> nieuwsbrief > jg. 37 - 1e trimester 2019

Bijdragen over:

Mededelingen

Hernieuwen ledenbijdrage voor 2019

Hoewel we, zoals elk jaar overigens, straks weer geconfronteerd zullen worden met de – uiteraard weer eens naar boven – aangepaste posttarieven, blijft uw ledenbijdrage voor 2019 ongewijzigd. Ze beloopt voor het in mei 2019 te verschijnen nieuwe – 41e - Jaarboek De Nederlanden ‘extra muros en voor de driemaandelijkse Nieuwsbrief Zannekin 29 €. Vanaf 35 € wordt u met dank als steunend lid geboekt.

Betalen kan enkel nog via ons ‘Belgisch’ zogenaamd ‘Europees’ rekeningnummer iban BE13 4648 2202 5139 – bic: KREDBEBB BE, waarvan de rekeningoverzichten ons dagelijks meegedeeld worden. Enkel leden buiten België vinden bijliggend nog een betaalformulier. Gezien veelal via e-banking vereffend wordt worden deze binnen België’ stilaan overbodig. Leden genieten bovendien ook een tastbare vermindering op de deelnamekosten van de Zannekin-activiteiten.

 

Oude jaargangen van de Zannekin-Nieuwsbrief

Via deze website zal men eerstdaags - onder de ‘link’ 'Oude Nieuwsbrieven' alle Zannekin-Nieuwsbrieven kunnen raadplegen. De jaargangen 1983 (de eerste) tot en met 2000 bestonden tot nog toe alleen maar op papier en op deze website. Daar komt straks verandering in: deze tot nog toe niet digitaal nog niet beschikbare jaargangen werden ingescand en zullen eerstdaags beschikbaar zijn via onze webpagina’s. Ze zullen bovendien doorzoekbaar zijn via zoektermen die het consulteren ervan vlot mogelijk zal maken.

 

Zannekin-Ontmoetingsdag 2018 in Ravenstein


Op 13 oktober ging naar jaarlijkse traditie de herfstontmoeting door van de Vereniging/Stichting Zannekin. Ditmaal was het oude vestingstadje, het “Kleefse” Ravenstein aan de Maas het doel.

De geschiedenis van dit lieflijk stadje begon in 1360, toen Walraven van Valkenburg zijn kasteel van Herpen verplaatste naar een plek aan de Maas. Uiteraard met de bedoeling tol te kunnen eisen van de voorbijvarende schepen. Al in 1380 kreeg Ravenstein stadsrechten van Reinout van Valkenburg. Na de voormiddag met een korte filmprestatie over de barokke St. Luciakerk in het oude Raadshuis en een stadswandeling volgde in de namiddag de hoofdbrok, dat geheel in het teken stond van Filips van Kleef-Ravenstein. Wij putten uit de tekst van de Nieuwsbrief van de organisatoren: “Filips van Kleef-Ravenstein werd geboren in Le Quesnoy, jammer genoeg nu Frans, toen nog Nederlands, in 1459 en stierf in het kasteel van Wijnendale in West-Vlaanderen op 28 januari 1528. Hij was tevens heer van Ravenstein, Wijnendale en Edingen. Door familiebanden speelde hij een belangrijke rol in de Nederlanden op het einde van de 15e eeuw en de eerste decennia van de 16de eeuw. Zo werd hij o.a. in 1477 door Maria van Bourgondië en haar echtgenoot Maximiliaan van Oostenrijk aangesteld tot militair bevelhebber van Frans-Vlaanderen en bestreed hij met afwisselend succes de invallen van de Franse legers. In 1482 kreeg hij de opdracht de orde in Luik te herstellen na de moord op Prins-bisschop Lodewijk van Bourbon door Willem van der Marck, “le senglier des Ardennes”. Hij trouwde in 1485 met Francisca van Luxemburg, dochter van de toenmalige kasteelheer van Edingen”. Tot zo ver het belangrijkste. Wim van Heugten leidde ons in in het ontstaan van de banden tussen Kleef en Bourgondië rond 1400 en de banden tussen Wijnendale en Ravenstein, die zeer intens waren, ook cultureel. Jan van Tongeren ging dieper in op het optreden van Filips van Kleef tijdens het onderdrukken van de 2 opstanden (1483, 1487) tegen Maximiliaan in Brugge, Gent en Ieper. Om volledig te zijn: in 1609 werd het land van Ravenstein toebedeeld aan de keurvorst van Brandenburg en de hertog van Neuburg. Terwijl prof. dr. Jan van Mourik (universiteit Nijmegen) nader inging op de persoonlijkheid van Filips van Kleef en vooral zijn rol als vestingbouwer van Ravenstein.

