> nieuwsbrief > 35e jg. - 4e trimester 2017

Bijdragen over:


Mededelingen

Hernieuwen ledenbijdrage voor 2017

Dit is een laatste oproep tot hernieuwing van de ledenbijdragen voor 2017, gericht tot diegenen die tot nog toe verstek gaven. Toetreden kan nog steeds, mits overboeking van de ledenbijdrage. Even herinneren: de minimumbijdrage bleef ongewijzigd en bedraagt 29 €. In ruil daarvoor verzekeren we u andermaal de stipte toezending van het al in mei verschenen nieuwe Jaarboek de Nederlanden ‘extra muros’ – het 39e al – en van de vier nummers van ons kwartaalblad Nieuwsbrief Zannekin. Vanaf het bedrag van 35 € boeken we u met dank als steunend lid. Vereffening graag via onze rekening IBAN: BE13 4648 2202 5139 – BIC: KREDBEBB t.n.v. Vereniging/Stichting ZANNEKIN, Paddevijverstraat 2, 8900 Ieper.

Ontmoetingsdag Zannekin

Onze Ontmoetingsdag komt er aan op 14 oktober aanstaande. De volgende pagina’s van deze Nieuwsbrief staan in grote mate in het teken van die dag. Bij ie gelegenheid verschijnt ten behoeve van de deelnemers een aparte brochure, waarin dieper ingegaan wordt op de aan bod komende thema’s, zijnde de geschiedenis van Eupen en het Vierlandenpunt te Vaals.

 

Zannekin-Ontmoetingsdag te Eupen op zaterdag 14 oktober 2017

EUPEN en het VIERLANDENPUNT - 1815-2017, meer dan een grensgeval

Onze najaarsstudiedag heeft in de herfst plaats in het oostelijke deel van België waar in de voorbije tweehonderd jaar de grenzen meer dan eens verschoven. Tijdens deze dag worden de historische gebeurtenissen sinds 1815, het jaar van het Congres van Wenen, uit de doeken gedaan. Het wordt een boeiende dag in een unieke omgeving.

Programma

08.50 uur: Halle Station, vertrekplaats busrit naar Eupen.

10.45 uur: Eupen Station - tweede opstapplaats.

EUPEN: domein van het Parlement der Deutschsprachigen Gemeinschaft (niet in het gebouw zelf), de Sint-Niklaaskerk, patriciërshuizen van de textielbarons (afhankelijk van de bezoektijden en mogelijkheden in het parlement en rekening houdend met huwelijken of uitvaarten in de kerk wordt het schema aangepast).

12.30 uur: busrit langs het Vierlandengebied (De Bokkenrijder - Viergrenzenweg) naar Vaals.

13.30 uur: Limburgs middagmaal (onder buffetvorm) met vrije keuze uit: Limburgse forel met remouladesaus - Limburgse rauwe ham met meloen - Tomaat met mozzerella *** Soep van de dag *** Vis van de dag - Speenvarkenrugfilet met stroopsaus - Groentegarnituur, salade, frietjes en aardappelgratin *** Chocolade, vanille en aardbeien 1 mousse

Vervolgens lezing over de "Revolte van Mützenich - 1949" en over "Neu-Moresnet en het Vierlandenpunt". Korte wandeling langs de voormalige grenzen met nog overgebleven grensstenen.

16.30 uur: kannetje koffie met Limburgse vlaai.

17.30 uur: terugrit naar Eupen. 18.00 uur te Eupen. 19.45 uur te Halle.

Deelnameprijs alles inbegrepen: leden 59 € per persoon; niet-leden: 65 €. Aanmelden tot uiterlijk 8 oktober via brief of e-bericht aan: maurits.cailliau@skynet.be en gelijktijdige overboeking van dit bedrag met vermelding van naam en adres + opstapplaats (Halle of Eupen) op rekening IBAN: BE13 4648 2202 5139 – BIC: KREDBEBB 9 oktober.

 

Omtrent grenspalen


Het verdrag van Wenen

De oude Belgisch-Pruisische grens van voor 1919 liep voorheen dieper ons land in dan thans en ontstond na de val van het Franse Keizerrijk (de Slag bij Waterloo) en het daaropvolgend "Verdrag van Wenen" (1815) dat Europa herverdeelde vanuit de gedachte om in de toekomst elke nieuwe poging tot overheersing door Frankrijk, door de nieuwe grootmachten te beletten.

Onze gewesten werden ingedeeld bij het Koninkrijk der Nederlanden dat zowel Nederland als België omvatte. Luxemburg (het huidige Groot-Hertogdom en de Belgische provincie) behoorde ten persoonlijke titel aan de Nederlandse Koning Willem I.

