> nieuwsbrief  >  2e trimester 2016

Bijdragen over:

    

 

 

Mededelingen


Hernieuwen ledenbijdrage voor 2016

Het vernieuwen van de bijdragen verliep andermaal vlot – waarvoor de dank van onze penningmeester. De weinigen die tot nog toe verstek gaven kunnen hun toetreding alsnog bevestigen door overboeking van hun bijdrage. De bijdrage beloopt voor het in mei te verschijnen nieuwe Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ en voor de driemaandelijkse Nieuwsbrief Zannekin  29 €. Vanaf 35 € wordt u met dank als steunend lid geboekt.

 

Jean-Marie Gantois

Het jongste nummer van het Bulletin des Amis de Jean Mabire is quasi volledig gewijd aan diens contacten met de zuidelijke Nederlanden. alvast de contactgegevens van de Association des Amis de Jean Mabire: www.jean-mabire.com Adres: 15, route de Breilles, F. 1730 Nernay Saint Martin.

In de vorige Nieuwsbrief beloofden we hierop terug te zullen komen. Verderop in dit nummer brengen we de integrale tekst van het eerste luik van de aan Gantois gewijde bijdrage, die nauw aansluit bij de bijdragen over hem in ons nieuwe jaarboek.

 

Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ 38 (2016)


Het nieuwe jaarboek is redactioneel afgerond. Hieronder leest u alvast het ten geleide, tevens een inhoudsoverzicht op de aan bod komende onderwerpen.

Dit 38e Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ brengt eens te meer merkwaardige bijdragen over de territoria die deel uitmaken van onze Nederlandse kijk op de geschiedenis van onze territoria ‘extra muros’.

Als steeds opent het jaarboek met wat de ‘programmaverklaring’ van de Vereniging /Stichting Zannekin kan genoemd orde; m.a.w. waar het ons om gaat.

Eens te meer is onze trouwe medewerker Cyriel Moeyaert present, dit keer met een bijdrage over De Vlaming Willem van Rubroek. We geven meteen mee dat hij een tweede aanvulling op stapel heeft staan op zijn Woordenboek van het Frans-Vlaams; een tweede Nieuw Oud Vlaams dus, aansluitend op zijn Nieuw Oud Vlaams 1, dat we in 2011 (naast ons jaarboek) mochten uitgeven en dat in 2014 al een herdruk beleefde. Via de Zannekin Nieuwsbrief houden we u vanzelfsprekend op de hoogte van de verschijning van zijn Nieuw Oud Vlaams 2.

Klaas van Gelder en Jan Debets besteden in Barrièretroepen in de Oostenrijkse Nederlanden: vloek of zegen uitgebreid aandacht aan wat daarmee - nu ruim drie eeuwen terug - allemaal gepaard ging, en waarmee de barrièresteden in dit perspectief te maken kregen.

Chronologisch daarop aansluitend vestigt Frank Judo de aandacht op een merkwaardige pamflet van de Gentse jurist Jean-Louis Serlippens die, in 1815 naar aanleiding van het aantreden van het Koninkrijk der Nederlanden, de aandacht vestigde op de aan Frankrijk verloren irredenta. Zijn opstel Strategische belangstelling voor de Zuidelijke Nederlanden in de schaduw van Waterloo vertelt ons daar meer over.

In Emile Verhaeren (1855-1916) de Franstalige dichter met een Vlaams hart haalt Ruud Bruijns een figuur voor het voetlicht die een eeuw terug overleed maar, niettegenstaande zijn Franstaligheid een Vlaming in hart en nieren bleef en - getuige zijn oeuvre - de leuze “de taal is gans het volk” glansrijk weerlegde.

Ook van de hand van Ruud Bruijns is de “trouvaille” Les Marches de l’Est (1909-1914) over Vlaanderen, Wallonië en de grensgebieden van de Nederlanden. Het geopolitieke belang van dat hier door vrijwel niemand gekende Franse tijdschrift werd tot nog toe nergens in de Nederlanden onderkend. Zijn eerste exploratie is dan ook verhelderend en toont alvast aan dat het staatsimperialisme evenzeer aan de zuidgrens als aan de oostgrens van de Nederlanden zijn aanhangers had.

In 1965 publiceerde de (toen nog) Vereniging Zannekin, onder de titel Bezinning bij een verjaardag, de rede die Jean-Marie Gantois gehouden had op 13 september 1964, naar aanleiding van de viering van zijn 60e verjaardag in het Grafelijk Slot van Male. Zijn persoonlijkheid lag overigens aan de basis van de heroprichting van de vereniging. We zijn ondertussen zowat vijf decennia verder en al die jaren werd zijn spoor verder gevolgd en (ook richting ‘Duitse’ Nederlanden) uitgebouwd. Daarom brengen we in piëteitsvolle herinnering het biografische essay van Jos Vinks onder de summiere titel Jean-Marie Gantois. Hij was immers zowat de geestelijke stichter van Zannekin. Daarop aansluitend volgen de Herinneringen aan Jean-Marie Gantois van Hendrik Blanckaert, een telg uit de Blanckaert-stam die destijds met Nicolaas Zannekin aantrad in de Slag van Kassel in 1328.