Vergeten wij immers niet dat Ravenstein altijd al een grensstadje is geweest tussen Brabant en Gelderland. In 1509 werden de vestingwerken hernieuwd, maar het was Maria van Hongarije, landvoogdes der Nederlanden, die in 1544 de opdracht gaf ze af te breken. De sloop werd evenwel nooit helemaal voltooid.

Vermelden wij nog dat het pas in 1988 was dat onze professor als bij toeval, bij het bouwen van een tuinhuisje in zijn tuin stuitte op deze vestingen.

Zicht op de windmolen van Ravenstein

 

 

 

 

 

Het heeft heel wat moeite gekost om de stad Oss (waarbij Ravenstein nu behoort) te overtuigen de nodige gelden ter beschikking te stellen om dit alles te bewaren en zo veel mogelijk te restaureren. De herfstontmoeting werd afgesloten met een wandeling via het “Philips van Kleefbolwerck” naar de stellingmolen met de stadsbrouwerij “De Wilskracht”, dit alles eveneens onder de deskundige leiding van de professor. Waar afgesloten werd met een heerlijk streekbiertje. In elk geval mogen wij de “Stichting Vestingwerken Philips van Kleef” van harte feliciteren voor het werk tot bewaren van dit alles dat ze geleverd heeft. Het stadje zelf is heel bekoorlijk, wij hebben er van harte van genoten (geholpen uiteraard door het prachtige nazomerweer). Genoten we van de schoonheid van zijn oude straatjes, we hebben er ook met respect naar gekeken. Hier heeft zich immers een belangrijk stuk uit onze geschiedenis afgespeeld. Valkenburg, Kleef, Le Quesnoy, Wijnendale, Edingen, Ravenstein (om de stenen van de vesting niet te vergeten die uit… Namen kwamen!), dit alles toont de verwevenheid van onze Nederlandse gewesten méér dan voldoende aan.

Bron: Brief uit de Rijn-, Maas-, Schelde-delta, nr. 6/2018

 

 

Keer terug naar uw dorp!


Toen ik als piepjonge betoger in Brussel marcheerde in de Marsen op Brussel in he begin van de jaren zestig van de vorige eeuw werden wij verwelkomd door rabiate Franstalige tegenbetogers met een plakkaat waarop stond: Keer terug naar uw dorp! Mijn zes jaar oudere broer Antoon en ikzelf waren toch wat verbaasd.

Wij kwamen beiden uit de oude stad Brugge wat toch bezwaarlijk een dorp kon worden genoemd. En vele andere betogers kwamen uit Antwerpen, Gent, Mechelen en Kortrijk wat ook toen toch al geen dorpen waren.

De minachting die uit deze slogan sprak betekende toen dat wij werden beschouwd als kleine domme boeren die geen Frans konden of wilden spreken en die de pretentieuze grootstad Brussel toen twee keer onveilig maakten met die massale optochten of die Marsen op Brussel.

Vele decennia later woon ik al meer dan twee decennia in Brussel en zou ik – o ironie van mijn levenslot – graag in een landelijk rustig dorp wonen zoals bij voorbeeld Grimbergen (dicht bij de abdijkerk), of in Gooik, in Herne, in Kester, in Galmaarden of zelfs in Bever.

Het is ook nooit goed en het komt ook nooit meer goed met mij. Of moet ik vluchten of uitwijken naar verfranste badplaatsen als De Panne en Knokke-het-Zoute?

