was voor hem maar een kleine stap. De liefde voor de Nederlandse taal en voor de geschiedenis deed de rest.

Na zijn priesterwijding ging Cyriel aan de slag in het onderwijs. Als leraar moet hij ongeveer alle vakken hebben gedoceerd. Maar zijn grote liefde ging naar onze moedertaal. Zo gaf Cyriel lessen Nederlands aan verschillende generaties jonge West-Vlamingen. De naam van Cyriel Moeyaert duikt ook op tussen de eerste animators van ABN-kernen in West-Vlaanderen. Zijn pedagogische carrière werd bekroond met een benoeming als diocesaan inspecteur Nederlands, een taak die hij graag en plichtsbewust invulde.

Door verdere zelfstudie ontplooide Cyriel Moeyaert zich snel tot een deskundige inzake Nederlandse taal. Ik weet nog dat Cyriel druk cor-respondeerde met de redactie van de dikke van Dale om een nieuw woord te laten opnemen. Of om de Utrechtse heren streng te wijzen op een of andere onnauwkeurigheid of vergetelheid. Deze deskundigheid inzake taal bracht hem er toe in de jaren zestig een heuse spraakkunst te schrijven. Die Beknopte ABN Spraakkunst kende, stel je voor, niet minder dan elf herdrukken. Ze werd door Cyriel samengesteld samen met zijn goede vriend, Prof. Dr. Piet Paardekoper, de beruchte en beroemde Ne-derlandse taalgrootmeester en verdediger van de Vlaamse zaak.

“Hoe cond ick u mijn broeders oyt vergeten Daar wij toch zijn in eenen stronck gheplant.” Deze beroemde verzen van Marnix van Sint Aldegonde indachtig vond Cyriel Moeyaert, meer dan een halve eeuw geleden, de weg naar de Nederlanden in Frankrijk. Het zou zijn passie en zijn levenswerk worden. Zo is hij dé taalkundige, dé filoloog en dé schatbewaarder van mijn geboortestreek geworden.

Ik kan persoonlijk getuigen wat de onvermoeibare en belangeloze inzet van deze man is geweest. Oude verloren gewaande documenten in de archieven opzoeken en ontcijferen. Parels van oud-Nederlandse teksten van de ondergang redden en ontleden naar betekenis en taal. Foto’s en dia’s nemen van alle hoeken en kanten van mijn geboortesteek. Vele zaken die nu verdwenen zijn heeft Cyriel nog op foto kunnen vastleggen. Schilderijen, voorwerpen, monumenten helpen herstellen en zo redden van de zekere ondergang. Oorspronkelijke Nederlandstalige toponiemen opzoeken in oude bronnen en in eer herstellen op straat en op gebouwen. Honderden tochten organiseren om deze streek aan de Vlamingen te leren kennen, de vrije cursussen Nederlands bezoeken en ondersteunen, de Vlaamse militanten aldaar met raad en daad helpen, steunen, financieren, verdedigen. Teksten vertalen, publicaties mogelijk maken, enz. De lijst is werkelijk te lang om op te noemen.

Cyriel Moeyaert bezit een van de meest gedocumenteerde bibliotheken en verzamelingen over de Zuidelijke Nederlanden maar haalt zijn wijsheid niet alleen uit de boeken.

In de traditie van grote voorgangers als Guido Gezelle, Hoffman von Fallersleben, Leonard de Bo, Karel de Flou en Willem Pee verricht Cyriel al sinds meer dan zestig jaar veldwerk om de bedreigde Vlaamse taal in de Westhoek te noteren, te onderzoeken en er over te publiceren. Hij gaat hiervoor naar de mensen in Frans-Vlaanderen, spreekt met hen, luistert, noteert, legt vast. Zijn netwerk is door de jaren heen uitgegroeid tot meer dan tweehonderd zegslieden doorheen de Westhoek.