Ook weer prominent aanwezig in deze editie is Zeno Kolks. Gewoontegetrouw brengt hij ook nu weer kunsthistorische gegevens op architectonisch terrein aan de oppervlakte. Ook zijn Gebouwen en beeldhouwwerken die in onze gebieden door oorlogs- en ander geweld definitief ten onder zijn gegaan kadert binnen dit perspectief. Zijn bijdrage vormt andermaal de naadloze overgang van de zuidelijke naar de noordelijke gebieden.

Volgen van de hand van Marten Heida De Gelderse Achterhoek en het Westmunsterland tijdens de Eerste Wereldoorlog en Oostrand-sprokkels. In de eerste bijdrage bespreekt hij uitgebreid de tweetalige boekpublicatie Als Krieg und Frieden nebeneinander wohnten – Toen oorlog en vrede elkaars buren waren terwijl hij in zijn tweede bijdrage tal van wetenswaardigheden over de ‘Duitse’ irredenta bijeensprokkelde.

Evenzeer kaderend binnen de herdenking van de Eerste Wereldoorlog, maar dan binnen de zuidelijke Nederlanden, kadert de slotbijdrage van Luc Collin over De Engelen van Bergen en Kerstmis 1914 in de loopgraven van de Westhoek waarin hij enkele hoopvolle maar o zo tijdsgebonden momenten evocerend in herinnering Afsluiten doen we traditiegetrouw met een andermaal rijke oogst aan Kroniek en boekbesprekingen, waarvoor voornamelijk Marten Heida zich inspande.


 

Zannekin-activiteiten 2016


Alvast te noteren: Op zaterdag 6 augustus bezoeken we een dagje Den Haag en op zaterdag 24 september houden we onze Ontmoetingsdag in het teken van de Geuzenopstand (1566-2016) in Belle/Bailleul. Over het stramien van beide dagen verneemt u méér hieronder. Méér info omtrent de deelnemersbijragen en de wijze van aanmelden voor deze beide activiteiten leest u in onze volgende Nieuwsbrief.

 

Dagje Den Haag op 6 augustus

De belangstellenden komen op eigen houtje naar Den Haag alwaar Jan van Tongeren ons om 11.00 uur verwelkomt aan het Plein Den Haag bij het standbeeld van Willem van Oranje. De wandeling zal vanaf het Plein ongeveer 1 1/2 uur duren, dus tot ongeveer 12.30. Daarna op eigen gelegenheid lunch. Op Het Plein zijn tal van restaurants en eetgelegenheden, en het hele Plein is bij mooi weer vol met terrassen. Voor de diehards is er ook gelegenheid om het Mauritshuis op eigen kosten te bezoeken. Rond 14.00 uur beginnen we met de tweede helft van de wandeling, eerst richting Plein 183 en daarna Mesdag, met eventueel een bezoek aan het Panorama en vlak daarbij het Vredespaleis. Dan met de tram naar Scheveningen met het Willem I monument, en dan op de boulevard de afsluiting. ongeveer 17.00 uur. Ik kan me voorstellen, dat menigeen daar iets gaat consumeren en men kan dan ook weer met de tram richting het Centrum. Veel kosten zullen er niet zijn. Entree Mesdag ong. 10.00 euro. Bij wijze van handreiking ontvangen de deelnemers een handzame brochure die de gissing in woord en beeld illustreert.

Info parkeren Den Haag: P+R Hoornwijck: parkeren en tramdagkaart:

Je parkeert je auto de hele dag bij P+R Hoornwijck, en reist de hele dag met de tramlijnen van HTM. Je mag reizen met maximaal 4 personen. P+R-terrein Hoornwijck ligt aan de Laan van Zuid Hoorn 38 Rijswijk (parkeergarage). Je komt er via de A4 (afslag 9, Ypenburg) en de A13 (afslag 7, Den Haag-Zuid). Met tram 15 ben je – tot halte Spui vlakbij het Plein - zo ter plaatse. Parkeren + een dagkaart voor het openbaar vervoer voor 4 personen kost aan die P+R op zaterdag van 00:00 tot- 24:00 uur: € 2,00. Voor mensen die met het openbaar vervoer komen: de internationale treinen stoppen op Den Haag Hollands Spoor. Daar overstappen op Den Haag Centraal en dan ong. 10 minuten lopen naar het Plein.