Nee toch. Voorlopig blijf ik in mijn getto van Schaarbeek te midden van het fijn stof, de ongezonde lucht en de vervuilde straten en zal ik u allen blijven bestoken met mijn waarheden vanop mijn waarheidsgronden aan de overwelfde ondergrondse Zenne.

Hendrik Carette


Aandacht voor de Waalse talen


Tien Waalse gemeenten investeren extra in het promoten van de Waalse talen. Dat gebeurt op initiatief van Franstalig minister van Cultuur AIda Greoli (cdH). De regionale talen in Wallonië zijn immers met uitsterven bedreigd. Slechts 10 procent van de bevolking bezuiden de taalgrens spreekt ze nog.

Wat hebben Charleroi, Durbuy, Luik, Hoei, Namen, Gerpinnes, Malmedy, Sivry-Rance, Gesves en Blegny gemeen? Het zijn de tien Waalse steden en gemeenten die het gebruik van de Waalse talen opnieuw een impuls willen geven. Zo zullen webstekken van gemeenten zowel in het Frans als in een Waalse taal beschikbaar zijn. Straatnaamborden zullen naast het Frans ook een regionale variant krijgen. In bibliotheken komt een afdeling met aandacht voor de Waalse talen.

De term 'taal' is op zijn plaats, want het Waals, Gaumais, Picardisch of Champenois zijn geen dialecten, maar echte talen die de voorbije tweehonderd jaar door het Frans zijn weggedrukt. Men vergeet vaak dat het in Vlaanderen indertijd zo gehate 'signum' een Waalse variant heeft gekend. Wie indertijd op Vlaamse colleges op de speelplaats een Vlaams dialect sprak kreeg een 'signum'. Meestal ging het om een rol papier waarop leerlingen hun naam moesten schrijven als ze betrapt werden op het spreken van hun moedertaal of dialect. Vervolgens probeerden ze het door te geven aan een medeleerling, die zij op hun beurt betrapten. Wie op het eind van de speeltijd, de dag of de maand, het signum in handen had, werd gestraft, soms met een geldboete. In Waalse scholen werd deze praktijk ingevoerd om het gebruik van het Waals tegen te gaan. Bezuiden de taalgrens is de verfransing veel beter geslaagd.

De Franstalige minister van Cultuur Alda Greoli wil dat Waalse patrimonium nu dus herwaarderen. Ze kreeg daarbij de steun van Michel Francard, professor aan de UCL en specialist van de Waalse regionale talen. In La Libre Belgique werd vorige vrijdag uitgebreid ingezoomd op het initiatief. De tijd is voorbij dat men het spreken van Waals en aanverwanten als achterlijk beschouwt. Vaak wordt vergeten dat op de RTBF-televisie en -radio nog lange tijd programma's in de Waalse taal werden gepresenteerd.

Ducasse

In 1920 sprak ongeveer 80 procent van de inwoners van Wallonië nog een Waalse taal. Ondertussen is dat gedaald tot 10 procent. Bepaalde talen worden nog slechts door enkele honderden mensen gesproken, zoals het Champenois (in de streek ten westen van de Ardennen, bij de Franse grens) en het Gaumais (Virton).

Zij zijn met uitsterven bedreigd. Het Waals leeft nog sterk in het Luikse. En het Picardisch blijft overleven in het westen van de provincie Henegouwen. Er zijn trouwens grotere verschillen tussen de talen dan men denkt. Het woord 'ducasse' voor kermis is typisch Picardisch. In die taal vind je veel woorden meteen Angelsaksische oorsprong. Zoals 'kè', wat dragen betekent en afstamt van het Engelse 'carry'.

Het initiatief van de Franse Gemeenschapsregering krijgt veel lof, en de steden en gemeenten die de regionale talen willen promoten reageren positief, maar de vraag is tot welk resultaat dit zal leiden. In een interview met La Libre Belgique ontkent Michel Francard dat het om een achterhoedegevecht gaat. Hij haalt er cijfers bij. Regionale talen worden in Wallonië nog altijd door zo'n 300.000 mensen gesproken. Dat zijn er meer dan in Corsica en Bretagne, hoewel de Corsicanen en de Bretoenen ook een sterke regionaal-linguïstische reflex hebben. Hij wijst ook op 'la Fête aux langues de Wallonie' dat al drie jaar bestaat en in mei opnieuw plaatsvindt.