In het zuiden grensde het Verenigd Koninkrijk aan Frankrijk waartegen het een bufferstaat moest vormen. In het oosten lag Pruisen. De nieuwe grens tussen de Nederlanden en Pruisen werd vastgesteld in het "Verdrag van Aken" (26.6.1816).

In artikel 2 van dat verdrag wordt het verloop van die grens als volgt omschreven: "De demarcatielijn zal beginnen op de Moesel op het punt waar, op de rechteroever, deze rivier de grens met Frankrijk verlaat, de Moesel afdalend volgt tot aan de monding van de Sure, deze volgt tot aan de monding van de Our en deze volgt tot aan het punt waar de beek de grens bereikt van het kanton Sankt-Vith“.

 

Houten grenspalen

Net zoals alle andere grenzen werd ook deze scheidingslijn afgebakend met grenspalen. Artikel 42 van het “Proces-Verbal de démarcation entre le Grand-Duché et la Prusse“ beschrijft de palen die voor de afbakening van deze grens zullen gebruikt worden: “Deze palen zullen van eikenhout zijn, vierkant en met een lengte van 12 Rijnvoet; 8 bovengronds en 4 in de grond. Ze zullen beschilderd zijn in zwart-wit langs de Pruisische zijde en oranje-wit langs de Nederlandse, genummerd zijn beginnend vanaf de Moesel." De nummering van deze grenspalen begint aldus aan de Duits-Frans-Luxemburgse grens aan de Moesel bij Perl-Apach-Schengen en loopt langsheen de huidige Luxemburgs-Duitse grens naar het noorden toe. Paal nr.75 is de laatste van die reeks grenspalen: hij staat op het uiterste noordpunt van het Groot-Hertogdom vlakbij de Belgisch-Luxemburgse grenspaal nr.286, die van de andere kant van het Groot-Hertogdom komt. Vanaf dit punt loopt de nummering verder naar het noorden, toe om te eindigen aan het beroemde Drielandenpunt te Vaals-Gemmenich-Aken met paal nr.193. De oorspronkelijke houten palen werden in de loop der jaren vervangen door stenen palen waarbij de originele nummering echter wel behouden bleef. Omstreeks 1840 waren alle houten palen verdwenen.

Luxemburg autonoom

Wanneer in 1830 de zuidelijke (Belgische) provincies zich losscheurden van Nederland, stond het Groot-Hertogdom aan de Belgische kant en werd het mee opgenomen in het nieuwe Belgische grondgebied.

In 1839 echter, na het aanvaarden van de 24 Artikelen door België en Nederland, werd het Groot-Hertogdom gesplitst in twee gedeelten: het westelijke (Franstalige) deel ging naar België en, werd de provincie Luxemburg; het oostelijke (Duitstalige) deel, bleef persoonlijk bezit van de Nederlandse Koning Willem I. In 1841 werd het als Groot-Hertogdom echter een autonome staat.

De Belgisch-Pruisische grens

De toenmalige Belgisch~Duitse grens begon aan de uiterste noordoosthoek van het Groot-Hertogdom (Schmiede), liep recht naar het noorden toe via Poteau (een gehucht van, de gemeente Recht), tussen Stavelot en Malmedy door, langs Hockay naar de Baraque Michel, dwars door de Hoge Venen (waar zij vanaf paal nr.157 het riviertje de Helle volgt), draaide links rond Eupen om in Baelen de weg Eupen-Welkenraedt-Henri-Chapelle te bereiken en deze te volgen tot aan het Maison-Blanche, daar de weg volgend in de richting Aken om in Moresnet bijna pal noordwaarts en in rechte lijn naar het Drielandenpunt Vaals-Gemmenich-Aken te lopen.

Door een verschil in interpretatie (daarbij al of niet geholpen door zakelijke belangen omtrent het bezit van de zinkmijnen te Moresnet) dat zowel Pruisen als Nederland aan de grensbeschrijving gaven, ontstond betwisting over het precieze verloop van dat laatste stukje grens tussen Moresnet en Vaals. Het conflict dat hierrond ontstond, leidde tot het ontstaan van het neutrale gebied "Onzijdig Moresnet" dat gedurende meer dan honderd jaar bleef bestaan. Het beroemde “Drielandenpunt" was zo gedurende meer dan een eeuw een "Vierlandenpunt".