Cyriel beaamt ongetwijfeld de Frans-Amerikaans literatuurwetenschapper en cultuurfilosoof George Steiner die schrijft: “de dood van een taal, ook al wordt ze nog maar gefluisterd door een handjevol mensen op een perceel geteisterde aarde, is de dood van een wereld.”

Als wandelende filoloog heeft Cyriel Moeyaert zo duizenden woorden, uitdrukkingen en merkwaardigheden inzake de nog gesproken Vlaamse taal over de schreve verzameld. Parels van onze taal die in het hedendaags Nederlands niet meer in gebruik zijn maar die van onschatbare waarde zijn voor de kennis van de evolutie van ons taalpatrimonium. Een ware taalschat door Cyriel Moeyaert op papier vastgelegd en zo van een zekere verdwijning gered. Deze woorden zijn sinds vele jaren in allerlei publicaties verschenen. In 2005 werden ze in een heus woordenboek bijeengebracht onder de titel Woordenboek van het Frans-Vlaams. Het levenswerk van Cyriel Moeyaert dat sindsdien een tweede druk heeft gekend en ook een uitbreiding met honderden nieuwe woorden.

Dit woordenboek maakt het Vlaamsch van mijn voorouders voor altijd onsterfelijk. U moet zich dit boek beslist aanschaffen om sprekende woorden te ontdekken als stouthalsen, ruschenbusschen, egetatsen, butterschijten, minnenwuven en kokkemaeren. Voor de liefhebbers is dit boek, samen met nog andere boeken van en over Cyriel Moeyaert, vandaag hier te verkrijgen op onze boekenstand.

Laat ons het nog tenslotte hebben over de werkmethode van Cyriel Moeyaert. De kern van alle dingen is een axioma dat zegt dat de Zuidelijke Nederlanden altijd en overal aanwezig zijn.

Stel nu de prachtige stad Mechelen waar wij vandaag te gast zijn. Cyriel zou je vertellen over de bijzondere historische figuur Lambert van Briaerde geboren in de Zuid-Vlaamse havenstad Duinkerke rond 1490 maar in Mechelen overleden in 1557. Deze Zuid-Vlaamse ridder, stamhouder van een vooraanstaande adellijke Vlaamse familie, bracht het tot voorzitter van de Grote Raad van Mechelen, het hoogste rechtscollege van de Nederlanden in de tijd van Keizer Karel.

Cyriel Moeyaert zou u dan verwijzen naar de mooie Sint Janskerk van deze stad waar u de epitaaf van Lambert van Briaerde nog kan bewonderen. Hij zou verwijzen naar de wapenschilden die verschillende heerlijkheden en plaatsen in Frans Vlaanderen vermelden. Eerst het wapen van de heerlijkheid Briaerde in Hondegem, bij Hazebroek, het schild van Zuutpeene, vandaag de gemeente Zuidpene. Men leest er ook enkele aloude toponiemen als Quaetstraete, een oude heerlijkheid in het Kassel-ambacht. Een ander schild draagt de naam van De Coye wat een leengoed was in Hardevoorde, vandaag belachelijk verfranst tot Hardifort, aan de voet van de Kasselberg.

Cyriel zou je tenslotte aanraden met spoed de Sint Janskerk te bezoeken en je niet meer met rust laten tot het bezoek is geschied. Zie hier misschien een tip voor u straks naar huis gaat.

Via talrijke publicaties heeft Cyriel bijgedragen tot de verdediging en de bekendmaking van de Zuidelijke Nederlanden. Ik denk onder meer aan zijn groot aandeel in de redactie van het boek De Zuidelijke Nederlanden, prachtig uitgegeven door Marnixring Lieven Gevaert in Antwerpen. Als gewezen voorzitter van het Komitee voor Frans-Vlaanderen heeft hij zich ook jaren lang actief ingezet, samen met mensen als Luc Verbeke en André Demedts. U zult begrijpen dames en heren dat ik vandaag bijzonder gelukkig ben met de erepenning van onze Marnixring voor mijn goede vriend Cyriel Moeyaert.