 

Ontmoetingsdag Belle/Bailleul 24 september

Op eigen houtje naar Belle/Bailleul alwaar om 10.30 uur: ontvangst en verwelkoming in ‘La pomme d’or’, 27 rue d’Ypres te Belle. Aldaar drie korte voordrachten rond het thema van de Geuzenopstand die in deze contreien losbrak in 1566, door respectievelijk Erik Vanneufville, inleiding, Wido Bourel rond de thematiek van zijn recente publicatie over de Geuzenstrijd, en Marten Heida, over de betekenis van de geuzen-opstand. Middagmaal in ‘La pomme d’or’. Namiddag: stadswandeling met geleid bezoek aan het Benedict de Puydt-museum en stadswandeling o.l.v. Leo Camerlynck met aandacht voor het stadhuis met belfort, de kapel O.L. Vrouw van Halle, de St.-Vedastuskerk (met glasramen rond de Beeldenstorm), de kantschool, het Présidial des Flandres, de borstbeelden van M. Yourcenar en E. de Coussemaker en het nieuwe Centre d’histoire van Eric Vanneufville. Afsluit omstreeks 16.00 uur met een vriendschapsdronk. Deze dag wordt ingericht in samenwerking met de Orde van den Prince – Land van Edingen en met het Huis van het Nederlands te Belle.

 

 

Un éveilleur de peuple, l’abbé Jean-Marie Gantois (deel 1)


Fréderic van den Berghe

 

En mai 2018, cela fera 50 ans que l'abbé Jean-Marie Gantois aura été porté en terre. En terre de Flandre, dans son village natal de Watten, à la frontière de deux des XVII provinces des Pays-Bas, la Flandre et l'Artois.

En cette fin mai 1968, l'assistance fut modeste à ses obsèques en regard de la notoriété du personnage. Epoque agitée, où les Français pensaient faire la révolution, et où l'essence était aussi rare que les communications téléphoniques. Ceux qui parvinrent à se déplacer étaient les amis. Pour eux, Gantois était «l’Abbé››. Qui était Gantois? Qu`en reste-t-il de nos jours?

 

Kaft van het betreffende nummer van het tijdschrift

 

 

Jean-Marie Gantois était né le 21 juillet 1904 dans une famille bourgeoise et francophone mais ouverte à la langue amande; le père médecin devait s`en servir dans ce village alors majoritairement flamingant, et sa mère avait des contacts avec Guido Gezelle, le grand poète flamand du XIXe siècle. Scolarisé à Saint-Omer et Aire-sur-la-Lys, le jeune Gantois y sera confronté aux sarcasmes et insultes dont on abreuvait les jeunes Flamands venus d'Hazebrouck, de Cassel ou de Steenvoorde. Les punitions pour cause de langue maternelle le révolteront. Devenu séminariste, il n'a pas vingt ans lorsqu’il fonde, sur les conseils du chanoine Looten, le ‘Vlaamsch Verbond van Frankrijk’ (VVF).

On peut, sans craindre d`exagérer, dire que ce 7 mars 1924, au Cats-berg/Mont des Cats, il fonde le Mouvement Flamand de France. Le but des deux ecclésiastiques est de «décléricaliser» -eh oui! - un mouvement qui jusqu'alors n'était qu'un aréopage ultra modéré de savants curés et de bourgeois bien-pensants, réunis dans un fort honorable Comité Flamand de France (CFF), fondé en 1853. Une très productive société savante d'ailleurs, directement inspirée par Napoléon III et Prosper Mérimée, mais qui s'était bien gardée, et se gardera encore très longtemps de toute prise de position revendicative, tout au plus des «vœux» ou des «souhaits».

Gantois voit les choses un peu autrement. La Flandre a un peuple; une partie de ce peuple parle flamand; il a une histoire, une culture, et des droits à connaître cette histoire et faire prospérer cette culture. Un programme qui n'est pas du goût, on s'en doute, des autorités de la République-Une-et-indivisible. A cet idéal, Gantois offre toutes les ressources de sa personnalité forgée lors de solides études (il acquit par lui-même une parfaite maîtrise écrite et orale du néerlandais), toute sa fougue, sa verve caustique qui jamais ne tomba dans la vindicte vulgaire, un indéniable talent de polémiste, voire de pamphlétaire.

Il mène son action amande dans une 'période de l’histoire européenne qui n`est pas n'importe laquelle. Entre deux guerres qui sèmeront la dévastation et la mort en Flandre et en Artois, notre continent est confronté à la montée des totalitarismes: Révolution russe, prise de pouvoir par les fascistes italiens puis les nationaux-socialistes allemands, crise économique, Front Populaire, guerre d`Espagne... Au milieu de cet océan déchaîné, pour Gantois il y a la Flandre. Il est absolument impossible de ne pas tenir compte de ces circonstances si l'on veut comprendre Faction de Gantois et de ses amis au sein du Vlaamsch Verbond.

L'abbé est d'avis que la Flandre et son peuple ont un génie propre, qu'il convient non seulement de défendre, mais que sa mission et celle du VVF est de «travailler si modestement que ce soit à la construction du beffroi que les générations élèvent pierre par pierre pour la sauvegardez de nos libertés et l’honneur du nom flamand.»