Opvallend in heel de discussie is dat men het enkel over de 'Romaanse talen' in Wallonië heeft. Er is geen aandacht voor het Vlaamse dialect dat in Moeskroen wordt gesproken, of het Brabants in Edingen. En dan hebben we het nog niet over het Letzeburgs dat misschien wel de meest levende taal op Waals grondgebied is. Zeker in de streek rond Aarlen is het Letzeburgs nog sterk ingeburgerd. Eenvoudigweg omdat het Groot-hertogdom Luxemburg bij de deur ligt.

Picard

___________________

Bron: ’t Pallieterke, 8 maart 2018

 

Een Friese Europeaan: Viglius van Ayata



Weinig Friezen hebben zo’n belangrijke bijdrage aan de Europese cultuur geleverd, en zo veel invloed uitgeoefend op de politieke en geleerde wereld van hun tijd als Viglius van Aytta. Zijn leven omspande een groot deel van de zestiende eeuw. Overal werden zijn bijzondere intellectuele begaafdheden en persoonlijke kwaliteiten erkend.

Viglius was jurist, humanist, diplomaat, Friese herenboer en staatsman. Hij ontpopte zich tot een sleutelfiguur in het bestuur van het Habsburgse rijk in de Nederlanden. Met keizer Karel V, koning Filips II en de landvoogdessen Maria van Hongarije en Margaretha van Oostenrijk stond hij in het centrum van de macht. Tijdens de opstand der Nederlanden zat hij aan tafel met alle bekende figuren uit de roerige zestiende eeuw zoals Alva, Willem van Oranje en de graven Egmont en Hoorne. Toch bleef Viglius tot op vandaag een onbekende naam. Hij ligt begraven in de Sint-Baafskathedraal in Gent.

Kees Sluys ondernam een zeer verdienstelijke poging om de Fries Viglius van Aytta in de context van zijn tijd de plaats toe te kennen die hem toebehoort. De voorliggende biografie werd heel fijn en verzorgd in vierkleurendruk uitgegeven.

Vermelden we nog dat in het centrum van Leeuwarden in oktober ll. een standbeeld van Viglius van Aytta onthuld werd.

Pieter Jan Verstraete

______________________

N.a.v. Kees Sluys, Viglius van Aytta: Friese Europeaan avant la lettre. Bussum, Thoth, 2018. Ill, 128 blz. Geb., 14,95 euro, ISBN 978 90 6868 762 0.

 

 

Een standbeeld voor Willem I in Gent!


Maurits Cailliau

 

Het is geweten: het geschiedenisonderricht is een van de stiefkinderen in het hedendaagse onderwijs. En als Koning Willem I der Nederlanden daarbij nog ooit ter sprake komt, dan wordt hij afgeschilderd als de diehard die Belgische Revolutie het liefst ongedaan had gemaakt. Maar als het van de Gentse professor Alexander Karel Evrard afhangt, dienen we die geschiedenisboeken te herschrijven. ‘Gent heeft álles te danken aan Willem I. Logisch dat er voor hem een standbeeld komt aan de Reep.

Alexander Karel Evrard

(Foto Mark Ingelaere)

 

 

 

Professor emeritus Alexander Evrard (ondertussen 94 jaar jong) geniet, na een welgevulde carrière als neuropsychiatrie en hoogleraar psychologie en psychiatrie aan de Universiteit Gent, van zijn pensioen. Maar de man bleef niet stilzitten, bij het najagen van een van zijn jeugddromen: het oprichten te Gent van een standbeeld voor koning Willem I. Samen met het genootschap ‘Bedankt Willem’ streed hij al jaren voor het eerherstel voor de eerste koning van de Verenigde Nederlanden, die tot 1830 heerste over wat nu de Benelux-landen genoemd worden.