Beste Cyriel, van harte feliciteer ik u met deze verdienstelijke erkenning van uw levenslange inzet voor de Nederlandse taal en cultuur en voor onze zaak van de Zuidelijke Nederlanden. Rust elders, ‘Repos ailleurs’ klonk de leuze van Marnix. Ik wens u nog vele jaren van noeste arbeid ten dienste van de Nederlandse gedachte.

______________

Bron: www.widopedia.eu


Uit en over Frans-Vlaanderen

Mark Ingelaere en Cyriel Moeyaert

In de kerk van Wemaerscappel is een interessante ontdekking gedaan tijdens de restauratie van het altaarstuk (zie foto): Een kruis uit 1678 met Nederlandstalige tekst: Hier licht begraven Michiel Inghelaere die over-leedt den XXX december int iaer 1678 Bidt Godt voor de ziel. In 2003 werden er ook elementen gevonden met Nederlandse inscripties van een ander kruis. Die stukken werden gebruikt om het altaar te kalibreren.

Ø  De burgemeester van Sint-Janskappel, Cesar Storet is van plan om alle straatnamen van z’n dorp tweetalig te maken en de tweetalige straatnamen op nieuwe straatnaambordjes aan te brengen. Ik heb dat vernomen van Simon Ryckewaert die in Sint-Janskappel woont. Die zei ook dat Cesar een goeie burgemeester is en dat hij Nederlands leert. Als je hem vraagt of hij al Nederlands spreekt, antwoordt hij: een klein beetje.

Ø  In Ons Erfdeel van november 2015 publiceerde Ludo Milis, professor em. Geschiedenis aan de Gentse Universiteit, een heel degelijk artikel met als titel De Franse Nederlanden of Frans-Vlaanderen. Dat de gebieden in Frankrijk tot aan de Somme Franse Nederlanden genoemd worden, vindt hij na wat discussie gegrond vanwege de historische verbondenheid met de Nederlanden. Hij had ook aan de Leo Belgicus kunnen herinneren, die het ook hele gebied tot aan de Somme beslaat en zo vaak opnieuw afgebeeld werd tot in de jongste tijden. Ook had hij kunnen wijzen op de vele kaarten van de Nederlanden waarop bij de Somme Frontière de France te lezen staat.

Ø  Ludo Milis schrijft ook over Gantois die het gebied tot aan de Somme beschouwde als een stuk Nederland. Gantois volgde natuurlijk de geopolitieke evolutie van die tijd maar er zijn geen bewijzen dat hij daarbij aanleunde bij nazi-Duitsland zoals Milis schrijft. Hij was niet eens Pétainist  zoals de bisschop van Atrecht, Mgr. Dutoit. Als priester schrijft hij uitdrukkelijk dat alle mensen voor God evenwaardig zijn en kan dus geen racist zijn.

Ø  Dezelfde Ludo Milis geeft de indruk dat hij de stelling van Stracke dat er tot aan Somme ooit Diets of Nederlands gesproken werd, althans in een tweetalig gebied bij de Somme, niet heel ernstig neemt. Die tweetaligheid hebben de Franse taalkundige Dauzat en Meillet bevestigd en bewezen op grond van het overnemen van werkwoorden en adjectieven uit het oud-Nederlands in het Frans zoals choisir (kiezen), tarir (teren), saisir, blanc, bleu, brun en blond. Die overname is gebeurd in een tweetalige streek.

Ø  Dat Rijsel oorspronkelijk Nederlands sprekend geweest zou zijn is niet onwaarschijnlijk. Een paar toponiemen zijn oud-Nederlands. De naam Rihour vlak bij de markt; Rihour was oorspronkelijk Ruwhout, een ander toponiem is Bazinghien, 1136 Basingehem (Gijsseling, woning van de mensen van Baso), net als het mooie dorp in de streek van Bonen. Ook Wasquehal, een bocht in de vlakte (Gysseling), Hellemmes (1136, Hellesmes) zijn Rijselse toponiemen. Loos (lo-naam) en Berkem (Sainte-Madeleine) zijn voorsteden. Opmerkelijk is ook dat op alle oudere Franse kaarten naast Lille altijd Ryssel staat.