De historische grenspalen staan er niet enkel als merktekens in het landschap, maar tegelijk ook als getuigen van een stukje geschiedenis van het land en het volk uit onze Oostkantons. Tussen het Groot-Hertogdom en het gehucht Poteau vormt deze grens thans nog de grens tussen de provincies Luik en Luxemburg. (tekst: Jan Hellinx)

 

Waarom Vaals deel van de Republiek is geworden


Jan van Tongeren, Maarssen

De Partage 1644 – 1662

De Overmase landen bestonden uit de heerlijkheden Valkenburg, Dalhem en ‘s-Hertogenrade. Van Staatse zijde heeft men aanvankelijk de opvatting verdedigd, dat de Overmase landen van het hertogdom Limburg afhankelijk waren. Na de verovering van Maastricht 1632 bezette Frederik Hendrik dan ook eerst de vesting Limburg en daarna pas de steden Valkenburg, Dalhem en ‘s-Hertogenrade. In 1635 gingen al deze veroveringen weer verloren. Het hertogdom Limburg is sindsdien in Spaanse handen gebleven.

De hoofdsteden van de Overmase landen werden daarentegen in 1644 door de commandant van Maastricht heroverd. Dit betekende echter niet dat de Republiek in deze contreien de uitsluitende heerschappij had verkregen, want de Spanjaarden wisten zich staande te houden en bleven naast de ambtenaren de Staten-Generaal het gezag uitoefenen.

Op 17 juni 1645 liet de Staten-Generaal weten “om alles te laten in statu, gelijck het was voor de reductie en demolitie van Valkenburg, Daelhem en Herzogenrade”. Bij de onderhandelingen van december 1646 verlangden de Staatse afgevaardigden echter dat de Overmase landen aan de Republiek zouden worden afgestaan. Spanje daarentegen drong aan op de handhaving van het status quo. De Staatse gemachtigden stemden hierin toe, doch onder de uitdrukkelijke verklaring, dat de Republiek in het bezit van het Overmase was. Hierna werd op 24 december 1646 de volgende bepaling onder artikel 3 van het vredesverdrag opgenomen: “Wat aengaet de drie Quartieren van Over-Mase, te weten Valkenburch, Daelhem en ‘s-Hertogenrade, deselve suyllen blijven in den Staet in de welkcke die sich jegenwoordig bevinden, ende in cas van disputte en controversies al deselve gherenvoyeert worden aen de Chambre mie partie, omme aldaer te worden ghedecideeert.”

Na de sluiting van het verdrag van Münster op 30 januari 1648 achtte de Republiek zich in dit gebied heer en meester, maar ook Spanje wist zich te handhaven. De Staten-Generaal ontweken de kwestie en stelden voor eerst enkel punten, waaronder de Overmase geschillen, langs diplomatieke weg af te doen. Op 23 december 1653 werd tenslotte de ‘chambre-mi-partie’, met de plechtigheid aan dit belangrijke instituut verschuldigd, in Mechelen geopend. Volgens de instructie van 17 oktober 1653 zouden de kwesties de Overmase landen betreffende moeten worden afgedaan, vooraleer met andere zaken zou kunnen worden begonnen. Toen Spanje en de Republiek in 1657 (of wellicht reeds eerder) tot de conclusie waren gekomen, dat met de ‘chambre-mi-partie’ niets te bereiken viel, werd door een commissie, bestaande uit de Spaanse ambassadeur Gammara en gedeputeerden der Staten-Generaal, op 25 februari en 27 maart 1658 voorlopig vastgesteld dat elk van beide mogendheden de “gerechte helft” van de Overmase landen zou krijgen. Dit uiterst vage criterium bracht de zaak niet verder. Wel deed de Republiek impliciet afstand van haar beweerd recht op uitsluitende heerschappij.

Aldus werd de mogelijkheid geschapen om ten aanzien van de retorsiemaatregelen, waarvan deze landen zeer veel te lijden hadden, tot een compromis te komen. Een overeenkomst van 13 december 1659 tussen de Spaanse ambassadeur en Staats-gedeputeerden, brachten interim tot stand, dat echter niet het gewenste resultaat had. Toen eenmaal was vastgesteld, dat elk van beide partijen de helft zou krijgen, die haar toekwam, moest nog bepaald worden, op welke wijze de verdeling zou plaats vinden.

De republiek wenste het bezit van het gehele Valkenburgse kwartier, omdat het dichtst aan de Maas en dichtbij Maastricht lag. In dit geval zou Spanje de landen van Dalhem en ‘s-Hertogenrade krijgen. De handelsweg van Holland over Maastricht naar Aken liep door de bank Gulpen en vervolgens door het gebied van de verenigde bank Holset, Vaals en Vijlen. De laatste route was van belang voor de koperhandel. Vanuit de stapelplaats Amsterdam werden grote hoeveelheden Zweeds koper naar Aken en Stolberg getransporteerd.

