Verleden tijd

Verleden tijd

© Paul Corthouts

Noteer de juiste vorm van de verleden tijd!

1. Dat kleine meisje (staan) alleen op het plein.

2. Ze (roepen) naar de mensen rond haar.

3. Maar niemand (antwoorden) haar.

4. Gelukkig (vinden) papa snel zijn dochter terug.

5. Hij (geloven) haar verhaal niet.

6. Ze (doen) het niet met opzet.

7. Doodvermoeid (komen) het kind thuis aan.

8. Ze was blij dat vader haar gered (hebben) .

9. De volgende dag (vertrekken) ze samen naar school.

10. Het meisje (wuiven) naar haar ouders.