Ø  De kanunniken van de Sint-Pietersstiftkerk heetten in de elfde eeuw Salefrid, Gerwulf, Radebode, Warmund, Gildwulf, Godschalk, Berfrid (L.-A. Caquant in Dietsche toponymie en de Franse Nederlanden). Zou dat ook geen aanwijzing kunnen zijn op het feit dat Rijsel op of vlak onder de taalgrens lag in die tijd?

Ø  Op 30 oktober onthulde EUVO in Kassel een huisnaambordje Onder de Meulenwieken bij het jonge gezin Vandewalle in een steil straatje, geplaveid met ronde straatstenen, soms kinderkoppen genoemd, op de helling van de berg, de Alexis Bafcopstraat. Bafcop is een bekende Kasselse schilder. Dezelfde dag kwamen we in Nieuw-Koudekerke bij Duinkerke. Bruno Schraen-Peperstraete heeft z’n huis Zeebries gedoopt. Bruno Schraen is een nog vrij jonge Frans-Vlaming die bevredigend Nederlands spreekt en schrijft. Hij is bariton en treedt geregeld als zanger op in Gent en Antwerpen. De onthulling van z’n huisnaam was feestelijk met heel veel aanwezigen. Ook La Voix du Nord. Hij sprak z’n gasten daarna toe in het Nederlands en het Frans. Hij geeft thuis ook muziekonderricht. Dezelfde Bruno vertelt dat z’n moeder afkomstig van Bieren als meisje meer Frans moest spreken in dat dorp. Toen ze in de jaren 70 naar Wormhout verhuisden kon ze daar Vlaamsch spreken zoals bijna alle Wormhoutnaars toen. Bruno merkt op dat vaart in het Wormhouts met vrije lange a uitgesproken wordt. In Sint-Winoksbergen zeggen ze vaort.

Ø  Walter Thijs is overleden. Hij was aan de universiteit van Lille III lector Nederlandse taal- en letterkunde en cultuurgeschiedenis. Dank zij een ruilakkoord tussen de universiteiten van Gent en Rijsel en in het kader van het Belgisch-Frans Cultureel Akkoord werd hij daar op 19 november 1983 als zodanig benoemd. Hij heeft z’n college tot bloei gebracht. Veel Frans-Vlamingen zijn hem dankbaar.

Ø  Op de voorpagina van Journal des Flandres van 26 november is een Vlaamsche tekst verschenen over de hele bladzij. Het gaat over de hoge boetes die betaald zullen moeten worden bij het verkeerd parkeren. Een Burburgnege (vrouw uit Broekburg) heeft het al geweten, staat erbij.

Ø  In ’t Pallieterke van 3 december 2015 staat een lezersbrief van Emiel de Smet uit Doornik die vaak Franse wagens ziet in z’n stad met Vlaamse leeuwenschild en Franse boten op de Schelde uit Duinkerke of Dowaai met Vlaamse leeuw.

 

Vanaf de zijlijn


Marten Heida

Opmerkelijk: zowel naar inhoud als aanpak

In 2014 was het 300 jaar geleden dat een Hannoveraner koning eveneens deze waardigheid in een personele unie ging bekleden in Engeland. Deze unieke vorm van Dubbelmonarchie heeft geduurd tot 1837. In dat jaar werd Victoria enkel in Engeland vorstin; in het Koninkrijk Hannover konden alleen mannen opvolgen.