Cette construction est opiniâtre et besogneuse; il faut défendre pied à pied la culture flamande et sa langue face à une francophonie -française et belge - foncièrement hostile. A la même époque, le peuple flamand en Belgique se bat pour obtenir des droits linguistiques élémentaires (administration, justice, armée, école, enseignement universitaire) et le climat est tendu entre les flamingants et l’establishment francophone, c'est-à-dire la bourgeoisie flamande francisée, la Cour, l'épiscopat, la presse francophone bruxelloise et wallonne à la remorque de Paris...

L'épisode de la néerlandisassions de l'Université de Gand en 1930 - réclamée par la Mouvement Flamand en Belgique depuis 1847! – fut l'occasion pour la presse française de déverser des tombereaux d'injures sur la culture flamande. Ce ne pouvait être qu'une opération «pangermaniste»! Les journaux régionaux ou parisiens étaient dûment informés par leurs chers confrères francophones de Bruxelles (En ce début du XXIe siècle, cela n'a guère changé!).

Avec ses très modestes moyens, ses publications en français et néerlandais (Le Lion de Flandre et De Torrewachter) il tente de prendre le contre-pied. On imagine la disproportion des forces en présence. L'abbé a donc des amis, mais aussi beaucoup d`ennemis, et sa vigilance n'a d'égale que la mauvaise foi, le mépris et |'arrogance de ses contradicteurs.

Quand on lit un livre d'histoire, on ne lit pas une page sur deux. Il suffit de relire la presse de l`entre-deux guerres, de l'ardeur jacobine de la gauche à la gréco-latin omanie échevelée d'un Maurras, pour se rendre compte que la tâche du Vlaamsch Verbond était tout sauf aisée.

Pendant tout ce temps, la République continuait sa comme ailleurs. Ce n'est qu'en 1959 que disparut la dernière inscription «defense de parler flamand» du mur de l'école communale de Berthen, près de Bailleul. En 1970 encore, on relève à Hondschoote des punitions pour cause de langue maternelle flamande!

Aujourd'hui, ces mesures de salubrité linguistique sont superflues, caduques. Privés d'enseignement de leur langue et de leur histoire, les petits Flamands sont «normalisés» (c'est le terme employé récemment par le journal Le Monde à propos de la disparition du dialecte alsacien à Strasbourg). Plus récemment encore, Le Figaro s'émerveillait du sauvetage du français en Louisiane, qui, lui, n'a pas péri sous les coups des hussards noirs de la Great Republic WASP!

Qui osera dire que le combat de l'abbé Gantois n'était pas aussi légitime que celui des Cajuns de Louisiane? Aujourd`hui encore, en lisant la presse française ou francophone belge, on comprend bien que les grands principes des Droits de l`Homme sont à géographie variable.

 

Tout ce qui est flamand est nôtre

De 1924 à 1939, l'action du VVF est essentiellement culturelle: publications diverses et variées, contacts avec la Belgique flamande, congres thématiques, par exemple celui de 1932 consacré au théâtre et aux marionnettes alors qu`en 1931 on s'était intéressé au sort des moulins à vent du plat pays. Certains y voient encore une manifestation d'un nationalisme exacerbé...

Il faut insister sur la ligne de conduite de Gantois: «Tout ce qui est flamand est nôtre». L'article du Lion de Flandre après le suicide de Roger Salengro le démontre clairement. Gantois savait gré à celui-ci d`avoir réintroduit dans la capitale des Flandres le drapeau sept fois séculaire qui pavoisera nos rues lilloises, jusqu'à l'arrivée en mars 2001 d`une Madame la Maire, militante de l'épuration vexillologue...

On avait, en 1936, dans la presse parisienne de droite, vomi des fleuves de haine contre celui qui, devenu ministre du Front Populaire, avait osé, de retour à Lille, apporter «le salut du gouvernement de la République aux populations de Flandre et d'Artois». Le portrait du Ruwart4 de Lille ornera les murs du siège du VVF, 77 rue de l'Hôpital Militaire à Lille, durant toute |'occupation. N'avait-il pas fait construire le plus haut beffroi de Flandre?

On peut dire que Gantois ratissait large. Quelques lignes du «fils du peuple», dans le livre éponyme ou Maurice Thorez évoque le soutien que lui apporta la lecture de Thijl Uylenspiegel lors de son incarcération, éveilla chez l'Abbé un moment de sympathie. On peut penser que Gantois dut fort apprécier le film (Till l’Espiègle) ou Gérard Philippe incarne le pur héros du pays flamand, et qu'il fut beaucoup moins charmé par La Kermesse héroïque.

