> nieuwsbrief > 35e jg. - 2e trimester 2017

Bijdragen over:


 

Gedenkplaat Willem van Rubroek, halte op onze Studie-uittap van 6 mei

 

Mededelingen


Hernieuwen ledenbijdrage voor 2017

De penningmeester dankt voor de vlotte wijze waarop gehoor gegeven werd aan zijn verzoek tot vereffening van de bijdrage voor 2017. De “nalatigen” tot nog toe – op wiens adresetiket het *-symbool ontbreekt, vinden andermaal een betaalformulier in bijlage. Even ter herinnering: de bijdrage voor het in mei 2017 te verschijnen nieuwe Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ en voor de driemaandelijkse Nieuwsbrief Zannekin beloopt 29 €. Vanaf 35 € wordt u met dank als steunend lid geboekt.

Maakt u bij voorkeur gebruik van ons ‘Belgische’ zogenaamd ‘Europees’ rekeningnummer iban BE13 4648 2202 5139 – bic: KREDBEBB waarvan de rekeningoverzichten ons dagelijks meegedeeld worden.

 

Studie-uittap 6 mei 2017

Daarover leest u méér verderop in deze Nieuwsbrief. Op die tocht doen we ook het geboortedorp aan van onze naamgever Nicolaas Zannekin, met de naar hem verwijzende gedenksteen aan de kerk van Lampernisse.

Noteer alvast ook al de datum van 14 oktober, dag waarop we onze Ontmoetingsdag plannen in Eupen en onze aandacht zullen richten op de Oostkantons.

 

 

Zannekin-studieuitstap op zaterdag 6 mei 2017

Dagexcursie doorheen de Frans-Vlaamse Westhoek:van Nicolaas Zannekin en Willem van Rubroek tot Wenzel Cobergher


 

09.45 uur: Samenkomst station nmbs, Colaertplaats te ieper.

10.00 uur: Busrit vanuit Ieper naar lampernisse (monument/ gedenksteen van Nicolaas Zannekin, kerk, korte comfortpauze).

11.30 uur: Rit naar hondschoote (kerk, hagenpreken aan het Cloostervelt, windmolens) en vervolgens door de moeren (drooggelegd volgens plannen van Wenzel Cobergher) naar duinkerke.

13.15 uur: duinkerke (toren van de Leughenaer, stadhuis, belfort, Sint-Elooiskerk, monument van Jan Baert) – middagmaal met Vlaams gerecht.

14.45 uur: Rit naar quaedyper (retabel), rubrouck (beschermd dorpsgezicht, hulde aan Willem van Rubroek; broxeele (Manneken Pis). Via arneke naar cassel

17.00 uur: cassel (aan de voet van de Casselberg vond in 1328 de veldslag plaats waar Niolaas Zannekin het tegen de troepen van de Franse koning opnam) – vijfuurtje aan de Grote Markt .

19.00 uur: Terug in ieper

 

Deelname: bus, gidsen, morgenpauze, middagmaal, vijfuurtje, dranken inclusief: leden 55,00 €.; niet-leden 60,00 €. Aanmelden tot uiterlijk 29 april op het secretariaat, Paddevijverstraat 2, 8900 Ieper – e-post: maurits.cailliau@skynet.be . Betaling op rekening iban: be13 4648 2202 5139 - bic: kredbebb t.n.v. Vereniging/Stichting Zannekin, B.8900 Ieper.

Verderop in deze Nieuwsbrief alvast enige info omtrent wat in Duinkerke nader zal toegelicht worden door onze gidsen Jan van Tongeren en Leo Camerlynck.

 

 

Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ 2018


Ook dit 39e Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros’ brengt weer een rijk palet aan bijdragen over de randgebieden van onze Lage Landen die deel uitmaken van ons geschiedkundig erfgoed. En als steeds openen we met de korte bijdrage die zowat in een notendop het “programma” van Zannekin verwoordt.

Voor de vierde keer besteedt Cyriel Moeyaert aandacht aan Het Nederlands in Sint-Omaars door de eeuwen heen. Dit vierde luik sluit naadloos aan op zijn vorige bijdragen met dezelfde titel in de jaarboeken 12 (1990), 21 (1999) en 30 (2008).

Van dezelfde auteur stamt ook de kortere bijdrage Meer Standaardtaal in het Frans-Vlaams dan in het West-Vlaams, dat in zeker opzicht een toelichting vormt op zijn beide publicaties Nieuw Oud Vlaams, die op hun beurt een aanvulling vormden op zijn succesvolle Woordenboek van het Frans-Vlaams (2005).

In de beide daaropvolgende bijdragen wordt aandacht besteed aan het thema dat centraal stond op onze Ontmoetingsdag van 2016 te Belle: de Beeldenstorm. Vooreerst komt de lezing van Marten Heida aan bod over De Beeldenstorm: een gereformeerde invalshoek, waarna de inbreng van Guido Vandermarliere over de Geuzenliederen voorgesteld wordt. De lezing van Wido Bourel te Belle zal opgenomen worden in het jaarboek 2018.

