Als je een tekst leest, is het belangrijk dat je de boodschap goed begrijpt. Een knappe lezer zoals jij let vooral op drie soorten woorden die in een tekst voorkomen. Nu volgt een gedeelte uit een informatieve tekst. In elke zin staat een woord tussen haakjes. Probeer nu zelf uit te maken of het een sleutelwoord, signaalwoord of verwijswoord is.
In de krant lees je vaak over (milieuproblemen).
sleutelwoord
verwijslwoord
signaalwoord
(Deze) ontstaan dikwijls in industriegebieden.
sleutelwoord
verwijswoord
signaalwoord
Maar niet alleen de (industrie) heeft schuld aan deze vervuiling.
sleutelwoord
verwijswoord
signaalwoord
(Vooreerst) moeten de meeste mensen beseffen dat ze zelf iets aan het milieu kunnen veranderen.
sleutelwoord
verwijswoord
signaalwoord
Daarbij moeten (ze) hun eigen omgeving netjes houden.
sleutelwoord
verwijswoord
signaalwoord
(Bovendien) bestaat er een groot afvalprobleem.
sleutelwoord
verwijswoord
signaalwoord
Dat kan verholpen worden door (recyclage).
sleutelwoord
verwijswoord
signaalwoord
(Dit) is het opnieuw gebruiken van afval
sleutelwoord
verwijswoord
signaalwoord
(Maar) dan moet iedereen hieraan willen meewerken.
sleutelwoord
verwijswoord
signaalwoord
In een (recyclagepark) kan je verscheidene afvalstoffen binnenbrengen.
sleutelwoord
verwijswoord
signaalwoord
(Om te beginnen) is er een container voor glas, plastiek en papier.
sleutelwoord
verwijswoord
signaalwoord
(Daarnaast) is er ook ruimte voor puin en tuinafval.
sleutelwoord
verwijswoord
signaalwoord
Tenslotte mag je er ook klein gevaarlijk (afval) deponeren.
sleutelwoord
verwijswoord
signaalwoord
Wie al deze stoffen recycleert, helpt uiteindelijk mee aan een gezond (milieu).