Voor dr. Johann-Georg Raben uit Veldhausen is dit “jubileum” aanleiding geweest zich in de wederzijdse geschiedenis van dit tijdperk te gaan verdiepen. Verwonderlijk is dat niet als bedacht wordt dat ook het graafschap Bentheim deel uitmaakte van het Koninkrijk Hannover en zijdelings zeker invloed zal hebben ondergaan van deze uitzonderlijke bestuursorganisatie.

Wie mocht denken dat in zijn “Gestalten der englischen und hannoverschen Geschichte” te maken te krijgen met een uitgewogen historisch overzicht van dit stuk gezamelijke geschiedenis zit op een verkeerd spoor. “Men kan het boek eerder als een materiaalverzameling of als een collage beschouwen”; aldus de schrijver in zijn “Woord vooraf”. Door te kiezen voor deze opzet hoopt hij een steentje bij te dragen tot bevordering van de vrede en het voorkomen van catastrofes.

Zijn collage bestaat uit wat historici en journalisten over deze periode aan het papier hebben toevertrouwd. De inbreng van Raben is daarmee nauw verbonden en wel in de vorm van wat je een verbindende tekst zou kunnen noemen. Maar dan wel één waarin hij zowel nadere uitleg als commentaar kwijt kan.

Dit is een manier van werken die nogal afwijkt van het geijkte patroon maar dat wil niet zeggen dat daarom niet recht gedaan wordt aan het historisch relaas. Bovendien benut hij de voetnoten om toe te lichten als in de aangehaalde tekstfragmenten situaties besproken worden die voor de huidige lezer problemen zouden kunnen opleveren met de betrekking tot de verstaanbaarheid. Hij heeft ze opgenomen aan het eind van de passage wat de informatieve waarde zeer ten goede komt.

Door deze werkwijze krijgt dit boek sterk het karakter van een naslagwerk. Mocht iemand in de toekomst over deze periode een proefschrift willen schrijven dan kan hij/zij een dankbaar gebruik maken van het door Raben verrichtte voorwerk.

De beeldbepalende figuren in deze opmerkelijke studie zijn uiteraard de koningen (George 1 t/m 4 en Willem 4). Maar gelukkig heeft de schrijver zich niet tot hen beperkt. Een lange stoet van “lagere goden” vergezelt hen op dit lange stuk weg door de geschiedenis. Ze worden voor het voetlicht geplaatst op basis van hun betekenis en – niet te vergeten - hun status. Zo dragen ze bij tot het vervolledigen van het geschetste tijdsbeeld.

Want daarin is Raben dank zij zijn geheel eigensoortige aanpak uitstekend geslaagd Ik heb dan ook grote bewondering voor zijn doorgedreven speurzin. Die heeft hem in staat gesteld dit document tot een voldragen einde te kunnen brengen.

De schrijver

Soms lijkt het wel of iemand voorgeprogrammeerd is tot het schrijven van een bepaalde studie. Ik denk dat daarvan bij Raben sprake is. Zoals ik hierboven al heb meegedeeld is hij geboren (dec. 1944) en opgegroeid in Veldhausen, een dorp in het graafschap Bentheim dat in het besproken tijdvak deel uitmaakte van het Koninkrijk Hannover. Daarmee is de eerste lijn van de betrokkenheid tot het bestuderen van deze geschiedenis aangegeven. De tweede is de meesterlijke beheersing van de Engelse taal. Die heeft hem in staat gesteld de grote hoeveelheid Engelstalige tekstfragmenten over te zetten in het Hoogduits.

Van niet minder belang acht ik de derde lijn. Deze hangt nauw samen met de door hem opgebouwde kennis op het terrein van de psychologie. Met name hierdoor is hij in staat geweest inzicht te krijgen in wat mensen heeft bewogen waarmee hij op zijn reis door dit stuk verleden te maken heeft gekregen.

___________________

N.a.v. dr. Johann-Georg Raben, Gestalten der englischen und hannoverschen Geschichte. Mit Einblicken in die Geschichte von Democratie und Verfassung. 420 p.; €29,90 (als E-boek € 22,90) 2014.