Met In het randgebied van de Nederlanden. Een reportage in de Romaanse gouwen brengt Maurits Cailliau een merkwaardig documentair verslag uit 1944 boven water, waarin toen vanuit Vlaams-nationalistische hoek met een voor dat tijdsgewricht opzienbarend verfrissende blik gekeken werd naar het Nederlandse verleden van onze territoria beneden de Belgische taalgrens. De toonzetting is van de auteur, de aangehaalde gegevens stammen van de toenmalige verslaggever Albert Derbecourt.

Al evenveel, zo niet nog meer, documentaire waarde bevat het onderzoek van Ruud Bruijns naar Het bewustzijn van de Nederlanden en de verloren gebieden in de 18e eeuw. Surfend doorheen gedigitaliseerde krantenbestanden uit die tijd kwamen hem tal van onvermoede Heel-Nederlandse getuigenissen onder ogen, waarbij pertinente aandacht voor de aan Frankrijk verloren gegane Zuidelijkste Nederlandse gebieden toen nog als vanzelfsprekend ervaren werd.

Als scharnier tussen de Zuidelijke en de Oostelijke Nederlanden fungeert de bijdrage van Herman Vandormael over “Het wonder van Edingen” – de taalgrens van 1962. Daarin doet hij verslag over de taal-grensperikelen en –vervalsingen op de grens tussen Henegouwen en Brabant.

Emile Smit biedt ons met De Kleefse enclaves in Gelderland inzicht op de totstandkoming van de Duits Nederlandse grens in deze contreien. Tot de herziene grensafbakeningen kwam het in 1816-1817 als uitloper van wat op het Congres van Wenen bedisseld werd.

Het Graafschap Lingen: een tijdelijk stukje Nederland in Duitsland is het thema dat Zeno Kolks ons dit keer aanreikt. We vernemen meer over zowel de geschiedenis als de kunstgeschiedenis van dit gebied en zijn dwarsverbanden met de Nederlanden.

Leo Camerlynck brengt ons nog een stuk verder oostwaarts met zijn Tijdingen uit Oostland. Achtereenvolgens komen daarin aan bod: Wilamowice, een Vlaams dorp in Zuid-Polen, Michael Albert en de Flandrer in Transsylvanië en de Casselnaar Nicasius Elleboudt, een Vlaamse kerkleider in Hongarije. Een merkwaardig te noemen drieluik.

Vorig jaar startte Marten Heida met zijn Oostrand-sprokkels, zijnde een actualiteitskroniek over wat reilt en zeilt binnen de Duitse Nederlanden, die in dit jaarboek een logisch vervolg vindt.

Met de Kroniek en boekbesprekingen sluiten we traditioneel ons jaarboek af. In dit jaarboek zal men op pagina 2 tevergeefs zoeken naar het de Zannekin-werking ondersteunende logo van de Provincie West-Vlaanderen (voorheen de Vlaamse Overheid). Vanaf 2016 dienen we het immers zonder die al bij al bescheiden subsidie zien te rooien. Gewraakt werd daarbij de “bijdragen met een sterk gekleurd taalgebruik” die de beoordelingscommissie “niet stroken vindt met een kwaliteitsvolle erfgoedwerking”. We kunnen ons niet ontdoen van het aanvoelen dat hoe meer “Vlaanderen” zich eigen staatsallures aanmeet, hoe verder het de Heel-Nederlandse gezichtseinder afstoot. Een betreurenswaardige evolutie, voorwaar!

 

 

Omtrent Duinkerke


 


Van de 4e tot de 8e eeuw was de kuststreek van het huidige Frans-Vlaanderen door de zee bedekt.

Naarmate het land vrij kwam werd het weer bewoond door mensen uit het binnenland en wellicht ook door zeevarend volk als Saksen en Friezen. Sint-Elooi zou hier in de 7e eeuw een kerk gesticht hebben, maar dat is een vrome leugen, want de heilige stierf in 655 en toen was de streek nog helemaal door water overspoeld. Als Sint-Elooi de patroonheilige van de kerk geworden is, dan is dat omdat hij als bekeerder van de streek hoog in aanzien stond. In de tijd van de Merovingers heette het visssersdorp Sint-Gillis. De naam ‘Duinkerke’ wordt voor de eerste maal vermeld in een keure van 27 mei 1067 als ‘Dunkerka’ wat kerk in de duinen betekent. In 1170 kreeg Duinkerke stadsrechten toegekend door Filips van den Elzas.

In 994 zou graaf Boudewijn IV Duinkerke omringd hebben met een muur om het tegen de aanvallen van de Noormannen te beschermen. Van de latere omwallingen die door Filips de Stoute werden aangebracht, en die 28 torens telde, is alleen één toren overgebleven, de 'Leugenaar'. Vanaf zijn ontstaan tot in de 17e eeuw heeft Duinkerke in al de lotgevallen van het graafschap Vlaanderen gedeeld. Af en toe werd het grondgebied enigszins losgemaakt van het gezag van de graaf en als beloning aan een of andere verdienstelijke landheer gegeven.