“Al sinds mijn schooltijd op het Sint-Barbaracollege in Gent hoorde ik dat Willem I de Noorderduivel was. Telkens wanneer ik zijn beleid nog maar durfde te verdedigen, kreeg ik een flinke portie straf”, zegt Evrard. “Mijn leerkrachten begrepen het niet, maar ik was er zeker van: een echte Gentenaar is orangist.” Dat waren zij – de Gentenaars - toentertijd ongetwijfeld, samen met vele andere Zuid-Nederlanders trouwens, om maar die van o.m. Ieper en Diksmuide te vernoemen.

Nadat recent eerder dit jaar een eigen straat naar koning Willem I vernoemd werd is nu ook – op 20 oktober - diens standbeeld in Gent onthuld. Het staat er aan de Reep/Bisdomkaai en kijkt uit over het opnieuw opengelegde water.

 

 

Zicht op de aanwezigen vlak na de onthulling van het standbeeld (Foto ‘Het Nieuwsblad’)

 

De onthulling ging met heel wat ‘randanimatie’ gepaard waarover we er hier het zwijgen toe doen. Evenzo over de rol van het Vlaamse en Gentse establishment bij dit gebeuren. Wel even aandacht voor de korte maar bevlogen toespraak van Alexander Evrard zelf, die er in een eerder gedateerd taalgebruik terecht aan herinnerde dat: “Na Jacob van Artevelde Willem I de grootste weldoener was voor onze stad. Hij was verantwoordelijk voor drie hoogtepunten in de geschiedenis van Gent: de oprichting van de universiteit, de florerende textielindustrie én hij gaf de opdracht voor het graven van het kanaal Gent-Terneuzen. De onthulling van dit standbeeld is een verwezenlijking van een oude droom.” Inderdaad, ook de Artevelden hielden de ogen op het Noorden gericht! En dat koning Willem I, naast de Gentse ook de Luikse universiteit en de Waalse staalindustrie oprichtte, daaraan werd door alle sprekers stilzwijgend voorbij gegaan.

Al in 2010 smeedde de ereprofessor en zijn comité ‘Willem Bedankt’ plannen om Willem I een standbeeld te geven in Gent, maar ten gevolge van het aanslepen van het heraanleggen van de Reep, moest het comité tot vandaag geduld oefenen voor het tot de onthulling van het bronzen beeld kwam, waarvan kunstenaar Guy Du Cheyne de ontwerper is.

Evrards geboeid zijn door Willem I dateert al van toen hij in Leiden studeerde. Toen zou hij in Delft geknield hebben bij het graf van de vorst en hem beloofd hebben diens naam te zuiveren. “Al sinds mijn studententijd ben ik ‘Groot Nederland’-gezind. Door de eeuwen is het immers altijd zo geweest, België is een land dat in 1830 ‘uitgevonden’ werd.”

Er waren behoorlijk wat Groot- en Heel-Nederlanders opgedaagd en de Oranje-Blanje-bleu vaandels ontbraken evenmin bij dit heugelijk gebeuren. Eén wanklank was er ook: toen na de samenzang van ‘Klokke Roeland’ en de ‘Vlaamse Leeuw’ door een deel van de aanwezigen het ‘Wilhelmus’ ingezet werd, overstemde de ‘regie’ dit door loeihard een ‘vrolijke’ deun door de geluidsinstallatie te jagen. Of waarin hedendaagse Gentse ‘Orangisten’ zich eerder kleintjes kunnen manifesteren.

 

 

Het laatste woord


Leo Camerlynck

 

Van Herzel naar Maerkappel

De regio Bretagne pakte als eerste uit met een tweetalige Frans-Breto(e)nse wegsignalisatie. De eerste borden dateren uit de zeventiger jaren van de voorbije eeuw. Corsica, Occitanië, Frans-Baskenland, de Catalaanse Roussillon volgden een na een. In de Elzas en in Moezel-Lotharingen waagde men zich hier ook aan, zij het schoorvoetend en voorzichtigheidshalve in het plaatselijke dialect van het Duits. Zoals vaker huppelde Frans-Vlaanderen als laatste achterop in de rij.

Bretagne blijft veruit het taalgebied met de in het straatbeeld meest zichtbare tweetaligheid. Richtingsborden, straatnaamborden, plaatsnaamborden, hoofdzakelijk in het Bretoenstalige deel van het schiereiland, doch ook in het van oudsher Gallo-sprekende gedeelte van Bretagne.