En 1939, Marianne III et sa «Sécurité Militaire» suspendent les activités du VVF. Le seizième Congrès, qui devait traiter de la natalité, n'aura pas lieu (c`était pourtant un thème d'actualité dans une France malthusienne). Ce n'est qu'en janvier 1941 que le VVF reprend son action, qui restera culturelle tout au long du conflit comme elle l'avait été avant. Le souci de l'Abbé est celui de tout militant d'une cause: atteindre le maximum d'auditeurs et de lecteurs. Inlassablement il parcourt nos régions et la Belgique flamande voisine pour porter la bonne parole. Le temps libre ne lui manque pas; à sa demande, il a été déchargé par l'évêque de Lille, le fameux cardinal Liénart, de toute mission pastorale. La paroisse de l'abbé Gantois compte XVII Provinces: les Pays-Bas. Il propage cette idée non seulement dans les publications habituelles du VVF, mais publiera en français et en néerlandais plusieurs ouvrages qui resteront sinon des références, du moins des sources d'informations inestimables.

[Deel 2 volgt in onze Nieuwsbrief 3/2016]

 

 -

Uit de toespraak door  Geert Bourgeois bij de uitreiking van de Erepenning Marnixring aan Cyriel Moeyaert


 

In dit taalminnende gezelschap verstout ik mij met een gedicht te beginnen.

 

“Wij spreken allemaal                                   Professor Paardekooper

een soort van standaardtaal,                         vond deze taal niet proper.

al klinkt die ietskes anders                             Geert Bourgeois werd zijn fan

dan bij de Nederlanders.                               en leerde ABN.

Elk dorp klapt onderhands                            Maar onze professoren

zijn eigen plattelands,                                    en andere domoren

een nieuw Neandertaals,                               maakten het dialect

doorspekt met koeterwaals.                           weer politiek correct.

Dat Vlaams klink wonderschoon                   De Vlaming hijst de vlag

bij Walschap, Claus en Boon                         van die cultuuromslag.

of in de streekgazet                                        en noemt zijn provinciaal

van Strop, Sinjoor en Ket.                              gestamel standaardtaal.

 

Dames en heren, zoals elk poëem bevat ook dit gedicht van schrijven-vertaler Paul Claes enkele verzen dichterlijke overdrijving. (…) Wat zeker geen hyperbool is, is het feit dat ik een fan ben van wijlen professor Piet Paardekooper en van correct spreken en schrijven van het AN, zoals ik het 50 jaar geleden heb mogen leren van de gevierde van vandaag.

Beste oud-leraar en mentor Cyriel, (…) ik ga je lange levensloop niet beschrijven, dat zal Wido Bourel straks doen in zijn lofrede. Ik wil voor-al mijn grote waardering uitspreken en mijn dank betuigen voor je inzet als pionier-promotor en behoeder van het Algemeen Nederlands. Terzelfder tijd belette je dat niet om met evenveel gedrevenheid het Frans-Vlaams, het door jou geliefkoosde ‘Vlaemsch’, in kaart te brengen, te koesteren en te bewaren voor het nageslacht.

Je was militant van de eerste ABN-kernen in de jaren 1960 toen we ’s ochtends op de radio nog vergast werden op ‘Voor wie haar soms geweld aan doet’ van Marc Galle en toen ’s avonds op de televisie Joos Florquin, Annie van Avermaet en Fons Fraeters ‘Hier spreekt met Nederlands’ presenteerden.

Als leraar nam je ons mee met Caesar door de Bello Gallico en met Xenophon door de Peloponnesische Oorlogen. Maar of je nu Nederlands, Latijns, Grieks, Aardrijkskunde, Geschiedenis of Godsdienst gaf, elke les bestond uit een bijkomende gratis les Nederlands.

Zowat een halve eeuw geleden maakte je ons bewust van het belang, van de noodzaak van ABN, van Algemeen Beschaafd Nederlands – zoals dat toen nog heette – en trok je ten strijde tegen elk gallicisme of germanisme dat uit onze mond of onze pen durfde te komen. Je riep ook je collega’s-leraars in Izegem op om correct Nederlands te spreken en te schrijven.

Dat ik door enkelingen als eens voor ‘taalpurist’ word versleten – an-deren zeggen dat ik ‘taalvast’ ben – heb ik aan jou te danken. Je kon, best je leerlingen voor onze Nederlandse taal bezielen, in geestdrift brengen, natuurlijk niet begeesteren. Helaas horen we nog dagelijks burgemeesters in Vlaanderen toespraken beginnen met “ik houd er aan” in plaats van: “ik hecht er aan, ik stel er prijs op.” (…)

Cyriel Moeyaert heeft nog een tweede passie: Frans-Vlaanderen. Onvermoeibaar heeft hij als Izegemnaar, later als ‘schreve’-bewoner, geijverd en ijvert hij voor het behoud en de opwaardering van het “Vlaemsch”. Een halve eeuw lang heeft hij de taal beluisterd en woord voor woord opgeschreven. Met de hulp van enkele andere taal-kenners, heeft hij zijn monnikenwerk in 2005 vereeuwigd in het Woordenboek van het Frans-Vlaams / Dictionnaire du Flamand de France. Het is een onschatbare bijdrage aan het Nederlandse taalwetenschap en aan het Vlaamse en Nederlandse cultuurpatrimonium.