Kalamijn

‘Neutraal Moresnet’ vormde een driehoek waarvan de punt tot Vaals reikte

 Uit het nabije Moresnet betrok de Akense koperindustrie kalamijn of zinkerts. La Calamine/Kalmijn (galmei, cadmia of zinkspaat). De naam van het erts is ontleend aan het Griekse woord Cadmia, waarnaar La Calamine is vernoemd. Het werd gebruikt om er geel koper, messing of latoen, een legering van roodkoper en zink te maken. De vermenging van deze grondstoffen leverde geelkoper op, dat door de koperslagers tot allerlei artikelen, zoals ketels en koperdraad, verwerkt werd. Deze legering is namelijk harder en buigzamer dan roodkoper. Met de voorwerpen gemaakt van dit materiaal hebben vooral Bouvignes en Dinant naam gemaakt.

Uit groeven te Kelmis (La Calamine), onderdeel van het complex Altenberg, werd de kalmijn betrokken, die naar Eijsden werd vervoerd en aldaar verwerkt. De niet voor Eijsden bestemde aanvoer werd in Maastricht op schepen geladen (De Kalaminkstraat herinnert daaraan). Van de andere groeven profiteerde de industrie van Aken.

Eerder, naar aanleiding van een grensgeschil tussen Aken en Filips de Goede had Keizer Sigismund op 25 oktober 1423 Aken in het bezit van de “älde kailmynberg" gesteld. Ondanks die keizerlijke beslissing "behielt der hertzog van Brabant den kailmynbergh mit gewalt in". De opbrengst van de kalmijngroeven werd dan ook van 1439 tot 1794 in de rekeningen van de Limburgse rentmeester verantwoord. Daaruit blijkt "dat alle Limburgse cuylen" waar kalmei gedolven werd, verpacht werden, meestal aan groothandelaren uit Antwerpen.

Grote hoeveelheden van deze eindproducten belandden wederom te Amsterdam en werden vandaar uit verhandeld. Het ruw koper dat naar Aken verzonden werd, en de eindproducten die retour naar Amsterdam gingen, waren voor de koning van Spanje een bron van inkomsten. Bij een behoud van het land van ‘s-Hertogenrade konden de Staten-Generaal de handel van deze belasting bevrijden ofwel zelf van de inkomsten profiteren. Hunne Hoogmogenden zouden in dat geval ook de doorvoer van koperwerk naar Antwerpen – dat vrijgesteld was van het licentgeld – kunnen belasten en aldus de opbrengst met wel vijfentwintigduizend gulden per jaar vermeerderen.

De belanghebbende kooplieden van Amsterdam pleitten, gesteund door de magistraat van de stad, pleitten eveneens voor het behoud van ‘s-Hertogenrade en voor de eliminatie van het Spaanse licent. Zij wisten daarbij zakelijke argumenten te verbinden met religieuze gezichtspunten. Het land van ‘s-Hertogenrade, zo betoogden zij, ligt slechts op korte afstand van Aken.

De Geer

Aangezien in de vrije rijksstad Aken gereformeerde godsdienstoefeningen verboden waren, gingen de protestantse kopermeesters in ‘s-Hertogenrade en Vaals ter kerke. Indien deze mogelijkheid afgesneden werd voorzagen de Amsterdamse kooplieden een grootscheepse emigratie van koperslagers naar Zweden. Wegens de harde persecuties vanuit Aken had enige jaren voordien al zulk een uittocht plaatsgevonden. Het gevolg was, dat er toen in Zweden veel meer koperdraad gemaakt werd dan te Aken. Indien deze tendens zich doorzette, zo vreesden de kooplieden, zou op den duur “uijt Sweede de geheele werelt met aldehande cooperwaeren connen worden versien”. De negotie van Amsterdam zou daarbij het kind van de rekening worden. Dat Amsterdam een steekhoudend argument had bewijst het imperium van de Familie de Geer - de oudst bekende voorvader is Lambier de Geer, stammend uit Luik, vermeld in 1393 en overleden in 1399. Een afstammeling, Louys de Geer (1535-1602), week om geloofsredenen uit naar Aken en later naar Dordrecht. Diens zoon, Louis de Geer (1587–1652), vestigde zich in Zweden als wapenhandelaar. Hij was afkomstig uit Luik, vanouds een centrum voor ijzerertswinning. Zijn exacte geboortedatum is niet bekend. Hij werd gedoopt op 17 november 1587, en moet kort daarvoor geboren zijn. Hij trouwde daar met Adrienne Gérard, die ook tot de plaatselijke Luikse gemeenschap behoorde. Als rijke bankier en industrieel kwam hij naar Amsterdam (1615). In 1615 voerde hij, met toestemming van de Staten-Generaal, 400 kanonnen en kogels in ten behoeve van de admiraliteiten en dreef nadien nog een uitgebreide handel in krijgsbehoeften. In 1627 emigreerde De Geer naar Zweden, voornamelijk om de lasten van de tol in de Sont te omzeilen. Louis verkreeg van de Zweedse koning het monopolie op de koper- en ijzerhandel en werkte zo goed en kwaad als het ging samen met de familie Trip en De Besche. Voor zijn bedrijf in Zweden wist hij veel werkkrachten uit de omgeving van Aken aan te trekken en dat was de reden dat de Amsterdammers zich zo bezorgd maakten.