Ondertussen was Duinkerke van een bescheiden vissersdorp uitgegroeid tot een niet onbelangrijke stad en haven. Door de voorspoed stoutmoediger geworden zochten de Duinkerkenaars niet alleen hun bestaan in de visserij of de handel over zee, maar ook in de kaapvaart. De ligging en de welvaart van deze havenstad wekte de belangstelling van buitenlandse machten en daardoor werd Duinkerke gedurende enkele eeuwen een twistappel voor Bourgondië, Frankrijk, Spanje en Engeland. Zo veroverde Frankrijk op 25 juni 1658 Duinkerke op Spanje en diezelfde dag nog gaf Lodewijk XIV in hoogsteigen persoon, in uitvoering van een vooraf gesloten akkoord, de sleutels af aan een Engelse generaal. Zo was Duinkerke in één dag het eigendom geweest van drie verschillende mogendheden.

De Franse koning die tot elke prijs Duinkerke wou bezitten, kocht in 1662 voor 12 miljoen pond de stad terug. Hij deed zijn intrede in de stad met het vaste voornemen er te blijven, wat hem ook gelukt is.

Lodewijk wilde Duinkerke uitbouwen tot een onneembare vesting als uitgangspunt voor verdere acties in de Nederlanden en op de Noordzee. Hij hoopte daarbij de strijdlust van de beruchte kapers te kunnen ombuigen ten voordele van zijn strategie en tenslotte wilde hij de grondige verfransing van deze op en top Vlaams gebleven stad. Vauban kreeg de opdracht de stad met nieuwe versterkingen te omgeven. Hij kon daarbij gebruik maken van de plannen van de Engelsen die al ten dele uitgevoerd waren. Omdat de haven binnen de versterkingen lag bleken deze ten langen leste voor de uitgroei ervan een belemmering te vormen. Van dit alles is weinig overgebleven omdat in het Verdrag van Utrecht van 1713 bepaald werd dat, op aandringen van de Engelsen, de versterkingen afgebroken moesten worden. Alleen buiten de stad zijn nog enkele forten te vinden die zelfs nog dienst deden in de omsingeling van 1944!

Jan Bart is de bekendste, maar daarom niet de eerste van de Duinkerkse kapers. Uit de 14e eeuw al zijn namen bekend gebleven van grote kaperskapiteinen als Jan Wouters, Jan Crabbe en Hugo de Grave. De grootste van de Duinkerkse kapers was wellicht Gerard van Meeckeren, die stierf in 1562. Ten gevolge vooral van de Franse bezetting trok het merendeel van de Duinkerkse zeelieden naar Oostende. Met allerlei dreigingen werd geprobeerd om deze nuttige lieden weer naar Duinkerke te krijgen. Niet zonder moeite werden ze ingepast in het Franse opzet. Zo ook Jan Bart, die 4 jaar na de Franse bezetting als zestienjarige in dienst trad bij de Nederlandse admiraal Michiel de Ruyter. Pas later kwam hij in Franse dienst, maar hij kende zo weinig Frans dat hij zijn hele leven lang een tolk nodig had om zich verstaanbaar te maken.

Belangrijker dan de twee vorige betrachtingen was het opzet van Lodewijk XIV om van het Vlaamse Duinkerke een Franstalige stad en een vooruitgeschoven Franse burcht te maken. Dat was de belangrijkste doelstelling, omdat de gevolgen ervan tot op onze dagen voortduren.

Zoals hij dat ook elders in de Zuidelijke Nederlanden deed, beloofde de koning de vrijheden en privileges van de burgers te eerbiedigen, maar ook hier waren dat loze woorden. Franse ambtenaren en militairen werden gestuurd. In 1664 al werd het Frans als alleen geldende taal in de rechtspraak opgelegd. Heel wat moeilijker was het om de geestelijkheid in het Franse spoor te krijgen, omdat die gehoorzaamden aan oversten in de Zuidelijke Nederlanden, de bisschop van Ieper en de provincialen. Zo bleef het Nederlands in de kerken en scholen nog lang stand houden. Voor de Franse Revolutie schreven de Duinkerkenaars nog in het Nederlands en kenden maar gebrekkig Frans. Ondanks de groeiende druk die deze Revolutie op taalgebied uitoefende was het volksleven in 1810 nog volledig Nederlandstalig. Uiteindelijk werd de stad vrijwel volledig opgeslorpt door de verfransing, waarbij deze stad veel van haar karakter verloor.

Een laatste belangrijke tegenslag was de Tweede Wereldoorlog, waarbij Duinkerke in 1940 het sluitstuk werd van het Duitse offensief, waarvoor het de volle tol betaalde. In 1944 werd Duinkerke terzijde gelaten door de snelle opmars van de geallieerden naar Antwerpen. De Duitsers konden er zich ingraven en hielden er stand tot 9 mei 1945! Een en ander maakte dat Duinkerke voor 85% verwoest achterbleef. Ofschoon de heropbouw met zorg gebeurde is toch heel wat van het historische Duinkerke voorgoed verdwenen.

De Sint-Elooiskerk

Duinkerke dankt zijn naam aan een kerk die in de 9e eeuw gebouwd werd in een vissersdorp. Oorspronkelijk stond hier een eerder primitieve kerk, die vervangen werd door een hallenkerk waarvan de bouw in 1450 begon. Maar 10 jaar vroeger was de bouw van de toren begonnen. Die diende als baken voor de scheepvaart. De drie beuken van 20 m hoog waren doorkruist door een transept. Zo had de kerk de vorm van een kruisbeeld. Aan de westkant, opgenomen in de voorgevel, rees de 58 m hoge toren, op 50 m van het koor. De bouwmeesters waren Gentenaren. In 1558 tijdens het beleg van Duinkerke, dat toen in handen van de Spanjaarden was, staken de Franse soldaten van maarschalk de Thermes de kerk in brand. Alleen de toren werd gespaard.