Cyriel, we zijn er je ontzettend dankbaar voor. Sindsdien is je ongelooflijk sterke geest niet opgehouden met schrijven. Verleden jaar mocht ik nog het voorwoord verzorgen voor de Franse vertaling van Drie eeuwen Nederlandse letteren in Noord-Frankrijk, dat je in 2012 in het Nederlands schreef met Yvo Peeters.

Legendarisch zijn je 26 bijdragen in De Zuidelijke Nederlanden. (boek uit 2009). Daarnaast publiceer je al 50 jaar in Ons Erfdeel en lever je talrijke bijdragen voor het Jaarboek De Franse Nederlanden [en voor het Jaarboek De Nederlanden “exrta muros” – n.v.d. Nieuwsbrief-redactie]. En het kon niet anders of je droeg ook je liefde voor dit mooie stukje van de Nederlanden over op je leerlingen. Jaar na jaar trokken zij er met de fiets met jouw vriendelijke vraag naar toe. Logeren bij Vlaamssprekende boeren. Opdracht: alle vermeldingen, opschriften, gezegden en spreuken in het Frans-Vlaams noteren, waar dat kon fotograferen en daarover aan jou rapporteren. We deden dit graag, we leerden goed fietsen – de Cats-berg en Kassel, en veel andere heuvels moesten we overwinnen, we leerden Picon drinken en leerden wat gastvrijheid is. Zo konden we je eens verblijden met een foto van dat ene kapelletje met een Vlaams op-schrift dat je nog niet ontdekt had. Ik ken de tekst, zo denk ik toch, nog uit het hoofd: “O mensch en zet hier geenen voet of weest Maria gegroet”.(…)

Dames en heren, Cyriel Moeyaert is het levende bewijs dat én stan-daardtaal én streektaal moeiteloos hand in hand kunnen gaan. Hoe authentiek en liefelijk onze dialecten ook zijn, ze zijn de taal van een beperkt aantal mensen en een beperkt gebied. Nederlands daarentegen geeft toegang tot een taalgebied van 23 miljoen mensen (…). Wij hebben veel te danken aan mensen zoals Cyriel Moeyaert, mensen die onverdroten ijveren voor de Nederlandse taal, die vol enthousiasme de liefde voor de Nederlandse taal overbrengen aan jong en oud. Voor zowat 23 miljoen mensen is Nederlands de moedertaal. Ongeveer 16 miljoen van hen wonen in Nederland, 6,5 miljoen in Vlaanderen en 400.000 in Suriname, Aruba en de Nederlandse Antillen.

Daarmee is het Nederlands een van de 40 meest gesproken talen in de wereld. Meer dan ooit studeren buitenlanders Nederlands. Of het Nederlands over honderd jaar nog zal bestaan, hangt van de taalgebruikers zelf af. Én vooral van hun zorg en aandacht voor de taal.

Laten we dus onze moedertaal koesteren, ze liefderijk verzorgen. Aan taalminnaars en taalkenners vertel ik niets nieuws als ik zeg dat een taal leeft. Elke taal evolueert en iedere regio binnen een taalgebied kent haar typische klanken, woordenschat en zinswendingen.

Variatie in de taal is onvermijdelijk. Allen moeten we er samen over waken dat de gesproken taal in Vlaanderen en Nederland niet uiteen-drijft. Zowel het zuidelijk verkavelingsvlaams als het noordelijke pol-dernederlands zetten het Standaardnederlands onder druk. Dit is een nefaste evolutie. Ik kan niet genoeg onderstrepen hoe belangrijk het is dat we, zowel in Vlaanderen als in het Nederlandse taalgebied, inzetten op één standaardtaal. (…)

Dames en heren, ik bedank de Marnixring voor haar uitnodiging en voor haar jaarlijks initiatief om een erepenning uit te reiken aan een verdienstelijk persoon. Beste Cyriel, van harte gelukgewenst met je erepenning. Ik wens je nog veel jaren vol van liefde en geestdrift voor onze Nederlandse taal en cultuur, voor je geliefde Frans-Vlaanderen.

 

 

Vanaf de zijlijn


Marten Heida

 

Ontmoetingen met Gerrit Herlyn

Eén van de bekendste predikanten in het naoorlogse Oost-Friesland is ongetwijfeld Gerrit Herlyn geweest. Mijn eerste “ontmoeting” met hem dateert van het voorjaar van 1984. Een lijfelijke ontmoeting was het weliswaar niet, reden waarom ik het woord tussen aanhalingstekens gezet heb. Maar toch een ontmoeting, maar dan langs schriftelijke weg. Ik had ergens gelezen dat hij het Nieuwe Testament had vertaald in het Ostfreeske Platt. Dat bericht was voor mij voldoende aanleiding om de twee deeltjes van “Dat Neei Testament” aan te schaffen.