Smaldeling

De Spaanse ambassadeur Gammara werd echter bewerkt door de abdijen St.-Gerlach en Kloosterrade, die zagen aankomen, dat bij een dergelijke verdeling van de landen van Overmaas, het merendeel van hun goederen op Staats gebied zou komen te liggen en geconfisqueerd zouden worden. De memorie, op 17 maart 1659 door Gammara ingediend, hield dan ook een ander stelsel in, namelijk een smaldeling. De Staten van Holland keurden aanvankelijk het systeem af maar de andere provincies stemden echter met het stelsel in, waarmee tenslotte ook de Staten van Holland akkoord gingen.

Een Staats voorstel van 17 januari 1661 verdeelde de landen van Overmaas in twee zones. Het ene deel omvatte het land van Valkenburg, de bank Olne en de verenigde ban Holset, Vijlen Vaals. Het tegendeel bestond uit de landen van Dalhem en ‘s-Hertogenrade. Het klooster van St.-Gerlach werd losgeweekt uit het land van Valkenburg.

Op 6 december 1661 werd er bericht, dat het land van ‘s-Hertogenrade er bij een nieuw voorstel er het best van afkwam. ‘s-Hertogenrade, Kerkrade met Kloosterrade, Simpelveld-Bocholtz, Merkstein, Übach en Welz-Rurdorf waren voor de Spaanse koning behouden, terwijl het Staatse gedeelte slechts de banken Gulpen en Margraten en de verenigde bank Holset, Vaals en Vijlen omvatte. Voor de Verenigde Nederlanden – de Republiek - was het vooral van belang, dat de plaatsen tussen Maastricht en Aken in het Staatse ressort terechtgekomen waren en dat het dorp Vaals zijn functie als kerkelijk centrum voor de gereformeerden uit de nabijgelegen gebieden in de toekomst kon blijven vervullen. Op 26 december 1661 kwam uiteindelijk een definitieve regeling tot stand. Deze regeling droeg de naam van acte van ‘nonpréjudice’, welke zij waarschijnlijk ontleent aan de bepaling, dat ingeval ratificatie door een of beide mogendheden uitbleef, de status quo zou gehandhaafd blijven. Dit verdrag werd door Spanje en de Republiek respectievelijk op 18 oktober en 15 april 1662 bekrachtigd. In de loop van 1663 gelastte de Staten-Generaal hun gedeputeerden om op 1 juni naar Aken te vertrekken, ten einde nog verschillende punten met de Spaanse gevolmachtigden te regelen en over te gaan tot de in bezitneming van de Staatse partage, hetgeen op 22 oktober 1663 in een algemene vergadering van de Staten van Overmase landen geschiedde. In 1661 moest de koning van Spanje erin berusten dat het rechtsgebied van de bank Vaals-Holset-Vijlen in handen bleef van de Staten-Generaal, die hier al sedert bijna dertig jaar de macht uitoefenden.

Staatse enclave

Tot het eind van de 18e eeuw was het een Staatse enclave, omgeven door de vrije heerlijkheid (later graafschap) Wittem, het Rijk van Aken, en het onder Spaans, later Oostenrijks gezag staande hertogdom Limburg. Deze enclave bevatte de ‘rotten’ Vaals, Wolfhaag, Raren, Holset, Harles en Lemiers, en de zes Vijlener ‘rotten’ Camerig, Cottessen, Berg, Mamelis, Rott en Vijlen.

____________

Bronnen: De verdeling van de landen van Overmaas, Dr. J.A.K. Haas, Maaslandse Monografieën, Van Gorcum, Assen 1978.

De grenzen van Nederland, Dr. H. Emmer Jr, Tjeenk Willink & Zn, Haarlem, 1937.