Het eiland Corsica doet ook zijn best.

In de Elzas worden sommige plaatsen met een eeuwenoude mooi klinkende Duitse naam bedacht met een tweetalig Duits-Elzässisch bord. Het geen verwarrend overkomt.

In Frans-Vlaanderen was het een en al feestvreugde toen het bord met “Bailleul” het gezelschap kreeg van een bord met “Belle”. Het sein was gegeven en andere municipaliteiten volgden zoals Sint-Jans-Kappel en Berten.

Eilaas, er verschenen borden zoals Flêtre – Vleeter, in plaats van Vleteren, Herzeele – Herzel (sic), tot Sainte-Marie-Cappel – Maerkappel (resic). De toestand dreigt uit de hand te lopen.

De aanhangers van de Akademie van nuuze Vlaemsche Taele (ANVT) pleit voor een retranscriptie van de plaatsnaam zoals die in het West-Vlaamse dialect wordt uitgesproken in plaats van de historisch Nederlandse benaming.

Opdat de situatie niet verder dreigt te verzieken, is het aangewezen dat plaatsnamen die enkel in het Nederlands, al dan niet in een archaïsche spelling, worden vermeld onberoerd zouden worden gelaten zoals Oudezele, Lederzeele, Watten, Wormhout, Killem, Broxeele, Volckerinckhove, Buysscheure, Ghyvelde e.a. terwijl andere plaatsnamen die verfranst zijn of een Franse doublette hebben, voorzien worden van de historisch Nederlandse benaming zoals met Bergues – Sint-Winoksbergen, Dunkerque – Duinkerke, Le Doulieu – Zoeterstede, Renescure – Ruisscheure, Graveline – Grevelingen, Houtkerque – Houtkerke, Esquelbecq – Ekelsbeke, Neuf-Berquin – Noord-Berkin, Vieux-Berquin – Zuid-Berkin, e.a. Wordt vervolgd.

 

Frans-Vlaamse herbergen

Een mooi en welgekomen initiatief is ongetwijfeld de oprichting van een overkoepelende vereniging van Vlaamse herbergen in Frans-Vlaanderen. Één van de criteria bestaat erin dat zowel de buiten- als de binnenzijde van de herberg de Vlaamse geest reflecteert. Bij voorkeur bakstenen of deels houten gebouwen met een typisch Vlaams interieur behoren ook tot de prioriteiten. Voorts worden plaatselijke, lees Vlaamse culinaire specialiteiten aangeboden. Potjesvlees, Vlaamse carbonnaden, waterzooi e.d.m. mogen niet ontbreken. Ook mag het schuimend gerstevocht niet mankeren.

Er werd zelfs een zeshoekig oranje label ontworpen met de tweetalige vermelding “Estaminets Flamands – Vlamsche Herbergen”. Op de vraag aan de initiatiefnemers waarom ze het adjectief “Vlamsche” foutief spelden, was  het antwoord dat ze te rade waren gegaan bij de Akademie van Nuuze Vlaemsche Taele. Wij repliceerden dat ze in het vervolg beter te rade zouden gaan bij het Huis van het Nederlands te Belle. Ook argumenteerden wij dat de meeste aangesloten herbergen zich weliswaar in de Frans-Vlaamse Westhoek bevinden doch dat er toch ook een groeiend aantal estaminets in Waals-Vlaanderen bestaan, waar Picardisch en nooit  Vlaams werd gesproken. Er werd toegezegd dat er bij de verdere aanmaak van de zeshoekige labelborden er op toe zal worden gezien dat de vermelding in correct Nederlands zal gebeuren, zijnde “Vlaamse Herbergen”.