Dit monumentale gebouw werd onmiddellijk gerestaureerd, in gotisch flamboyante stijl, door Jean de Renneville. De middelste beuk werd verhoogd en de kerk werd vergroot door het aanbouwen van een aantal  kapellen. Wegens financiële problemen werd de verbinding tussen kerk en toren nooit uitgevoerd. De onafgewerkte kerk werd door een 40 meter lange blinde muur afgesloten. Er was een soort voet-gangersdoorgang ontstaan in de ruïnes om vanaf het centrum een kortere weg te hebben naar de haven. Men probeerde geld te verzamelen door in de kerk doden te begraven: er waren 30.000 graven! De mensen moesten wegblijven uit de kerk wegens de stank.

Gedurende de Franse Revolutie werd de kerk achtereenvolgens ziekenhuis, tempel van de godin van de Rede en graanzolder. Victor Louis, een 18e-eeuwse Franse architect, verbouwde de kerk grondig tussen 1783 en 1787. De toren raakte definitief gescheiden van de kerk. Hij werd later omgevormd tot belfort. De oude voorgevel werd door een zuilengevel in antieke stijl vervangen. Het gekozen bouwmateriaal was niet bestand tegen de weersomstandigheden, waardoor in 1882 afbraak noodzakelijk was. Tussen 1887 en 1889, ontwierp de architect Van Moë een kerkportaal in neogotische stijl.

De bombardementen van 1914/1918 beschadigden dit prachtige bouwwerk. De restauratie duurde tot 1930. Maar in mei 1940 werd de kerk opnieuw een prooi der vlammen. Vanaf 1947 tot 1985 volgde een nieuwe restauratie. Die werd uitgevoerd door de Duinkerkse architect Charles Waldschmidt die de kerk in haar oorspronkelijke staat herstelde. De neogotische voorgevel bleef bewaard. Die vertoont vele kogelgaten uit de oorlog.

Het graf van de Duinkerkse held Jan Bart (de kaper) bevindt zich in het koor sinds hij hier in 1928 opnieuw begraven werd. De door Philippe Caffieri (1634-1717) gebeitelde grafsteen uit de 18e eeuw werd in een muur ingewerkt.

Er is een 17e-eeuwse Nederlandstalige grafsteen van de toenmalige burgemeester van de stad in de kerk te vinden.

De schilderijen die in de kerk te vinden zijn werden vooral in de 16e en 17e eeuw gemaakt door kunstenaars als Jan van Reyn,  Erasmus Quellin, Pieter Pourbus, Kasper de Crayer, Gerard Honthorst.

_______________

Bron: Nieuwsbrief Davidsfonds Frans-Vlaanderen, maart 2017.

 

 


Nog voorradige uitgaven Stichting Zannekin

titel

auteur

Leden-prijs

niet-leden

jaarboek 2 tot en met 10


5 € per deel

7 €per deel

jaarboek 11, 12 en 13


6 € per deel

8 € per deel

jaarboek 16, 19 en 20


7 € per deel

10 € per deel€

jaarboek 21 (1999)

 

10 €

12 €

jaarboek 24 (2002)


10 €

12 €

1302: een Heel-Nederlandse geschiedenis

Leo Camerlynck

5 €

7 €

Register jaarboeken 1-10


2,5 €

3 €

Land van Kleef, gids

Wim en Wiro van Heugten

10 €

14 €

Laus Flandriae (tweetalig)

Jean-Marie Gantois

7 €

9 €

jaarboek 26 (2004)


15 €

18 €

Pevelenberg - Mons-en-Pévèle 1304-2004

L. Camerlynck e.a.

5 €

7 €

jaarboek 27 (2005)


15 €

18 €

jaarboek 32 (2010)


20 €

25 €

jaarboek 33 (2011)


20 €

25 €

jaarboek 34 (2012)


29 €

34 €

jaarboek 35 (2013)


29 €

34 €

Suid-Afrika se plek in die Franse Nederlanden

Leo Camerlynck

5 €

7 €

jaarboek 37 (2015)

 

29 €

34 €

Jaarboek 38 (2016)

 

29 €

34 €

 

 

Dit Zannekin-monument zullen we op 6 mei spijtig genoeg niet te zien krijgen. Het bevond zich voor de eerste Wereldoorlog in de kerk van Lampernisse, die volledig verwoest werd. De tekst luidde als volgt:

DOM. Ter nagedachtenisse van Nicolaes Zannekin, gesneuveld voor ’s Vaderlandsch Vrijheid te Cassel op 23 Oogstmaand 1328

De huidige gedenksteen dateert van 1928.