Uitg. Verlag Books on Demand (Norderstedt) ISBN 978-3-7357-2741-1. Ook te bestellen bij de auteur (Bahnhofstr. 47, D-49828 Veldhausen; Tel +4959418746

Maten Heida

 Willem Alexanderpark 53

 

Het laatste woord


Leo Camerlynck

Meer Engels in het Nederlandstalig onderwijs?  Hoelang nog zal dat zinloze en gevaarlijk talengeëxperimenteer blijven duren

Jarenlang werd in het Koninkrijk België strijd gevoerd om eerst en vooral Nederlandstalig onderwijs uit te bouwen en vervolgens degelijk Nederlandstalig onderwijs aan te bieden. En het resultaat is dat het Nederlandstalige deel van België over een onderricht op een hoog peil en een kwaliteitsvol onderwijsnet beschikt.

Van La Flandre naar Flanders?

Bepaalde Vlaamse politici van uiteenlopende partijen en eminente academici houden tot vervelens toe pleidooien voor meer vakken in een andere dan de Nederlandse taal. En die andere taal is vanzelfsprekend het Engels. Dit pleidooi neemt hemeltergende proporties aan, en het is niet alleen zinloos maar het dreigt vooral gevaarlijk te worden.

Het Engels wordt opgedrongen op een moment dat, ondanks hoog aangeschreven onderwijs in het Nederlands, nog steeds meer dan de helft van de Vlamingen zich niet eens vlot in het Algemeen Nederlands weet uit te drukken. Men hoeft maar naar de Vlaamse televisiezenders te kijken om vast te stellen hoeveel spontaan ondervraagde Vlamingen moeite hebben om een samenhangend Nederlands taalgebruik te hanteren. Daarnaast vinden ook een groeiend aantal Nederlanders het niet zo erg dat slordig met het Nederlands wordt omgesprongen. Met ondertiteling van Nederlandse en Vlaamse televisieseries of geïnterviewde Vlamingen en Nederlanders voor gevolg.

Steeds meer Walen leren Nederlands

In Brussel en langsheen de taalgrens worden de Nederlandstalige scholen overspoeld door Franstaligen en anderstaligen. In veel gevallen vormen zij de overgrote meerderheid. Dit is een positieve trend, die een te groot aantal Vlamingen dan weer en jammer genoeg met ontstentenis gadeslaan.

Het besef bij niet-Nederlandstaligen blijft groeien dat meertaligheid verwerven enkel in het Nederlandstalig onderwijs mogelijk is, en enkel in de homogeen Nederlandstalige onderwijsinstellingen met de nadruk op Nederlandse taalhomogeniteit.

Graag tegengas

Hoe kan men die Vlaamse én Nederlandse politici en academici, die pleitbezorgers voor het Engels zijn, ervan overtuigen dat meer Engels in het hoger al dan niet universitair onderwijs geen enkele meerwaarde betekent. Erger nog, het gebruik van het Engels uitbreiden naar het secundair onderwijs staat gelijk met het degraderen van het Nederlands.

De doorsnee Vlaming weet zich doorgaans uit de slag te trekken in twee of drie talen, en vaak ook in een vierde. De anderstaligen, die school liepen in het Nederlands, kunnen zich over het algemeen ook in meer dan één taal uitdrukken. En dat ondanks of eerder dankzij taal-homogeen Nederlands onderwijs.

Ondertussen verspreidt het “colloquial” Engels zich geruisloos verder. Het is de hoogste tijd om met wat tegengas op de proppen te komen. Laat ons een halt toeroepen aan dat “talengeëxperimenteer” en in de eerste plaats het Nederlands koesteren.

 

Leo N.J. Camerlynck

“De Zavelberg”

E. Michielsstraat 51 - B – 1180 UKKEL/Brussel

E. leo.camerlynck@skynet.be