 

De Nieuwste publicatie van Wido Bourel

“Het meten van de tijd, symbolen en tradities”

Na het succes van de eerste editie van Wido’s boek Olla Vogala, het verhaal van de taal van de Vlamingen, in Frankrijk en elders heeft de Bretoense uitgever Yoran Embanner beslist om een tweede herziene druk uit te geven. Dit tweetalig boek is opnieuw beschikbaar in de betere Belgische en Franse boekhandels. Voor meer informatie klik op https://www.widopedia.eu/olla-vogala

Olla Vogala kreeg ook een zeer positieve recensie in het … Breto(e))ns. Klik hier voor de vertaling van Breto(e)nskenner Jan Deloof : https://www.widopedia.eu/olla-vogala-recenseert-men-ook-het-bretons

Kort vóór Kerstmis 2018 verscheen zijn nieuwe, tweetalige publicatie Het meten van de tijd, symbolen en tradities – La mesure du temps , symboles et traditions. De oplage is evenwel beperkt. Klik hiervoor op https://www.widopedia.eu/het-meten-van-de-tijd

 

Lands- en provinciegrensoverschrijdend Nedersaksisch

In De Volkskrant van 9 oktober 2018 blokletterde journalist Mac van Dinthen het volgende: “Nedersaksisch krijgt eindelijk erkenning: geen dialect, maar een volwaardige taal.” Regionale overheden en het Rijk spreken af het Nedersaksisch als streektaal te stimuleren. Eindelijk erkenning, zeggen kenners. ‘Een volwaardige taal waar je trots op kunt zijn.’ “Of ze weet wat ‘aaltemit’ betekent? Nee, daar moet Ellis Wiggemans (51), verkoopster van Mooiman mode in Winterswijk, ook na lang nadenken het antwoord op schuldig blijven. ‘Deenkelsdag’ dan? ‘Geen flauw idee.’ Huulbessem? ‘Is dat niet bezem?’ Aaltemit (misschien), deenkelsdag (dinsdag), en huulbessem (stofzuiger) zijn woorden uit het Nedersaksisch, een streektaal die gesproken wordt in Noordoost Nederland, grofweg van de Achterhoek tot aan Groningen”, schrijft Mac van Dinthen.

Medio oktober 2018 ondertekenden zeven regionale overheden (de provincies Drenthe, Fryslân, Gelderland, Groningen en Overijssel en de gemeenten Oost- en Weststellingwerf) met het Rijk een convenant om het gebruik van het Nedersaksisch als streektaal te stimuleren. Dat betekent niet dat het Nedersaksisch een officiële status krijgt als rijkstaal, zoals het Fries en het Algemeen Beschaafd Nederlands (ABN). Het is wel een erkenning van het Nedersaksisch, zegt Hans Gerritsen, voorzitter van SONT, de Samenwerkende Organisaties in het Nedersaksisch Taalgebied.

“In die zin heeft het convenant volgens hem grote symbolische waarde. ‘Voor ons is van belang dat het Nedersaksisch niet langer wordt gezien als een minderwaardig dialect, maar als een volwaardige taal waar je trots op kunt zijn.’ Dat het Rijk dit nu ook erkent, is volgens hem winst”, vervolgt Hans Gerritsen op vraag van journalist Mac van Dinthen.

Is het een Nederlands dialect of niet?

Het Nedersaksisch ontstond rond het jaar 800 en was grotendeels de taal van de Hanze, het middeleeuwse handelsverbond in Noordoost-Europa. Nedersaksisch is net als het Nederlands voortgekomen uit het Germaans. Maar het is géén dialect van het Nederlands, verklaart Lex Schaars, dialectoloog met emeritaat die werkt aan een Nedersaksisch woordenboek.

“Het Nedersaksisch is ontstaan uit het Nederduits dat in Westfalen en Nedersaksen werd gesproken. Het standaard Nederlands is voortgekomen uit Hollandse dialecten.’ Het hele Nedersaksische taalgebied loopt van Oost-Nederland via Noordoost-Duitsland tot aan Denemarken”, vervolgt Lex Schaars.

Die theorie klopt slechts gedeeltelijk want algemeen wordt aanganomen da het Nederlands van de Statenbijbel ontstaan is uit het Vlaams, Brabants, Gelders, Kleefs en Hollands.