Enkele jaren later heb ik hem persoonlijk ontmoet. Ik had voor het Nederlands Dagblad een artikel geschreven over zijn vertaalwerk en hem een exemplaar toegezonden van de krant waarin het gepubliceerd was. Van die gelegenheid had ik gebruik gemaakt hem te vragen of ik op bezoek mocht komen voor een gesprek. Als herinnering daaraan kreeg ik –voorzien van een opdracht- het boekje “Pessalms” mee.

Enkele jaren later stond er in Ostfriesland Magazin een oproep van een zekere Jürgen Sternsdorff uit Leer. Die oproep had te maken met Gerrit Herlyn. Hij liet daarin weten dat hij voornemens was over hem een biografie te schrijven. Zijn vraag was dan ook hem te voorzien van informatie. Ik heb daarop gereageerd door hem mijn weergave van bovengenoemd gesprek toe te zenden.

Op 27 mei 2015 ontving ik het boek Gerrit Herlyn zwischen Kreuz und Hakenkreuz als dank voor de toegezonden informatie. Voor mij is dat aanleiding geweest de volgende impressie aan het papier toe te vertrouwen.

Leer: De ene is er geboren, de andere is in dezelfde stad een reeks van jaren predikant geweest. Wat ze met elkaar te maken hebben? Wel, de in 1944 geboren Jürgen Sternsdorff heeft zich gezet tot het schrijven van een deelbiografie over Gerrit Herlyn die er jarenlang Gods Woord heeft verkondigd. Een deelbiografie: Sternsdorff heeft zich beperkt tot de jaren tussen 1909 en 1950.

Het laat zich verstaan dat hij daar een speciale reden voor moet hebben gehad. Hij ontdekte dat de levensloop van Herlyn na 1950 vrij goed bekend is, maar dat dat allesbehalve het geval is met de jaren die daaraan voorafgaan. Hij stelde zich dan ook de terechte vraag wat daar wel de oorzaak van zou kunnen zijn. Bestudering van de eerste helft van Herlyns levensjaren heeft hem het antwoord gegeven. Het heeft alles te maken met zijn opstelling tijdens de jaren 1933-1945.

Was Herlyn dan een aanhanger van het nationaalsocialistische gedachtegoed? Bij herhaling heeft hij in zijn publicaties laten weten dat daar geen sprake van was. Maar tegelijkertijd was Adolf Hitler voor hem een soort identificatiefiguur. Sternsdorff vat deze gespletenheid als volgt samen: geen nazist maar wel een Hitlerist. En daar kwam hij ook zonder omwegen voor uit. Hij was dan ook één van de weinige Bekennende Kirche-aanhangers die regelmatig de Duitse (lees Hitler-) groet bracht. Geen wonder dat menigeen grote moeite had met zijn overtuiging; die paste veel meer bij de Duitse Christenen (Christenen die lid waren van de NSDAP).

Zeer kenmerkend heeft Sternsdorff zijn studie ook het opschrift “Gerrit Herlyn tussen Kruis en hakenkruis” meegegeven. Dat dit een groot dilemma is geweest blijkt overduidelijk uit de vele tekst-aanhalingen uit Herlyns publicaties. Want niet alleen ná 1950 liet Herlyn veel van zich horen, gedurende de jaren van de nazitijd was dit zeker niet minder het geval. Deze citaten geven een uitstekend inzicht in de ontwikkeling van het geestesleven van deze toen nog jonge predikant. Ik zou daar veel voorbeelden van kunnen noemen maar ga dat niet doen; ik wil de balans in evenwicht laten blijven. Waar ik wel op wil wijzen in dit verband is de geestelijke strijd die zich gedurende de jaren van het nazibewind in Duitsland heeft afgespeeld. Uit het bronmateriaal dat door Sternsdorff van het stof is ontdaan krijgt men daar een heel goed beeld van.

Is deze deelbiografie dan een soort afrekening? Allerminst; eerder een uitlaatklep van gevoelens van teleurstelling. Hij was in zijn jonge jaren zeer op Herlyn gesteld. Niet alleen was hij een geliefd predikant maar ook wist hij het Ostfreeske Platt op de juiste waarde te schatten. Dat blijkt uit zijn vertalingen van het Nieuwe Testament en een selectie uit de Psalmen en het voorgaan in Ostfreeske kerkdiensten waarvan het Zannekin-gezelschap getuige is geweest als afsluiting van een Ontmoetingsdag in Aurich in de jaren negentig. Als zodanig genoot Gerrit Herlyn groot aanzien. Maar daar er over zijn verleden nagenoeg niets bekend was is Sternsdorff op zoek gegaan naar dat verleden. En deze speurtocht heeft geresulteerd in deze deelbiografie.

Veelzeggend is de dichtregel van Ute Scheub die op het blad voorafgaand aan de inhoudsopgave staat afgedrukt: De gevolgen van het zwijgen zijn erger dan de gevolgen van de waarheid. De waarheid die in deze woorden ligt opgesloten heeft de verdere levensloop van deze Oostfriese predikant vergezeld. Hij moet het daar vaak moeilijk mee gehad hebben.