 

 







Uit en over Frans-Vlaanderen


Cyriel Moeyaert & Mark Ingelaere

 

Ø  De crypte van de kathedraal van Bonen is hersteld en weer toegankelijk gemaakt. De oude crypte van de eerste kerk in de 11e eeuw gebouwd door de heilige Ida, gravin van Bonen, ter ere van O.-L.-Vrouw van Bonen is vrij gaaf bewaard onder de nieuw kathedraal gebouwd door Haffreingue in het begin van de19e eeuw en van de nog romaanse zuilen, met hun mooie kapitelen, het praalgraf van Godfried van Bonen als kopie van het praalgraf in de H.-Grafkerk in Jerusalem waar hij begraven ligt, alsook een groot mooi houten beeld van Godelieve van Gistel waarvan het gezicht jammer genoeg verloren is gegaan.

Ø  Van Eric Duvoskeldt ontving ik een mooi boekje La Crypte waarin ook andere kunstwerken vermeld worden die in die Boonse crypte te zien zijn. Het boekje is ook rijkelijk geïllustreerd en bevat ook wat geschiedenis van de stad Bonen.

Ø  van dezelfde Eric Duvoskeldt ontving ik een ansichtkaart over Bonen met opmerkelijk genoeg erop een vlaggetje met de Vlaamse Leeuw.

Ø  Wat Godelieve betreft, die nu doorgaans Godeleine genoemd wordt in Artesië, haar oorspronkelijke naam gegeven bij haar geboorte was wel degelijk Godelieve en die naam is er ook lang in ere gehouden. Toevallig ontdek ik de naam Godelieve in een tekst in Karel de Flous Woordenboek der toponymie , IIIe deel, kolom 17. De tekst gaat over de Godelievekapel in Heinfried Wilder (Wierre-Effroy) haar geboortedorp: “et mesme doit la jeunesse du village dudit Wierre venir le jour de la Saincte Godeliefve, patronne dudit lieu, et le jour de Nostre Dame de mi-aoust, chacun an en communaulté tant filz que filles avec les viollons ou aultres instruments, demander congé audict sieur de la Chappelle de leurs récréer, venir et faire leurs frairies, danses et esbats sur la place ordinaire et accoustumé…” (Boul. 185) XVIe eeuw.

Ø  Het jubileum van de Barmhartigheid 2016 was ook de gelegenheid om het 150 jarig bestaan van de huidige kathedraal van Bonen te herdenken in 2015-2016 Er verscheen hiervoor een klein geïllustreerd gebedenboekje dat vooral gaat over Onze Lieve Vrouw van Bonen

Ø  Op 5 maart overleed de grote Frans-Vlaming Lode Hoex, oud-lid van de Zuid-Vlaamse Jeugd, vriend van Gantois en Jacques van Belle. Werkte soms mee aan het tijdschrift Notre Flandre, kende goed Nederlands. Hij schreef o.m. Runetekens op wederopgebouwde gevels in Zuid-Vlaanderen na 1919 en 1945. Lode was een intieme vriend van Jacques van Belle bij wie hij elke week op bezoek kwam. Later meer over Lode.

Ø  Het Nederlands in Zuid-Komen door de eeuwen heen, is een onderwerp waarmee ik nu mee bezig ben. Door een huwelijk met de dochter van de heer van Komen, Jeanne de Wasiers, werd Colaert van de Clyte heer van Komen. De Clyte (nu de Klijte genoemd) is een parochie in Reningelst. Later valt de naam Clyte weg en Colaert en z’n afstammelingen heetten gewoon Heer van Comene. Z’n zoon Jan van Comene bezat een heerlijkheid in Ruisscheure.

Ø  In Wormhout ontdekte men in de kerk een oude Nederlandse, zwart marmeren grafsteen van pastoor Mathieu Lambert, (spreek uit Matieuw) van 1538 tot 1378.De grafsteen vertoont bovenaan Jezus aan het kruis, Johannes en Maria aan weerszijden en nog twee andere heiligen; onder het kruis een doodshoofd. De tekst is in mooie gotische letters gebeeldhouwd en begint met: “Hier legt begraven… Hij was prochiepape van Wormhout”. Zie Bulletin Comité Flamand de France, februari 2017, 40.

Ø  Mazingarde vermeldt deze grafsteen in een artikel over de Beeldenstorm omdat die Lambert pastoor was ten tijde van de Beeldenstorm. Hij brengt ook de foto van een tekening van de verdwenen grafsteen van Pieter Pintaflour, geboren in Strazele in ong. 1502, bisschop van Doornik 1575-1580, die ook leefde in de geuzentijd.

Ø  Mazingarbe brengt ook een foto van het voor kort opgerichte monument op Sint-Laurens waar de Beelenstorm begonnen is. Hij vermeldt ook nog drie in Frans-Vlaanderen nagelaten sporen van de Beeldenstorm en de geuzentijd: de papeput in Rubroek, de geuzenkapel in Hondschote, de gebrandschilderd ramen in de kerk van Belle. Ik zou er het klokje van het klooster van Sint-Laurens aan toevoegen in de kerk van Steenvoorde.