Anders dan het Fries is er ook niet één standaard Nedersaksisch. Alleen al Nederland kent minstens zeven regionale varianten, zoals Drents, Twents, Veluws, Sallands, Achterhoeks, Gronings en Stellingwerfs. Nedersaksisch kreeg in 1996 al erkenning als regionale taal in het Europees Handvest, net als het Limburgs. Pogingen om het Nedersaksisch dezelfde status te geven als het Fries stuitten telkens op verzet van het Rijk. Dat zou betekenen dat er ook onderwijs in wordt gegeven en dat officiële documenten in de streektaal worden gezet, verklaart Mac van Dinthen.

Zover wilde het Rijk niet gaan, zegt Gerritsen. ‘Dat brengt bureaucratie en kosten met zich mee. Daar waren ze huiverig voor.’ Na jarenlang onderhandelen, ligt er nu het convenant dat het Nedersaksisch erkent als een ‘verrijking voor het Nederlands cultureel erfgoed’.

Verder wordt het aan regionale overheden overgelaten daar invulling aan te geven, bijvoorbeeld in het onderwijs. Een budget levert het Rijk daar niet bij. Toch is het belangrijk, vindt Gerritsen. ‘Voor ons is de erkenning voldoende.’

En in Duitsland?

Het Nedersaksisch bestrijkt in Duitsland een veel uitgestrekter gebied. In een Duits artikel lezen wij: “Die heutige Sprachwissenschaft behandelt beide Sprachvarianten (Niedersächsisch in Deutschland und in den Niederlanden) in der Regel getrennt und wertet sie zum einen als niederländische Dialekte und zum anderen als deutsche.“

In de 19e eeuw bestond er in zowel Duitsland als in Nederland en Vlaanderen een Al-Dietse beweging, die het Nederlands-Nederduits als één taal wilde bevorderen van Duinkerke in het huidige Frans-Vlaanderen tot Dorpat, het huidige Tartu in Estland. Een reminiscentie daarvan is het door de West-Vlaming Peter Benoit getoondichte gedicht van de hand van de Noord-Duitse Klaus Groth, met name “Mijn Moederspraak”.

 

Meer dan ooit Ostbelgien

België is een drietalig land met naast het Nederlands en het Frans ook nog het Duits. Zoveel is duidelijk. Terwijl de deelstaten zich een officiële benaming aanmaten, bleef de Duitstalige gemeenschap buiten spel. Er werd over de Oostkantons gesproken, ook soms wat misprijzend over “les cantons rédimés”.

Het kwam nooit tot een echte benaming voor dit oostelijk deel van België. De kenletters “DG” hebben al een tijdje geleden hun intrede gedaan en zijn goed opgevangen.

Het Duitstalig gebied kwam er nog meer versterkt uit in 2017 toen “Ostbelgien” de officiële naam werd voor dit mooie stukje België. De wens naar meer zelfstandigheid zet zich onverminderd door in zo verre dat gepleit wordt voor een eigen gewest zoals Vlaanderen, Wallonië en Brussel.

 

Duits-Lëtzebuergësch in het Arelerland

Het Duits in zijn Luxemburgse variant houdt opmerkelijk stand in het Arelerland, de streek rond Aarlen. Ondanks een door Franstalig België jaren lang doorgevoerd verfransingspolitiek, blijft de kennis van het Duits-Luxemburgs nog paraat.

Waaraan ligt dat? Heel wat Aarlenaren zijn voor hun beroepsactiviteiten aangewezen op het Groothertogdom Luxemburg. Een mondje Lëtzebuergësch opent veel deuren. In het straatbeeld verschijnt die taal ook steeds meer. Een bijkomend gunstig factor van recentere datum zijn de taalbadscholen of immersieonderwijs. Jaar na jaar groeit het aantal scholen waar een deel der lessen in het Duits wordt gegeven.

Officiële cijfers zijn niet voorhanden doch er wordt vanuit gegaan dat ongeveer een 20.000 inwoners van het Arelerland het Duits-Luxemburgs beheersen.

Leo N.J. CAMERLYNCK

“De Zavelberg”

Edouard Michielsstraat 51

B – 1180  UKKEL / Brussel

T. 32 485 630 227

E. leo.camerlynck@skynet.be