 

Uit en over Frans-Vlaanderen


Cyriel Moeyaert & Mark Ingelaere

§     Cyriel Moeyaert, eminent Frans-Vlaanderen kenner en schatbewaarder van het Frans-Vlaams, vierde op 6 juni zijn 97e verjaardag te Zuidpeene in het gezelschap van enkele goede vrienden van beide kanten van de schreve. Proficiat Cyriel!

§     In navolging van het boek van Raf Seys over 'de slag aan de Peene 1677' uit 1977 wordt eerstdaags een nieuw boek uitgegeven met onuitgegeven documenten. U las er al over in onze vorige Nieuwsbrief. Ook de verfransing van Frans-Vlaanderen komt aan bod. Het boek is te koop voor 20 €. De verzendkost naar Vlaanderen-Brussel-Wallonië bedraagt 8 €. Overschrijven naar : IBAN: FR76 1670 6050 1016 3916 7110 201; BIC: AGRIFRPP867. Men kan het boek ook bestellen met vermelding 'wordt afgehaald' voor degenen die regelmatig het museum in Noordpene bezoeken. Het museum in Noordpene kan worden bezocht van woensdag tot zondag van 10 tot 12.30 u en van 14 tot 18 u.

§     De vzw EUVO werkt naarstig verder: op 20 mei werd aan een nieuwe micro-brouwerij te Brayduinen een bord geplaatst met zegening: 'Ambachtelijke Brouwerij De Duinen van Vlaanderen'. Ook op 20 mei werd op een hoeve te Uksem een bord geplaatst met zegening: 'Hoeve Johannes F. Belle 18de eeuw'.

§     Er werden ook verschillende borden geplaatst zonder zegening: te Hardifort (Hardenvoorde): 'In de Krone', te Ochtezele; 'Haezeveldhof': te Gijvelde; 'Huis bij de Ringsloot': te Sint-Omaars; 'H. Johannes Preekheere'; te Nieppe (Nieperke): 'Huis De Haas'.

§     Mevrouw Lieve Melis heeft ons terug een gedicht bezorgd. Die gedichten zijn een zeldzame en waardevolle getuigenis van een dame uit Belgisch-Vlaanderen die een diepe kennis, een echte empathie en liefde heeft voor de kleine regio Frans-Vlaanderen. De gedichten verschijnen ook op het 'Forum Frans-Vlaanderen in het Nederlands'. Cf: http://fvlinhetnederlands.actieforum.com/t860-gedichten-in-het-nederlands-over-frans-vlaanderen#13438

§     59 fables del’histoire de Flandre. Eric Vanneufville schonk een heerlijk boekje met de geschiedenis van Vlaanderen in vlotte Franse fabels. Historische figuren herleven in romantische taal maar altijd historisch betrouwbaar. Elooi, Wulmaar, Mildreda, de Drie Maagden in Kaaster. Willibrord, Winok, Folquinus. 

§     In Sint-Omaars vond de waterstoet plaats op het Hoge Briggekanaal, waarschijnlijk een bloemenstoet op schuiten of koggen, op zondag 30 juli om 4 uur. Ik kreeg dat nieuwtje van de Bellenaar Renaud le Febve, een Vlaamsstrijdende Frans-Vlaming met veel belangstelling voor het Nederlands in Sint-Omaars, via Florence Bourel. Waarvoor hartelijke dank. Renaud noemt zich “Prezydent van de vrienden van den Muzee van Belle” U kunt berichten lezen over het Bels museum in amismuseebailleul@orange.fr

 

Vanaf de zijlijn


Marten Heida

Oost-Friesland weet zich op de kaart te zetten

Als je via de binnenweg van Nieuweschans naar Bunde rijdt ben je daar voor je er erg in hebt. Dit dorp is gelegen in het Rheiderland zoals het stuk Oost-Friesland ten westen van de Eems wordt genoemd. Het is de geboorteplaats van de bekende Oostfriese historicus Harm Wiemann. Zijn geboortehuis (een boerderij) staat er nog maar is van functie veranderd; het schuurgedeelte is ingericht als landbouwmuseum.

In landschappelijk opzicht lijken de provincie Groningen en het westelijk deel van Oost-Friesland veel op elkaar. Deze vergelijking is zelfs zo sterk dat je in beide regio's van Loppersum naar Wirdum kunt rijden.

Niet alleen op landschappelijk gebied is er veel overeenkomst; hetzelfde is het geval met de gewestelijke talen. In dit verband herinner ik mij hoe tijdens de kerstdagen van 1957 een kerkdienst in het Gronings werd uitgezonden via de regionale zenders. Het bijzondere was niet zozeer dat de predikant de streektaal gebruikte maar dat deze dienst rechtstreeks werd uitgezonden vanuit twee kerkgebouwen waarvan het ene in de provincie Groningen stond en het andere in Oost-Friesland. Een grensoverschrijdend gebeuren dus.