Ø  Yser Hoek, voor het Vlaemsch erfgoed, nr. 100, (Volkerinkhove) brengt als naar gewoonte een paar Nederlandse bladzijden. Dit keer een opmerkelijk oorspronkelijk verhaal geschreven over Edouard Leroy uit Merkegem, gestorven in 1937. Hij was zelf herder. “Van schaepen en schaep boeren” heet het verhaal. Het is het verhaal van een jongen die zelf schapen kweekt en verzorgt en een grote herder en boer wordt. Het is geschreven door z’n neef broeder Romain Dumolin, alias R. van de Meule, bekende Frans-Vlaamse auteur. Twee boeiende foto’s illustreren het verhaal.

Ø  De Scholengemeenschap, de v.C. Katholieke basisscholen regio Poperinge slingert zich langs de Franse grens. De scholen van Westouter, Abele, Watou en Roesbrugge liggen in een grensdorp. In totaal hebben ze 31 kleuters en leerlingen met de Franse nationaliteit die in KBRP school lopen. (Roesbrugge 7, Watou 2, Abele 18 Westouter 4) tot grote tevredenheid van iedereen. Getuige een video met het verhaal van Adélie (woonachtig in St.-Omaars) uit de school ‘Kleine Prins Abele’ en een artikel uit Le journal des Flandres met een getuigenis van Coralie en Edouard uit Herzeele die in de De Waaier Watou op school zitten. Zie voor de video met Adélie: https://www.youtube.com/watch?v=mVmf3CE2g-E

Ø  Tot januari 2017 was Eric Vanneufville de voorzitter van het ‘Huis van het Nederlands’ van Belle. Nu besteedt hij zijn energie aan zijn eerste passie: de geschiedenis van de Lage Landen. Hij is ook de initiatiefnemer van een nieuwe bibliotheek over de geschiedenis van Frans-Vlaanderen, ook te BelIe.

Ø  De Limburger Henri Vaassen is de nieuwe voorzitter van ‘Het huis van het Nederlands te Belle’. Hij heeft, samen met Karel Appelmans een nieuwe vereniging opgericht ‘Tweetalig Onderwijs’. De vereniging zou graag tegen september 2017 tweetalig onderwijs organiseren in drie klassen te Belle, Steenvoorde en Bray-Dunes. Voor dit doel zoekt de vereniging parttime docenten. In dit verband is er ook een interessante facebook-pagina bedoeld om de Vlaams-Franse ouders te informeren over het aanbod van onderwijs en Nederlandstalige activiteiten voor hun kinderen aan de andere kant van de grens: https://www.facebook.com/Les-petits-Flamands-de-France-bilingues-1066738193434918/?fref=ts

Ø  Inhuldiging van een nieuwe bushalte te Wulverdinghe. Michel Thoorens, de metselaar van Yser-Houck, heeft meerdere bushaltes gebouwd in het landelijk Frans-Vlaanderen. Gewoonlijk maken de bushaltes onze dorpen lelijk... Maar dankzij Yser-Houck is dit het tegendeel! De bushaltes die gebouwd worden in het landelijke Frans-Vlaanderen vormen een samenvatting van de Vlaamse landelijke architectuur.

Ø  Proficiat aan Félix Boutu, voorzitter van Yser-Houck, en aan Michel Kerfyser, burgemeester van Wulverdinghe. Hij is de laatste burgemeester van Frankrijk die het Vlaams goed beheerst. Hij en Michel Thoorens werden geïnterviewd door Mark Ingelaere.

Ø  Beide video's zijn te zien op het Youtube-kanaal: https://www.youtube.com/watch?v=zgQeLovg94A en op https://www.youtube.com/watch?v=WrA3cgtL2BU

Ø  Wat zouden jullie er van denken een duik te nemen in het hart van een tijdperk van heldengevechten en legenden. Wenst u de legendarische Viking Allowyn te ontmoeten nadien Reuze van Duinkerke geworden en zo de vreselijke veldslagen te herbeleven tussen Franken en Noormannen. Deze droom wordt werkelijkheid op het Zannekinfeest op 25, 26 en 27 augustus 2017 in Rekspoede. Een reis in de tijd waarop de jonge ploeg van de Frans-Vlaame Vereniging Zannekin u welkom heet.

Ø  Op het kerkhof van Ochtezele werd het grafkruis met de Vlaamse tekst ‘Vrouw Moeder Marie Spetebrood’ gerestaureerd en terug geplaatst door de mensen van EUVO. Speciale dank aan Wim Dewit en de technische school van Lokeren, Oost-Vlaanderen. De inhuldiging vond plaats op zaterdag 25 maart 2017.

Ø  Een vermeldenswaardige facebookpagina is die van Jerome Schoonaert. Het is een beetje het equivalent van het forum ‘Frans-Vlaanderen in het Nederlands’. Er zijn steeds meer interessante commentaren en discussies onder zijn berichten, meestal over het erfgoed en de taalproblematiek. De beheerder van deze pagina schrijft in het Vlaemsch, het Nederlands en het Frans.

Ø  De gemeente Berten is de eerste gemeente die volledig uitgerust is met tweetalige borden. Tijdens de nieuwjaarsreceptie van de gemeente kondigde burgemeester Patricia Moone de installatie aan van veertig panelen in het ‘Vlaemsch’ van straatnamen en namen van gemeentelijke gebouwen. Een initiatief van ongekende schaal in Frans-Vlaanderen.