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53

NL 3905 CB Veenendaal

_________________

N.a.v. Jürgen Sternsdorff, Gerrit Herlyn zwischen Kreuz und Hakenkreuz, 253 blz. € 24,90, ISBN 978-3-86840-012-0, Verlag Vertaal & Verlaat, Wilhelmstr. 51, D-35037 Marburg

 

 

Het laatste woord


Leo Camerlynck  

 

Geslaagde initiatieven in het Duits-Nederlands grensgebied en in het Drielandenpunt (B-D-NL)

Krachtens het verdrag van Anholt dd. 23 mei 1991 tussen Nederland en de Duitse deelstaten Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen kunnen lokale overheden grensoverschrijdende publiekrechtelijke samenwerkingsverbanden aangaan. Anholt, is een plaats in Noordrijn-Westfalen, net over de grens met Nederland.

Geslaagde initiatieven zijn ongetwijfeld zijn het “Grenspark Maas-S(ch)walm-Nette”, het  grensoverschrijdend bedrijventerrein Coevorden – Emelkamp/Emlichheim en vooral het “Eurode samenwerkingsverband Kerkrade-Herzogenrath” van 28 september 1997.

Voorts is er de instantie “Charlemagne Grensregio”, een samenwerkingsverband tussen gemeenten en regionale overheden gelegen rond het drielandenpunt van Nederland, Duitsland en België. De rechtsvorm is een Arbeitsgemeinschaft.

 

Eurode (Kerkrade – ’s-Hertogenrade)

Het Openbaar Lichaam Eurode vormt een samenwerkingsverband tussen de Nederlandse gemeente Kerkrade (in het Duits: Kirchrath) en de Duitse stad Herzogenrath (in het Nederlands: 's-Hertogenrade ). Beide gemeenten vormen samen een symbolische "Europastad".

Sinds de 12e eeuw waren beide steden een eenheid, tot in 1815, bij het opheffen van het Franse departement van de Beneden-Maas, zij door de nieuwe Pruisisch-Nederlandse grens gedeeld werden.

De plaatselijke bevolking spreekt hetzelfde dialect, bezit dezelfde cultuur, onder meer rond de Bokkenrijders, en er bestaan talrijke familiale banden. Al deze gegevens maakten Eurode mogelijk. De naam is een samenvoeging van "Europa" en "Rode/Roda" van de ’s-Hertogenraadse Burg Rode en de vroegere naam "Land van ('s Hertogen) Rode".

Qua dialect wordt onder elkaar Ripuarisch als communicatiemiddel gesproken. Deze streektaal is de Duitse variant van de Limburgse taal, gesproken in het Rijnland en dus ook in ‘s-Hertogenrade en wordt maar in enkele Nederlands-Limburgs grensplaatsen gesproken; waaronder Bocholtz, Vaals, Simpelveld, Eygelshoven en uiteraard ook Kerkrade.

Bekend in Eurode is de Nieuwstraat/Neustraße, die tot in het midden der 70-er-jaren van de voorbije eeuw doorsneden werd door een “ijzeren gordijn”. Thans vormt het één internationale grensstraat.

 

Charlemagne Grensregio

De “Charlemagne Grensregio” is een samenwerkingsverband tussen gemeenten en regionale overheden gelegen rond het drielandenpunt van Nederland, Duitsland en België. De rechtsvorm is een Arbeitsgemeinschaft. “Als je de grenzen wegdenkt, heb je hier een concurrerend vermogen vergelijkbaar met dat van de Randstad.”, beklemtoont Nermin Dizdarevic, directeur van het samenwerkingsverband.

Het doel van “Charlemagne Grensregio” is het doorontwikkelen van een gemeenschappelijke economische ruimte Parkstad – Aken – Duitstalige Gemeenschap België mits de economische ontwikkeling te stimuleren, het grensoverschrijdend werken en leven eenvoudiger te maken, en de afstemming tussen plannen en ontwikkelingen in de regio te verbeteren.

De boodschap luidt dat werkzoekenden zicht moeten krijgen in en over het aanbod van banen en opleidingen. Bedrijven moeten eenvoudiger personeel kunnen werven, het grensoverschrijdend openbaar vervoers-netwerk moet beter worden. De verschillende projecten en acties dienen vooral om de informatie te verbeteren en te zorgen dat overheden, instituties en ondernemers met elkaar in contact komen. In dit stadium is de bedoeling: "Weten wat er aan de andere kant van de grenzen gebeurt", klinkt het motto.

Websteks betreffende dit onderwerp: http://www.eurode.nl/welkom.html

https://www.kerkrade.nl/bestuur_en_organisatie/eurode

www.charlemagne-grensregio.eu  https://nl.wikipedia.org/wiki/Verdrag_van_Anholt

 

Leo N.J. Camerlynck

E. Michielsstraat 51 - B – 1180 UKKEL/Brussel

E. leo.camerlynck@skynet.b

Selfoon 00 32 485 630 227