Of een dergelijk experiment vandaag nog tot de mogelijkheden behoort betwijfel ik. Afhankelijk van aan welke kant van de grens je woont, kan vastgesteld worden dat het taalgebruik van de jongeren ofwel verduitst is ofwel vernederlandst.

Er zullen ongetwijfeld contacten bestaan tussen deze regio's. Maar naar een verwijzing naar een Fries bewustzijn is bij de Groningers geen sprake. Wat er de oorzaak van is weet ik niet maar een feit is dat Groningers en Friezen elkaar moeilijk kunnen verdragen. Dat zal er wellicht ook de oorzaak van zijn dat de provincie Groningen geen deel uitmaakt van het overleg - de Friese Raad - tussen de Friese landen. Hiertoe behoren de provincie Friesland - ook wel Westlauwers Friesland genoemd - Oost-Friesland en het in Sleeswijk-Holstein gelegen Noord-Friesland. Van die onderlinge verbondenheid leggen ze getuigenis af op de hoogtijdagen die eens in de drie jaar beurtelings in één van de landen worden gehouden.

Zo langzamerhand wordt het tijd deze "zijlijn" te doen beantwoorden aan het opschrift. Als het gaat over het op de kaart zetten van Oost-Friesland gaan als vanzelf de gedachten uit naar de Volkswagen-autofabriek in Emden. Maar het is niet het economische luik waarop ik de aandacht wil vestigen. Er is ook nog zoiets als een publicitaire soortgenoot. Er zijn namelijk weinig regio's die op dit gebied zo aan de weg timmeren als Oost-Friesland. In de loop van de voorbije jaren is een keur aan uitgaven op de markt gebracht. Ze hebben betrekking op de gewestelijke geschiedenis; daarvan is de prestigieuze reeks Ostfriesland im Schutze des Deiches een uitstekend voorbeeld. Bovendien heeft men veel eer ingelegd met het uitbrengen van een groot aantal monografieën over steden, dorpen, waddeneilanden en landstreken.

Voor wie op zoek is naar een uitgave die in- en overzicht geeft over het reilen en zeilen van de huidige Oostfriese samenleving kan daarvoor terecht in de maandelijkse afleveringen van het Ostfriesland Magazin. Dit tijdschrift met een omvang die schommelt tussen de 110 en 150 bladzijden staat bekend om de uitstekende teksten en het erbij passende fotomateriaal.

Verder dient bedacht te worden dat men in Norden graag de grenzen uitlegt. Ik bedoel hiermee dat ook aangrenzende gebieden regelmatig in beeld komen. Dat geldt allereerst de Kreis Friesland en Wilhemshaven. Dit gebied stond vroeger bekend onder de naam Jeverland. Eens maakte het deel uit van Oost-Friesland maar in het verleden is het bij het hertogdom Oldenburg terecht gekomen. En wat Wilhemshaven betreft dat stuk grond is door de Pruisen aangekocht om daar een oorlogshaven aan te leggen. Maar ook de provincie Groningen komt op gezette tijden in de kolommen van dit maandblad ter sprake. De ene keer was het een impressie van de waddenloop naar Rottumeroog. Een andere keer stond het Hogeland - dat is het gebied ten noorden van de hoofdstad - centraal aan de hand van een fietstochtervaring. Soms blijven verslaggever en fotograaf dichter bij huis. Dat was het geval toen de historische schansen aan de Nederlandse kant van de grens het onderwerp waren. Voor informatie kunt u terecht bij: SKN Druck und Verlag. Abonnementenservice, Postfach 100450, D-26494 Norden. Tel: +49-4931925555
Marten Heida

Prins Willem Alexanderpark 53,

NL-3905 CB VeenendaalHet laatste woord

 Het laatste woord


Leo Camerlynck

Hechte vrienden vergeet je nooit. In memoriam Raimund Sper

In 1990 leerde ik je kennen toen je samen met Brigitte Kehnen deelnam aan een reis naar Frans-Vlaanderen. Het was een dagexcursie op initiatief van de Orde van den Prince afdeling Asse, die toen de neerlandistiek in Duisburg aan de Neder-Rijn behartigde. Ik mocht voor een zoveelste keer gidsen in het geliefde land achter de “schreve”, de grens tussen Frans- en West-Vlaanderen.