 

 

 

 

 

 

 

Monument op de Casselberg, herinnerend aan de aldaar geleverde veldslagen, waaronder deze waarbij Nicolaas Zannekin sneuvelde.

Ook hier komen we langs tijdens onze studie-uitstap van 6 mei

 

 





Vanaf de zijlijn


Marten Heida

 

Een welkome handreiking

Als een van huis uit Friestalige heb ik altijd veel belangstelling gehad voor alles wat met taal te maken heeft. Ik heb dan ook met meer dan gewone aandacht kennis genomen van de bijdrage van Wido Bourel in Histoire de la Flandre van Eric Vanneufville. In een bestek van welgeteld 28 bladzijden beschrijft hij de "Petite Histoire et Actualité de la langue des Flamands". Hij begint met er aan te herinneren dat Frans-Vlaanderen dan wel het land van de Reuzen mag zijn, maar dat het enkel het "Reuzenlied" is dat verwijst naar het Nederlandstalige verleden van deze regio. Deze vaststelling is voor hem aanleiding geweest na te gaan hoe de taalsituatie in het verleden was. In dit verband passeren figuren als Clovis en Hugo Capet de revue. En dat betekent dat het al Frans is wat de klok slaat. Maar Louis de Baecker trok de balans weer in evenwicht als hij in zijn Les Flamands de France stelt dat het dan toch maar de Frans-Vlamingen zijn geweest die de oude taal van de stichters van de Franse monarchie hebben bewaard. Die oude taal weerspiegelt zich in de namen die ze aan hun dorpen en steden hebben gegeven. Ze zijn tot op de dag van vandaag bewaard gebleven al hebben een aantal wel een Franse "verpakking" gekregen. Bij een paar volstaat het de Franse klemtoon te vervangen door de Nederlandse om de oorspronkelijke naam weer te voorschijn te doen komen. Echter vervreemd als de bevolking is van het Nederlandse taalverleden van hun streek denken ze dat hun gewesttaal op zichzelf staat. Het Nederlands wordt door hen als een vreemde taal beschouwd. Dat is het tragische gevolg van het feit dat sinds de inpalming van deze regio door Lodewijk XIV de band met de rest van het taalgebied werd doorgesneden en de taal ging verarmen.

Het is een goede gedachte geweest het hoofdstuk over de taalsituatie in Noord-Frankrijk toe te vertrouwen aan Wido Bourel. Afkomstig als hij is uit deze streek heeft hij zelf ervaren wat het wil zeggen tot een taalminderheid te behoren die door de officiële machten niet of nauwelijks erkend wordt. Hij is er als het ware in geslaagd naast de huidige Frans-Vlamingen te gaan staan en hen de weg te wijzen naar een Nederlandstalige toekomst voor zijn geboortestreek. Terecht stelt hij dan ook dat niet het onderwijs in de streektaal de voorkeur verdient maar wel deze van de zogenaamde "vreemde" (= Nederlandse) taal. Het is te hopen dat door zijn handreiking in Vanneufville's boek de lezers zich bewust worden van de historische werkelijkheid van hun streek en als gevolg daarvan de verbondenheid met de andere delen van het Nederlands taalgebied. 

Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53

NL-3905 CB Veenendaal

Het laatste woord

Leo Camerlynck

 

De Nederlanden “extra muros”, bakermat van onze literatuur

Kanttekeningen bij de Encyclopedie van de Nederlandse literatuur

“Hebban olla vogalan” zou door een in het Kentse Rochester residerende monnik uit Sint-Winoksbergen of Sint-Omaars geschreven zijn. In Luik ontdekt doch stammend uit het Nederrijnland zijn de Wachtendonckse psalmen. Het oorspronkelijke handschrift van het Ludwigslied of de Rithmus teutonicus werd in de Sint-Amandusabdij van Saint-Amand-les-Eaux (Elno) bewaard. Henric van Veldeke trad meermaals op in de Kleefse Zwanenburcht alvorens naar de Thüringse Unstrutt af te reizen. Philippe de Commynes en Jehan Froissart behoren tot de eerste kroniekschrijvers afkomstig respectievelijk uit Ruischeure en Valencijn. En zo ging het nog eeuwen verder.

In de top tien van de meeste vertaalde oorspronkelijk in het Nederlands geschreven boeken prijken twee meesterwerken uit onze Nederlandse literatuur, namelijk Het Dagboek van Anna Frank en het Cruydenboeck van de Mechelaar Rembert Dodoens (16e eeuw).

Voorts is er het levenswerk van Thomas Haemercken van Kempen, beter bekend als Thomas a Kempis uit Kempen, nu in het Duitse Nederrijnland. Zijn “De Imitatio Christi” mag dan wel in het Latijn geschreven zijn, doorspekt met Nederlandse zinswendingen, het behoort tot onze literatuur uit de Nederlanden. Zo is er onze dierbare Reinaert de Vos uit het Zeeuws-Vlaamse Hulst. En we mogen ook niet Tijl Uilenspiegel vergeten, die Charles de Coster wereldberoemd maakte, zij het in het Frans geschreven doch in een door en door Vlaamse geest.

Terecht schreef Karel Jonckheere ooit dat Vlaanderen zo veel te vertellen heeft dat het hiervoor twee talen nodig heeft.