Het klikte meteen met jou en je collega docente Nederlands Brigitte. Je zangerige Nederlands met een Reinhard Mey-tintje bekoorde toen menigeen in het Prince-gezelschap. En ook daarbuiten. We bleven contact houden. De Duitse en de Nederlandse talen verbonden ons. Vaak denk ik ook aan de mooie uitstapjes in het Neder Rijnland. En ook jouw tochtjes doorheen West-Vlaanderen toen je met je gezinnetje, je lieve vrouw en kinderen, in mijn Middelkerks stekje verbleef.

We hoorden dat je het gezondheidshalve wat moeilijk had. Het zag er een tijdje naar uit dat het weer bergopwaarts ging, doch eilaas.  Dierbare Vriend, we vergeten je nooit. Ooit zien wij mekaar ergens weer


Wordt de “Schreve” opnieuw een “grens”?

De “Schreve” is - voor alle duidelijkheid – de landsgrens tussen Frans- en West-Vlaanderen. Aan beide zijden van de grens staat die scheidingslijn onder dezelfde West-Vlaamse benaming bekend.

Op het nummer 98 van de Callicanesstraat te Godewaersvelde in Frans-Vlaanderen huist een leuk museumpje gewijd aan de “blauwers en commiezen”, wat staat voor smokkelaars en douanebeambten. Hier wordt een sfeerbeeld opgehangen van de smokkelpraktijken en de beteugeling ervan, die nog levend waren tot in de tweede helft van de vorige eeuw.

Prikkeldraad en uitkijktorens zoals aan het “ijzeren gordijn” stonden er niet maar de grenscontroles waren niet te versmaden. Aan elke belangrijke grensovergang hielden douanebeambten het grensverkeer in de gaten. Voorts patrouilleerden douaniers langs de “schreve” door akkers, weilanden en bossen om mogelijke smokkelaars te vatten.

De smokkelaars verzonnen van hun kant allerlei technieken om tabakswaren en andere goederen de grens over te loodsen. Honden kwamen er ook bij te pas. Zowel de “blauwers” als de “commiezen” spraken eenzelfde West-Vlaamse gewesttaal aan beide zijden van de grens. En zij waren hoegenaamd niet de enigen.

Tot in de zeventigerjaren van de vorige eeuw spraken Frans-Vlaamse Steenvoordenaren met West-Vlaamse Poperingenaren haast uitsluitend het sappige West-Vlaamse dialect. Zo ook de Ieperling met de Cassel-naar, de Heuvellander met de Bellenaar, de Reningelstenaar met de Boeschepenaar, de Veurnenaar met de Hondschootenaar, de Kortrijkaan met de Hazebrouckenaar, kortom er was wel een rijksgrens maar geen taalgrens.

De grenzen zijn nu open. Maar wegens het jarenlange Franse jakobijnse taalbeleid ontstond een duidelijke taalgrens. De doornsnee Frans-Vlamingen geboren na 1960 verloren hun West-Vlaamse gewesttaal. In de weinig nog overgebleven herbergen hoor je nog amper het sappige taaltje onder mekaar spreken. Winkelen in het West-Vlaams in de nog resterende typische beenhouwerijen-slagerijen en bakkerijen wordt schaarser.

Er wordt wel meer dan ooit Nederlands onderwezen in Frans-Vlaanderen, en ook “Vlamsj”! Dat het standaard-Nederlands en het “Vlamsj” afzonderlijk worden onderwezen zorgt meer dan eens voor verwarring.

Zo’n veertig jaar geleden zou de redenering om vanaf het toen nog relatief veel gesproken West-Vlaams of “Vlamsj” te vertrekken om zo tot het standaard-Nederlands te komen, best te verdedigen vallen. Thans leren een aantal Franse staatsburgers met veel moeite “Vlamsj”, die maar met veel moeite kan gebruikt worden in gesprekken met West-Vlamingen. Een dialect valt nu eenmaal moeilijk aan te leren, ja zelfs helemaal niet.

Het is aan de andere kant betreurenswaardig te moeten vaststellen dat wie terecht voor het Nederlands heeft gekozen en het ook degelijk aangeleerd heeft, tot grote ergernis moet constateren dat veel West-Vlamingen halsstarrig aan hun gewesttaal blijven vasthouden. In handelszaken, winkels, taveernen en andere plaatsen waar in contact met de plaatselijke bevolking wordt getreden, wordt Nederlands verstaan maar te vaak in het West-Vlaams gerepliceerd. Wat meer taalassertiviteit zou hier heel wat oplossen.

Leo NJ Camerlynck

“De Zavelberg”

Edouard Michielsstraat 51

B- 1180 Ukkel (Brussel)

T. + 32 485 630 227

E. leo.camerlynck@skynet.be