In ’s werelds top honderd van de meest gelezen en vertaalde litertuurwerken vinden we een tiental werken die ontsproten zijn binnen onze te vaak miskende Nederlanden. Dat is toch iets dat zo maar niet aan de aandacht voorbijgaat.

De Nederlanden in het algemeen en Vlaanderen in het bijzonder inspireerden veel schrijvers en dichters, en niet het minst literatoren, die niet eens het Nederlands als moedertaal hebben.

Wie kende tot voor kort A Dog of Flanders, een verhaal over Nello en zijn koehond Patrasje, geschreven door de 19e-eeuwse Engelse schrijfster Ouida, schuilnaam voor Marie-Louise de la Ramée. Er werden verschillende tekenfilms en langspeelfilms aan het onderwerp besteed. Japanners en Koreanen zijn verlekkerd op het verhaal.

Jésus-Christ en Flandre van de Franse romancier Honoré de Balzac handelt over een veerman uit Cadzand. Het epos is nauwelijks in Vlaanderen of in de Nederlanden bekend.

Hoe mooi beschreef de in het Duits schrijvende Tsjech Rainer Maria Rilke niet Brugge en vooral Veurne.

Hoe diep werd de Vlaamse ziel niet beschreven in de naturalistische roman Maria, fille de Flandre van de Frans-Vlaming Maxence van der Meersch.

Hetzelfde geldt voor de Franse Académicienne Marguerite Cleenewerck de Crayencour, beter bekend als Marguerite Yourcenar, in o.a. Archives du Nord, L’oeuvre au noir, Un homme sauvage.

Één eeuw voordien beschreef een andere grote dame haar geliefde Frans-Vlaamse geboorteland rond Dowaai (Douai) Marcelline Desbordes-Valmore.

Terug naar de in het Nederlands geschreven letterkunde. Binnen de Nederlanden, en dan in hoofdzaak in Vlaanderen, lijkt het erop alsof er buiten een handvol schrijvers nauwelijks nog waardevolle hanteerders van de literaire pen leven. Kristien Hemmerechts, Tom Lanoye, Herman Brusselmans, Dimitri Verhulst, Stefan Hertmans en nog enkele tijdgenoten krijgen ruimschoots “airplay”. Weinig anderen wordt dat gegund. Wat de geciteerde schrijvers allen gemeen hebben, is de soms misprijzende wijze waarop ze op Vlaanderen in het algemeen en op het volksnationalisme in het bijzonder neerkijken. En dat geldt ook voor andere kunstbeoefenaars zoals schilders, beeldhouwers, toneel- en filmspelers, die zich zelf liever als Belgische dan als Vlaamse artiesten omschrijven. Het is bij hen vaak bon ton zich af te zetten tegen nostalgie en traditie.

In Nederland is die koele tendens of die trend om “cool” te zijn niet zo uitgesproken. Adriaan van Dis, Connie Palmen, Renate Dorrestein, A.F.Th. van der Heijden, Joke van Leeuwen, Anna Enquist durven iets meer zichzelf zijn. En Cees Nooteboom wordt nog steeds geprezen.

Gaan wij opnieuw Ernest Claes, Felix Timmermans, Cyriel Buysse, Hendrik Conscience, Frederik van Eeden, Arthur van Schendel, Anne de Vries lezen? - “’t Can verkeeren”, zei Bredero.

Tot slot nog even de door de Taalunie gepromote Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, die bestaat uit de volgende delen:

deel 1 (I): Frits van Oostrom, Stemmen op schrift (Middeleeuwen I tot 1300). Verschenen: voorjaar 2006.

deel 1 (II): Frits van Oostrom, Wereld in woorden (1300-1400). Verschenen: 5 februari 2013.

deel 2: Herman Pleij, Het gevleugelde woord (Middeleeuwen II, 15e en 16e eeuw). Verschenen: najaar 2007.

deel 3: Karel Porteman en Mieke Smits-Veldt, Een nieuw vaderland voor de muzen (1570-1700). Verschenen: voorjaar 2008.

deel 4 (I): Inger Leemans en Gert-Jan Johannes, Worm en Donder (1700-1800: de Republiek). Verschenen: 12 december 2013.

deel 4 (II): Tom Verschaffel, De weg naar het binnenland (1700-1800: de Zuidelijke Nederlanden). Verschenen: 10 december 2016.

deel 5: Wim van den Berg en Piet Couttenier, Alles is taal geworden (1800-1900). Verschenen: voorjaar 2009

deel 6: Jacqueline Bel, Bloed en rozen (1900-1945). Verschenen: 30 november 2015.

deel 7: Hugo Brems, Altijd weer vogels die nesten beginnen (1945-2005). Verschenen: voorjaar 2006

deel 8: Anne Marie Musschoot en Arie Jan Gelderblom, Ongeziene blikken. Nabeschouwingen bij de reeks. Verschenen: 17 januari 2017.

Alvast veel leesgenot toegewenst!

Leo N.J. Camerlynck

“De Zavelberg”, Edouard Michielsstraat 51

B- 1180 Ukkel (Brussel)

T. + 32 485 630 227

E. leo.camerlynck@skynet.be